id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.039 Rolnummer: A. 220487/X-16758 Zaak: Arrest 245039 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 02/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-09 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 23:11 Fiche Arrest nr 245.039 van 2 juli 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 245.039 van 2 juli 2019 in de zaak A. 220.487/X-16.758. In zake : 1. de VZW ACTIEGROEP RUIMTE EN MOBILITEIT ASSE (VZW ARMA) 2. Johan DE COOMAN 3. Caroline NOIJONS 4. Sabine VAN HEMELRIJCK 5. Ilke ADAM 6. Jozef VRIJDERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Vandromme kantoor houdend te 8500 Kortrijk Kapucijnenstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de GEMEENTE ASSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aube Wirtgen en Laura Janssens kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-16.758-1/35 I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op ingediend op 13 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 28 juni 2016 houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Asse – Afbakeningslijn” (hierna: het PRUP Afbakeningslijn); b. het besluit van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 28 juni 2016 houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Asse – Rondweg N9k” (hierna: het PRUP Rondweg); c. het besluit van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 28 juni 2016 houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Asse – Stadsrandbos” (hierna: het PRUP Stadsrandbos); d. het besluit van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 28 juni 2016 houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Asse – Regionaal bedrijventerrein Mollem en aansluitend open agrarisch gebied met landschappelijke waarde” (hierna: het PRUP Mollem); e. het besluit van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 28 juni 2016 houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Asse – Beperking grootschalige en ruimtebehoevende handel N9-N47-N285 (hierna: het PRUP Groothandelsbeperking); f. het besluit van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 28 juni 2016 houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Asse – Stedelijke ontwikkelingszones, kleinhandel en gemeenschapsvoorzieningen” (hierna: het PRUP Ontwikkelingszones) en g. het besluit van de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) van X-16.758-2/35 5 maart 2015 waarbij het plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER) “PRUP Afbakening kleinstedelijk gebied Asse” wordt goedgekeurd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De gemeente Asse heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 13 september 2016. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen, de tussenkomende partij en de verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van 10 mei 2019, welke zitting is uitgesteld naar de zitting die heeft plaatsgevonden op 7 juni 2019. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Vandromme, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens, verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaten Aube Wirtgen en Laura Janssens, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. X-16.758-3/35 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Aan de oostrand van het centrum van Asse is in 2008 een eerste deel van een rondweg rond Asse aangelegd. Aan de westrand van het centrum van Asse bevindt zich het gebied “Putberg” dat bestaat uit aaneensluitende kasteeldomeinen met beboste kasteelparken, afgewisseld met een aantal weilanden en kouters, en dat van west naar oost doorsneden wordt door de Broekebeek (hierna: de zone Putberg). Het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse bestemt het centrum van Asse tot woongebied. Ten noorden van dit centrum bevindt zich de wijk Krokegem, die door hetzelfde gewestplan tot (landelijk) woongebied en woonuitbreidingsgebied bestemd is. Aan de noordrand van de wijk Krokegem liggen agrarische gebieden (hierna: de noordelijke agrarische gewestplanzones). Op het meergenoemde gewestplan zijn, ten oosten van het centrum van Asse – in de wijk Mollem – een zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen (hierna: de KMO-zone Mollem van het gewestplan) en, in het oostelijke deel van de zone Putberg, – aan weerszijden van de Broekebeek – twee woonuitbreidingsgebieden (hierna: het op het gewestplan rood gearceerde deel van de zone Putberg) ingetekend. Tot slot bestemt het gewestplan de rest van de zone Putberg tot parkgebied en agrarisch gebied (hierna: het op het gewestplan groengeel ingekleurde deel van de zone Putberg). Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het gewestplan waarop de door het PRUP Stadsrandbos vastgestelde grenzen van de zone Putberg en andere benaderende aanduidingen zijn aangebracht. X-16.758-4/35 4. De eerste verzoekende partij heeft “het bevorderen van een duurzame ruimtelijke kwaliteit in de gemeente Asse, met inbegrip van de mobiliteitsaspecten, ter behoud en verbetering van de leefbaarheid van de gemeente” tot statutair doel. De andere verzoekers zijn eigenaars van (woon)percelen in Asse. 5.1. Op 14 mei 2013 verklaart de dienst Mer een van de provincie Vlaams-Brabant uitgaande kennisgevingsnota voor het uitvoeren van een plan- MER (hierna: de kennisgevingsnota) volledig. 5.2. De kennisgevingsnota stelt dat het onderzoek betrekking zal hebben op de afbakening van het kleinstedelijk gebied Asse, waarbij het volgende wordt gepreciseerd: “Het afbakeningsproces is meer dan het afbakenen van een gebied of het trekken van een lijn. Het vormt immers ook de basis voor strategische projecten […]. Het gaat hierbij niet enkel om de thema‟s wonen en werken, ook (rand)stedelijke groengebieden […] en verkeersinfrastructuur komen aan bod”. X-16.758-5/35 Bij de discipline fauna en flora verduidelijkt de kennisgevingsnota dat “een verruiming van het studiegebied […] mogelijk [is] in functie van mogelijke ecologische relaties […] (meerdere kilometers)”. 5.3. De kennisgevingsnota zet verder uiteen dat in 2008 een eerste deel van een rondweg rond Asse werd aangelegd, meer bepaald tussen de N9 (Brusselsesteenweg) en het rond punt Huinegem. Dit eerste deel volgt de reservatiestrook die ingetekend was in de bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 2000 vastgestelde gewestplanherziening (hierna: het gewestplantracé), besluit dat werd vernietigd bij ‟s Raads arrest nr. 190.337 van 10 februari 2009. Het gewestplantracé liep verder in de noordrand van het centrum van Asse en in de oostrand van de zone Putberg. De kennisgeving vermeldt dat “werd beslist om het onderzoek naar de rondweg en zijn alternatieven te hernemen in het kader van het afbakeningsproces van het kleinstedelijk gebied Asse en dus ook in onderhavig plan-MER”. In de kennisgevingsnota wordt een figuur “Overzicht tracéalternatieven rondweg” opgenomen waaruit blijkt dat de tracéalternatieven “W2”, “W3” en “W4” de zone Putberg van noord naar zuid doormidden snijden, terwijl het tracéalternatief “W1” zich in de oostrand van deze zone bevindt. Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit de laatstgenoemde figuur waarop bij benadering de door het PRUP Stadsrandbos vastgestelde grenzen van de zone Putberg zijn aangeduid. X-16.758-6/35 5.4. Over de kennisgevingsnota wordt van 17 mei 2013 tot 16 juni 2013 een publieke consultatie georganiseerd. 6. Op 28 juni 2013 maakt de dienst Mer de richtlijnen op over de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het plan-MER. 7. Op 5 maart 2015 keurt de dienst Mer het plan-MER “PRUP Afbakening kleinstedelijk gebied Asse” goed. Dit is het zevende bestreden besluit. In het plan-MER worden tracéalternatieven voor de rondweg onderzocht. Verder worden onder meer stroken die palen aan de west-, zuid- en oostrand van het centrum van Asse en door het gewestplan bestemd zijn tot bos-, natuur-, park- of agrarisch gebied onderzocht op hun geschiktheid om ontwikkeld te worden tot stadsrandbos. X-16.758-7/35 8. Op 24 november 2015 stelt de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant met betrekking tot de gemeente Asse zes ontwerpen van PRUP voorlopig vast, meer bepaald het ontwerp-PRUP Afbakeningslijn, het ontwerp- PRUP Rondweg, het ontwerp-PRUP Stadsrandbos, het ontwerp-PRUP Mollem, het ontwerp-PRUP Groothandelsbeperking en het ontwerp-PRUP Ontwikkelingszones. 9. Van 8 januari 2016 tot 7 maart 2016 wordt over deze zes ontwerp-PRUP‟s een openbaar onderzoek georganiseerd. 10. In haar zitting van 23 mei 2016 bespreekt de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: de Procoro) de ingediende bezwaarschriften en brengt zij een advies uit. 11.1. Bij besluiten van 28 juni 2016 stelt de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant zes PRUP‟s definitief vast, namelijk het PRUP Afbakeningslijn, het PRUP Rondweg, het PRUP Stadsrandbos, het PRUP Mollem, het PRUP Groothandelsbeperking en het PRUP Ontwikkelingszones. Dit zijn het eerste tot het zesde bestreden besluit. 11.2. Het PRUP Rondweg kiest voor een tracé dat samenvalt met de reeds gerealiseerde weg tussen de N9 (Brusselsesteenweg) en het rond punt Huinegem en zich verder – zoals het gewestplantracé – in de noordrand van het centrum van Asse en in de oostrand van de zone Putberg bevindt. 11.3.1. In vergelijking met het gewestplan wordt door het PRUP Stadsrandbos één zone herbestemd. Meer bepaald krijgt het op het gewestplan rood gearceerde deel van de zone Putberg volgende nieuwe bestemming: “ Artikel 1 §1 Bestemming Er wordt geen Stadsrandbos De gronden zijn bestemd voor volledige Categorie van natuurontwikkeling, bosbouw, landschaps- bebossing van de gebiedsaandui zorg en zacht recreatief medegebruik zone nagestreefd. ding: Overig (wandelen, fietsen, paardrijden, …). Een stadsrandbos X-16.758-8/35 groen: park- Alle werken, handelingen en wijzigingen impliceert geen gebieden die nodig of nuttig zijn voor de massief, instandhouding, het herstel en de aaneengesloten ontwikkeling van deze bestemmingen zijn bos, maar een toegelaten voor zover de ruimtelijke stadsrandbos samenhang in het gebied, de biedt ook ruimte cultuurhistorische waarden en voor open erfgoedwaarden, horticulturele waarden, (grazige) plekken landschapswaarden en natuurwaarden in en zichtassen en het gebied bewaard blijven en/of versterkt kan o.a. ingericht worden. worden als Het huidige landbouwgebruik blijft bestaan bosweide, tot het moment van realisatie van de struinbos, bestemming door een overheid of op speelbos of bos. vrijwillige basis. Boslandbouw of „agro- forestry‟ is toegelaten binnen het stadsrandbos. ” 11.3.2. Op het bij het PRUP Stadsrandbos horende grafische plan is een overdruk “artikel 2” aangebracht op het op het gewestplan groengeel ingekleurde deel van de zone Putberg, evenals op twee stroken die respectievelijk palen aan de zuidrand en de oostrand van het centrum van Asse. Voor deze overdruk geldt volgend artikel 2: “De op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften blijven onverminderd van toepassing. De bestaande voorschriften kunnen daar door voorschriften in nieuwe gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden vervangen. De gronden zijn bovendien bestemd voor de activiteiten zoals opgenomen in artikel 1 van dit plan, en volgens de voorschriften beschreven in dat artikel 1”. IV. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 12.1. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 4.1.1, § 1, 7°, 4.1.4, § 1, 4.1.7, 4.2.3, § 2, 4.2.8, §§ 1-6 en 4.2.10, § 2, van het decreet van 5 april 1995 „houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid‟ (hierna: DABM) en de artikelen 1.1.4, 2.1.2, § 3 en 2.2.9, § 2, van X-16.758-9/35 de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), alsook uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht en van het vertrouwens-, het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 12.2. In een eerste middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat het plan-MER onzorgvuldig tot stand is gekomen. 12.2.1. In een eerste subonderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de richtlijnen van de dienst Mer niet correct uitgevoerd werden in het plan- MER zodat de dienst Mer niet tot de goedkeuring van het plan-MER mocht besluiten. In het verzoekschrift wordt een tabel opgenomen waarin wordt aangestipt welke in de richtlijnen van de dienst Mer aangegeven alternatieven en bestemmingswijzigingen niet onderzocht zouden zijn. 12.2.2. In een tweede subonderdeel stellen de verzoekende partijen vooreerst dat er met name voor het PRUP Stadsrandbos en het PRUP Mollem geen afdoende alternatievenonderzoek is gebeurd. Voor het stadsrandbos wordt in het plan-MER verwezen naar het gewestelijk afbakeningsproces van de agrarische structuur, terwijl niet wordt aangetoond dat het hier reeds om een effectieve herbestemming zou gaan. Verder is het alternatievenonderzoek dat werd gevoerd met betrekking tot het PRUP Rondweg volgens de verzoekende partijen voor ernstige discussie vatbaar. Het stond van meet af aan vast dat het gewestplantracé als overwinnaar uit de bus diende te komen. Er is immers een koppeling gemaakt met het mobiliteitsplan van de gemeente Asse dat gebaseerd is op dit gewestplantracé. Dit maakt een gelijkwaardig en zorgvuldig effectenonderzoek van de diverse tracés onmogelijk. De verzoekende partijen benadrukken dat de tracés “W1bis/W5bis” en “N1bis/N1ter” niet aan een gelijkwaardig en volwaardig alternatievenonderzoek werden onderworpen. In het alternatievenonderzoek worden voor de westelijke tangent enkel de tracéalternatieven “W1”, “W2”, “W3”, “W4” en “W5” onderzocht. Onder het X-16.758-10/35 mom van milderende maatregelen wordt nadien een nieuw alternatief tracé “W1bis/W5bis” geïntroduceerd, zonder dit te betrekken in alle vooraf onderzochte disciplines. Het aanpassen van het tracé is bovendien geen milderende maatregel van een welbepaald tracé maar betreft onmiskenbaar een locatiealternatief, dat op die manier ook moet worden onderzocht. Finaal blijkt er bovendien nog een aanpassing doorgevoerd te zijn aan dat “W1bis”-tracé. 12.2.3. In een derde subonderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de milderende maatregelen niet correct bepaald zijn. Vooreerst menen de verzoekende partijen dat het onduidelijk is waarom volgens de tekst van het plan- MER milderende maatregelen niet dwingend moeten worden opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP. Verder is het “ronduit bevreemdend” dat in punt 5.3 van het plan-MER geen milderende maatregelen worden aangeduid. Daarnaast is bijvoorbeeld voor het PRUP Mollem een in het plan-MER als noodzakelijk beoordeelde milderende maatregel niet in het PRUP overgenomen. 12.2.4. In een vierde subonderdeel stellen de verzoekende partijen dat het plan-MER nog andere gebreken vertoont. Zo is er volgens de verzoekende partijen in het kennisgevingsdossier geen sprake van een stadsrandbos, zodat hierover geen gegevens beschikbaar waren bij de publieke consultatie. Verder is niet voldoende onderzocht wat de cumulatieve effecten van de zes bestreden plannen zullen zijn. 12.3. In een tweede middelonderdeel zetten de verzoekende partijen uiteen dat de plannende overheid blindweg het plan-MER heeft gevolgd, zodat “alle door verzoekende partijen geformuleerde kritieken op het plan-MER ook ten aanzien van de plannende overheid [kunnen] worden geformuleerd”. X-16.758-11/35 Tenslotte stellen de verzoekende partijen dat de Procoro niet deugdelijk heeft geantwoord op de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschriften. 13. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat zij van oordeel blijven dat er voor het stadsrandbos geen deugdelijk alternatievenonderzoek werd uitgevoerd. Zelfs het niet in herbevestigd agrarisch gebied gelegen gedeelte van de noordelijke agrarische gewestplanzones werd a priori als locatiealternatief uitgesloten. Wat de rondweg betreft benadrukken de verzoekende partijen dat het mobiliteitsplan van de gemeente Asse uitgaat van het gewestplantracé. Volgens hen geeft de tweede verwerende partij “zonder verpinken” toe dat dit tracé behandeld werd als voorkeurstracé. 14. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat het “zo klaar als helder water” is dat de richtlijnen van de dienst Mer niet correct werden uitgevoerd. Zo wordt in het in het auditoraatsverslag aangehaalde punt 5.3 van het plan-MER enkel de flora behandeld en niet de fauna. Wat de rondweg betreft heeft de wens om uitvoering te geven aan het mobiliteitsplan van de gemeente Asse als onafwendbaar gevolg dat voor het gewestplantracé werd gekozen. Beoordeling 15. De Raad van State is niet bevoegd om in de plaats van de erkende milieudeskundigen het onderzoek naar de milieueffecten over te doen. In de uitoefening van de hem opgedragen wettigheidscontrole is hij wel bevoegd om na te gaan of op grond van juiste feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de conclusie van het MER kon worden gekomen. X-16.758-12/35 16. De – zeer algemeen geformuleerde – kritiek in het eerste subonderdeel van het eerste middelonderdeel kan om de hiernavolgende redenen niet overtuigen. Wat betreft de bestreden PRUP‟s met uitzondering van het PRUP Rondweg blijkt uit het plan-MER dat de bestaande toestand in principe het nulalternatief vormt ten opzichte waarvan de uitvoering en de aanwezigheid van het plan vergeleken wordt. Er dient te worden vastgesteld dat deze bestaande toestand in het plan-MER per discipline besproken wordt en dat in de eindsynthese de voor- en nadelen van het plan ten opzichte van dit nulalternatief besproken worden onder de vorm van een beschrijving en een cijfermatige beoordeling. Wat betreft het “nul-plus”-alternatief blijkt uit het plan-MER dat het realiseren van een rondweg niet volstaat om de leefbaarheid in het centrum van Asse structureel te herstellen en dat, om bepaalde verbindingen in het centrum te kunnen “knippen”, een vrachtverbod in te stellen,… eerst alternatieve routes moeten worden geboden voor het doorgaand en bestemmingsverkeer dat door deze ingrepen getroffen wordt. Afhankelijk van het gekozen tracé zijn er (aanzienlijke) verschillen in omrijafstanden, in belasting van wegvakken en kruispunten en in vermoedelijk gebruik van sluiproutes. Deze aspecten worden mee onderzocht in het plan-MER, meer bepaald bij de discipline mens-mobiliteit. Verder zijn in het plan-MER wel degelijk de uitvoeringsalternatieven onderzocht die betrekking hebben op de exacte inrichting van de deelgebieden (onder andere mogelijke varianten voor de uitbreiding van KMO-zone Mollem) en op de technische kenmerken van de rondweg (dwars- en lengteprofiel, landschappelijke inpassing, configuratie kruispunten,…). De verzoekende partijen tonen niet concreet aan dat er relevante bestemmingsalternatieven over het hoofd zouden zijn gezien. X-16.758-13/35 Anders dan de verzoekende partijen in hun laatste memorie voorhouden komt de fauna wel degelijk aan bod in punt 5.3 van het plan-MER. Zo worden de nadelen van barrièrewerking voor de migratie van dieren besproken en wordt ingegaan op de gevaren van de combinatie van windturbines en bebossing voor de avifauna. Verder tonen de verzoekende partijen niet aan dat er in het plan- MER onvoldoende is ingegaan op het project-Hopmarkt of dat daarin onterecht zou zijn geoordeeld dat bijvoorbeeld woonprojecten in woongebied geen herbestemming vereisten en dus niet dienden te worden opgenomen in het PRUP. Tot slot gaan de verzoekende partijen er in hun middelonderdeel aan voorbij dat in het plan-MER de recreatieve functie aan bod komt, zowel bij het aspect mens-mobiliteit als bij het onderzoek naar de milieueffecten van het stadsrandbos, dat het mobiliteitsplan, met inbegrip van de parkeervoorzieningen, mee beoordeeld wordt in het plan-MER, zoals vooropgesteld in de richtlijnen, dat het plan-MER (de locatie van) het strategisch project Mollem bij verschillende disciplines bespreekt als “scharnierproject” of “scharnierlocatie” en dat het plan-MER, zoals gevraagd in de richtlijnen, ingaat op de waterkwaliteit bij de bespreking van de discipline water. 17.1. Wat betreft het tweede subonderdeel van het eerste middelonderdeel moet worden vastgesteld dat overeenkomstig het toentertijd geldende artikel 4.2.8, § 1, tweede lid, 5°,
- f)en h), DABM alle “redelijke alternatieven” dienen opgenomen te worden in de kennisgeving waarmee de opmaak van het plan-MER start. In het document “Uitvoering van richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma‟s” van het directoraat-generaal Milieu van de Europese Commissie wordt hieromtrent onder meer gesteld : “5.13. De richtlijn zegt niet wat wordt bedoeld met een „redelijk alternatief‟ voor een plan of programma. Wanneer een beslissing wordt X-16.758-14/35 genomen over mogelijke redelijke alternatieven moet allereerst worden gekeken naar de doelstellingen en de geografische reikwijdte van het plan of programma.” De memorie van toelichting bij het decreet van 27 april 2007 „houdende wijziging van titel IV [DABM] en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijke milieu‟ vermeldt in die zin dat “het be[g]rip redelijk overeenkomstig de richtlijn getoetst wordt aan „rekening houdend met het doel en de geografische werkingssfeer van het plan of het programma‟” (Memorie van toelichting, Parl.St. Vl.Parl. 2006- 2007, nr. 1081/1, 29). Overeenkomstig punt 5.14 van de meer vermelde “Uitvoering van richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma‟s”, “[moeten] [d]e gekozen alternatieven [...] realistisch zijn”, en “[moet] [e]en „echt‟ alternatief [...] ook onder de wettelijke bevoegdheid en het gezagsgebied van de desbetreffende instantie vallen”. 17.2. Wat betreft het locatieonderzoek voor het stadsrandbos blijkt uit de gegevens van de zaak dat zowel de oostrand, de zuidrand als de westrand van het centrum van Asse werden onderzocht. Het is juist dat er geen nader onderzoek is gedaan naar een locatiealternatief in het noorden. Het niet selecteren van een noordelijk locatiealternatief is in het plan-MER gesteund op twee criteria, te weten, enerzijds, het feit dat het merendeel van de noordelijke agrarische gewestplanzones door het Vlaamse Gewest zijn herbevestigd als agrarisch gebied en, anderzijds, de – in vergelijking met de ruimtelijk op het stedelijk weefsel aansluitende oost-, zuid- en westrand – perifere ligging. De Raad van State bedenkt daarbij dat de ligging ten opzichte van het stedelijk centrum een aanvaardbaar criterium is voor het selecteren van locatiealternatieven voor een stadsrandbos. Verder komt het andere criterium er op neer dat bij de provinciale locatiekeuze de beleidsvisie van het Vlaamse Gewest wordt gerespecteerd om het merendeel van de noordelijke agrarische gewestplanzones – waarvan een substantieel deel volgens de bij het plan-MER horende figuur 5.12 de X-16.758-15/35 landbouwwaardering “zeer hoog” en “hoog” krijgt – te bevestigen als agrarisch gebied. De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat door de voornoemde criteria te hanteren de grenzen van de redelijkheid zouden zijn overschreden of de aangevoerde rechtsregels anderszins zouden zijn miskend. 17.3. Wat betreft de nood aan bedrijventerreinen en de KMO-zone Mollem van het gewestplan is in het plan-MER het volgende gesteld: “De taakstelling inzake bedrijvigheid voor het KSG Asse [werd] vastgelegd op een minimum van 15 ha en een streefcijfer van 45 ha […]. [Een] landschappelijke afweging gaf aan dat de ontwikkeling van een volledig nieuwe bedrijvenzone in Asse niet aangewezen is. Ook vanuit mobiliteitsstandpunt wordt een aanzienlijke toename van vrachtverkeer doorheen de gemeente niet wenselijk geacht. Daarom wordt ervoor geopteerd om […] te focussen op de mogelijkheden van de bestaande KMO-zone Mollem. Er is een eerste ontwerpend onderzoek uitgevoerd op zoek naar optimalisatie van deze KMO-zone (zie onderstaande schets). De historische landschappelijke structuren waren hier leidend voor”. In het licht van de hiervoor geciteerde verantwoording maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat het onredelijk of anderszins onwettig was om geen bestemmingsalternatieven te onderzoeken voor de KMO- zone Mollem van het gewestplan. 17.4. Wat de rondweg betreft moet vooreerst in herinnering worden gebracht dat in 2008 reeds ongeveer één derde van het gewestplantracé gerealiseerd werd (randnr. 5.3). Er volgt geen onwettigheid uit het enkele feit dat in het plan-MER is uitgegaan van het gewestplantracé als voorgenomen activiteit – dit is het voorkeurtracé – ten opzichte van hetwelk tracéalternatieven worden onderzocht. Hetzelfde geldt voor het enkele feit dat in het mobiliteitsplan van de gemeente Asse wordt ingegaan op de verkeerscirculatie eens de door de gemeente gewenste rondweg volgens het gewestplantracé zal zijn gerealiseerd. Het gemeentelijk mobiliteitsplan en in het bijzonder de laatstgenoemde verkeerscirculatie zijn mee beoordeeld geworden in het plan- X-16.758-16/35 MER, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat het alternatievenonderzoek voor de rondweg gedetermineerd zou zijn door enige “koppeling” met dit mobiliteitsplan of door de wens om dit mobiliteitsplan uit te voeren. Dit wordt bevestigd in de volgende overweging van het plan-MER: “In het mobiliteitsplan worden aan de realisatie en fasering van de rondweg belangrijke “knippen” in Asse centrum gekoppeld […]. Deze ingrepen gaan uit van een rondweg volgens het gewestplantracé, maar zijn in principe ook compatibel met een rondweg die aantakt op kruispunt Wijndruif [dit zijn tracéalternatieven “N3” en “W5”], zij het dat er wel duidelijke verschillen zijn qua omrijafstanden en risico op intern sluipverkeer (dit wordt mee beoordeeld bij de bespreking van de verschillende scenario‟s)”. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat – ten opzichte van de basisalternatieven “W1”, “W2”, “W3”, “W4”, “W5”, “N1”, “N2”, “N3”, “N4” en “N5” – de zogenaamde “bis” en “ter”-tracé‟s relatief beperkte afwijkingen over een relatief beperkte afstand zijn. Deze “bis” en “ter”-tracé‟s vallen met andere woorden grotendeels samen met de eerstgenoemde basisalternatieven. In het plan-MER zijn in een eerste stap de basisalternatieven voor het tracé van de rondweg tegenover elkaar afgewogen en is daarna in een tweede stap nagegaan of een “bis” of “ter”-tracé ten opzichte van het overeenkomstige basisalternatief voor- of nadelen biedt. Anders dan de verzoekende partijen menen zijn de feitelijke verschillen tussen, enerzijds, de categorie van de basisalternatieven en, anderzijds, de categorie van de “bis” en “ter”-tracé‟s, een afdoende verantwoording voor het niet op identieke wijze behandelen van de beide categorieën. Ook het feit dat finaal beslist is om de rondweg over een andere hoek te laten aansluiten op de N285 betekent niet dat deze aanpassing op dezelfde wijze onderzocht moest worden als de basisalternatieven. Het plan-MER hanteert voor het alternatievenonderzoek de “trechter”-werkwijze. Meer bepaald zijn in een eerste fase voor de noord- en westtangent vier tracés als kansrijke alternatieven geselecteerd, te weten, de tracé‟s “N1”, N3”, “W1” en “W5”. Deze tracé‟s zijn in detail onderzocht voor wat betreft leefbaarheid, geluid, trillingen, lucht en mobiliteit. Vervolgens is in een tweede fase nagegaan hoe de vier laatstgenoemde tracé‟s konden worden geoptimaliseerd, bijvoorbeeld inzake het verminderen van het aantal te X-16.758-17/35 onteigenen woningen, de beperking van het barrière-effect en de vrijwaring van het archeologisch erfgoed. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen het oneens zijn met de laatstgenoemde werkwijze, maar niet dat ze onwettig zou zijn. 18. Wat betreft het derde subonderdeel van het eerste middelonderdeel moet worden vastgesteld dat de verzoekende partijen er ten onrechte van uitgaan dat wanneer in het plan-MER wordt gesteld dat bepaalde milderende maatregelen door de plannende overheid “kunnen” worden genomen, daarmee bedoeld zou zijn dat het nemen van deze maatregelen vrijblijvend is. Met het werkwoord “kunnen” wordt immers bedoeld dat het nemen van die maatregelen behoort tot de beslissingsbevoegdheid van de plannende overheid. Verder mogen de verzoekende partijen het dan wel “ronduit bevreemdend” vinden dat er in punt 5.3 van het plan-MER geen milderende maatregelen worden voorgesteld, daaruit blijkt nog geen onwettigheid. De verzoekende partijen gaan er tot slot aan voorbij dat artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP Mollem in een zone voor landschapsbuffer voorziet, die blijkens het grafisch plan het bedrijventerrein omhult. 19.1. Wat betreft het vierde subonderdeel van het eerste middelonderdeel overtuigen de verzoekende partijen er om de hierna volgende redenen niet van dat het onderzoek naar het stadsrandbos onvoldoende aangekondigd zou zijn in de kennisgevingsnota. Zoals hiervoor is vermeld (randnr. 5.2), is in de kennisgevingsnota aangegeven dat het uit te voeren onderzoek zich tot “meerdere kilometers” buiten het stedelijk gebied van Asse kon uitstrekken en dat in dit onderzoek “(rand)stedelijke groengebieden […] aan bod [zouden komen]”. Daarbij dient bedacht te worden dat een stadsrandbos een randstedelijk groengebied is. De door het PRUP Stadsrandbos doorgevoerde herbestemming (randnr. 11.3.1) wordt in de kennisgevingsnota als volgt aangekondigd: X-16.758-18/35 “Een specifieke categorie wordt gevormd door woon(uitbreidings)gebieden die […] deel uitmaken van het open ruimtegebied rond Asse. Het is wenselijk om deze gebieden onbebouwd te laten omwille van hun landschappelijke kwaliteit en een logische ruimtelijke afwerking van het stedelijk gebied te behouden/realiseren. Het gaat concreet om […] twee woonuitbreidingsgebieden aan weerszijden van de Broekebeek”. 19.2. Ook de in het vierde subonderdeel geuite kritiek in verband met de cumulatieve effecten kan niet worden aangenomen. Vooreerst moet immers worden vastgesteld dat voor alle zes bestreden PRUP‟s één gezamenlijk plan- MER werd opgemaakt. Verder erkennen de verzoekende partijen zelf dat er wat de verkeersgerelateerde effecten betreft een onderzoek is gedaan naar cumulatieve effecten en maken zij geenszins aannemelijk dat zich nog een bijkomend onderzoek naar cumulatieve effecten opdrong. 20. In zoverre het tweede middelonderdeel steunt op de in het eerste middelonderdeel aangevoerde tekortkomingen van het plan-MER wordt verwezen naar de hiervoor gedane verwerping van het laatstgenoemde middelonderdeel. Daar niet blijkt dat het plan-MER tekortkomingen vertoont, kunnen de verzoekende partijen er niet van overtuigen dat de plannende overheid onzorgvuldig zou hebben gehandeld door op dit plan-MER te steunen. In zoverre het betrekking heeft op de door de Procoro gedane weerlegging van de bezwaarschriften – die honderden bladzijden beslaat – is het tweede middelonderdeel onvoldoende ontwikkeld om tot de nietigverklaring van de bestreden besluiten te kunnen leiden. De verzoekende partijen hebben immers geen belang bij het middelonderdeel in zoverre zij zich op het niet inwilligen van de bezwaren van derden beroepen en laten na aan te geven of en zo ja welke bezwaren zij zelf hebben geuit. 21. Het eerste middel wordt verworpen. X-16.758-19/35 V. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 22.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2.1.2 en 2.2.9, § 2, VCRO, van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV), van het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie Vlaams- Brabant (hierna: PRS), alsook van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de motiveringswet) en van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 22.2. De verzoekende partijen stellen in een eerste middelonderdeel dat op twee plaatsen de door het PRUP Afbakeningslijn vastgestelde afbakeningslijn slechts voorlopig is, hetgeen niet aanvaardbaar is omdat het een voorafname betreft op de definitieve afbakening van het kleinstedelijk gebied. Zij stellen dat, zolang het kleinstedelijk gebied niet definitief wordt afgebakend er geen PRUP‟s tot invulling van het kleinstedelijk gebied kunnen worden vastgesteld. 22.3.1. In een tweede middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat uit de richtinggevende bepalingen van het PRS blijkt dat Asse geen nood heeft aan een bijkomende concentratie van grootschalige kleinhandel. Het is dan ook bevreemdend dat het PRUP Ontwikkelingszones een “zone voor ruimtebehoevende kleinhandelsconcentratie” voorziet. 22.3.2. Daarnaast kan blijkens het PRS in functie van de voltooiing van de ring rond Asse een bijkomende economische ontwikkeling overwogen worden, terwijl enkel artikel 5 van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP Mollem bepaalt dat de bestemming pas gerealiseerd kan worden na voltooiing van (het relevante deel van) de rondweg, zodat in andere bestemmingszones bijkomende economische ontwikkeling mogelijk is zonder dat de ringweg voltooid is. X-16.758-20/35 22.3.3. Tot slot argumenteren de verzoekende partijen dat de provincie met het vaststellen van het PRUP Stadsrandbos de bevoegdheid van de Vlaamse overheid heeft miskend “met betrekking tot het aanduiden en afbakenen van de natuurverbindingsgebieden”. 23. Op de repliek in de antwoordmemorie van de provincie dat zij wel degelijk bevoegd is om natuurverbindingsgebieden af te bakenen, reageren de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord dat zij “niet vast[houden] aan hun argument m.b.t. de natuurverbindingsgebieden”. Beoordeling 24. Gelet op het in randnummer 23 gestelde, behoeft het in het verzoekschrift ontwikkelde argument met betrekking tot de natuurverbindingsgebieden geen beoordeling. 25. Wat het eerste middelonderdeel betreft, moet worden vastgesteld dat op het bij het PRUP Afbakeningslijn horende grafisch plan een precieze grens is ingetekend rondom het kleinstedelijk gebied. Deze grens neemt de vorm aan van een volle lijn, behalve op twee plaatsen waar ze als stippellijn is ingetekend (hierna: de twee stippellijnen). Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de twee stippellijnen samenvallen met op het bij het PRUP Rondweg horende grafische plan ingetekende buitengrens van de “zone voor verkeers- en vervoersinfrastructuur”, waarbinnen de rondweg moet worden gerealiseerd. De twee stippellijnen zijn een “voorlopige” afbakening in die zin dat ze, eens de rondweg gerealiseerd zal zijn, vervangen worden door de buitengrens van de gerealiseerde rondweg. Met de eerste verwerende en de tussenkomende partij dient vastgesteld te worden dat aldus de afbakening op een voldoende duidelijke en rechtszekere wijze gebeurt. Waar de afbakeningsgrens ligt is definitief bepaald: vóór de realisatie van de rondweg ligt ze op de stippellijn en na die realisatie ligt ze op een precies omschreven plaats, te weten de buitengrens van de X-16.758-21/35 gerealiseerde rondweg. Er valt niet in te zien hoe de twee stippellijnen aanzien zouden kunnen worden als voorafname op een nog niet gedane definitieve afbakening van het kleinstedelijk gebied. 26. In hun in het tweede middelonderdeel geuite kritiek op de in het PRUP Ontwikkelingszones voorziene “zone voor ruimtebehoevende kleinhandelsconcentratie” gaan de verzoekende partijen voorbij aan de in de toelichtingsnota bij dit PRUP verstrekte verantwoording volgens welke de clustering van ruimtebehoevende detailhandel in een speciaal hiervoor bestemde zone langs de N9 gekoppeld wordt aan een afremmend beleid op de ruimtelijk minder geschikte locaties waar grootschalige detailhandelsontwikkelingen planologisch niet uitgesloten zijn. De verzoekende partijen behouden in hun laatste memorie het stilzwijgen over de zienswijze in het auditoraatsverslag volgens welke hun kritiek faalt omdat ze de laatstgenoemde verantwoording negeren. De Raad van State treedt de laatstgenoemde zienswijze bij en maakt haar tot de zijne. Ook de in randnummer 22.3.2 weergegeven kritiek kan niet overtuigen, al was het maar omdat de verzoekende partijen niet concreet aannemelijk maken dat in andere zones van de bestreden PRUP‟s dan de uitbreidingszone van artikel 5 van het PRUP Mollem, bijkomende economische ontwikkelingen in de zin van het PRS mogelijk worden gemaakt. 27. Het tweede middel wordt verworpen. VI. Het derde middel Uiteenzetting van het middel 28.1. Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 „betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu‟ (hierna: het natuurbehouddecreet), van artikel 6, 3, van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 „inzake de instandhouding van X-16.758-22/35 de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna‟ (hierna: de habitatrichtlijn), van artikel 1.1.4 VCRO, van de artikelen 5, 10 en 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 „met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer‟ (hierna: het soortenbesluit) en van artikel 3 van de motiveringswet, alsook uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 28.2. Vooreerst voeren de verzoekende partijen aan dat er een passende beoordeling in de zin van het natuurbehouddecreet had moeten worden uitgevoerd, daar – zoals in het plan-MER wordt aangegeven – de afbakeningslijn van het kleinstedelijk gebied, de rondwegtracévariant “N4” en de rondwegtracévariant “N5” zich bevinden op een afstand van respectievelijk 1.500, 800 en 250 meter van een habitatrichtlijngebied dat behoort tot het Vlaams Ecologisch Netwerk. Bovendien ligt op slechts 145 meter van dit habitatrichtlijngebied het plangebied van het PRUP Groothandelsbeperking, waarbinnen nieuwe handelszaken worden toegelaten, zodat er aldaar verkeer wordt gegenereerd en de luchtkwaliteit mogelijk zal dalen. 28.3. De verzoekende partijen vervolgen dat geen afdoend onderzoek is gedaan naar de aanwezige natuurwaarden. De plangebieden van de zes PRUP‟s en de rondwegtracéalternatieven bevatten of doorkruisen percelen die biologisch waardevol zijn. Zo blijkt uit het eigen onderzoek van de verzoekende partijen dat er langs de Edingsesteenweg biologisch waardevolle elementen aanwezig zijn. De verzoekende partijen hernemen wat zij in het derde subonderdeel van het eerste onderdeel van het eerste middel hebben aangeklaagd, meer bepaald dat de milderende maatregelen niet correct bepaald zijn. De verzoekende partijen benadrukken dat er naast de biologische waarderingkaarten – die in het plan-MER zijn gebruikt – “heel andere kaarten [bestaan] waaruit biologisch waardevolle elementen blijken”. Zo X-16.758-23/35 is er de Natura 2000 - habitatkaart die met name een – in het plan-MER niet onderzocht – beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos aanduidt. De verzoekende partijen wijzen er op dat het soortenbesluit het opzettelijk verstoren van kwetsbare soorten verbiedt. Daar zowel in het plan- MER als in het administratief dossier van de bestreden PRUP‟s het onderzoek naar de faunistische waarden in “het gebied Asse” ontbreekt, hebben de verzoekende partijen dit dan maar zelf onderzocht. Uit hun onderzoek blijkt dat er in het voornoemde gebied meermaals beschermde soorten zoals hazen, rode eekhoorns, bunzings, muizen, konijnen en vleermuizen, werden waargenomen. De initiatiefnemer liet dan ook ten onrechte na om in het plan-MER afdoend onderzoek te voeren naar de natuur- en landschapswaarden in het plangebied van de PRUP‟s. De verzoekende partijen besluiten dat de dienst Mer het plan- MER niet had mogen goedkeuren. 29. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat het hen niet toekomt om een faunaonderzoek uit te voeren. Het volstaat dat zij, zoals zij in hun verzoekschrift deden, indiciën over de aanwezigheid van diersoorten opgeven. Beoordeling 30. In zoverre het middel het derde subonderdeel van het eerste onderdeel van het eerste middel herhaalt, wordt verwezen naar de verwerping van dit subonderdeel hiervoor. 31. Artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het natuurbehouddecreet bepaalt dat een plan dat een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. X-16.758-24/35 Er moet worden vastgesteld dat er – zoals in het plan-MER wordt aangegeven – een grote afstand is tussen, enerzijds, de afbakeningslijn van het kleinstedelijk gebied en, anderzijds, het habitatrichtlijngebied, dat het PRUP Rondweg geenszins steunt op de – verworpen – rondwegtracévarianten “N4” en “N5” en dat het PRUP Groothandelsbeperking er precies toe strekt om – met de woorden van de toelichtingsnota – “steenweggebonden grootschalige detailhandelszaken [die] bij uitstek verkeersgenererend [zijn]” tegen te gaan. In het licht van deze vaststellingen slagen de verzoekende partijen er geenszins in om de conclusie van het plan-MER aan het wankelen te brengen volgens welke geen van de bestreden PRUP‟s een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken habitatrichtlijngebied kan veroorzaken. Bijgevolg maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat er een passende beoordeling moest worden uitgevoerd. 32. De Raad van State mag bij het toetsen van de wettigheid van een plan-MER en van de beslissing van de dienst Mer daarover geen eigen beoordeling van de te verwachten milieueffecten van het plan maken. Wel kan hij, gelet op de concrete kritiek die in het verzoekschrift wordt aangevoerd, nagaan of er op juiste feitelijke gegevens is gesteund en of de voornoemde dienst in redelijkheid tot de door haar genomen beslissing is kunnen komen. 33. Het soortenbesluit stelt onder meer het volgende: “Art. 10. § 1. Ten aanzien van specimens van beschermde diersoorten zijn de volgende handelingen verboden: 1° het opzettelijk doden; 2° het opzettelijk vangen; 3° het opzettelijk en betekenisvol verstoren, in het bijzonder tijdens de perioden van de voortplanting, de afhankelijkheid van de jongen, de overwintering en tijdens de trek. Het is verboden de eieren van beschermde diersoorten opzettelijk te vernielen, te beschadigen of te verzamelen. [...] Art. 11. § 1. Conform artikel 9 van het decreet, mogen de verbodsbepalingen, bedoeld in artikel 10, voor wat betreft de soorten waarbij categorie 1 is aangekruist in bijlage 1, geen beperkingen inhouden die absoluut werken, of die handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, of die absoluut de X-16.758-25/35 realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen of de realisatie van de algemene bestemming betekenisvol in het gedrang brengen. […] § 2. Een handeling zoals beschreven in artikel 10 wordt onder meer geacht onopzettelijk te zijn wanneer de verantwoordelijke voor deze handeling niet wist en redelijkerwijze niet hoorde te weten dat deze handeling kon leiden tot de in artikel 10 beschreven negatieve gevolgen voor specimens van beschermde diersoorten of plantensoorten.” Zoals in herinnering is gebracht in ‟s Raads arrest nr. 226.148 van 21 januari 2014, volstaat de loutere aanwezigheid van een beschermde diersoort in een zone van een ruimtelijk uitvoeringsplan niet om aan te nemen dat de plannende overheid, door deze zone te herbestemmen, een door artikel 10 verboden handeling zou hebben gesteld. 34. De verzoekende partijen kunnen er niet mee volstaan te verwijzen naar de aanwezigheid van natuurwaarden langs bepaalde (kilometerslange) wegen of naar de uit eigen onderzoek verkregen “indiciën” over de aanwezigheid van beschermde soorten in “het gebied Asse”. Het kwam hen toe concreet aan te duiden in welke zones van de bestreden PRUP‟s natuurwaarden voorkomen én aan te geven welke (voor deze natuurwaarden nadelige) herbestemming er in die zones wordt doorgevoerd. 35. Uit de door de verzoekende partijen ingeroepen kaart blijkt dat er zich in het centrum van Asse, in het binnengebied ten noorden van de straat Witteramsdal, een beekbegeleidend vogelkers-essenbos en essen-iepenbos bevindt. Ter plaatse toont het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse een natuurgebied, omringd door woongebied. Anders dan de verzoekende partijen laten uitschijnen brengt geen enkele van de zes bestreden PRUP‟s enige wijziging mee voor dit binnengebied, zodat het gewestplan er onverminderd blijft gelden. Overigens vermeldt het MER-rapport dat het valleigebied Witteramsdal biologisch waardevol is. 36. Zoals reeds in het auditoraatsverslag is vastgesteld, volstaat hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren niet om te besluiten dat het onderzoek naar de aanwezige natuurwaarden op een onjuiste of onredelijke manier zou zijn X-16.758-26/35 gebeurd of dat de dienst Mer het plan-MER ten onrechte zou hebben goedgekeurd. 37. Het derde middel wordt verworpen. VII. Het vierde middel Uiteenzetting van het middel 38.1. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2.2.2, § 1, 2° en 2.2.3, § 1, VCRO, alsook uit de schending van het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel en de materiëlemotiveringsverplichting als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 38.2. Vooreerst brengt het feit dat de afbakening van het kleinstedelijk gebied op twee plaatsen niet definitief is volgens de verzoekende partijen de rechtsonzekerheid van het PRUP Afbakeningslijn mee. Het voornoemde feit tast ook de rechtszekerheid van het PRUP Rondweg aan, daar binnen de “zone voor verkeers- en vervoersinfrastructuur” op die twee plaatsen de percelen – met de woorden van de verzoekende partijen – “hun bestemming heden niet kunnen kennen”. 38.3. Verder menen de verzoekende partijen dat er rechtsonzekerheid is omdat essentiële milderende maatregelen niet zijn opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP Rondweg. Het gaat bijvoorbeeld om wat in het plan-MER genoemd wordt “flankerende maatregelen uit te voeren door andere actoren” en om de herinrichting van kruispunten. 38.4. Ook de voorschriften voor de uitbreidingszone van een bestaand bedrijventerrein van het PRUP Mollem zijn volgens de verzoekende partijen rechtsonzeker. De bestemming van deze zone is immers afhankelijk gemaakt van een latere en onzekere gebeurtenis, meer bepaald de realisatie van de rondweg. Verder werd de milderende maatregel uit het plan-MER dat de X-16.758-27/35 uitbreidingszone de 65-meter-hoogtecontour moest volgen, niet vertaald in het PRUP Mollem. 38.5. De verzoekende partijen noemen het “zeer bevreemdend” dat er buiten de afbakeningslijn van het kleinstedelijk gebied herbestemmingen gebeuren. Voor het PRUP Stadsrandbos is dit zeer problematisch. De vraag rijst immers op welke grond de eerste verwerende partij bevoegd was om in het kader van een PRUP voor de afbakening van het kleinstedelijk gebied dit PRUP Stadsrandbos vast te stellen. 38.6. Tot slot is er onduidelijkheid gecreëerd omdat eenzelfde zone aan een “dubbele bestemming” wordt onderworpen waarbij het niet duidelijk is of deze bestemmingen al dan niet verzoenbaar kunnen zijn. Dit is niet enkel het geval voor de “artikel 2”-zone van het PRUP Stadsrandbos die tegelijk, enerzijds, door het gewestplan bestemd is tot park en agrarisch gebied en, anderzijds, door het PRUP Stadsrandbos tot zone voor natuurontwikkeling, bosbouw en landschapszorg, maar ook voor het PRUP Ontwikkelingszones, waarin zones zowel bestemd zijn voor “stedelijk wonen” als voor “lokale bedrijvigheid”. Beoordeling 39. Hiervoor (randnr. 25) is vastgesteld dat het PRUP Afbakeningslijn – anders dan de verzoekende partijen aannemen – de afbakeningsgrens van het kleinstedelijk gebied ook op de twee geviseerde plaatsen definitief heeft bepaald: vóór de realisatie van de rondweg ligt ze op de stippellijn en na die realisatie ligt ze op een precies omschreven plaats, te weten de buitengrens van de gerealiseerde rondweg. De verzoekende partijen gaan er verder aan voorbij dat zowel voor als na de realisatie van de rondweg het bestemmingsvoorschrift “zone voor verkeers- en vervoersinfrastructuur” identiek blijft zodat niet valt in te zien waarom onduidelijkheid zou bestaan over de bestemming die voor de percelen binnen deze zone geldt. X-16.758-28/35 Anders dan de verzoekende partijen dit zien worden de voorschriften voor de laatstgenoemde zone niet rechtsonzeker omdat erin bepaald is dat gronden die niet voor de inrichting of het functioneren van de verkeers- en vervoersinfrastructuur of de landschappelijke inpassing ervan gebruikt worden, gebruikt kunnen worden volgens de voorschriften van de naastliggende bestemming. Deze bepaling is immers voldoende voorzienbaar en toegankelijk, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. 40. Wat de milderende maatregelen met betrekking tot het PRUP Rondweg betreft, moet worden vastgesteld dat de beoordeling van de verkeersafwikkeling op de relevante kruispunten per scenario in een eerste stap gebeurd is zonder circulatiemaatregelen in het centrum in aanmerking te nemen. In een tweede stap zijn de bijkomende effecten van de “knippen” in het centrum – die flankerende maatregelen zijn, uit te voeren door andere actoren dan de plannende overheid – mee in rekening gebracht. Er is geconcludeerd dat alle rondwegscenario‟s zorgen voor een aanzienlijke verschuiving van (doorgaand) verkeer van de verkeersassen door het centrum naar de rondweg, met positieve tot zeer positieve effecten qua doorstroming en verkeersleefbaarheid tot gevolg. De in het mobiliteitsplan Asse voorziene circulatiemaatregelen in Asse-centrum zorgen voor een verdere ontlasting van de eigenlijke stadskern, omdat ze ook een belangrijk deel van het bestemmingsverkeer geheel of gedeeltelijk naar de rondweg verschuiven. Volgens het plan-MER zijn mogelijk bijkomende ingrepen nodig om het ontstaan van nieuwe sluiproutes tegen te gaan. Gelet op de conclusies van het plan-MER die in het PRUP Rondweg onderschreven worden, slagen de verzoekende partijen er niet in aan te tonen dat de door hen geviseerde maatregelen zoals het invoeren van “knippen”, het tegengaan van sluiproutes en de precieze inrichting van de kruispunten, op planniveau in stedenbouwkundige voorschriften dienden verankerd te worden. 41. Het geviseerde voorschrift van het PRUP Mollem betreft een overdruk. De betreffende percelen blijven de onderliggende bestemming X-16.758-29/35 behouden totdat de doortrekking van (het relevante deel van) de rondweg gerealiseerd is. Van rechtsonzekerheid wat de bestemming betreft, is dan ook geen sprake. Dat het tijdstip waarop de overdrukbestemming kan gerealiseerd worden nog niet precies te bepalen is, is niet van aard het bestreden plan te vitiëren. Het is immers voldoende bepaalbaar. Verder blijkt uit het bij het PRUP Mollem horende grafische plan dat de zuidwestelijke uitbreiding wel degelijk de 65-meter-hoogtecontour volgt. Het gemengd regionaal bedrijventerrein (artikel 1) is beperkt tot deze contour. De bouwlijn in de zone voor landschapsbuffer (artikel 2) overschrijdt inderdaad voor een klein deel deze contour, maar dit gegeven volstaat niet om te besluiten dat de milderende maatregelen uit het plan-MER niet correct werden omgezet in stedenbouwkundige voorschriften. In het plan-MER wordt immers vooropgesteld dat de uitbreidingszone “ongeveer” de 65-meter-hoogtecontour moest volgen, wat op het verordenend grafisch plan is gebeurd. 42. In de toelichtingsnota bij het PRUP Stadsrandbos wordt gewezen op de bevoegdheidsgrondslag voor het vaststellen van dit PRUP, meer bepaald de specifieke provinciale bevoegdheid om natuurverbindingsgebieden vast te leggen. Daarbij vermeldt de toelichtingsnota dat het provinciaal ruimtelijk structuurplan het stroomgebied “[van de] Overnellebeek […] als belangrijke verbinding naar Bellebeek” richtinggevend geselecteerd heeft als natuurverbindingsgebied. De Broekebeek, die een aftakking is van de Overnellebeek, behoort – blijkens de op bladzijde 17 van de toelichtingsnota bij het bestreden PRUP opgenomen kaart – tot dit natuurverbindingsgebied. Het valt niet in te zien waarom een door de provincie vastgelegd natuurverbindingsgebied binnen de afbakeningslijn van het kleinstedelijk gebied zou moeten liggen. Met de opwerping dat het “zeer bevreemdend” is dat sommige zones, zoals de zones van het PRUP Stadsrandbos, zich buiten de afbakeningslijnen van het kleinstedelijk gebied bevinden tonen de verzoekende geen onwettigheid aan. X-16.758-30/35 43. Wat de “dubbele bestemming” van bepaalde zones betreft kwam het de verzoekende partijen toe om concreet uiteen te zetten waarom de geviseerde bestemmingen tegenstrijdig of toch minstens niet eenvoudig met elkaar verzoenbaar zouden zijn. Door dit niet te doen kunnen zij niet overtuigen van het bestaan van de beweerde onduidelijkheid. 44. Het vierde middel wordt verworpen. VIII. Het vijfde middel Uiteenzetting van het middel 45.1. Een vijfde en laatste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 4.1.4, § 1, 4.1.7 en 4.2.8 DABM, van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 „betreffende het integraal waterbeleid‟ (hierna: DIWB), van de artikelen 2 en 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 „tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid‟ en van artikel 2.2.13, §§ 2 en 3, VCRO en de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, alsook van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 45.2. De verzoekende partijen stellen dat zowel in de definitieve vaststellingsbesluiten als in de toelichtingsnota‟s bij de bestreden PRUP‟s de waterparagraaf ontbreekt. Verder is de in het plan-MER uitgevoerde watertoets manifest gebrekkig. Er werd geen watertoets per PRUP uitgevoerd en de toets is in wezen beperkt tot de randwegtracévarianten. Het gebruikte kaartmateriaal is verouderd en te weinig gedetailleerd. Volgens de verzoekende partijen is er ook sprake van een gebrekkig grondwateronderzoek. X-16.758-31/35 De verzoekende partijen voegen er aan toe dat bij de watertoets geen rekening gehouden werd met artikel 8, § 2, DIWB. Het overzicht in het plan-MER van de beheersplannen is niet volledig. Met name het bekkenbeheersplan voor de Dender en het bekkenbeheersplan voor de Beneden- Schelde ontbreken. Tot slot zijn er bij de watertoets weliswaar randvoorwaarden voor de Broekebeekvallei – die een signaalgebied is – vermeld, doch de plannende overheid heeft deze niet vertaald in voorschriften. Beoordeling 46. Waar de verzoekende partijen aanvoeren dat de vaststellingsbesluiten en de toelichtingnota‟s geen formele motivering onder de vorm van een zogenaamde waterparagraaf bevatten, dient vastgesteld te worden dat zij zelf in hun verzoekschrift erkennen dat de watertoets is gebeurd in het plan-MER. Artikel 8, § 4, DIWB bepaalde toentertijd dat voor een plan dat is onderworpen aan een milieueffectrapportage, de analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect inzake water en de op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren, in dit rapport geschiedt. In de toelichtingsnota‟s bij de verschillende PRUP's wordt bevestigd dat de watertoets werd uitgevoerd in het plan-MER en het plan-MER wordt als bijlage bij de toelichtingsnota‟s gevoegd. Aldus heeft de plannende overheid zich de in het plan-MER uitgevoerde watertoets eigen gemaakt. Er valt niet in te zien welk belang de verzoekende partijen hebben bij het bestrijden van het feit dat deze watertoets niet is herhaald in de vaststellingsbesluiten en toelichtingsnota‟s van de bestreden PRUP‟s. 47. De tegenpartijen wijzen er terecht op dat in het plan-MER het aspect water aan bod is gekomen bij de bespreking van verschillende disciplines, en dat hierbij wel degelijk een onderscheid is gemaakt tussen de beoogde X-16.758-32/35 planonderdelen. Bovendien is de watertoets niet beperkt tot het overstromingsgevaar. Bij wijze van voorbeeld kan onder meer gewezen worden op het onderzoek van de discipline bodem en grondwater, oppervlaktewater en fauna en flora. 48. Wat het in het plan-MER gebruikte kaartmateriaal betreft dient met de verwerende partijen te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen niet aantonen of, en zo ja, in welke mate, de gehanteerde kaarten zouden verschillen van de kaarten waarnaar zij in hun verzoekschrift verwijzen. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden, bevat het plan-MER (figuur 5.2) wel degelijk de situering van het plangebied ten opzichte van de waterlopen en de overstromingsgevoelige gebieden. 49. De verzoekende partijen betogen dat onderzocht moest zijn of de “ontginningsactiviteiten” een schadelijk effect zouden hebben op het grondwater. Het blijkt niet dat enig voorschrift van de bestreden PRUP‟s “ontginningsactiviteiten” zou toelaten. Wel wordt in het plan-MER het volgende gesteld over mogelijke effecten van eenmalige uitgravingen voor het grondwater: “Bij de diepe uitgravingen (ca. 7m-
- mv)zullen normaliter geen problematische grondwaterdalingen optreden bij tracés W1/N1 en N2/N3, maar wel bij tracé N5 (gevoelige vegetatie op de steilrand t.h.v. Koereit). […] Bij de gedeelten van de rondwegtracés doorheen de beekvalleien met ondiepe grondwatertafel is verstoring van de grondwaterstromen mogelijk t.g.v. compactering. Verstoring van de grondwaterstromingen is nog beduidend waarschijnlijker bij diepe uitgravingen. De diepere uitgravingen reiken tot onder het gemiddeld en zeker het maximaal grondwaterpeil, en creëren aldus een kunstmatig “bronniveau” op de hellingen van de sleuf waarin de weg aangelegd wordt. Daardoor wordt het grondwater in de omgeving van de sleuf permanent gedraineerd, waardoor een grondwaterverlaging tot ca. 5m (7m uitgraving – 2m-mv als gemiddelde grondwaterdiepte) en aldus een verstoring van het grondwaterstromingspatroon kan optreden. Echter, alle belangrijke uitgegraven tracégedeelten lopen logischerwijs dwars op de waterscheidingskammen die ze doorsnijden, en dus grosso modo parallel aan de grondwaterstromingen die van de topzones naar de beekvalleien lopen. Daardoor zullen de sleuven normaliter geen barrière vormen voor de grondwaterstromingen. Bovendien bevindt de belangrijkste aquifer in het studiegebied zich op grote diepte, m.b. in het zand van de Formatie van Lede, dat afgedekt wordt X-16.758-33/35 door de klei van het Lid van Ursel/Asse. De quartaire deklaag is slechts een dunne aquifer van ondergeschikt belang”. Bij het hiervoor weergegeven citaat dient te worden bedacht dat het PRUP Rondweg geenszins steunt op de – verworpen – rondwegtracévariant “N5”. 50. Zoals wordt uiteengezet in het plan-MER ligt het daarin onderzochte gebied op de waterscheidingskam tussen het bekken van de Dender (deelbekken Bellebeek) en de Beneden-Schelde (deelbekken Vliet). In het plan- MER wordt in detail ingegaan op “het deelbekkenbeheerplan Bellebeek (september 2007)”, dat deel uitmaakt van het bekken van de Dender, en op “het deelbekkenbeheerplan Vliet en Zielbeek (januari 2009)”, dat deel uitmaakt van het bekken van de Beneden-Schelde. In die omstandigheden kan het enkele feit dat geen melding is gemaakt van andere bekkenbeheersplannen dan de deelbekkenbeheersplannen voor Bellebeek, Vliet en Zielbeek, de bestreden besluiten niet vitiëren. 51. Zoals in het auditoraatsverslag terecht is opgemerkt kan de kritiek van de verzoekende partijen niet overtuigen omdat zij noch de algemene maatregelen met betrekking tot de waterproblematiek, noch de specifieke maatregelen voor de Broekebeekvallei – die wel degelijk in de voorschriften van het PRUP Rondweg zijn opgenomen – bij de uiteenzetting van hun middel hebben betrokken. 52. Het vijfde middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden, elk voor een zesde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van X-16.758-34/35 1200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juli 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.758-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.039 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div