id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.094 Rolnummer: A. 222308/VII-40001 Zaak: Arrest 245094 - Milieuvergunningen - 04/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-09 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 22:11 Fiche Arrest nr 245.094 van 4 juli 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.094 van 4 juli 2019 in de zaak A. 222.308/VII-40.
- In zake : de VZW REGIONALE ACTIEGROEP LEEFMILIEU DENDER EN SCHELDE (RALDES) die woonplaats kiest te 9290 Berlare Wakkebroekstraat 9 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Callebaut tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen :
- de NV POORT VAN DENDERMONDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Charles-Antoine Leunen en Lieve Swartenbroux kantoor houdend te 1000 Brussel Brederodestraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de REGIE DER GEBOUWEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Jan Bouckaert, Guan Schaiko en Ann Apers kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE STAD DENDERMONDE
- de STAD DENDERMONDE beiden bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthias Strubbe en tevens door advocaat Peter De Smedt kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen VII-40.001-1/16 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 30 maart 2017 waarbij de beroepen aangetekend tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 22 september 2016 waarbij aan de NV Poort van Dendermonde de vergunning wordt verleend voor het exploiteren van een gevangeniscomplex aan de Nieuwe ontsluitingsweg van Ooiebrug tot Oud-Klooster te Dendermonde, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 16 augustus
- De tussenkomende partijen hebben memories ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 juni
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. VII-40.001-2/16 Advocaat Jan Beleyn, die loco advocaat Joost Callebaut verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Melissa Verplancke, die loco advocaat Lieve Swartenbroux verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Karolien Beké, die loco advocaat Peter De Smedt verschijnt voor de derde en de vierde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het beroep is onderdeel van een ruimere betwisting met betrekking tot de geplande bouw van een nieuw gevangeniscomplex in Dendermonde. In het kader van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) werd Dendermonde geselecteerd als een “structuurondersteunend kleinstedelijk gebied”. Binnen deze gebieden dienen provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen te worden afgebakend. Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: PRUP) “Afbakening structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde” werd opgemaakt op 12 december
- Het werd vernietigd door de Raad van State bij arrest nr. 197.616 van 4 november
- Een nieuw PRUP werd opgemaakt op 15 december
- Het werd vernietigd bij arrest nr. 226.144 van de Raad van State van 21 januari
- VII-40.001-3/16 3.
- De procedures tegen een volgend PRUP, “Structuur- ondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde III” van 7 oktober 2015, monden uit in de arresten 242.751 en 242.752 van de Raad van 23 oktober 2018, waarbij de beroepen, onder meer ingesteld door de huidige verzoekende partij, worden verworpen. 3.
- Op 22 september 2016 verleent de deputatie een milieuvergunning voor het exploiteren, ten behoeve van de gevangenis, van een aantal vergunningsplichtige inrichtingen. Onder meer de huidige verzoekende partij dient een bestuurlijk beroep in. Op 30 maart 2017 wordt de thans bestreden beslissing genomen: de gevraagde vergunning wordt ook in beroep verleend, met toevoeging van voorwaarden ter beperking van lichthinder en geluidshinder. 3.
- Inmiddels wordt op 21 oktober 2016 aan de NV Waterwegen en Zeekanaal, Afdeling Bovenschelde, een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het aanleggen van een ontsluitingsweg ten behoeve van de geplande gevangenis, inclusief een brug over de Oude Dender. De tenuitvoerlegging ervan wordt bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorst door de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij zijn arrest RvVb/UDN/1617/0304 van 17 november
- Volgens het arrest lijkt de vergunning op het eerste gezicht niet in overeenstemming te zijn met het beschermingsbesluit als landschap van “de Oude Denderloop” van 11 oktober
- 3.
- Op 9 november 2016 wordt een stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden verleend voor de bouw van de gevangenis. Een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan wordt door de Raad voor Vergunningsbetwistingen verworpen bij zijn arrest RvVb/S/1617/1198 van 29 augustus
- De Raad verwerpt daarbij een onwettigheidsexceptie ten aanzien van de -inmiddels bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorste- stedenbouwkundige vergunning voor de ontsluitingsweg, en beoordeelt de aanleg van de vergunde brug als sluitstuk van de voorziene ontsluiting als verenigbaar met VII-40.001-4/16 het beschermingsbesluit van 11 oktober
- 3.
- Bij ministerieel besluit van 17 juli 2017 wordt het besluit van 11 oktober 1985 tot rangschikking van de Oude Denderloop als landschap gedeeltelijk opgeheven. Hiertegen wordt bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring ingediend, gekend onder rolnummer GA. 223.315/X-17.
- Het beroep is nog hangende. Op 20 maart 2018 verwerpt de Raad voor Vergunnings- betwistingen de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot opheffing van de schorsing van de vergunning voor de ontsluitingsweg. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij werpt op dat de bestreden beslissing enkel betrekking heeft op het exploiteren van bepaalde vergunningsplichtige activiteiten binnen de gevangenis. De gevangenis zelf is niet aan een milieuvergunningsplicht onderworpen, net zomin als de aanleg van de ontsluitingsweg en de brug over de Oude Denderloop die het aangevraagde project in het noorden aansluiting moeten doen vinden met het wegennet. Zij leidt hieruit af dat de verzoekende partij niet aantoont hoe de bestreden beslissing concreet raakt aan haar statutair doel, dat bestaat in “het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen”. De nadelen die de verzoekende partij in eerdere procedures heeft aangevoerd, zijn volgens de verwerende partij louter het gevolg van, enerzijds, het VII-40.001-5/16 PRUP “Structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde III” dat bij besluit van 7 oktober 2015 door de provincieraad van Oost-Vlaanderen definitief werd vastgesteld en, anderzijds, de steden- bouwkundige vergunning voor de noordelijke ontsluitingsweg. Het beroep ingesteld tegen het eerste besluit is reeds door de verzoekende partij bestreden -hetgeen resulteerde in verwerpingsarrest nr. 242.752 van 23 oktober 2018, en het tweede besluit werd door de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorst in het arrest van 17 november 2016 met nummer RvVb/UDN/1617/
- De verzoekende partij beschikt volgens haar aldus niet over het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. Beoordeling
- De verwerende partij heeft het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij tegen de in eerste aanleg verleende milieuvergunning ontvankelijk bevonden, en heeft daarmee erkend dat deze een rechtspersoon is “die zich de bescherming van het leefmilieu statutair tot doel heeft gesteld, ten minste vijf jaar rechtspersoonlijkheid bezit en in zijn statuten het grondgebied omschreven heeft tot waar zijn bedrijvigheid zich uitstrekt” (artikel 24, § 1, 6°, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunnings- decreet)). Zij maakt geenszins duidelijk waarom dezelfde vereniging desondanks niet over het vereiste belang zou beschikken om de beslissing over dat bestuurlijk beroep aan te vechten voor de Raad van State. De exceptie lijkt veeleer ingegeven door louter dilatoire beweegredenen wat een vlotte bestuursrechtspraak nadelig kan beïnvloeden. De exceptie wordt verworpen. VII-40.001-6/16 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunten van de partijen
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van: “- de beginselen van behoorlijk bestuur, o.m. het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van fair play en de plicht tot onpartijdigheid; - het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur; - de algemene motiveringsverplichting en Art. 2 en 3 van de formele motiveringswet”. De verzoekende partij betoogt, kort samengevat, dat zij heeft gevraagd om te worden gehoord in de bestuurlijke beroepsprocedure, maar dat haar enkel de mogelijkheid werd geboden om schriftelijke bijkomende argumenten in te dienen. De brief waarmee haar verzoek werd afgewezen is volgens haar een typebrief en de motivering daarbij “om reden van materiële aard” is volgens haar “nietszeggend en bijgevolg niet deugdelijk”. De geboden mogelijkheid om desgewenst nog schriftelijk bijkomende argumenten te bezorgen kan volgens de verzoekende partij het niet gehoord worden “niet (volledig) remediëren”, omdat zij vooreerst geen inzage kreeg in de adviezen en bijgevolg niet de gelegenheid kreeg om een repliek in te dienen, en omdat bovendien de impact en de efficiëntie van een schriftelijke repliek niet dezelfde is als deze van een mondelinge toelichting op het ogenblik van of juist voorafgaand aan de beraadslaging over het beroep. Zij stelt dat zij concreet de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie erop attent had kunnen maken dat zij bij de behandeling van het beroep volledig is voorbijgegaan aan het argument inzake de schending van het gerangschikt landschap van de Oude Denderloop en de inmiddels geschorste toegangsweg voor de gevangenis.
- De verwerende partij stelt dat het middel onontvankelijk is. De verzoekende partij heeft namelijk de kans gekregen om haar opmerkingen, VII-40.001-7/16 ontleend aan de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de stedenbouwkundige vergunning voor de ontsluitingsweg, schriftelijk te bezorgen, en er werd uitdrukkelijk rekening mee gehouden door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en in de bestreden beslissing. Over de andere bezwaren van de verzoekende partij werden er geen opmerkingen meer gemaakt waarop deze zou hebben kunnen repliceren. Ten gronde stelt de verwerende partij in essentie dat uit geen van de in het middel vernoemde bepalingen en beginselen volgt dat naast de aanvrager van de vergunning ook de verzoekende partij moest worden uitgenodigd om deel te nemen aan de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, hetgeen des te meer geldt nu de verzoekende partij ten volle haar bezwaar heeft kunnen uiteenzetten met betrekking tot de schending van het gerangschikt landschap van de Oude Dender en de schorsing van de stedenbouwkundige vergunning voor de toegangsweg, zodat niet kan worden betwist dat de verwerende partij zich wel degelijk grondig en zorgvuldig heeft geïnformeerd alvorens een beslissing te treffen.
- In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat de vraag wat zij zou hebben kunnen aanvoeren in de bestuurlijke procedure ondergeschikt is aan haar recht om op een gelijke en evenwaardige wijze te worden behandeld als de aanvrager. Het evalueren van de hinder als gevolg van de uitbating van de gevangenis behoort volgens haar wel degelijk tot het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag, en daarop had zij willen ingaan tijdens een hoorzitting. Zij had ook verder willen argumenteren in verband met het ongunstig advies van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van 9 mei 2016, dat herhaald werd op 11 augustus 2016, op basis van de negatieve landschappelijke impact van de gevangenis. Beoordeling
- Het milieuvergunningsdecreet en het besluit van de Vlaamse VII-40.001-8/16 regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning leggen de milieuvergunningscommissie enkel op om de aanvrager die daarom verzoekt te horen. Het decreet bepaalt niets over andere partijen, het uitvoeringsbesluit bepaalt dat de commissie andere partijen kan horen. De verzoekende partij benadrukt dat zij gehoord wilde worden om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van de ontsluitingsweg onder de aandacht te brengen, en haar standpunt over wat daarvan de gevolgen moesten zijn voor de beslissing over de milieuvergunning. Uit het advies van de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie blijkt evenwel dat deze duidelijk op de hoogte was van bedoeld schorsingsarrest en van wat daarvan volgens de verzoekende partij de gevolgen moesten zijn. Het is ook niet duidelijk wat de verzoekende partij meer had willen en kunnen aanvoeren tijdens een hoorzitting. De adviesverlening door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie is beperkt tot de milieuvergunnings- aanvraag. Dat aan de verzoekende partij niet de mogelijkheid werd gegeven om te proberen er een ruimer forum van te maken houdt geen schending in van het hoorrecht. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij
- In het tweede middel wordt de schending ingeroepen van “de voorschriften van het ministerieel besluit van 11 oktober 1985 houdende VII-40.001-9/16 rangschikking van de Oude Denderloop te Dendermonde als landschap overeenkomstig de bepalingen van de wet van 7 augustus 1931 om reden van de historische waarde; de beginselen van behoorlijk bestuur meer bepaald het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheids- beginsel” en “de algemene motiveringsverplichting en Art. 2 en 3 van de formele motiveringswet”. De verzoekende partij zet uiteen dat de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning voor de toegangsweg naar het gevangeniscomplex door de Raad voor Vergunningsbetwistingen in zijn meergenoemd arrest RvVb/UDN/1617/0304 bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd geschorst, omdat de brug die daarvan deel uitmaakt strijdig is met het ministerieel besluit van 11 oktober 1985 houdende rangschikking van de Oude Denderloop te Dendermonde als landschap overeenkomstig de bepalingen van de wet van 7 augustus 1931 om reden van de historische waarde. Zij meent dat, aangezien de exploitatie van de gevangenis “onlosmakelijk verbonden is met de aanleg van de toegangsweg”, de onwettigheid van die stedenbouwkundige vergunning evenzeer tot de onwettigheid van het bestreden besluit leidt. Beoordeling
- De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed. De verzoekende partij toont niet aan dat deze motivering niet afdoende is, noch dat zij de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. Het middel stemt bijna volledig overeen met het achtste middel in het beroep dat door de verzoekende partij werd ingediend tegen het betrokken PRUP. Dit middel werd door de Raad van State verworpen bij zijn arrest nr. 242.752 van 23 oktober
- Dit arrest, en de motieven die eraan ten grondslag liggen, heeft gezag van gewijsde. Er blijkt niet waarom de Raad van State er thans een andere zienswijze moet op nahouden. VII-40.001-10/16 Het tweede middel wordt verworpen. C. Vijfde middel Standpunt van de verzoekende partij
- In het vijfde middel wordt de schending ingeroepen van “het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, o.m. Art. 8”, van "de beginselen van behoorlijk bestuur meer bepaald het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”, en van “de algemene motiveringsverplichting en Art. 2 en 3 van de formele motiveringswet”. De verzoekende partij zet uiteen dat de inplanting van een gevangenis op de betreffende plaats een verlies van waterbergend vermogen tot gevolg heeft. In het plan-MER wordt dat effect als neutraal beoordeeld omdat het binnen het gebied moet worden gecompenseerd, maar terzake ontbreekt volgens de verzoekende partij elk verder onderzoek en elke concretisering daarvan. Binnen het randstedelijk open gebied moet luidens het plan-MER een zone voor overstromingen worden voorzien waar volgens de Procoro een veelvoud aan opvangcapaciteit aanwezig zou zijn, wat de verzoekende partij een “groteske en hilarische” redenering noemt nu “de bestaande opvangcapaciteit in het randstedelijk groengebied deel uitmaakt van de bestaande opvangcapaciteit en bijgevolg op geen enkele wijze in rekening kan worden gebracht voor het verlies aan opvangcapaciteit in de zone voor gevangenis”. Er moet volgens de verzoekende partij dus “bijkomende opvangcapaciteit” worden gecreëerd, wat echter nergens is voorzien. Het stedenbouwkundig voorschrift dat in het randstedelijk open gebied werken voor de realisatie van buffercapaciteit voor overstromingswater toelaat, biedt “geen enkele garantie”, en evenmin zijn kennelijk de “(o.m. landschappelijke) effecten onderzocht van de afgraving die nodig is voor het realiseren van die capaciteit”. De verzoekende partij meent dat het verlies aan opvangcapaciteit wegens de bouw van de gevangenis had moeten zijn berekend in een “worst case”-scenario, en dat vervolgens voldoende “concrete VII-40.001-11/16 maatregelen” hadden moeten zijn bepaald die “op een rechtszekere wijze in de voorschriften” moesten zijn vertaald. De verzoekende partij merkt op dat in het bestreden besluit sprake is van een verlies aan waterbergend vermogen van 16.370 m³, rekening houdend met een maximale waterstand van 6,5 meter TAW (Tweede Algemene Waterpassing), en dat het plan-MER een maximaal verlies van 8.755 m³ vermeldt, met een waterstand op de overstroomde percelen van 50 cm. Zij wijst er voorts op dat volgens het bestreden besluit de compensatie wordt gerealiseerd in de naastgelegen vijver. In werkelijkheid is volgens haar op het ogenblik dat de percelen van de gevangenis overstromen ook de naastgelegen, duidelijk lager gelegen, vijver al tot op het niveau van de percelen vol- of overgelopen, zodat er geen opvangcapaciteit meer is, en het verlies aan opvangcapaciteit ter hoogte van de percelen van de gevangenis helemaal niet wordt gecompenseerd. In haar laatste memorie doet de verzoekende partij afstand van het middel waar het betrekking heeft op de strijdigheid van het PRUP met de in het middel aangehaalde bepalingen, en volhardt zij in de strijdigheid van de bestreden milieuvergunning met die bepalingen. Beoordeling
- De bestreden beslissing is, met betrekking tot de watertoets, formeel met redenen omkleed. De verzoekende partij toont niet aan dat deze motivering niet afdoende is, noch dat zij de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. Het middel stemt bijna volledig overeen met het zesde middel in het beroep dat door de verzoekende partij werd ingediend tegen het PRUP als zodanig. Dit middel werd door de Raad van State verworpen bij zijn arrest nr. 242.752 van 23 oktober
- Dit arrest, en de motieven die eraan ten grondslag liggen, heeft gezag van gewijsde. De verzoekende partij toont niet aan waarom de Raad van State er thans een andere zienswijze moet op nahouden. VII-40.001-12/16 De argumentatie van de verzoekende partij dat bij een overstroming van het gevangenisterrein ook de vijver reeds maximaal gevuld zal zijn gaat uit van de hypothese dat het te compenseren buffervermogen te laag werd ingeschat, hetgeen niet wordt aangetoond, of gebeurt door ander water dan het hemelwater dat in het te beschouwen gebied neerkomt, waarvoor de maatregel niet bedoeld is. Het vijfde middel is niet gegrond. D. Zesde middel Standpunt van de verzoekende partij
- Het zesde middel steunt op de schending van “de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, onder meer Art. 1.1.4 en Art. 2.2.3.§2”, van “de bepalingen van Art. 1.1 en 1.2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het deelplan Dendermonde West van het onderliggende PRUP”, van “de richtinggevende bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (via het onderliggende PRUP”, van de beginselen van behoorlijk bestuur “meer bepaald het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheids- beginsel”, en van “de algemene motiveringsverplichting en Art. 2 en 3 van de formele motiveringswet”. De verzoekende partij zet uiteen dat met het PRUP het plangebied een bestemming krijgt als zone voor gevangenis (ongeveer 10 hectare) en voor het overige (ongeveer 40 hectare) als randstedelijk open gebied. Wat het “randstedelijk open gebied” betreft wordt natuur-, bos- en landschapsontwikkeling vooropgesteld als hoofdfunctie, en niet als nevenbestemming. Nu ook de bedoeling voorligt om in het gebied een stadsbos te ontwikkelen van 80 hectare groot, zal dit “per definitie” geen “open” gebied meer zijn. Ook de aanleg van een park zal niet mogelijk zijn, en de bestaande landbouw- en akkerfunctie zal “uitdovend” zijn. Met de stedenbouwkundige voorschriften wil de provincie het gebied finaal VII-40.001-13/16 “behouden zoals het nu is”, en niet transformeren naar een groengebied of stadsbos. Het “herbenoemen” van het gebied tot randstedelijk “open” gebied strookt volgens de verzoekende partij dan ook niet meer met de ongewijzigde inhoud van het stedenbouwkundig voorschrift dat nog steeds natuur en bos voorziet. De verzoekende partij gewaagt in dat verband van “een belangrijke anomalie” van het PRUP, nu de omvorming naar groen of een bos “volledig (wordt) uitgehold/nagenoeg onmogelijk gemaakt”. Een stadsbos hoort overigens eerder thuis in de bestemmingscategorie “bos”, dan wel “reservaat en natuur”. De verzoekende partij betoogt dat het rechtszekerheidsbeginsel wordt overtreden “nu niet duidelijk is of het gebied maximaal wordt behouden zoals het nu is, dan wel zal worden getransformeerd naar een groengebied en een stadsbos”. Ten slotte wijst zij op het feit dat zij deze argumentatie ook reeds heeft uitgebracht in de bestuurlijke beroepsprocedure, waar haar kritiek niet werd beantwoord. In haar laatste memorie volhardt de verzoekende partij “meer bepaald wat betreft de strijdigheid van het bestreden besluit met de aangehaalde bepalingen”. Beoordeling
- De bestreden beslissing is, met betrekking tot de ontwikkeling van het omgevende gebied, formeel met redenen omkleed. De verzoekende partij toont niet aan dat deze motivering niet afdoende is, noch dat zij de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. Het middel stemt bijna volledig overeen met het vijfde middel in het beroep dat door de verzoekende partij werd ingediend tegen het betrokken PRUP als zodanig. Dit middel werd door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 242.752 van 23 oktober
- Dit arrest, en de motieven die eraan ten grondslag liggen, heeft gezag van gewijsde. In haar laatste memorie betoogt de VII-40.001-14/16 verzoekende partij, in antwoord op het auditoraatsverslag, waarin gesteld wordt dat de verzoekende partij in de procedure die geleid heeft tot het arrest van de Raad van State nr. 242.752 afstand heeft gedaan van een gelijkaardig middel, dat het middel in de voorliggende zaak een toevoeging bevat die specifiek gericht is op de milieuvergunning. Zij verwijst daarbij naar haar kritiek in het verzoekschrift op het ongunstig advies van 9 mei 2016 van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie. De kritiek van de verzoekende partij noopt de Raad van State er niet toe om er thans een andere zienswijze op na te houden. Het zesde middel wordt verworpen. VI. Afstand
- In haar laatste memorie doet de verzoekende partij afstand van het derde, vierde en zevende middel. BESLISSING
- De Raad van State stelt de afstand van het derde, vierde en zevende middel vast. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 600 euro, elk voor een vierde. VII-40.001-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.001-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div