id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.052 Rolnummer: A. 227601/Abis-22 Zaak: Arrest 245052 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 02/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-05 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-21 22:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 245.052 van 2 juli 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK ALGEMENE VERGADERING nr. 245.052 van 2 juli 2019 in de zaak A. 227.601/Abis-22 In zake: Pierre ROLIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1000 Brussel Emile De Motlaan 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Kristof Caluwaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de memorie van verzoeker 1. De memorie, ingediend op 11 maart 2019, strekt tot het tenietdoen van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 13 februari 2019 ‘houdende de niet-benoeming van de heer Pierre Rolin tot burgemeester van de gemeente Sint-Genesius-Rode’. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Erik Bosquet en eerste auditeur Jurgen Neuts hebben een verslag opgesteld. Abis - 22 - 1/24 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, die heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Kamervoorzitter Johan Lust en staatsraad Luc Detroux hebben verslag uitgebracht. Advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaten Bart Martel en Kristof Caluwaert, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Erik Bosquet en eerste auditeur Jurgen Neuts hebben een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker wordt bij de gemeenteraadsverkiezing te Sint-Genesius- Rode op 14 oktober 2018 verkozen tot gemeenteraadslid en rechtstreeks verkozen tot schepen. Met een voordrachtsakte wordt hij voorgedragen voor het ambt van burgemeester van de gemeente Sint-Genesius-Rode. Deze voordrachtsakte wordt op 7 januari 2019 door de gemeenteraad van de gemeente Sint-Genesius-Rode bevestigd. 3.2. Op 5 februari 2019 deelt de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel aan de provinciegouverneur van Vlaams-Brabant mee “dat er geen opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek lopende is ten aanzien van de heer Pierre Rolin” en dat hem “geen beslissingen gekend [zijn] waarbij de kandidaat tot een correctionele of criminele straf veroordeeld werd”. Eveneens op 5 februari 2019 adviseert de provinciegouverneur van Vlaams-Brabant: Abis - 22 - 2/24 “Bij mijn ambt is […] geen enkel feit bekend dat aanleiding heeft gegeven of nog zou kunnen geven tot een tuchtmaatregel ten aanzien van de kandidaat- burgemeester. Evenmin is mij enig ander feit bekend dat mij ertoe zou kunnen aanzetten om opmerkingen te formuleren of voorbehoud te maken met betrekking tot de geschiktheid van de voorgedragen kandidaat. Ik ben dan ook van mening dat de heer Pierre Rolin over de vereiste kwaliteiten en vaardigheden beschikt om het ambt van burgemeester uit te oefenen.” 3.3. Op 13 februari 2019 beslist de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding dat verzoeker niet wordt benoemd tot burgemeester van de gemeente Sint-Genesius- Rode. Zij motiveert die beslissing voornamelijk als volgt: “Feitelijke context In het verleden zijn er reeds regelmatig problemen geweest met het correct en tijdig verzenden van de oproepingsbrieven in de zes Vlaamse randgemeenten. Zo besliste het gemeentebestuur van de gemeente Sint- Genesius-Rode bij de vorige lokale en provinciale verkiezingen van 8 oktober 2006 en 14 oktober 2012 nog om, in strijd met de vigerende taalwetgeving, de oproepingsbrieven te verzenden volgens taalaanhorigheid aan de kiesgerechtigde inwoners. Om problemen m.b.t de rechtsgeldigheid van de oproepingsbrieven te voorkomen en de lokale en provinciale verkiezingen van 14 oktober 2018 in alle sereniteit te laten verlopen, besliste de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur dat de provinciegouverneur zal instaan voor de verzending van de oproepingsbrieven in de zes Vlaamse randgemeenten. Bij brief van 29 augustus 2018 deelde de provinciegouverneur van Vlaams- Brabant mee aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Genesius-Rode dat hij de opdracht had gekregen van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur om, met toepassing van artikel 4 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, persoonlijk in te staan voor de correcte verzending van de oproepingsbrieven in de zes Vlaamse randgemeenten. Door het tijdig versturen van een correcte oproepingsbrief wordt het nodige gedaan om alle kiezers te verzekeren dat zij zich met een rechtsgeldige oproepingsbrief in het stembureau konden aanbieden. Er werd ook meegedeeld dat in de randgemeenten kiezers die dat wensten wel een Franstalig exemplaar konden krijgen als zij daar uitdrukkelijk om vroegen. De opdracht van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur werd nogmaals bevestigd bij aangetekend schrijven van de gouverneur van 4 en 5 september 2018, waarin het college van burgemeester en schepenen werd gevraagd de kiezerslijsten, overeenkomstig artikel 23 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet, te bezorgen, zodat de gouverneur de opdracht tot het verzenden van de oproepingsbrieven kon uitvoeren. Bij brief van 5 september 2018 deelt de heer Pierre Rolin, in zijn hoedanigheid van burgemeester van de gemeente Sint-Genesius-Rode, aan de provinciegouverneur mee ‘versteld (te staan) door de inhoud van dit schrijven’. Volgens de heer Rolin is de interpretatie van de bestuurstaalwetgeving gehanteerd door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in twee arresten van 20 juni 2014 en 17 mei 2018, ‘die erin bestaat dat wanneer een persoon al een verzoek heeft gedaan om officiële documenten in het Frans te ontvangen en Abis - 22 - 3/24 als zodanig werd geregistreerd door de gemeentelijke administratie, hem rechtstreeks een oproepingsbrief in de gewenste taal moet worden gestuurd’, ‘de enige (…) die geldig is in rechte’. In uitvoering van de opdracht van de minister ging de provinciegouverneur op 13 september 2018 over tot de verzending van de oproepingsbrieven voor de lokale en provinciale verkiezingen van 14 oktober 2018 in de gemeente Sint-Genesius-Rode. Ondanks het feit dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Genesius-Rode zeer goed op de hoogte was dat de provinciegouverneur van Vlaams-Brabant zou instaan voor het verzenden van de oproepingsbrieven naar de inwoners van Sint-Genesius-Rode, werd een extra schepencollege bijeengeroepen op 28 september 2018 om een beslissing te nemen over het verzenden van de oproepingsbrieven. Bij gebrek aan consensus in de schoot van het schepencollege, werd de zaak, overeenkomstig artikel 107 NGW, ter beslissing voorgelegd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad werd vervolgens bij hoogdringendheid, overeenkomstig artikel 21 van het Gemeentedecreet, bijeengeroepen op 28 september 2018. De gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode besliste om de oproepingsbrieven voor de verkiezingen van 14 oktober 2018 toch te laten verzenden volgens taalaanhorigheid door het college van burgemeester en schepenen. Verantwoording 1. Juridisch kader Artikel 4 van de Grondwet bepaalt: ‘België omvat vier taalgebieden: het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad en het Duitse taalgebied’. Dit artikel bevat de grondwettelijke waarborg van de voorrang van de taal van het eentalige Nederlandse (c.q. Franse of Duitse) taalgebied of van het tweetalige karakter van het gebied Brussel-Hoofdstad. Artikel 25 SWT bepaalt dat in hun betrekkingen met een particulier dezelfde diensten, zijnde de plaatselijke diensten die gevestigd zijn in de randgemeenten, de door betrokkene gebruikte taal gebruiken voor zover die taal het Nederlands of het Frans is. Artikel 26 SWT bepaalt dat meergenoemde diensten de aan de particulieren uitgereikte getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in het Nederlands of in het Frans stellen, naar gelang van de wens van belanghebbende. Artikel 30 SWT bepaalt dat, in onder meer de gemeente Sint-Genesius- Rode, de akten in het Nederlands worden gesteld; dat iedere belanghebbende daarvan, zonder bijkomende onkosten en zonder verantwoording van zijn aanvraag, bij de dienst die de akte heeft opgemaakt, een gewaarmerkte vertaling met waarde van uitgifte of van gelijkluidend afschrift kan bekomen en dat de akten van de burgerlijke stand door het gemeentebestuur in het Nederlands worden overgeschreven. Omzendbrief BA 97/22 van 16 december 1997 van minister Leo Peeters verduidelijkt het taalgebruik in gemeentebesturen van het Nederlandse taalgebied. Omzendbrief WE 1998/01 van 3 februari 1998 van minister Luc Martens verduidelijkt het taalgebruik in OCMW-besturen van het Nederlandse taalgebied. Omzendbrief BA-2005/03 van 8 juli 2005 van minister Marino Keulen bevestigt de wettelijkheid van de omzendbrieven Peeters en Martens inzake het taalgebruik in de gemeente- en O.C.M.W.-besturen en in de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en geeft de interpretatie en gevolgen weer van de arresten van de Raad van State van 23 december 2004. Abis - 22 - 4/24 Omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010 van minister Geert Bourgeois vestigt de bijzondere aandacht van de lokale besturen op het strikte verbod eventuele taalvoorkeur van de inwoners te registreren. 2. Beoordeling In casu dient onderstreept te worden dat de benoemende overheid, dus de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid beschikt wanneer moet worden beoordeeld of een kandidaat- burgemeester al dan niet voldoet aan de benoemingsvoorwaarden. Dit wordt ook bevestigd door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in het arrest nr. 227.776 van 20 juni 2014, waarin de Raad bevestigde dat ‘(w)anneer de gewestregering een persoon tot burgemeester moet benoemen en deze persoon wordt voorgedragen door de gemeenteraad, (…) die gewestregering de voordracht (kan) beoordelen in functie van de criteria die gelden voor een goed gemeentebestuur en kan zij daarbij rekening houden met de bekwaamheid, de eerbaarheid, de opleiding en het persoonlijk gezag van de voorgedragen kandidaat’. Er mag immers worden aangenomen dat de benoemende overheid bij de uitoefening van haar benoemingsbevoegdheid niet alleen zich ervan moet vergewissen of de voorgedragen kandidaat-burgemeester voldoet aan de wettelijke benoemingsvoorwaarden en de geldende regels inzake onverenigbaarheden, maar ook moet nagaan of de kandidaat-burgemeester over de vereiste kwaliteiten beschikt voor het behartigen van een goed bestuur van de gemeente en voldoende garanties biedt voor een regelmatige en loyale vertegenwoordiging van het centrale gezag in de gemeente. Te dezen wordt vastgesteld dat de voorgedragen kandidaat bij de verzending van de oproepingsbrieven in aanloop van de gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober 2018 bewust de instructies van de provinciegouverneur en de minister niet heeft gevolgd. Ondanks het feit dat de gemeente Sint-Genesius-Rode zeer goed op de hoogte was van de instructie van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur aan de provinciegouverneur van Vlaams-Brabant om de oproepingsbrieven voor de gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober 2018 naar de inwoners van Sint-Genesius-Rode te verzenden, besliste de gemeenteraad van de gemeente Sint-Genesius-Rode toch om de oproepingsbrieven voor de verkiezingen van 14 oktober 2018 volgens taalaanhorigheid te laten verzenden door het college van burgemeester en schepenen, waar de heer Pierre Rolin op dat ogenblik voorzitter van was. De gemeenteraad, waarvan de heer Pierre Rolin deel uitmaakte, stelde zich aldus eigenmachtig in de plaats van haar hogere, toezichthoudende overheden. Een dergelijke optreden is onverenigbaar met de verhoudingen tussen, enerzijds, de gemeentelijke overheid en, anderzijds, haar hogere, toezichthoudende overheden, te weten de provinciegouverneur en de Vlaamse Regering. Door dergelijk eigenmachtig optreden, onder meer van de voorgedragen kandidaat, kan hem niet het vertrouwen geschonken worden waarover een burgemeester zou moeten kunnen beschikken om in zijn gemeente op te treden als vertegenwoordiger en vertrouwensman van de respectieve regeringen, onder meer bij het toepassen van de wetten, decreten en verordeningen. Aldus heeft hij er blijk van gegeven niet over de vereiste kwaliteiten te beschikken voor het behartigen van een goed bestuur van de gemeente en voldoende garanties te bieden voor een regelmatige en loyale vertegenwoordiging van het centrale gezag in de gemeente. De verzending van deze oproepingsbrieven, terwijl de provinciegouverneur die reeds had verzonden, gebeurde bovendien op een wijze die niet in overeenstemming is met de geldende bestuurstaalwetgeving zoals die door de Abis - 22 - 5/24 toezichthoudende overheid wordt geïnterpreteerd. Het verzenden van de oproepingsbrieven door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Genesius-Rode gebeurde immers op basis van taalaanhorigheid, door gebruik te maken van een niet-toegelaten systeem van taalregistratie. Die handelswijze kan bovendien persoonlijk aan de heer Pierre Rolin worden toegeschreven. Uit de brief van de heer Pierre Rolin gericht aan de provinciegouverneur van 5 september 2018 blijkt immers duidelijk dat (
- i)de heer Pierre Rolin de interpretatie voorstaat volgens welke het zou volstaan dat particulieren slechts één keer om de vier jaar de wens te kennen moeten geven om in het Frans te worden bediend, en (
- ii)dat hij niet bereid is om de taalwetgeving, zoals geïnterpreteerd door de toezichthoudende overheid, na te leven. De loutere omstandigheid dat de heer Pierre Rolin zich bij de stemming van de gemeenteraad op 28 september 2018 heeft onthouden, overtuigt niet van het tegendeel. Uit de handelingen die voorafgaan aan deze stemming blijkt immers duidelijk dat de door de gemeenteraad vooropgestelde interpretatie van de bestuurstaalwetgeving ook degene is die door de heer Pierre Rolin persoonlijk wordt voorgehouden. Door aldus te handelen heeft de voorgedragen kandidaat niet alleen de instructies van de Vlaamse Regering naast zich neergelegd, maar heeft hij ook een daad gesteld die een inbreuk vormt op de bestuurstaalwet. Het voorliggende niet-benoemingsbesluit wordt daarnaast ook gestoeld op de vaststelling dat de voorgedragen kandidaat, in zijn hoedanigheid van burgemeester en voorzitter van het college van burgemeester en schepenen tijdens de vorige lokale bestuursperiode, ook zijn medewerking heeft verleend aan de invoering van een, met de Grondwet en taalwetgeving onverenigbaar, systeem van taalregistratie. Dit heeft geleid tot de nietigverklaring van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Sint-Genesius- Rode van 24 november 2016 ‘betreffende implementatie arrest Raad van State inzake taalfaciliteiten’ en van het besluit van de gemeenteraad van 16 mei 2017 ‘houdende communicatie van het arrest van de Raad van State’. Tegen dit vernietigingsbesluit werd een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing ingesteld door de gemeente Sint-Genesius-Rode. Op heden heeft de Raad van State over het beroep tot nietigverklaring nog geen uitspraak gedaan. Het verzenden van oproepingsbrieven volgens taalaanhorigheid, bovendien op basis van een systeem van taalregistratie, is niet in overeenstemming met de voorrang van het Nederlands in de gemeenten van het ééntalige Nederlandse taalgebied, waarvan de principiële ééntaligheid wordt gewaarborgd door artikel 4 van de Grondwet, noch met de artikelen 25, 26 en 30 van de bestuurstaalwet, zoals uitgelegd in de Omzendbrieven BA 97/22 van 16 december 1997, WE 1998/01 van 3 februari 1998, BA-2005/03 van 8 juli 2005 en BB 2010/03 van 7 mei 2010. De wil van de Grondwetgever en de bijzondere wetgever heeft er steeds in bestaan het principieel ééntalig karakter van het Nederlandse taalgebied te bevestigen. Dit wordt ook bevestigd in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State, waarin werd geoordeeld dat de interpretatie van de rechten van personen die in de randgemeenten wonen en die in hun betrekkingen met de gemeentelijke overheid het Frans wensen te gebruiken, moet stroken met de voorrangsstatus van het Nederlands in die gemeenten. Zulks impliceert dat bepalingen die het gebruik van een andere taal toestaan, niet tot gevolg mogen hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de door artikel 4 van de Grondwet gewaarborgde voorrang van het Nederlands. (Grondwettelijk Hof nr. 26/98 van 10 maart 1998, RvS […] nr. 138.860, nr. 138.861, nr. 138.862 en nr. 138.863 van 23 december 2004). Abis - 22 - 6/24 Het voorgaande impliceert een noodzakelijke restrictieve interpretatie van de taalfaciliteiten. Krachtens artikel 25 SWT gebruiken de plaatselijke diensten die gevestigd zijn in de randgemeenten in hun betrekkingen met een particulier de door betrokkene gebruikte taal voor zover die taal het Nederlands of het Frans is. Niets verhindert dan ook dat een gemeentebestuur op een Franstalige brief een antwoord geeft in het Frans of een ten gevolge van die brief geopend dossier in het Frans behandelt en afhandelt. Krachtens artikel 26 SWT worden de aan de particulieren uitgereikte getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in de gemeente Sint-Genesius-Rode in het Nederlands of in het Frans gesteld, naar gelang van ‘de wens van de belanghebbende’. Voormeld artikel 26 omschrijft evenwel niet nader op welke wijze ‘de wens van de belanghebbende’ om de in die bepaling bedoelde documenten en akten in het Nederlands of in het Frans te verkrijgen, aan het bestuur te kennen moet worden gegeven en op welke concrete manier het bestuur die wens mag of moet vaststellen en mag of moet registreren. Krachtens artikel 30 SWT dienen in de gemeente Sint-Genesius-Rode de akten alleszins in het Nederlands te worden gesteld, met dien verstande dat iedere belanghebbende daar, vervolgens, een gewaarmerkte vertaling van kan bekomen. Om in overeenstemming te zijn met de door de Grondwet gewaarborgde voorrang van het Nederlands moeten de artikelen 25, 26 en 30 SWT in die zin worden geïnterpreteerd dat het verzoek om het Frans te gebruiken uitdrukkelijk moet worden herhaald. Dit is ook de interpretatie die wordt gehanteerd in de voormelde omzendbrieven. Deze omzendbrieven werden aangenomen omdat vastgesteld werd dat de toenmalige bestuurspraktijk, die in wezen neerkwam op tweetaligheid, niet in overeenstemming was met het principe van de voorrang van het Nederlands, zoals geformuleerd in artikel 4 van de Grondwet. De omzendbrieven hebben toen voor het eerst geregeld op welke manier dit zou gebeuren, nl. elke keer opnieuw verzoeken om in het Frans bediend te worden en de omzendbrieven hebben ook uitdrukkelijk vastgelegd dat taalregistratie niet mogelijk was. In zijn arresten nrs. 138.860 t.e.m. 138.863 van 23 december 2004 heeft de Raad van State de beroepen tot nietigverklaring van de omzendbrief BA-97/22 van 16 december 1997 verworpen. Daarbij heeft de Raad van State inzonderheid op het volgende gewezen: - dat de bestreden omzendbrief de praktijk blijkt te willen keren die inhoudt dat besturen bestendig het Frans gebruiken ten opzichte van bepaalde rechtsonderhorigen zonder dat voor het gebruik van die taal een uitdrukkelijk verzoek is uitgebracht; - dat, teneinde grondwetsconform te zijn, de interpretatie van de rechten van wie in de randgemeenten in het Frans wil worden bestuurd, moet stroken met de voorrangsstatus van het Nederlands in die gemeenten; - dat een interpretatie die inhoudt dat de randgemeenten het Frans dienen te gebruiken van zodra de overheid de taal van de particulier kent en deze taal het Frans is, of nog, dat particulieren die eens het gebruik van het Frans hebben gevraagd later automatisch in het Frans worden aangeschreven, daar niet mee strookt, vermits die interpretatie en de daarop gestoelde bestuurspraktijk in wezen leiden tot een stelsel van tweetaligheid, waarbij de taalvoorkeur van personen zelfs in bestanden wordt vastgelegd; - dat, tegen de achtergrond van een noodzakelijk restrictieve interpretatie van het recht om het bestuur het Frans in plaats van het Nederlands te laten gebruiken in het betrokken ééntalig gebied, de interpretatie, zoals uitgedrukt in Abis - 22 - 7/24 de omzendbrief, dat het verzoek om het Frans te gebruiken uitdrukkelijk moet worden herhaald, wel degelijk verenigbaar is met de bestuurstaalwet. De inhoud van deze arresten werd nogmaals bevestigd in het arrest nr. 184.353 van 19 juni 2008. De omzendbrief BA-97/22 van 16 december 1997, die aan de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeenten van het Nederlandse taalgebied ter kennis werd gebracht, en de daarin vervatte interpretatie van de bestuurstaalwetgeving, is m.a.w. nog steeds van toepassing. Hetzelfde geldt overigens ten aanzien van de omzendbrieven WE 1998/01 van 3 februari 1998, BA-2005/03 van 8 juli 2005, alsook de omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010, inzake het verbod op registratie van taalvoorkeur, die eveneens aan (onder meer) de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeenten van het Nederlandse taalgebied ter kennis werd gebracht. In casu ligt er ook geen rechterlijke uitspraak voor op basis waarvan een gemeentebestuur, handelend als administratieve overheid, zou kunnen besluiten om ter zake eigenmachtig een regeling te treffen en daarbij de geldende instructies van een hogere overheid buiten toepassing te laten. De interpretatie van de rechten van de personen die in de randgemeenten wonen, zoals die klaarblijkelijk ook wordt voorgestaan door de heer Pierre Rolin, volgens welke het zou volstaan elke vier jaar schriftelijk mee te delen aan het gemeentebestuur in welke taal een particulier van een randgemeente wenst te worden bediend en deze gegevens vervolgens door het gemeentebestuur in een taalregister te laten bijhouden, is niet in overeenstemming met de wil van de Grondwetgever en de bijzondere wetgever, met de grondwettelijk gewaarborgde voorrang van het Nederlands in de gemeenten van het Nederlandse taalgebied, met de voormelde voorschriften van de SWT en met de daaraan door het Vlaamse Gewest gegeven en nog steeds geldende interpretatie daarvan, nu die interpretatie erop neerkomt dat in de praktijk een systeem van tweetaligheid wordt ingevoerd. Het standpunt van de Vlaamse Regering is en blijft dat de faciliteiten die de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken verlenen restrictief moeten worden toegepast, wat impliceert dat de particulier in zijn betrekkingen met de plaatselijke diensten van een randgemeente telkens uitdrukkelijk moet verzoeken om het Frans te gebruiken. Uiteindelijk werden de faciliteiten ingesteld om de integratie van Franstaligen in het Nederlandse taalgebied te bevorderen. In de praktijk betekent dit dat elke plaatselijke dienst uit de faciliteitengemeenten in zijn betrekkingen met inwoners uit faciliteitengemeenten het Nederlands gebruikt. Enkel wanneer een inwoner uit een rand- of taalgrensgemeente daar telkens uitdrukkelijk om verzoekt, kan uitzonderlijk het Frans worden gebruikt. In deze context is het van belang nogmaals te wijzen op het uitzonderingskarakter van de faciliteiten. Dit wil derhalve zeggen dat faciliteiten niet automatisch, blijvend, worden verleend. Ze moeten keer op keer worden aangevraagd. Het is dus uitgesloten dat particulieren die eens het gebruik van het Frans hebben gevraagd later automatisch opnieuw in het Frans worden aangeschreven. Het taalgebruik van een particulier is immers geen statisch gegeven. Men kan veronderstellen dat de betrokkene zich ondertussen heeft geïntegreerd en dat hij de Nederlandse taal dermate machtig is dat hij aanvaardt in het Nederlands te worden aangesproken of aangeschreven. Alleszins kwam het niet aan het gemeentebestuur van de gemeente Sint- Genesius-Rode toe om de interpretatie van de bestuurstaalwet, zoals die door de toezichthoudende overheid aan de gemeentebesturen is ter kennis gebracht, bij de omzendbrieven BA-97/22 van 16 december 1997, op eigen gezag terzijde te schuiven (Vgl. RvS nr. 227.775 van 20 juni 2014, punt 15.6). A fortiori kwam het het gemeentebestuur van de gemeente Sint-Genesius-Rode Abis - 22 - 8/24 niet toe om zich, op basis van deze eigen interpretatie, in de plaats te stellen van haar hogere, toezichthoudende overheden, wier optreden zij heeft verstoord in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober 2018. De lokale besturen werden er in de omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010 bovendien op gewezen dat er een absoluut verbod bestaat om een eventuele taalvoorkeur van de inwoners te registreren. De houding van de heer Pierre Rolin druist dus tevens in tegen de instructie die is opgenomen in de omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010. Bijgevolg is elk systeem dat er op gericht is door middel van registers of bestanden de taalvoorkeur van inwoners te registreren met de bedoeling een automatische taalkeuze te maken, on(grond)wettig. Dit verbod geldt voor alle lokale besturen van het Vlaamse Gewest. 3. Conclusie Uit wat voorafgaat, blijkt duidelijk (
- i)dat de heer Pierre Rolin bewust de instructies van de provinciegouverneur en de minister niet heeft gevolgd, (
- ii)dat hij de taalwetgeving heeft overtreden, door zijn medewerking te verlenen aan het verzenden van de oproepingsbrieven voor de lokale en provinciale verkiezingen van 14 oktober 2018 volgens taalaanhorigheid en (iii) dat hij niet bereid is om de taalwetgeving, zoals geïnterpreteerd door de toezichthoudende overheid, na te leven. De heer Pierre Rolin heeft deze handelwijze ook duidelijk verdedigd in de brief gericht aan de provinciegouverneur van 5 september 2018, waarin hij aankondigde dat de interpretatie van de bestuurstaalwetgeving gehanteerd door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in twee arresten van 20 juni 2014 en 17 mei 2018, ‘die erin bestaat dat wanneer een persoon al een verzoek heeft gedaan om officiële documenten in het Frans te ontvangen en als zodanig werd geregistreerd door de gemeentelijke administratie, hem rechtstreeks een oproepingsbrief in de gewenste taal moet worden gestuurd’, ‘de enige (…) die geldig is in rechte’ en de minister ervan beschuldigde ‘illegaal’ te hebben gehandeld en aan ‘machtsoverschrijding’ te hebben gedaan. Door aldus te handelen, heeft de heer Pierre Rolin wetens en willens de instructies van de Vlaamse Regering niet gevolgd en heeft hij het vertrouwen dat men moet kunnen stellen in een gezagsdrager onherroepelijk geschaad. Van een burgemeester mag immers worden verwacht dat hij de geldende wet- en regelgeving strikt naleeft. Een burgemeester staat, overeenkomstig artikel 63 van het Decreet over het lokaal bestuur, immers in voor de uitvoering van de wetten, decreten en uitvoeringsbesluiten van de federale overheid, het gewest of de gemeenschap. Het komt daarbij vanzelfsprekend niet aan de burgemeester toe om eigenhandig te beslissen welke wet- en regelgeving hij al dan niet zal toepassen. Het voorgaande geldt des te meer, nu de door de heer Pierre Rolin voorgehouden interpretatie van de bestuurstaalwetgeving volstrekt onverenigbaar is met de voorrangstatus van het Nederlands en ingaat tegen de interpretatie van de bestuurstaalwet, als bedoeld in de omzendbrieven BA 97/22 van 16 december 1997, WE 1998/01 van 3 februari 1998 en BA- 2005/03 van 8 juli 2005, zoals die door de toezichthoudende overheid aan de lokale besturen zijn ter kennis gebracht. Het bijhouden van een taalregister is bovendien in strijd met de omzendbrief BB2010/03 van 7 mei 2010 betreffende het verbod op de registratie van taalvoorkeur en met de wet. Er dient aldus te worden [vastgesteld] dat de heer Pierre Rolin niet over de morele eigenschappen en het nodige morele gezag beschikt om op te treden als vertegenwoordiger en vertrouwensman van de regeringen, onder meer bij het toepassen van de wetten, decreten en verordeningen. Abis - 22 - 9/24 Om de voormelde redenen moet worden besloten dat de heer Pierre Rolin niet kan worden benoemd tot burgemeester van de gemeente Sint-Genesius- Rode.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Verzoek tot prejudiciële vraagstelling 4. De verwerende partij werpt in haar nota op dat “[a]lvorens [de Raad van State] kan overgaan tot het onderzoek van de (on)gegrondheid van het beroep, [...] het noodzakelijk is om éérst de principes die de verzoekende partij als uitgangspunt hanteert in haar memorie op hun grondwettigheid te toetsen, zowel wat betreft de overeenstemming van de door de verzoekende partij voorgestane interpretatie van de Bestuurstaalwet met de door de Grondwet gewaarborgde voorrang van het Nederlands in de gemeenten van het eentalige Nederlandse taalgebied als wat betreft de bevoegdheid van [de Raad van State] om voorwaarden toe te voegen aan de voormelde Bestuurstaalwet”. Vooreerst rijst volgens de verwerende partij de vraag hoe de door verzoeker voorgestane interpretatie van de artikelen 25, 26 en 30 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna: de bestuurstaalwet) in overeenstemming kan zijn met de voorrang van het Nederlands in de gemeenten van het Nederlandse taalgebied, waarvan de principiële eentaligheid wordt gewaarborgd door artikel 4 van de Grondwet. Zij verzoekt om het Grondwettelijk Hof daarover prejudicieel te ondervragen als volgt: “Schenden de artikelen 25, 26 en 30 van de Bestuurstaalwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4 van de Grond- wet, in het bijzonder de in dit grondwetsartikel gewaarborgde voorrang van het Nederlands, in de interpretatie volgens welke het zou volstaan dat parti- culieren van de randgemeenten slechts één keer om de vier jaar de wens te kennen moeten geven om in het Frans te worden bediend en dit dus ook im- pliceert dat een of andere vorm van registratie van de vier jaar geldende taalvoorkeur in deze gemeenten mogelijk moet zijn.” Voorts stelt de verwerende partij dat verzoeker de interpretatie die de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan de bestuurstaalwet heeft gegeven in de arresten nrs. 227.775 en 227.776 van 20 juni 2014 als de enige juiste beschouwt en aldus aan deze vergadering een Abis - 22 - 10/24 bevoegdheid toedicht tot authentieke interpretatie van de voornoemde wet, terwijl alleen de wetgever daartoe bevoegd is. Volgens de verwerende partij heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak bovendien niet de bevoegdheid om voorwaarden aan de bestuurstaalwet toe te voegen, terwijl zij “[d]at [...] nochtans precies [...] heeft gedaan in de arresten nrs. 227.775 en 227.776 van 20 juni 2014”. Voor zover de Raad van State het standpunt van verzoeker zou bijvallen, kan daarover volgens de verwerende partij niet worden beslist zonder dat eerst het Grondwettelijk Hof wordt ondervraagd als volgt: “Schendt artikel 13bis van de Nieuwe Gemeentewet de artikelen 30 en 129 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 84 van de Grondwet, in de interpretatie dat het aan de Raad van State de bevoegdheid geeft om (
- i)een regeling te treffen inzake het taalgebruik in bestuurszaken, meer bepaald door aan de artikelen 25, 26 en 30 van de Bestuurstaalwet de invulling te geven volgens welke het zou volstaan dat particulieren in de randgemeenten slechts één keer om de vier jaar de wens te kennen moeten geven om in het Frans te worden bediend – en er dus een of andere vorm van registratie van de vier jaar geldende taalvoorkeur mogelijk moet zijn en (
- ii)aan die invulling van de Bestuurstaalwet bovendien het karakter van een authentieke interpretatie dient te worden gegeven die zich aan eenieder opdringt, terwijl enkel de federale wetgever bevoegd is om een regeling te treffen inzake het taalgebruik in bestuurszaken en aan de Bestuurstaalwet een authentieke interpretatie te geven.” 5. De prejudiciële vraagstelling waar de verwerende partij om verzoekt gaat, anders dan deze partij het ziet, niet vooraf aan “het onderzoek van de (on)gegrondheid van het beroep”, maar hangt – zoals hierna zal blijken – ermee samen. V. Onderzoek van het tweede en het vierde middel tezamen Standpunt van de partijen 6. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, alsook “het ontbreken van aannemelijke en relevante motieven, wegens tegenstrijdige motivering” en “het ontbreken van een adequate motivering, [...] de manifeste beoordelingsfout en [...] machtsoverschrijding”. Abis - 22 - 11/24 Hij betoogt dat de bestreden beslissing hem “louter en alleen [...] een mening en een houding” verwijt, “zonder dat er enig concreet feit ten laste wordt gelegd”. Zo steunt de bestreden beslissing vooreerst op een beslissing van de gemeenteraad waarbij hij zich heeft onthouden. Voorts wordt gewag gemaakt van zijn brief van 5 september 2018 aan de provinciegouverneur waarin hij verwijst naar de interpretatie van de bestuurstaalwet in de arresten van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vervolgens is er het feit dat hij zijn medewerking zou hebben verleend aan beslissingen van het college van burgemeester en schepenen die op “24 november 2016” (versta: 26 juni 2017) door de toezichthoudende overheid werden vernietigd, maar die vernietiging is door de Raad van State geschorst. Ten slotte zoekt de bestreden beslissing steun in zijn “houding” die zou indruisen tegen een instructie die is opgenomen in omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010. Volgens verzoeker kan het loutere feit dat hij het voornemen heeft om bij de uitoefening van zijn bevoegdheden rekening te houden met de rechtspraak van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State moeilijk afdoende zijn om te besluiten dat hij niet beschikt over de morele eigenschappen en het nodige morele gezag om tot burgemeester te worden benoemd. Verzoeker stelt niets anders te hebben gedaan dan zijn mening verdedigd dat bij de interpretatie van de bestuurstaalwet rekening moest worden gehouden met de arresten van de Raad van State. Verzoeker besluit dat de motivering van de bestreden beslissing “onmogelijk op wettige wijze de weigering tot benoeming kan rechtvaardigen”. 7. In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 25 en 26 van de bestuurstaalwet en van het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook “het ontbreken van een adequate motivering”, “de manifeste beoordelingsfout” en “machtsoverschrijding”. Hij betoogt dat de bestreden weigeringsbeslissing om hem tot burgemeester van de gemeente Sint-Genesius-Rode te benoemen doorslaggevend steunt op twee premissen, namelijk vooreerst dat het verzoek van een inwoner van de gemeente om het Frans te gebruiken in zijn relatie met de plaatselijke Abis - 22 - 12/24 overheid telkens opnieuw uitdrukkelijk moet worden herhaald en voorts dat elke vorm van taalregistratie ten stelligste verboden is. Volgens verzoeker is het duidelijk dat de interpretatie die door de verwerende partij aan de bestuurstaalwet wordt gegeven, niet te verzoenen valt met “een evenredige interpretatie van de rechten die Franstalige inwoners uit de faciliteitengemeenten kunnen putten [uit de voornoemde bepalingen van de bestuurstaalwet]”. Verzoeker voegt eraan toe dat een algemeen verbod op elke vorm van taalregistratie niet kan worden gerijmd met een redelijke interpretatie van de bestuurstaalwet, die werd aangenomen in de arresten van de Raad van State nr. 227.775 van 20 juni 2014 en nr. 241.512 van 17 mei 2018. 8.1. De verwerende partij antwoordt op het tweede middel vooreerst dat het ongegrond is in de mate dat het de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, aangezien “[u]it de memorie van [verzoeker] blijkt dat [hij] maar al te goed weet waarom [hij] de Raad van State heeft willen vatten”. 8.2. Voor zover verzoeker in het tweede middel de motieven van de bestreden beslissing bekritiseert en daarbij steunt op een interpretatie van de bestuurstaalwet die door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is aangenomen in de arresten nr. 227.775 van 20 juni 2014 en nr. 241.512 van 17 mei 2018, herhaalt de verwerende partij haar verzoek om “het Grondwettelijk Hof hierover prejudicieel te ondervragen”. 8.3. De verwerende partij brengt voorts in herinnering dat zij over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid beschikt wanneer zij moet oordelen of een kandidaat-burgemeester al dan niet voldoet aan de benoemingsvoorwaarden. Daarbij moet zij onder meer nagaan of de voorgedragen kandidaat-burgemeester over de vereiste kwaliteiten beschikt voor het behartigen van een goed bestuur van de gemeente en voldoende garanties biedt voor een regelmatige en loyale vertegenwoordiging van het centrale gezag in de gemeente. Zij kan dan ook weigeren de voorgedragen kandidaat te benoemen indien over zijn kwaliteiten ernstige twijfels bestaan, die gesteund zijn op overtuigende en vaststaande gegevens. Daarbij mag zij in overweging nemen in welke mate zij verwacht dat de voorgedragen kandidaat na zijn benoeming zal instaan voor de uitvoering van Abis - 22 - 13/24 de wetten, met inbegrip van de kieswetgeving en de wetgeving inzake het taalgebruik in bestuurszaken. De verwerende partij benadrukt dat in dit geval de bestreden beslissing steunt op verschillende, telkens op zichzelf afdoende feiten, namelijk (
- i)dat verzoeker bewust de instructies van de provinciegouverneur en de minister niet heeft gevolgd, (
- ii)dat verzoeker de bestuurstaalwetgeving heeft overtreden, door zijn medewerking te verlenen aan het verzenden van de oproepingsbrieven voor de lokale en provinciale verkiezingen van 14 oktober 2018 volgens taalaanhorigheid en (iii) dat verzoeker niet bereid is om de taalwetgeving, zoals geïnterpreteerd door de toezichthoudende overheid, na te leven. Volgens de verwerende partij zijn die feiten niet te herleiden tot het louter verkondigen van een mening. Zij leidt hieruit af dat verzoeker geen belang heeft bij het tweede middel, omdat hij daarin geen kritiek aanvoert tegen het motief dat hij de instructies van de gewestregering niet heeft gevolgd, terwijl dat motief nochtans op zich afdoende is om de niet-benoeming van verzoeker te verantwoorden. 8.4. Wat de gegrondheid van het tweede middel betreft, merkt de verwerende partij op dat verzoeker slechts zijn verwondering of verontwaardiging uit omtrent de motieven van de bestreden beslissing, maar niet concreet aangeeft waarom die motieven niet afdoende zouden zijn om zijn benoeming tot burgemeester te weigeren. Zij argumenteert dat verzoeker ertoe gehouden was om de instructies van de gewestregering toe te passen, zolang die instructies niet werden opgeheven, ingetrokken, geschorst of vernietigd. Dat is evenwel niet gebeurd, ook niet door de arresten van de Raad van State waarop verzoeker zich thans beroept. Er drong zich aan verzoeker op het ogenblik van de verzending van de oproepingsbrieven geen enkele rechterlijke uitspraak op om die instructies buiten toepassing te laten. De verwerende partij meent dan ook uit de handelwijze van verzoeker te hebben mogen afleiden dat zij aan hem niet het vereiste vertrouwen kon schenken. Volgens de verwerende partij kan verzoeker zich niet verschuilen achter het feit dat hij zich bij de stemming in de gemeenteraad op 28 september Abis - 22 - 14/24 2018 heeft onthouden. Verzoekers daaraan voorafgaande handelingen geven er immers duidelijk blijk van dat de interpretatie van de bestuurstaalwet die door de gemeenteraad wordt vooropgesteld, ook door hem wordt bijgevallen. Bovendien heeft hij aan de vergadering van de gemeenteraad deelgenomen en de leden ervan geïnformeerd over het voorstel van beslissing. De genomen gemeenteraadsbeslissing mocht hem dan ook worden “toegeschreven”. De verwerende partij wijst er voorts op dat verzoeker niet ontkent te hebben meegewerkt aan de beslissing van het college van burgemeester en schepenen om de taalvoorkeur van de inwoners te registreren, die zij in het kader van het algemeen bestuurlijk toezicht heeft vernietigd. De omstandigheid dat deze vernietigingsbeslissing nadien door de Raad van State werd geschorst, heeft volgens de verwerende partij geen belang, omdat dit “enkel [betekent] dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, in afwachting van de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, wordt geschorst”. Als verzoeker beslist om verder uitvoering te geven aan de beslissing van de gemeente om de taalvoorkeur van de inwoners te registreren, dan doet hij dat op eigen risico. Haar kan echter niet worden verweten dat zij met “dit element” rekening heeft willen houden. De verwerende partij besluit dat aan verzoeker concrete feiten ten laste worden gelegd en dat zij bij de uitoefening van haar benoemingsbevoegdheid daarmee rekening kon houden. Zij stelt redelijkerwijze te hebben kunnen oordelen dat de feiten en gegevens waarvan sprake in de bestreden beslissing, de weigering tot benoeming van verzoeker tot burgemeester van de gemeente Sint-Genesius-Rode konden verantwoorden. 9. Wat het vierde middel betreft, stelt de verwerende partij vooreerst vast dat verzoeker zijn persoonlijke gedragingen meent te kunnen rechtvaardigen op grond van de interpretatie van de bestuurstaalwet die door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt gehuldigd in de arresten nr. 227.775 van 20 juni 2014 en nr. 241.512 van 17 mei 2018. Zij vraagt nogmaals om het Grondwettelijk Hof daarover prejudicieel te ondervragen. Abis - 22 - 15/24 Voorts doet zij gelden dat de bewering van verzoeker dat de bestreden beslissing gesteund is op een algemeen verbod van elke vorm van taalregistratie feitelijke grondslag mist. De vraag die voorligt, is immers niet of een dergelijk verbod kan worden gerijmd met de artikelen 24, 25, 26 en 30 van de bestuurstaalwet, maar wel of de kandidaat-burgemeester over de vereiste kwaliteiten beschikt voor het behartigen van een goed bestuur van de gemeente en voldoende garanties biedt voor een regelmatige en loyale vertegenwoordiging van het centrale gezag in de gemeente. Volgens de verwerende partij verliest verzoeker wederom uit het oog dat tegen hem wordt ingebracht dat hij de gemeentelijke kiesverrichtingen heeft georganiseerd zonder zich aan haar instructies te houden. Zij stelt een doorslaggevend belang te hebben gehecht aan het gebrek aan vertrouwen dat zij heeft kunnen vaststellen. Zij ziet niet in hoe dit motief in strijd zou kunnen zijn met de ingeroepen artikelen 25 en 26 van de bestuurstaalwet. Aangezien verzoeker geen kritiek aanvoert tegen dat motief, dat op zich afdoende is om zijn niet-benoeming te rechtvaardigen, heeft verzoeker geen belang bij de grief die hij ontleent aan de schending van de voornoemde bepalingen van de bestuurstaalwet. Voor zover het middel ervan uitgaat dat de bestreden beslissing een adequate motivering mist, valt het volgens de verwerende partij samen met het tweede middel en verwijst zij naar “de weerlegging van dat middel”. Beoordeling 10. De bestreden beslissing weigert de benoeming van verzoeker tot burgemeester van de gemeente Sint-Genesius-Rode omdat hij “niet over de morele eigenschappen en het nodige morele gezag beschikt om op te treden als vertegenwoordiger en vertrouwensman van de regeringen, onder meer bij het toepassen van de wetten, decreten en verordeningen”. 11. De bevoegde Vlaamse minister komt blijkens de bestreden beslissing tot dat oordeel op grond van drie motieven. In de eerste plaats wordt uiteengezet dat verzoeker “bewust de instructies van de provinciegouverneur en de minister niet heeft gevolgd”. Vervolgens – “bovendien” – wordt betoogd dat verzoeker “een daad [heeft] gesteld die een inbreuk vormt op de bestuurstaalwet”. Ten slotte verklaart de Vlaamse minister dat het niet-benoemingsbesluit “daarnaast” Abis - 22 - 16/24 ook stoelt op de vaststelling dat verzoeker zich niet wil voegen naar de interpretatie van de bestuurstaalwet zoals die door de toezichthoudende overheid aan de gemeentebesturen ter kennis is gebracht. Weliswaar doet de verwerende partij in haar nota gelden, en herhaalt zij ter terechtzitting, dat de verschillende feiten waarin de bestreden beslissing steun zoekt “op zichzelf afdoende” zijn, maar dat blijkt niet uit de bestreden beslissing zelf. Het tegendeel is het geval, zoals ten overvloede blijkt uit de “Conclusie” van de bestreden beslissing. Daarin worden de drie motieven voor verzoekers gebrek aan morele eigenschappen en gezag nog eens expliciet herhaald en samengevat, eens te meer zonder daarbij op enigerlei wijze te laten verstaan dat reeds één van deze motieven of elk motief op zich zou volstaan om de weigering tot benoeming van verzoeker te schragen. De betrokken motieven – het feit “(
- i)dat de heer Pierre Rolin bewust de instructies van de provinciegouverneur en de minister niet heeft gevolgd, (
- ii)dat hij de taalwetgeving heeft overtreden, door zijn medewerking te verlenen aan het verzenden van de oproepingsbrieven voor de lokale en provinciale verkiezingen van 14 oktober 2018 volgens taalaanhorigheid en (iii) dat hij niet bereid is om de taalwetgeving, zoals geïnterpreteerd door de toezichthoudende overheid, na te leven” – zijn daarom alle als gelijkwaardig en (even) noodzakelijk te beschouwen ter verantwoording van de genomen beslissing. De onwettigheid van één van die motieven heeft dan ook de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg. Verzoeker heeft derhalve belang bij de besproken middelen, óók wanneer hij, zoals de verwerende partij opwerpt, het motief dat hij de instructies van de gewestregering niet heeft gevolgd, niet bekritiseert. 12. Op zijn minst één van de drie voormelde motieven houdt rechtstreeks verband met de interpretatie van de artikelen 25, 26 en 30 van de bestuurstaalwet, namelijk het tweede motief, dat aan verzoeker verwijt de bestuurstaalwet te hebben overtreden door zijn medewerking aan de verzending van de oproepingsbrieven voor de lokale en provinciale verkiezingen van 14 oktober 2018 volgens de taalaanhorigheid van de kiezers. Abis - 22 - 17/24 Die verzending van oproepingsbrieven volgens taalaanhorigheid, “bovendien op basis van een systeem van taalregistratie”, wordt in de bestreden beslissing beschouwd als “niet in overeenstemming met de voorrang van het Nederlands in de gemeenten van het ééntalige Nederlandse taalgebied, waarvan de principiële ééntaligheid wordt gewaarborgd door artikel 4 van de Grondwet, noch met de artikelen 25, 26 en 30 van de bestuurstaalwet, zoals uitgelegd in de Omzendbrieven BA 97/22 van 16 december 1997, WE 1998/01 van 3 februari 1998, BA-2005/03 van 8 juli 2005 en BB 2010/03 van 7 mei 2010”. 13. In de arresten nrs. 227.775 en 227.776 van 20 juni 2014 heeft de Raad van State aangenomen dat, rekening houdend met “de ruimere context van de taalregeling in België”, met arresten van het Grondwettelijk Hof ter zake, met de voorrangsstatus van het Nederlands in de randgemeenten en met de wil van de grondwetgever en van de bijzondere wetgever, de interpretatie die erin bestaat dat de belanghebbende, bedoeld in de artikelen 26 en 28 van de bestuurstaalwet, telkens hij in het Frans wenst te worden bediend welbepaalde stappen moet ondernemen, een onevenredige inperking inhoudt van de rechten die door de artikelen 25, 26 en 28 van de bestuurstaalwet worden gewaarborgd. Om rekening te houden zowel met de voorrangsstatus van het Nederlands in het eentalige Nederlandse taalgebied als met de rechten die in de artikelen 25, 26 en 28 van de bestuurstaalwet aan de particulieren van de randgemeenten worden gewaarborgd, moet volgens deze arresten, bij afwezigheid van een specifiek verzoek van de particulier aan de gemeentelijke overheid, die overheid steunen op wat zij over het taalgebruik van de particulier weet. In dat verband is de particulier er in voorkomend geval toe gehouden het bestuur op redelijk geregelde tijdstippen ervan op de hoogte te brengen dat hij in het Frans wenst te worden bediend. De overheid moet refereren aan die keuze, waarvan zij alleen kennis kan nemen aan de hand van een brief die de particulier met dat doel naar het gemeentebestuur zond of er neerlegde. Die keuze geldt gedurende een redelijke termijn, te weten een termijn van vier jaar vanaf de ontvangst of neerlegging van de voormelde brief bij het gemeentebestuur. Na het verstrijken van die termijn kan de particulier met een nieuwe brief zijn keuze hernieuwen, weer voor een termijn van vier jaar. Telkens dient door het gemeentebestuur onverwijld een bewijs van ontvangst of neerlegging van de brief naar de betrokken particulier te worden gezonden. Abis - 22 - 18/24 14. Deze interpretatie is door de Raad van State bevestigd in zijn arrest nr. 237.209 van 30 januari 2017. Ook in arrest nr. 237.211 van 30 januari 2017 heeft de Raad van State gewezen op de interpretatie die blijkens de overwegingen in arrest nr. 227.776 van 20 juni 2014 sindsdien aan de rechten van de personen die in de randgemeenten wonen, behoort te worden gegeven en waaraan de Vlaamse Regering niet mag voorbijgaan. In arrest nr. 241.512 van 17 mei 2018 is de Raad van State deze interpretatie andermaal – zij het voorlopig in het kader van de vordering tot schorsing in de desbetreffende zaak – bijgevallen. Hij heeft daarbij nog gespecificeerd dat artikel 30 van de bestuurstaalwet, meer bepaald het erin vervatte voorschrift dat onder meer in de gemeente Sint-Genesius-Rode de akten worden gesteld in het Nederlands, deze interpretatie niet in de weg staat. 15. De verwerende partij kan zich tegen de hiervóór sub 13 uiteengezette interpretatie niet nuttig beroepen op arresten die dateren van vóór ’s Raads arresten nrs. 227.775 en 227.776 van 20 juni 2014 met betrekking tot – ten opzichte van de laatst vermelde datum – posterieure feiten. 16. Uit de voormelde interpretatie van de betrokken bepalingen van de bestuurstaalwet volgt noodzakelijk dat een of andere vorm van registratie van de vier jaar geldende taalvoorkeur mogelijk moet zijn. Een algemeen verbod daartoe kan niet worden gelezen in artikel 4 van de Grondwet, noch in enige bepaling van de bestuurstaalwet. Omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010 kan evenmin een dergelijk verbod verantwoorden. 17. Uit wat voorafgaat, moet worden besloten dat de interpretatie die in de bestreden beslissing wordt gegeven van de taalfaciliteiten in de randgemeenten, namelijk dat de kiezers in de gemeente Sint-Genesius-Rode die dat wensen ter gelegenheid van de lokale en provinciale verkiezingen slechts een Franstalig exemplaar van de oproepingsbrief kunnen verkrijgen wanneer zij na een Nederlandstalig exemplaar te hebben ontvangen uitdrukkelijk daar om Abis - 22 - 19/24 verzoeken, thans niet kan worden bijgevallen. Integendeel is de interpretatie die in de bestreden beslissing aan verzoeker wordt verweten “volgens welke het zou volstaan elke vier jaar schriftelijk mee te delen aan het gemeentebestuur in welke taal een particulier van een randgemeente wenst te worden bediend en deze gegevens vervolgens door het gemeentebestuur in een taalregister te laten bijhouden” in overeenstemming met wat de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State daaromtrent reeds menigmaal, in haar reeds genoemde arresten, heeft aangenomen en wat zij ook te dezen doet. De interpretatie van de taalfaciliteiten met betrekking tot de verzending van de oproepingsbrieven voor de lokale en provinciale verkiezingen van 14 oktober 2018 in de gemeente Sint-Genesius-Rode waarop de bestreden beslissing steunt om aan verzoeker te verwijten dat hij “de taalwetgeving heeft overtreden” en waaruit vervolgens mede wordt afgeleid dat hij “niet over de morele eigenschappen en het nodige morele gezag beschikt om op te treden als vertegenwoordiger en vertrouwensman van de regering, onder meer bij het toepassen van de wetten, decreten en verordeningen”, is dan ook geen deugdelijk motief voor de afwijzing van de voordracht van verzoeker om tot burgemeester te worden benoemd. Die vaststelling dient te leiden tot het besluit dat het tweede en het vierde middel, tezamen genomen, alvast in de aangegeven mate gegrond zijn. 18.1. Weliswaar vereist een dergelijk besluit dat het door de verwerende partij geformuleerde “verzoek tot prejudiciële vraagstelling” wordt beoordeeld. 18.2. De eerste door de verwerende partij voorgestelde prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid van de artikelen 25, 26 en 30 van de bestuurstaalwet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 4 van de Grondwet, in de interpretatie die verzoeker overeenkomstig de reeds genoemde arresten van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eraan heeft gegeven en die de Raad ook voor de voorliggende zaak bijvalt. De tweede door de verwerende partij voorgestelde prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid van artikel 13bis van de nieuwe gemeentewet met de artikelen 30 en 129 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 84 van de Grondwet, wanneer het in die zin wordt Abis - 22 - 20/24 geïnterpreteerd dat het aan de Raad van State de bevoegdheid verleent om een regeling te treffen inzake het taalgebruik in bestuurszaken, zoals dat in de voornoemde arresten van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak volgens de verwerende partij is gebeurd, en dat aan die invulling van de bestuurstaalwet het karakter van een authentieke interpretatie dient te worden gegeven. 18.3. Het is de rol van een hoogste rechtscollege, zoals de Raad van State, om verschillen in de interpretatie van de wetten die van toepassing zijn in de zaken die hem worden voorgelegd te beslechten, zodat er een einde komt aan de juridische onzekerheid ter zake. Dat geldt des te meer in voorliggend geval, waarin de beslechting van de zaak juist is toevertrouwd aan de op taalvlak paritair samengestelde algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State om – aldus het Grondwettelijk Hof in de arresten nrs. 57/2014 en 58/2014 van 3 april 2014 – een einde te maken aan de herhaalde betwistingen in de loop van de laatste jaren met betrekking tot de weigeringen tot benoeming van burgemeesters van de randgemeenten. Dit is gebeurd met een bijzondere wet die de betrokken procedure invoegde in de wet van 9 augustus 1988 ‘tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen’, welke wet als algemeen doel heeft de pacificatie tussen de gemeenschappen te verzekeren. 18.4. Zich met toepassing van die procedure kwijtend van haar opdracht uitspraak te doen over de weigering van benoeming van verzoeker tot burgemeester in een randgemeente, treft de algemene vergadering geen regeling inzake het taalgebruik in bestuurszaken, noch geeft zij daarmee een “authentieke” interpretatie aan de bestuurstaalwet. De tweede voorgestelde prejudiciële vraag steunt bijgevolg op een foutieve premisse. Overigens beoogt de vraag wezenlijk alleen maar de grondwettigheid van de rechtspraak van de Raad van State ter discussie te stellen. Abis - 22 - 21/24 18.5. Datzelfde geldt voor de eerste voorgestelde prejudiciële vraag. Bovendien mist ze de nodige precisie. Naar de verwerende partij in haar nota doet gelden en ter terechtzitting toelicht, wil zij met de vraag vernemen of de interpretatie door de Raad van State van de artikelen 25, 26 en 30 van de bestuurstaalwet al dan niet afbreuk doet aan de door artikel 4 van de Grondwet gewaarborgde voorrang van het Nederlands in het Nederlandse taalgebied doordat ze een categorie van personen de uitoefening van deze grondwettelijke waarborg zou ontnemen, terwijl die waarborg onbeperkt blijft gelden voor iedere andere burger. Wat exact aan wie precies wordt ontnomen, laat de verwerende partij echter onvermeld en verduidelijkt zij zelfs niet ter terechtzitting, nadat zij nochtans in het auditoraatsverslag kon lezen dat zij in gebreke blijft aan te geven “waarin het verschil in behandeling precies bestaat of welke ‘waarborg’ aan wie zou worden ontzegd”. Verder dan een verwijzing naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 96/2014 van 30 juni 2014 (B.16.2), komt de verwerende partij niet. In die zaak evenwel was de informatie die in de voorliggende zaak achterwege wordt gelaten, blijkbaar wel voorhanden, te weten welk concreet nadeel de schending van artikel 4 van de Grondwet meebracht (B.17.3) of nog wie concreet werd gediscrimineerd (B.32.2). 18.6. De besproken prejudiciële vragen worden bijgevolg niet gesteld. 19. Bijgevolg houdt het hiervóór sub 17 geformuleerde besluit onverminderd stand en verantwoordt het dat de beslissing van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 13 februari 2019 om verzoeker niet tot burgemeester van de gemeente Sint-Genesius-Rode te benoemen, wordt tenietgedaan. 20. Krachtens artikel 13bis, § 7, van de nieuwe gemeentewet heeft het arrest waarbij de Raad van State de weigering tot benoeming van de aangewezen- burgemeester tenietdoet, automatisch de definitieve benoeming van de betrokkene in het ambt van burgemeester tot gevolg. Abis - 22 - 22/24 BESLISSING De Raad van State doet de beslissing teniet van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke kansen en Armoedebestrijding van 13 februari 2019 waarbij Pierre Rolin niet wordt benoemd tot burgemeester van de gemeente Sint-Genesius-Rode. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juli tweeduizend negentien van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, die was samengesteld als volgt: Roger Stevens, eerste voorzitter, voorzitter van de algemene vergadering, Jacques Jaumotte, voorzitter, Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, kamervoorzitter, Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Geert Debersaques, kamervoorzitter, Imre Kovalovszky, kamervoorzitter, Pascale Vandernacht, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Bruno Seutin, staatsraad Pierre Lefranc, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, Luc Cambier, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, Luc Detroux, staatsraad, Diane Déom, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, Yves Houyet, staatsraad, David De Roy, staatsraad, Frédéric Gosselin, staatsraad, Nathalie Van Laer, staatsraad, Marc Joassart, staatsraad, Luc Donnay, staatsraad, Abis - 22 - 23/24 bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De eerste voorzitter Frank Bontinck Roger Stevens Abis - 22 - 24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.052 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div