id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.091 Rolnummer: A. 225761/VII-40342 Zaak: Arrest 245091 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-09 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 22:14 Fiche Arrest nr 245.091 van 4 juli 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.091 van 4 juli 2019 in de zaak A. 225.761/VII-40.
- In zake : Ronny CALLEWAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Saartje Spriet kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Ann VALLE
- Yannick DAEMS
- Yolande VANDERBORGHT
- Pascal VALLE
- Katia VALLE
- Paul VAN POPPEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Berchem Uitbreidingstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 juli 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0980 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 12 juni 2018 in de zaak 1516/RvVb/0670/SA. VII-40.342-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 243.896 van 7 maart 2019 wordt het verzoek tot tussenkomst van Stefan De Cleene, Benedicte Van De Velde, Bob De Cleene, Jack De Cleene en June De Cleene als niet verricht beschouwd en wordt de procedure voortgezet ten aanzien van de overige partijen. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Saartje Spriet, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bert Van Weerdt, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor de zesde verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- Met een besluit van 21 april 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de heer en mevrouw VII-40.342-2/12 Callewaert-Plaetevoet een stedenbouwkundige vergunning “voor het bouwen van een nieuw appartementsgebouw met zes woongelegenheden”.
- Het bestreden arrest vernietigt op vordering van de heer Van Poppel en anderen de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De heer Callewaert voert de schending aan van de artikelen 4.7.19, § 2 en 4.7.21, §§ 1 en 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Het middel is gericht tegen de verwerping door de RvVb van de exceptie van de heer en mevrouw Callewaert-Plaetevoet waarin zij “in essentie aan[voeren] dat de startdatum uit het tweede attest van aanplakking van 3 maart 2016 dient te worden toegepast”. In een eerste onderdeel betoogt de heer Callewaert dat: - uit de samenlezing van de artikelen 4.7.21, § 3 en 4.7.19, § 2, VCRO volgt “dat de beroepstermijn in hoofde van belanghebbende derden ingaat op de dag die volgt op de dag van aanplakking van de bestreden vergunningsbeslissing”; - het attest van aanplakking “niet het enige bewijsmiddel [vormt] om de eerste dag van de aanplakking te bepalen”; - “de eerste dag van aanplakking bewezen [kan] worden met alle middelen van recht”; - “[a]nders dan de [RvVb] lijkt aan te nemen, […] de inhoud van het attest van aanplakking geen absolute waarborg [vormt] voor de beroepsrechten van derde belanghebbenden” maar “slechts één van de elementen [is] die door een VII-40.342-3/12 vergunningverlenend bestuursorgaan in aanmerking kan worden genomen bij het beoordelen van de ontvankelijkheid van een administratief beroep”; - “[d]oor daar anders over te oordelen en door op zijn minst impliciet te stellen dat de inhoud van het eerste attest van aanplakking de beroepsrechten van derde belanghebbenden op fundamentele wijze vastleggen, schendt het bestreden arrest de […] artikelen 4.7.19, § 2 en 4.7.21, § 3 [VCRO]”; - de RvVb “vermocht niet om een onomstotelijke bewijswaarde te geven aan de inhoud van het attest van aanplakking dat de gemeentesecretaris had opgesteld op 30 december 2015 en waarin verkeerdelijk werd gesteld dat de vergunningsbeslissing op 20 december 2015 voor het eerst zou zijn aangeplakt”; - de RvVb en de deputatie “de startdatum van de aanplakking niet in het midden [konden] laten” aangezien “[n]iet enkel potentiële administratieve beroepers maar ook de vergunninghouder […] belanghebbende [is] van een (correcte) attestering” vermits het attest “hem uitsluitsel [geeft] omtrent de vraag wanneer hij de vergunning als definitief mag beschouwen”; - het “buiten kijf [staat] dat het eerste attest foutief was en geen correcte startdatum van aanplakking vermeldt” en “nog nimmer [werd] aangetoond dat het tweede attest [waarin de secretaris op basis van stukken attesteerde dat er op 14 december 2015 werd aangeplakt] onjuist of zelf ongeloofwaardig zou zijn”; - de overweging in het bestreden arrest dat met dit tweede attest een belanghebbende ernstig beperkt zou worden in de uitoefening van zijn administratieve beroepsmogelijkheid “een verkeerd uitgangspunt” is omdat die mogelijke beperking “het gevolg [lijkt] te zijn van het feit dat [Van Poppel] niet van de eerste dag de aanplakking heeft gezien en door het eerste attest van aanplakking eventueel in dwaling werd gebracht omtrent de startdatum van de aanplakking”. Hij zet in een tweede onderdeel uiteen dat: - de “stelling dat geen rekening kan worden gehouden met een attest van aanplakking dat wordt opgemaakt nadat de beroepstermijn van 30 dagen verstreken is, […] ook in strijd [is] met […] artikel 4.7.19, § 2 [VCRO]” dat niet bepaalt “dat dit attest slechts kan worden opgemaakt tijdens de beroepsperiode of VII-40.342-4/12 dat er slechts 1 attest van aanplakking kan worden opgemaakt” en “aldus geenszins [verbiedt] dat er een corrigerend attest van aanplakking wordt opgemaakt buiten de eigenlijke beroepstermijn”; - met deze stelling geeft de RvVb “een te grote draagwijdte aan […] artikel 4.7.19, § 2 [VCRO]” en “lijkt de [RvVb] voorwaarden aan deze bepaling toe te voegen die niet door de decreetgever werden voorzien en waarvan men ook uit de parlementaire voorbereiding bij deze bepaling niet kan afleiden dat de decreetgever enige bedoeling in deze zin had”. In een derde onderdeel stelt de heer Callewaert dat: - deze stelling van de RvVb “ook in strijd [is] met de volheid van bevoegdheid waarover de deputatie beschikt bij het beoordelen van het aanvraagdossier nadat een administratief beroep wordt ingesteld en met het zorgvuldigheidsbeginsel dat laatstgenoemde daarbij in overweging moet nemen”; - “wanneer een tweede attest van aanplakking wordt opgemaakt […] het voor het beroepsorgaan mogelijk moet zijn om hiermee rekening [te] houden bij de beoordeling van het dossier” en dat het “feit dat dit attest van aanplakking pas in graad van beroep wordt opgemaakt en aan het dossier wordt toegevoegd, […] aan deze stelling geen afbreuk” doet; - door “op zijn minst impliciet te stellen dat er geen rekening kan worden gehouden met attesten van aanplakking die worden opgemaakt buiten de decretale beroepstermijn, wordt het voor het beroepsorgaan volstrekt onmogelijk om zijn volheid van bevoegdheid uit te oefenen en om te voldoen aan de zorgvuldigheidsplicht die op hem weegt en die hem verplicht om rekening te houden met alle feiten en gegevens die van belang zijn bij het beoordelen van de zaak” en gaat de RvVb “aldus lijnrecht in tegen het bepaalde in artikel 4.7.21, § 1 [VCRO], al dan niet in samenhang [gelezen] met het zorgvuldigheidsbeginsel”. Beoordeling
- Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van de exceptie van de heer Callewaert dat de heer Van Poppel en anderen “geen belang VII-40.342-5/12 hebben bij de vordering aangezien bij een heroverweging zal moeten worden vastgesteld dat het administratief beroep onontvankelijk is wegens laattijdigheid”.
- Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat de deputatie de administratieve beroepen van de heer Van Poppel en anderen tegen de stedenbouwkundige vergunning die door het college van burgemeester en schepenen aan de heer en mevrouw Callewaert-Plaetevoet werd verleend op 4 december 2015, ontvankelijk heeft verklaard: “Het eerste verslag van de PSA wees dat beide beroepschriften onontvankelijk zijn wegens laattijdigheid zich steunende op het laatste attest van aanplakking, waaruit bleek dat de aanplakking heeft plaatsgevonden op 14 december
- Op de hoorzitting bleek echter dat de gemeente de aanplakking pas heeft gecontroleerd op 23 december
- Aangezien het controlemoment van de gemeente niet overeenstemt met de datum zoals vermeld in het attest van aanplakking, is de datum zoals aangegeven in het attest niet aannemelijk. Het controlemoment door de gemeente is het enige tijdstip dat niet voor betwisting vatbaar is. In die omstandigheden moet dit controlemoment dan ook als aanvangspunt voor de berekening van de beroepstermijn worden aanzien. Dit nieuw gegeven werpt een ander licht op de zaak waardoor de beroepen niet zomaar als onontvankelijk kunnen worden afgewezen. De beroepen zijn ontvankelijk”.
- Uit de toepasselijke versie van artikel 4.7.19, § 2, VCRO volgt dat: - de aanvrager een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning is verleend, gedurende een periode van dertig dagen moet aanplakken op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft; - de aanvrager de gemeente onmiddellijk op de hoogte brengt van de startdatum van de aanplakking; - de gemeentesecretaris of zijn gemachtigde erover waakt dat de aanvrager binnen een termijn van tien dagen vanaf de datum van ontvangst van de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen, tot de aanplakking gedurende een periode van dertig dagen overgaat en dat hij de aanplakking gedurende die periode attesteert. VII-40.342-6/12 De naleving door de aanvrager van de aanplakkingsplicht is aldus onderworpen aan het gemeentelijk overheidstoezicht.
- Het bestreden arrest doet ter beantwoording van de exceptie van de heer en mevrouw Callewaert-Plaetevoet waarin zij “in essentie aan[voeren] dat de startdatum uit het tweede attest van aanplakking van 3 maart 2016 dient te worden toegepast”, vooreerst volgende onaantastbare feitelijke vaststellingen: - er werden door de gemeente twee attesten van aanplakking opgemaakt, meer bepaald “op 30 december 2015 en op 3 maart 2016”; - de ambtenaar van de gemeente stelt op 23 december 2015 vast “dat de bekendmaking werd uitgehangen”; - enkel het eerste attest was voorhanden wanneer op 18 januari 2016 het administratief beroep werd ingesteld; - in het eerste attest “attesteert de secretaris […] dat de stedenbouwkundige vergunning […] werd aangeplakt op 20 december 2015”; - de heer Van Poppel en anderen hebben op basis van dit attest van aanplakking administratief beroep ingesteld waarbij zij dat attest hebben gevoegd; - naar aanleiding van de betwisting van de aanplakkingsdatum van 20 december 2015 door de heer en mevrouw Callewaert-Plaetevoet op basis van de vaststellingen op 5 februari 2016 die de door hen aangestelde gerechtsdeurwaarder heeft gedaan, maakt de gemeentesecretaris op 3 maart 2016 een tweede attest van aanplakking op “dat 14 december 2015 aanduidt als de datum van aanplakking”; - de deputatie stelt in de bestreden vergunningsbeslissing dat het “controlemoment van 23 december 2015 niet overeenstemt met de datum in het attest van aanplakking, zodat die datum niet aannemelijk is” en “overweegt dat het controlemoment het enige tijdstip is dat niet voor betwisting vatbaar is”. Het bestreden arrest besluit vervolgens dat de heer en mevrouw Callewaert-Plaetevoet “niet aan[tonen] dat (in geval van heroverweging) de [deputatie] zou moeten besluiten tot de onontvankelijkheid van het administratief beroep” op basis van volgende overwegingen: VII-40.342-7/12 - het tweede attest werd pas opgesteld tijdens de administratieve beroepsprocedure; - het tweede attest is tegenstrijdig met het eerdere attest van aanplakking wat de aanplakkingsdatum betreft; - het tweede attest kan niet de waarborgen bieden “waarvoor het bedoeld is” aangezien het “deel uit[maakt] van de waarborgen voor een belanghebbende om op nuttige wijze kennis te kunnen krijgen van de aanvang van de beroepstermijn”; - het tweede attest “is opgesteld ruime tijd na het verstrijken van de beroepstermijn van 30 dagen die zou zijn ingegaan na de in het attest opgenomen startdatum van 14 december 2015, zodat met dit tweede attest een belanghebbende ernstig beperkt zou worden in de uitoefening van zijn administratieve beroepsmogelijkheid en deze in casu zelfs ontnomen zou worden”.
- Door aldus te beslissen neemt de RvVb de ontvankelijkverklaring door de deputatie omdat het controlemoment door de gemeente op 23 december 2015 “het enige tijdstip is dat niet voor betwisting vatbaar is” voor wettig aan.
- Het middel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest tot de verwerping besluit van voormelde exceptie van de heer en mevrouw Callewaert-Plaetevoet op grond van de inhoud van het eerste attest van 30 december 2015 van de gemeentesecretaris of van de “stelling dat geen rekening kan worden gehouden met een attest van aanplakking dat wordt opgemaakt nadat de beroepstermijn van 30 dagen verstreken is”, mist feitelijke grondslag.
- Het middel wordt in al zijn onderdelen verworpen. VII-40.342-8/12 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De heer Callewaert voert de schending aan van “het beginsel van de scheiding der machten en onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter”, artikel 4.8.2 VCRO en artikel 4.3.1 VCRO iuncto artikel 149 van de Grondwet. Hij zet uiteen dat “het vernietigingsarrest overgaat tot een beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, waarmee de [RvVb] zich in de plaats van het bestuur heeft gesteld en zo [zijn] bevoegdheid als annulatierechter heeft overschreden” en dat “het vernietigingsarrest bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening bovendien fundamenteel in tegenstrijd is met essentiële overwegingen uit het eerdere niet-schorsingsarrest”. De heer Callewaert stelt dat: - de beoordeling in het bestreden arrest van het tweede middel van de heer Van Poppel en anderen “niet te rijmen [valt] met het niet-schorsingsarrest” van de RvVb; - het “flagrant tegenstrijdig [is] dat enerzijds de stedenbouwkundige vergunning (terecht) niet wordt geschorst om redenen dat een zicht vanuit een slaapkamer een andere betekenis heeft dan het uitkijken op een blinde muur vanuit een woonkamer en dat anderzijds de vergunning naderhand tóch wordt vernietigd vanwege kennelijke onredelijke ruimtelijke ordening”; - het bestreden arrest “een lacune [vertoont] in de mate dat nergens uit blijkt dat de [RvVb] bij de conclusie over de kennelijke onredelijkheid zich rekenschap heeft gegeven van de aard van de ruimtes achteraan het aanpalende gebouw, met name woonruimtes of niet-woonruimtes”; - het bestreden arrest “vertoont enerzijds een gemis, doordat de motivering een essentieel element buiten beschouwing laat, met name het onderscheid tussen woonruimtes en niet-woonruimtes” en anderzijds is de motivering van het VII-40.342-9/12 bestreden arrest “tegenstrijdig aan de motivering in het niet-schorsingsarrest, waar de [RvVb] precies had overwogen dat het ‘evident’ was dat de impact van de blinde gevel op niet-woonruimtes fundamenteel verschillend is aan de impact op woonruimtes”; - het bestreden arrest artikel 4.3.1 VCRO schendt “door, in de plaats van de deputatie, te oordelen dat het kennelijk onredelijk is om een blinde muur met een bouwdiepte van 17 meter te vergunnen, zonder rekening te houden met een essentieel element”. Beoordeling
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het middel dat opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de RvVb en de Raad van State verplicht tot een onderzoek van de feiten, is onontvankelijk.
- De aan de RvVb grondwettelijk opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. VII-40.342-10/12 Er bestaat een tegenstrijdigheid in de motivering als bedoeld in artikel 149 van de Grondwet wanneer er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de redenen van de beslissing onderling of tussen de redenen en het dictum.
- Het middel dat tegenstrijdigheid in de motieven opwerpt tussen het bestreden arrest en het arrest van 18 oktober 2016 van de RvVb dat de vordering tot schorsing verwerpt, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht.
- Het middel gaat terug op de gegrondverklaring van het tweede middel van de heer Van Poppel en anderen.
- Het bestreden arrest gaat het aan de RvVb verleende wettigheidstoezicht niet te buiten door dat tweede middel gegrond te verklaren omdat de deputatie: - “[m]et de verwijzing naar de voorschriften inzake de aangewezen minimumvloeroppervlakte […] geen afdoende antwoord [biedt] op de opmerkingen van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar en de bekommernissen van de” heer Van Poppel en anderen; - “[d]oor louter te verwijzen naar de vereiste minimumvloeroppervlakte […] geen afdoende beoordeling [heeft] gemaakt ten opzichte van de in de omgeving bestaande bebouwing”; - “geen draagkrachtig motief” aanreikt door te wijzen “op de duidelijke gewenste ruimtelijke ontwikkeling met het GRUP […] waaraan schijnbaar voldaan wordt gelet op de maximale invulling van de stedenbouwkundige voorschriften”; - door “de uitpandige terrassen aan de achtergevel op de eerste, tweede, derde en vierde verdieping te schrappen en […] de zijmuur af te [doen] werken in gebroken wit zodat er niet meer uitgekeken wordt op een sombere, blinde muur […] evenmin afdoende tegemoet[komt] aan de […] bemerkingen van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar”, “op dit punt kennelijk onredelijk te noemen” is en daardoor voorbijgaat aan “de kern van de problematiek” meer bepaald “dat de zijgevel op deze bouwdiepte de woonkwaliteit van de VII-40.342-11/12 woongelegenheden van de [heer Van Poppel en anderen] in hoge mate vermindert”; - “de parkeerproblematiek […] niet concreet heeft onderzocht” en niet kan volstaan met de overweging dat het college van burgemeester en schepenen “op dit punt geen probleem ziet”.
- Het bestreden arrest is naar eis van recht gemotiveerd.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de zesde verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.342-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.091 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.896 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div