id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.092 Rolnummer: A. 218197/VII-39589 Zaak: Arrest 245092 - Natuurbehoud - Vergunningen - 04/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-09 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 07:17 Fiche Arrest nr 245.092 van 4 juli 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.092 van 4 juli 2019 in de zaak A. 218.197/VII-39.589. In zake : 1. Martine DE BISSCHOP 2. Leo DE BISSCHOP 3. Gabriëlle DE BISSCHOP 4. Marie VAN OVERSTRAETEN 5. Alfonsina LIMBOURG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 9860 Oosterzele Kwaadbeek 47a bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 18 november 2015 houdende uitspraak over de beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) van 29 september 2014, waarbij deze beslist dat de verzoekende partijen niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 23, § 2, van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (hierna: bodemdecreet) om te worden vrijgesteld van de verplichting om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren voor de historische bodemverontreiniging met VII-39.589-1/7 minerale olie (
- gc)in het vaste deel van de aarde die tot stand gekomen is op hun grond. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 242.882 van 8 november 2018 is het debat heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni 2019. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-39.589-2/7 III. Feiten 3. De feiten werden uiteengezet in arrest nr. 242.882 van 8 november 2018. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 23, § 2, en 23, § 3, iuncto artikel 2, 27°, van het bodemdecreet, artikel 50 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (hierna: Vlarebo), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het vertrouwensbeginsel iuncto het beginsel patere legem quem ipse fecisti en het materiële motiveringsbeginsel. Zij zetten uiteen dat de regeling in artikel 23, § 3, van het bodemdecreet overeenkomstig artikel 2, 27°, van het bodemdecreet beperkt is tot rechtspersonen en dat natuurlijke personen ervan zijn uitgesloten en dat de verwerende partij niettemin conform een beleidslijn van OVAM “een beoordeling van de vrijstellingsvoorwaarden voor saneringsplicht in hoofde van de erflater van de eerste t.e.m. derde verzoekende partijen enerzijds en in hoofde van de erflater van vierde en vijfde verzoekende partijen anderzijds” maakt. Ook door in de bestreden beslissing “aan te nemen dat er tussen de verzoekers en de OVAM briefwisseling zou zijn geweest voorafgaand aan het maken van de erfkeuze door elk van de verzoekende partijen” maakt de verwerende partij impliciet toepassing van het concept rechtsvoorganger in de zin van artikel 2, 27°, van het bodemdecreet “door de kennisvereiste in hoofde van verzoekers te beoordelen aan de hand van briefwisseling die gevoerd werd met de OVAM en de erflaters (en niet VII-39.589-3/7 met verzoekers zelf)”. De bestreden beslissing schendt de aangevoerde bepalingen van het bodemdecreet “aangezien deze een beoordeling van de saneringsplicht in hoofde van de erflaters van verzoekers maakt, en dit terwijl de erflaters, als natuurlijke personen, niet te beschouwen zijn als de rechtsvoorgangers van de eerste t.e.m. derde verzoekende partij enerzijds en de vierde en vijfde verzoekende partij anderzijds”. De bestreden beslissing “behandelt […] de rechtsopvolgers van natuurlijke personen, die niet voldoen aan de voorwaarden art. 23, § 2, eerste en tweede lid Bodemdecreet op gelijke wijze als de rechtsopvolgers van rechtspersonen en dit terwijl uit de definitie van rechtsvoorganger, vervat in art. 2, 27° Bodemdecreet, zeer duidelijk blijkt dat deze definitie en bij uitbreiding de regeling van art. 23, § 3 Bodemdecreet niet van toepassing is op natuurlijke personen” en is op dit punt strijdig met het gelijkheidsbeginsel. De bestreden beslissing is “[a]lleszins […] strijdig met het artikel 50 Vlarebo, aangezien uit deze bepaling eveneens blijkt dat de vraag of de erflaters de verontreiniging zelf hebben veroorzaakt of de vraag of de verontreiniging ontstaan is op een ogenblik dat de erflaters eigenaar waren, geen element van beoordeling uitmaakt bij [de] beoordeling van de kennisvereiste in hoofde van hun erfgenamen, in casu verzoekers”. De bestreden beslissing berust “minstens op een in rechte onjuist motief, zodat de motivering van de beslissing op dit punt gebrekkig is”. 5. De verwerende partij repliceert dat specifiek voor erfgenamen “de Beleidslijn Vlaamse Overheid” werd aangenomen “zoals voorzien in artikel 12, § 5 Bodemdecreet” en dat de Vlaamse overheid een specifieke invulling heeft gegeven aan de kennisvoorwaarde voor erfgenamen omwille van hun bijzondere hoedanigheid. In de beleidslijn wordt gesteld “dat er een bijzonder[e] invulling zal worden gehanteerd van de kennisvoorwaarde om een soepelere beoordeling in het voordeel van de erfgenaam te kunnen toelaten. Op hypothetische wijze wordt beoordeeld of de erflater aan de toepassingsvoorwaarden van art. 23, § 2 voldaan zou hebben. Indien dit het geval zou zijn dan wordt het statuut van onschuldig eigenaar bij uitbreiding aan de erfgenaam toegekend. […] Er is dan ook geen enkele parallel te trekken met de VII-39.589-4/7 beoordeling van de rechtsopvolgers van rechtspersonen waar dat de uitbreiding juist in het nadeel van de rechtspersoon-opvolger kan worden aangehaald”. 6. De verzoekende partijen dupliceren dat de verwerende partij zich ten onrechte verschuilt achter de beleidslijn “Vrijstelling saneringsplicht beoordeling kennisvoorwaarde bij erfgenamen” omdat “de bestreden beslissing zelf geen gewag maakt van deze beleidslijn” en omdat “de bestreden beslissing [evenmin] toepassing [maakt] van het door de verwerende partij aangehaalde weerlegbaar vermoeden onzorgvuldigheid in hoofde van de erfgenamen”. De beleidslijn is strijdig met artikel 23, § 3, van het bodemdecreet aangezien “de beoordeling van de vrijstellingsvoorwaarden […] dient te gebeuren in hoofde van de erfgenaam/eigenaar persoonlijk en niet in hoofde van de erflater”. 7. De verzoekende partijen herhalen in de laatste memorie dat in de bestreden beslissing op onwettige wijze toepassing wordt gemaakt van “het concept rechtsvoorganger in de zin van art. 2, 27° Bodemdecreet”. Beoordeling 8. De bestreden beslissing steunt de ongegrondverklaring van de administratieve beroepen van de verzoekende partijen op een dubbele beoordeling, enerzijds het voorafgaande onderzoek of de respectieve erflaters, mevrouw Maria Van Overstraeten en de heer André Van Overstraeten, voldoen aan de geldende vrijstellingsvoorwaarden voor een eigenaar en vervolgens, omdat de erflaters daar niet aan voldoen, het onderzoek of de verzoekende partijen zelf als eigenaars-erfgenamen voldoen aan de kennisvoorwaarde van artikel 23, § 2, 3°, van het bodemdecreet. De bestreden beslissing verantwoordt dit dubbel onderzoek als volgt: “[...] dat met toepassing van artikel 50, 3° Vlarebo (nieuw) de bijzondere hoedanigheid van de erfgenaam een specifieke invulling van de kennisvoorwaarde rechtvaardigt; dat de positie van de erflater daardoor bij de beoordeling wordt betrokken; dat op hypothetische wijze wordt nagegaan of de erflater, indien deze het statuut van onschuldig eigenaar zou aanvragen, VII-39.589-5/7 hiervoor in aanmerking zou komen; dat, indien dit het geval is, diens erfgenamen worden geacht te voldoen aan de kennisvoorwaarde en dus het statuut van onschuldig eigenaar op hen overgedragen wordt, indien zij tevens kunnen aantonen dat zij de verontreiniging niet zelf hebben veroorzaakt en dat de verontreiniging is ontstaan voordat zij eigenaar werden; dat deze specifieke invulling is uitgeschreven in een beleidslijn die wordt gehanteerd bij de beoordeling van de kennisvoorwaarde voor erfgenamen; dat deze beleidslijn werd opgemaakt om tot een meer soepele beoordeling te kunnen komen voor erfgenamen die hebben geërfd van een erflater die aan de vrijstellingsvoorwaarden zou hebben voldaan; dat indien de erflater echter niet aan deze voorwaarden zou hebben voldaan, alsnog een beoordeling gemaakt wordt van de eigenaar-erfgenaam in concreto; dat op deze manier in tegenstelling tot wat de beroepers beweren zeker niet uit het oog wordt verloren dat de kennisvoorwaarde een persoonlijke vereiste betreft; dat enkel wanneer het gunstig is voor de erfgenamen, deze persoonlijke vereiste als het ware wordt verschoven van de erfgenamen naar de beoordeling in hoofde van de erflater; dat om te kunnen oordelen of het gunstig is vanzelfsprekend eerst de voorwaarden dienen te worden onderzocht in hoofde van de erflater; dat dit in tegenstelling tot wat de beroepers beweren, geen enkele zwaardere zorgvuldigheidsplicht voor de erfgenamen inhoudt en deze beoordeling in hoofde van de erflater geen enkel negatief gevolg heeft voor de erfgenamen”. 9. De beoordeling in de bestreden beslissing op basis van het onderzoek of de verzoekende partijen zelf als eigenaars-erfgenamen voldoen aan de kennisvoorwaarde van artikel 23, § 2, 3°, van het bodemdecreet, is het voorwerp van het tweede middel van de verzoekende partijen dat bij arrest nr. 242.882 van 8 november 2018 werd verworpen. Dat motief volstaat op zichzelf genomen reeds om de bestreden beslissing -dat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij conform de bepalingen van artikel 23, § 2, van het bodemdecreet niet verplicht zijn om tot bodemsanering over te gaan- te schragen. 10. Dat houdt in dat het motief gesteund op het onderzoek of de respectieve erflaters voldoen aan de geldende vrijstellingsvoorwaarden voor een eigenaar, een overtollig motief is. Kritiek op een overtollig motief is onontvankelijk. VII-39.589-6/7 11. Het eerste middel is onontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, elk voor een vijfde, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.589-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.092 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.882 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div