id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.018 Rolnummer: A. 223497/X-17039 Zaak: Arrest 245018 - Onteigeningen - 27/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-05 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-21 22:15 Fiche Arrest nr 245.018 van 27 juni 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 245.018 van 27 juni 2019 in de zaak A. 223.497/X-17.
- In zake :
- Jos GAUTIER
- Julia GAUTIER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Dillemans kantoor houdend te 3040 Neerijse Loonbeekstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 september 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn van 17 juli 2017 om, in het algemeen belang voor de aanpassingen van de zijbermen van de N253, bepaalde onroerende goederen op het grondgebied van de gemeenten Bertem en Huldenberg, aangeduid op de bij het besluit gevoegde plannen, onmiddellijk in bezit te nemen en ze te onteigenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 ‘betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte’. X-17.039-1/5 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 240.101 van 5 december 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 maart
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Patrick Dillemans, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Joris Geens, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-17.039-2/5 III. Kortedebattenprocedure - Rechtsmacht
- De verwerende partij heeft op 14 februari 2019 aan verzoekers, eigenaar van een te onteigenen onroerend goed, met toepassing van het decreet van 24 februari 2017 ‘betreffende onteigening voor het algemeen nut’ (hierna: Vlaams Onteigeningsdecreet) de dagvaarding laten betekenen om op 12 maart 2019 te verschijnen voor de vrederechter van het derde kanton Leuven.
- Verzoekers betwisten dat de Raad van State hierdoor zijn rechtsmacht in de voorliggende zaak zou hebben verloren: - het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 is slechts van toepassing vanaf 1 januari 2018; het onteigeningsbesluit van 17 juli 2017 dateert van voordien; volgens de overgangsbepalingen is titel 3 van het decreet, met betrekking tot de bestuurlijke fase, niet van toepassing op de lopende administratieve procedures; - “huidige casus” dient, voor wat de procedure voor de Raad van State betreft, nog te worden afgehandeld “in het kader van de wetgeving van toepassing op het ogenblik dat het bevochten onteigeningsbesluit werd getroffen dd. 17/7/2017”; dit is niet de wet van 26 juli 1962 waarvan nu net de toepassing door de verwerende partij “de juridische drijfveer bij uitstek was en is van het verzoek tot nietigverklaring en vordering tot schorsing bij de Raad van State”; overigens blijkt nergens uit de wet van 26 juli 1962 “dat eens de vrederechter gevat is, hiermee de bevoegdheid van de Raad van State zou zijn uitgesloten”.
- Terecht wijzen verzoekers erop dat het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 in werking is getreden op 1 januari
- Terecht ook– gelet op de slotbepaling van artikel 124 – doen zij gelden dat titel 3 ‘Bestuurlijke fase’ van het decreet niet van toepassing is op lopende administratieve procedures. X-17.039-3/5 De dagvaarding van verzoekers overeenkomstig artikel 46 en volgende van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 situeert zich evenwel niet in de bestuurlijke, maar in de gerechtelijke fase. Wat die gerechtelijke fase aangaat, die in titel 4 geregeld wordt, bepaalt artikel 124 alleen dat titel 4 niet van toepassing is op lopende gerechtelijke procedures; deze blijven onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van het decreet. Bij gebrek aan lopende gerechtelijke procedures is door de gerechtsdeurwaarder op juiste grond toepassing gemaakt van (titel 4 van) het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari
- Gelet op artikel 50 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017, is de vrederechter bevoegd om uitspraak te doen over de wettigheid van de onteigening, en bijgevolg om de voor de onteigening vereiste besluiten van de onteigenende overheid op zowel hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen. Die bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van die handelingen.
- Het voorliggende beroep is ingesteld op basis van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, naar luid waarvan ieder die van een belang doet blijken een beroep tot vernietiging kan instellen tegen “de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden”. Deze algemene bevoegdheid is residuair en uitgesloten wanneer tegen een bepaalde bestuurshandeling een andere jurisdictionele beroepsmogelijkheid openstaat (zie, inzake onteigeningen, bijvoorbeeld GwH 14 juli 1992, nr. 57/92, B.3; GwH 23 december 1992, nr. 80/92, B.3). X-17.039-4/5 Nu verzoekers door de verwerende partij voor de vrederechter zijn gedagvaard en bijgevolg de wettigheid van het ministeriële onteigeningsbesluit van 17 juli 2017 voor de vrederechter kunnen betwisten, verliest de Raad van State te dezen zijn rechtsmacht.
- Er is reden om het voorliggende beroep te verwerpen en de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig juni 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust. X-17.039-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.018 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.