id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.067 Rolnummer: A. 221725/IX-9029 Zaak: Arrest 245067 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 02/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-09 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-06-27 18:32 Fiche Arrest nr 245.067 van 2 juli 2019 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.067 van 2 juli 2019 in de zaak A. 221.725/IX-9029 In zake : Hans CLAUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Bekaert kantoor houdend te 8700 Tielt Hoogstraat 34 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoek 1. Het verzoek, ingediend op 15 maart 2017, strekt tot de toekenning “van een schadevergoeding tot herstel provisioneel begroot op 10.040,11 [euro], te vermeerderen de vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 14.08.2014 tot op heden, meer de gerechtelijke rente vanaf heden op het geheel tot de datum van algehele betaling”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 241.394 van 3 mei 2018 is het debat heropend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een aanvullend verslag opgesteld. IX-9029-1/10 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni 2019. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Paul Bekaert, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Anthony Poppe, die tevens loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in tussenarrest nr. 241.394 van 3 mei 2018. IV. Het verzoek A. De gevorderde schadevergoeding 4. In zijn laatste memorie na heropening van het debat heeft verzoeker zijn vordering herleid als volgt: “- Detacheringsvergoeding: 5.227,90 € - Verplaatsingskosten: 1.950,17 €” IX-9029-2/10 B. De schadevergoeding wegens verplaatsingskosten 5. Verzoeker licht zijn verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding wegens verplaatsingskosten toe als volgt: “Ten gevolge van de rugklachten ingevolge de lange verplaatsingen vanaf 01.09.2014 met het openbaar vervoer van en naar Dendermonde kreeg verzoeker verbod van zijn behandelende arts om deze verplaatsingen nog langer met het openbaar vervoer te doen. […] In de periode van april 2015 t.e.m. maart 2016 verplaatste verzoeker zich bijgevolg met zijn eigen wagen (Fiat Punto diesel) van en naar Dendermonde. De maandelijkse kosten hiervoor bedroegen 389 EUR/m. […] In deze periode ontving verzoeker een beperkte tussenkomst in het gebruik van zijn privévoertuig, met name 1.105,79 EUR in totaal […]. Verzoeker begroot zijn schade uit dien hoofde op het verschil ad 3.562,21 EUR (12 m x 389 EUR/
- m)– 1.105,79 EUR.” 6. In het auditoraatsverslag is met betrekking tot de door verzoeker gevorderde schadevergoeding wegens verplaatsingskosten de volgende beoordeling te lezen: “De partijen betwisten niet dat verzoeker schade heeft geleden ingevolge de dagelijkse verplaatsing die hij heeft gemaakt in de periode dat ingevolge de vernietigde beslissing hij tewerkgesteld was te Dendermonde. Enkel het bedrag wordt betwist. Op 29 april 2015 verklaart de huisarts van verzoeker dat laatstgenoemde het openbaar vervoer niet meer mag gebruiken om zich naar de gevangenis van Dendermonde te begeven (bundel verzoeker, st. 48.3). Hierop dient verzoeker op 5 mei 2015 een aanvraag in tot tegemoetkoming gebruik eigen voertuig woon-werk verkeer. De kortste afstand wordt geschat op 62,1 km (bundel verzoeker, st. 48.2). Vooreerst moet de verwerende partij worden bijgetreden waar zij stelt dat verzoeker niet over een medisch attest beschikt voor de periode van 1 april 2015 tot 5 mei 2015 en dat niet wordt aangetoond dat hij in die periode effectief zijn eigen wagen heeft gebruikt. Op grond van artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten hebben personen die voor hun verplaatsingen in dienstverband een eigen wagen gebruiken, recht op een kilometervergoeding om alle kosten te dekken die voortvloeien uit het gebruik van hun voertuig. Ingevolge de toepassing van die bepaling, samen gelezen met omzendbrief nr. 646 van 19 juni 2015, en onder aftrek van de reeds ontvangen verplaatsingsvergoeding van 1105,79 € (zie de brief van 14 februari 2017 uitgaande van de raadsman van verzoeker), komt de verwerende partij op een IX-9029-3/10 bedrag van 1950,17€. Van dit bedrag vraagt verzoeker, in zijn memorie van wederantwoord onder nr. 16, dat de Raad van State er nota wil van nemen dat aan verzoeker een dergelijk bedrag kan worden uitbetaald.” 7. Zowel verzoeker als de verwerende partij onderschrijven in hun laatste memorie deze beoordeling uit het auditoraatsverslag. 8. De Raad van State ziet geen elementen voorhanden om anders te oordelen. C. De schadevergoeding wegens “detachering” Standpunt van de partijen 9. Verzoeker licht zijn verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding wegens “detachering” toe als volgt: “Ten gevolge van de onwettige overplaatsing naar Dendermonde heeft verzoeker 270 dagen gewerkt […] buiten zijn standplaats Oudenaarde. Op grond van de tarieven voor forfaitaire vergoedingen voor verblijfskosten in het binnenland levert dit volgende schadevergoeding op […]: 270d x 19,22 EUR/d: 5.227,90 EUR” 10. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat verzoeker geen recht heeft op een detacheringsvergoeding. Zij licht dit toe als volgt (voetnoten weggelaten): “ C. Detacheringsvergoeding 37. Volgens de verzoekende partij, zou het feit dat zij naar de PI te Dendermonde werd overplaatst en dus buiten haar standplaats, met name Oudenaarde gewerkt zou hebben, haar recht geven op een detacherings- vergoeding die zij op 5.277,90 € begroot. Door de verzoekende partij wordt met name een detacheringsvergoeding gevorderd van 270 dagen x 19,22 €/dag voor een totale som van 5.227,90 €. 38. De verwerende partij neemt aan dat dit luik van de vordering steunt op het K.B. van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der federale overheidsdiensten (hierna het KB van 24 december 1964). Met name wordt aanspraak gemaakt op het geïndexeerde bedrag voor dagelijkse verplaatsingen van 8 uur en meer voor rondreizend personeel. IX-9029-4/10 39. Ook deze vordering kan echter niet weerhouden worden. In dat kader heeft het Hof van Cassatie immers geoordeeld dat, om een causaal verband te kunnen weerhouden, moet bewezen worden dat zonder de fout, de schade zich niet zou hebben voorgedaan. Welnu, bestaat de schade van de verzoekende partij er in dat zij elke dag een verplaatsing diende te maken van haar woonplaats te Oudenaarde naar de gevangenis te Dendermonde. Indien de fout niet zou hebben plaatsgevonden, dan zou zij deze verplaatsing niet moeten maken hebben. De verzoekende partij tracht echter vergoeding te bekomen voor de gehele tewerkstelling in de gevangenis te Dendermonde door uit te gaan van de fictie dat zij tewerk gesteld was in de gevangenis te Oudenaarde maar tegelijk gedetacheerd zou zijn naar de gevangenis van Dendermonde. Dit kan echter niet worden weerhouden. Aangezien de schade niet bestaat uit de arbeidsuren zelf verricht in de gevangenis van Dendermonde, beperkt deze schadepost zich tot de tijd gespendeerd aan de verplaatsing die de verzoekende partij diende te maken van haar woonplaats te Oudenaarde naar de gevangenis te Dendermonde. Aangezien het KB van 24 december 1964 slechts van toepassing is op personeelsleden van de FOD‟s die dienstreizen moeten maken, komt de overplaatsing van de verzoekende partij niet in aanmerking voor vergoeding. De verzoekende partij stelt dan ook verkeerdelijk dat zij recht zou hebben op een verblijfsvergoeding voor de volledige duur van haar tewerkstelling in de gevangenis te Dendermonde. De enige schade die de verzoekende partij zou geleden hebben, bestaat zoals gezegd uit de verplaatsing die zij dagelijks diende te maken naar de gevangenis te Dendermonde. Welnu werd hierboven reeds weergeven dat de Raad van State heeft bevestigd dat geen standplaats een verworven recht uitmaakt voor het betrokken personeelslid. Bovendien ziet verwerende partij niet in welke schade de verzoekende partij zou lijden door het gegeven dat zij een verplaatsing maakt die niet uitzonderlijk lang is in vergelijking met verplaatsingen die andere personeelsleden moeten maken en die de verzoekende partij overigens zelf in het verleden heeft gemaakt. Daarom maakt deze dagelijkse verplaatsing op zich geen vergoedbare schadepost uit.” 11. Ook in haar laatste memorie argumenteert de verwerende partij dat verzoeker geen recht heeft op een detacheringsvergoeding. Zij licht dit toe als volgt: “Verwerende partij blijft erbij dat de schade die de verzoekende partij kan geleden hebben zich beperkt tot de verplaatsing zelf tussen haar woonplaats in Oudenaarde en de gevangenis te Dendermonde. De werkzaamheden die de verzoekende partij ter plaatse heeft uitgeoefend verschillen niet van de activiteiten die zij zou hebben vervuld in de gevangenis te Oudenaarde. Deze activiteiten maken dan ook geen vergoedbare schadepost uit. IX-9029-5/10 Daarom kan zij geen aanspraak maken op een schadevergoeding die gelijk staat aan de detacheringsvergoeding. Indien de fout niet was gemaakt, dan had de verzoekende partij evenzeer als directeur moeten werken in een gevangenis.” 12. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de vernietiging van de beslissing waarbij zijn standplaats werd gewijzigd met zich meebrengt dat er nooit enige standplaatswijziging is geweest. Er dient dan ook te worden aangenomen dat zijn standplaats steeds Oudenaarde is gebleven en dat hij 270 dagen in Dendermonde heeft gewerkt. De stukken tonen bovendien aan dat er een dagvergoeding van 19,22 euro per dag geldt. Hij heeft wel degelijk al die tijd in Dendermonde gewerkt terwijl zijn standplaats Oudenaarde was. Verzoeker stelt vast dat zijn adjunct in Oudenaarde, met standplaats te Gent, een detacheringsvergoeding krijgt. Het gaat er niet om dat verzoeker in Dendermonde ander werk heeft verricht dan in Oudenaarde, maar wel dat hij dit werk buiten zijn standplaats moest verrichten. Beoordeling 13. Bij arrest nr. 236.988 van 10 januari 2017 heeft de Raad van State het besluit van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Justitie van 14 augustus 2014 waarbij de standplaats van verzoeker, met ingang van 1 september 2014 wordt vastgesteld bij het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen in de gevangenis te Dendermonde, vernietigd. Ingevolge deze vernietiging moet dit besluit geacht worden nooit te hebben bestaan en volledig uit het rechtsverkeer te zijn verdwenen. De standplaats van verzoeker moet derhalve geacht worden steeds Oudenaarde te zijn geweest. 14. Het gegeven, te moeten werken op een andere werkplaats dan de eigen standplaats wordt door de federale overheid als een omstandigheid erkend die extra kosten en ongemakken met zich kan meebrengen, waarvoor een vergoeding wordt uitgekeerd. Voor een federale ambtenaar die zich dient te verplaatsen, bijvoorbeeld van zijn administratieve standplaats naar een andere werkplaats en op die werkplaats dient te verblijven, is immers voorzien in een IX-9029-6/10 forfaitaire vergoedingsregeling voor verblijfkosten, welke losstaat van de vergoedingsregeling voor verplaatsingskosten. 15. De verwerende partij heeft in zoverre gelijk dat verzoeker niet het voorwerp is geweest van een detachering naar de gevangenis van Dendermonde. Huidig verzoek heeft ook niet betrekking op een recht op een detacheringsvergoeding. Om de uitbetaling van zo een recht van een eventueel onwillig bestuur te vorderen, zou verzoeker zich overigens tot een andere rechter moeten richten. 16. Wat thans wel voorligt, is de vraag naar een schadevergoeding wegens de schade die verzoeker heeft geleden ingevolge de onwettigheid van de vaststelling van zijn standplaats te Dendermonde. Verzoeker heeft effectief 270 dagen gewerkt in Dendermonde. Dit wordt als zodanig door de verwerende partij niet betwist. Verzoeker is derhalve genoodzaakt geweest 270 dagen op een andere werkplaats dan zijn administratieve standplaats te “verblijven”. Hoewel verzoeker als zodanig niet gedetacheerd is geweest naar de gevangenis van Dendermonde, heeft hij er wel de facto zijn functie moeten uitoefenen, terwijl zijn standplaats de iure geacht moet worden Oudenaarde te zijn geweest. Verzoeker heeft dit terecht als een nadeel ervaren dat hem bijkomende lasten en hinder heeft bezorgd. In tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, is de schade die verzoeker daardoor zou hebben geleden dan ook niet beperkt tot de verplaatsing zelf tussen zijn woonplaats in Oudenaarde en de gevangenis te Dendermonde en wordt hieraan evenmin afbreuk gedaan door het feit dat verzoeker in Dendermonde evenzeer als directeur heeft moeten werken in een gevangenis. 17. Verzoeker steunt zich voor het begroten van de door hem geleden schade, wat het moeten werken buiten zijn standplaats betreft, op de vergoedingsregeling die ten tijde van zijn onwettige overplaatsing van toepassing IX-9029-7/10 was, namelijk deze van het koninklijk besluit van 24 december 1964 „tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der federale overheidsdiensten‟. Overeenkomstig dit koninklijk besluit wordt een dagelijkse vergoeding voor verblijfkosten toegekend van 19,22 euro voor een ambtenaar die behoort tot de klasse A4, zoals verzoeker. Op grond hiervan geeft dit een vergoeding van 270 dagen x 19,22 euro, zijnde 5.189,40 euro. 18. Het komt de Raad van State voor dat verzoeker aldus een redelijk vergelijkingspunt heeft gehanteerd om de geleden schade ingevolge zijn uithuizigheid te begroten. D. Begroting van de totale schadevergoeding 19. Gelet op het voorgaande wordt de schadevergoeding tot herstel begroot op 7.139,57 euro. 20. Verzoeker vraagt de vergoeding te vermeerderen met “de vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 14.08.2014 tot op heden, meer de gerechtelijke rente vanaf heden op het geheel tot de datum van algehele betaling”. Aangezien de door verzoeker geleden schade slechts met ingang van 1 september 2014 een aanvang heeft genomen en heeft opgehouden te bestaan op 31 maart 2016, is de intrest slechts verschuldigd vanaf de gemiddelde datum van 1 juli 2015. V. Kosten 21. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat aangezien de vordering van verzoeker voor het grootste deel moet worden afgewezen, het onredelijk zou zijn dat de verwerende partij zou worden veroordeeld tot betaling van een basisrechtsplegingsvergoeding en dat de IX-9029-8/10 rechtsplegingsvergoeding daarom dient te worden beperkt tot het minimumbedrag van 140 euro. In haar laatste memorie voegt zij hieraan toe: “Zeker indien uitsluitend de vergoeding voor de verplaatsingskosten wordt toegekend, zou het kennelijk onredelijk zijn om de verzoekende partij als in het gelijk gestelde partij te beschouwen. Immers heeft verwerende partij deze kosten nooit betwist en heeft de verzoekende partij nooit een uitnodiging tot betaling of een ingebrekestelling overgemaakt aan verwerende partij voordat zij dit geding heeft ingeleid voor uw Raad. De rechtsplegingsvergoeding moet dan ook wel degelijk herleid worden tot het minimumbedrag van 140 €.” 22. De verwerende partij heeft de vordering van verzoeker betwist en verzoeker is gedwongen geweest een verzoek tot schadevergoeding tot herstel bij de rechter in te dienen. Dit verzoek is op zijn minst gedeeltelijk ingewilligd. Verzoeker dient dan ook als de in het gelijk gestelde partij in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden beschouwd, wat hem recht geeft op de basisrechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die opgevat wordt als een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van zijn advocaat. BESLISSING 1. Aan verzoeker wordt een schadevergoeding tot herstel toegekend ten bedrage van 7.139,57 euro voor de door hem geleden schade, te verhogen met de vergoedende intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum van 1 juli 2015, meer de gerechtelijke intrest. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-9029-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juli 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9029-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.067 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.394 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div