id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.102 Rolnummer: A. 218345/VII-39611 Zaak: Arrest 245102 - Milieuvergunningen - 08/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-11 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-21 07:17 Fiche Arrest nr 245.102 van 8 juli 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.102 van 8 juli 2019 in de zaak A. 218.345/VII-39.611 In zake : 1. Pascal DE ROOCK 2. Steven DE ROOVER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Huygens kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA ASBECO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Matthijs, Jan Ghysels en Sophie Bleux en tevens door advocaat Marten De Jaeger kantoor houdend te 9990 Maldegem Westeindestraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 februari 2016, strekt tot de nietigverklaring van: VII-39.611-1/33 “1. Het Ministerieel besluit van de Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 26 november 2015, houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 10 november 2011 met nummer M03/42006I3I3IIIAI2 en houdende het verlenen aan de bvba Asbeco van een milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe asbestverwerkend bedrijf aan de Steenweg naar Wetteren 24, 9200 Dendermonde (Schoonaarde), op de percelen kadastraal gekend als afdeling 8, sectie A, nr. 32M […]. 2. Het besluit van de Dienst MER dd. 28.02.2011 houdende vaststelling van de bijzondere richtlijnen voor de opmaak van het project-MER voor Asbeco bvba en houdende goedkeuring van het team van erkende MER-deskundigen […]. 3. Het besluit van de Dienst MER dd. 04.04.2011 houdende goedkeuring van het project-MER voor Asbeco bvba […].” II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 234.707 van 12 mei 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekers hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekers en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni 2019. VII-39.611-2/33 Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Huygens, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jan Ghysels, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij dient in 2009 een milieuvergunnings- aanvraag in voor de exploitatie van een asbestverwerkend bedrijf gelegen aan de Steenweg naar Wetteren 24 te Dendermonde (Schoonaarde). Op 15 oktober 2009 weigert de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning. Op 10 juni 2010 verwerpt de verwerende partij een door de tussenkomende partij ingediend bestuurlijk beroep. Er wordt overwogen dat de exploitatie verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; de vergunning wordt evenwel geweigerd omdat er geen project-milieueffectenrapport (hierna: MER) werd opgemaakt. 3.2. De tussenkomende partij stelt de dienst MER in kennis van een project-MER. Op 28 februari 2011 beslist de dienst MER over de inhoudsafbakening van dit project-MER. 3.3. De dienst MER keurt dit project-MER op 4 april 2011 goed. 3.4. Op 12 mei 2011 dient de tussenkomende partij dan een nieuwe VII-39.611-3/33 milieuvergunningsaanvraag in, met bijgevoegd het project-MER. 3.5. Tijdens het openbaar onderzoek worden er 1.134 bezwaar- schriften ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde verleent een ongunstig advies. 3.6. Op 10 november 2011 weigert de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen andermaal de vergunning. De tussenkomende partij dient een bestuurlijk beroep in, dat op 18 april 2012 door de verwerende partij wordt verworpen. Anders dan in de beslissing van 10 juli 2010 wordt geoordeeld dat de inrichting onverenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening. 3.7. Bij arrest nr. 225.289 van 31 oktober 2013 vernietigt de Raad van State de weigeringsbeslissing van 18 april 2012. De Raad van State oordeelt dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt: “[…] dat aan de verzoekende partij de milieuvergunning wordt geweigerd, omdat de geplande inrichting strijdig zou zijn met de doelstelling van het gemeentelijk RUP dat alleen nog minder milieubelastende industrie zou toelaten, omdat een dergelijke milieubelastende inrichting als de thans in het geding zijnde niet mag worden ingeplant op een zo dichte afstand van bewoning en waardevolle natuurgebieden en omdat de inrichting, gelet op de belangrijke geografische spreiding bij de aanvoer van het asbestafval, wat schaal betreft niet aansluit bij de omgeving en niet beperkt is in omvang. […] Wat het eerste motief betreft, voert de verzoekende partij terecht aan dat nergens in de te dezen toepasselijke voorschriften van het gemeentelijk RUP is voorgeschreven dat enkel minder milieubelastende industrie in de desbetreffende bestemmingszone zou kunnen worden toegelaten. Artikel 1, vierde lid, van de bestemmingsvoorschriften schrijft alleen voor dat de toegelaten bedrijfsactiviteiten de beschermde habitats en soorten die voorkomen in het aangrenzende habitatrichtlijngebied niet negatief mogen beïnvloeden. Het bestreden besluit bevat dienaangaande geen motivering. Het zoekt voor zijn standpunt aansluiting bij de in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan opgenomen stelling dat er een evolutie moet zijn naar minder milieubelastende activiteiten. Er valt evenwel niet in te zien of dit voornemen betrekking heeft op het in het geding zijnde bedrijventerrein dan wel op die percelen waarop UCB is gevestigd. VII-39.611-4/33 Luidens artikel 2.1.2, § 7, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vormen de ruimtelijke structuurplannen geen beoordelingsgrond voor vergunningsaanvragen, en zulks wordt in het bestreden besluit zelf expliciet bevestigd. Anders dan de verwerende en de tussenkomende partij het willen doen voorkomen, is de verwijzing naar het ruimtelijk structuurplan dan ook niet dienstig voor de interpretatie van de stedenbouwkundige voorschriften uit het gemeentelijk RUP, aangezien het RUP in dit opzicht geen enkel aanknopingspunt biedt. [...] Het tweede motief uit het bestreden besluit maakt volgens de verwerende partij een concrete toepassing van de voorwaarde dat het moet gaan om lokale bedrijven die aansluiten bij de omgeving en dat de toegelaten bedrijfsactiviteiten de beschermde habitats en soorten die voorkomen in het aangrenzende habitatrichtlijngebied niet negatief mogen beïnvloeden; volgens de tussenkomende partij gaat het veeleer om een toepassing van de voorwaarde dat de activiteiten de draagkracht van het gebied niet mogen overschrijden, in de zin van een toetsing aan de goede ruimtelijke ordening. Uit de bewoordingen van de stedenbouwkundige voorschriften volgt evenwel dat het lokale karakter van de bedrijvigheid hoofdzakelijk wordt gelinkt aan de grootte van het bedrijf, met name aan de ‘schaal’, de ‘omvang’ en de ‘bedrijfsoppervlakte’. Dit blijkt evenzeer in de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP. De afstand van de inrichting tot de dichtstbijzijnde woningen kadert bijgevolg niet in het toepassingsgebied van dit criterium. Voor de beoordeling van de inrichting ten opzichte van de draagkracht van het gebied of de goede ruimtelijke ordening, is de summiere motivering in het bestreden besluit niet afdoende. De verzoekende partij wijst immers terecht op het bestaan van een gunstig advies van de afdeling Ruimtelijke Planning en Stedenbouwkundig Beleid, dat onder meer heeft gesteld dat het bedrijf van de verzoekende partij wat de schaal betreft aansluit bij de omgeving en beperkt is van omvang en ‘bovendien de draagkracht van de omgeving niet overschrijdt’. Uit het bestreden besluit blijkt niet afdoende waarom de verwerende partij van oordeel is de in het advies geformuleerde argumentatie niet te kunnen volgen. Zulks geldt des te meer omdat de verwerende partij zelf eerder tot een gunstige beoordeling van het stedenbouwkundig aspect was gekomen, in haar beslissing van 10 juni 2010. Zo het de verwerende partij in beginsel niet verboden was haar standpunt te wijzigen, diende zij evenwel dit gewijzigd inzicht te onderbouwen met afdoende motieven. Voorts wijst de verzoekende partij terecht op het MER, waarin wordt geconcludeerd ‘dat het project geen significante negatieve effecten zal hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van zowel het Vogel- als Habitatrichtlijngebied die in de omgeving van het projectgebied gesitueerd zijn’. Gelet op deze conclusie kon de verwerende partij er niet mee volstaan te stellen ‘dat een dergelijke milieubelastende inrichting niet ingeplant mag worden op zo een dichte afstand van (…) vanuit natuuroogpunt waardevolle gebieden’. [...] Het motief van het bestreden besluit over de belangrijke geografische spreiding bij de aanvoer van het asbestafval kan evenmin worden begrepen in het stedenbouwkundig voorschrift dat het bedrijf op het vlak van de schaalgrootte moet aansluiten bij de omgeving en beperkt moet zijn van VII-39.611-5/33 omvang. Het gemeentelijk RUP heeft immers dit criterium uitdrukkelijk in verband gebracht met de grootte van het bedrijf, terwijl dit motief in het bestreden besluit ook niet gekoppeld is aan de voorwaarde dat de activiteiten de draagkracht van het gebied niet mogen overschrijden”. 3.8. Na dit vernietigingsarrest wordt de procedure bestuurlijk beroep hernomen. Alle adviezen zijn gunstig of voorwaardelijk gunstig. In het stedenbouwkundig advies wordt erop gewezen dat “noch de feitelijke omstandigheden, noch de toepasselijke verordeningsbepalingen” inmiddels zijn gewijzigd; wordt er verwezen naar de motieven van het vernietigingsarrest; en wordt het eerder verleende advies bevestigd. Op 23 juli 2014 verwerpt de verwerende partij het bestuurlijk beroep opnieuw. 3.9. Na een auditoraatsverslag met toepassing van de procedure “korte debatten” vernietigt de Raad van State bij arrest nr. 231.646 van 18 juni 2015 ook deze tweede weigeringsbeslissing: “[…] Het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest van de Raad van State strekt zich uit tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven. [...] In zijn arrest nr. 225.289 van 31 oktober 2013 heeft de Raad van State geoordeeld dat ‘nergens in de te dezen toepasselijke voorschriften van het gemeentelijk RUP is voorgeschreven dat enkel minder milieubelastende industrie in de desbetreffende bestemmingszone zou kunnen worden toegelaten’, dat ‘[u]it de bewoordingen van de stedenbouwkundige voorschriften volgt […] dat het lokale karakter van de bedrijvigheid hoofdzakelijk wordt gelinkt aan de grootte van het bedrijf, met name aan de ‘schaal’, de ‘omvang’ en de ‘bedrijfsoppervlakte’’, dat ‘[d]e afstand van de inrichting tot de dichtstbijzijnde woningen […] niet [kadert] in het toepassingsgebied van dit criterium’, en dat ‘[h]et motief […] over de belangrijke geografische spreiding bij de aanvoer van het asbestafval […] evenmin [kan] worden begrepen in het stedenbouwkundig voorschrift dat het bedrijf op het vlak van de schaalgrootte moet aansluiten bij de omgeving en beperkt moet zijn van omvang’. In de sub 3.9 aangehaalde overwegingen van het bestreden besluit worden de door de Raad van State ondeugdelijk bevonden motieven opnieuw gebruikt om te besluiten dat de ‘geplande exploitatie de doelstellingen van het lokale bedrijventerrein ruim overschrijdt’ en zij ‘niet toelaatbaar is volgens het RUP Schoonaardemeersch en de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening’. De bestreden beslissing schendt bijgevolg het gezag van gewijsde van arrest nr. 225.289 van 31 oktober 2013”. VII-39.611-6/33 De Raad van State beveelt dat de verwerende partij binnen een dwingende termijn van vijf maanden na de kennisgeving van het vernietigingsarrest een nieuwe beslissing neemt over het bestuurlijk beroep. 3.10. De procedure bestuurlijk beroep wordt hernomen, en de volgende adviezen worden verleend: - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig, verwijzend naar haar adviezen van 26 augustus 2011, 9 januari 2012 en 9 december 2013; - Ruimte Vlaanderen adviseert gunstig, verwijzend naar een advies van 5 februari 2010; - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij adviseert voorwaardelijk gunstig, verwijzend naar haar adviezen van 31 augustus 2011 en 13 december 2013; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert voorwaardelijk gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert voorwaardelijk gunstig. 3.11. Op 26 november 2015 wordt de eerste bestreden beslissing genomen: de gevraagde vergunning wordt verleend, waarbij de volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden worden opgelegd (artikel 5, 2°): “- In het werkplan staan acceptatiecriteria opgenomen en in het bijzonder acceptatiecriteria voor aanvoer door particulieren en aannemers. Het werkplan bevat ook een procedure voor geweigerde vrachten. - De opslag van hechtgebonden asbest (aangevoerd door aannemers en particulieren) gebeurt in een container die voorzien is van een container-bigbag binnenin de loods. - De op- en overslag van de containers buiten gebeurt op een vloeistofdichte verharding. De cementsilo bevindt zich ook op deze vloeistofdichte verharding. - De containers die buiten opgeslagen worden. zijn steeds gesloten. Het asbestafval hierin is verpakt in dubbele plastic zakken. Deze containers worden maximaal 5 werkdagen opgeslagen. - De verwerkte asbestcementblokken (maximaal 100 ton), de verwerkte geperste asbesthoudende balen (maximaal 20 ton) en metalen restfractie zijn voorzien van een dubbele kunststofverpakking en worden binnen in de loods opgeslagen. Deze fracties worden minimaal wekelijks afgevoerd. VII-39.611-7/33 - Er is een open communicatiebeleid naar de omgeving en een klachten- meldpunt. De gegrondheid van de klachten wordt onderzocht en een klachtenregister met daaraan verbonden genomen maatregelen wordt bijgehouden. - Gedurende het eerste jaar van de exploitatie worden op maandelijkse basis immissiemetingen uitgevoerd op asbest tijdens de verwerkingsactiviteiten op het terrein en in de onmiddellijke omgeving van de bvba Asbeco. De evaluatiepunten worden in samenspraak met de afdeling Milieu-Inspectie vastgelegd. Wanneer uit de evaluatie blijkt dat de bijdrage beperkt is (toetsing aan 1000 vezels/m³ als jaargemiddelde) mag nadien een frequentie van 4 maal per jaar aangehouden worden. De resultaten van deze metingen worden ter evaluatie overgemaakt aan de afdeling Milieu-inspectie en ter kennisgeving aan de deputatie en de stad Dendermonde. Voorafgaandelijk aan de exploitatie wordt eerst op deze plaatsen een nulmeting uitgevoerd. - Volgende milderende maatregelen uit het MER worden genomen: - dagelijkse controle van de absoluutfilters en van de afzuiginstallaties van de werkzone door middel van overdrukmetingen; - maandelijkse controle van de efficiëntie van de absoluutfilters en de afzuiginstallaties aan de hand van luchtemissiemetingen aan de uitgang van de afzuiging; - dagelijkse controle van de sluiting van de zeecontainers in afwachting van de verwerking van de afvalstoffen; - emissiemetingen van de nieuwe stookinstallatie (800 kW) binnen de 3 maanden door een erkend labo in de discipline lucht, en nadien minimaal om de 5 jaar conform artikel 5.43.2.3.3. van titel II van het VLAREM; - de werkzone is met een dubbele luchtlaag afgesloten en wordt 24u/24u in blijvende onderdruk gehouden tussen -10 en -40 Pa met behulp van een centrale afzuiginrichting die voorzien is van 2 absoluutfilters; - het voorziene filtersysteem bestaat uit een voorfilter, tussenfilter en een dubbele HEPA-filter (in serie) op elke extractor; elke HEPA-filter apart heeft een effectiviteit van minimaal 99,97% voor deeltjes van 0,3 µm; - de HEPA-filters worden om de 4 maanden vervangen; - de menger is van het type ‘dwangmenger’ (type menginstallatie met minimale stofemissie); het stof wordt opgevangen in mouwenfilters; de inhoud van de mouwenfilters wordt terug in het proces ingebracht; - er is voorzien in een totale luchtverversing van de werkzone van 6 maal per uur; - de cementsilo is voorzien van zelfreinigende stoffilters, een onderdruk- en overdrukbeveiliging en een overvulbeveiliging met automatisch afsluitsysteem van de vulleiding; - er worden instructies gegeven aan de leveranciers van cement om drukstoten te vermijden bij de lediging van de bulkwagens; - het transport van het cement naar de dwangmengelaar gebeurt via overdekte transportschroeven; - in de onderdrukzone wordt een sproeiinstallatie voorzien die de VII-39.611-8/33 asbestvezels kan neerslaan; - buiten op het terrein wordt een (mobiel) industrieel mistkanon voorzien; deze vernevelingsmachine produceert een mistgordijn van microdruppels en kan binnen een oppervlakte van 1.500 m² asbestvezels neerslaan. - De brandweervoorwaarden opgenomen in het advies van 23 juli 2011 met referentie GDS-dvd-059-2011 worden nageleefd; - Er wordt alleen aangevoerd van 7u - 18u, en de werkuren zijn van 7u tot 19u; - Om de specifieke geluidsbijdrage van de extractoren te beperken moeten er 4 extractoren voorzien worden die werken aan 50% van hun maximaal vermogen in plaats van 2, zoals voorgesteld in het MER (afzonderlijk bronvermogen per extractor 101 dB(A)); - De aanvraag tot wijziging van de milieuvoorwaarden met toepassing van artikel 5.2.1.5, §5, van titel II van het VLAREM wordt toegestaan in die zin dat een groenscherm van minimaal 1 meter breedte aangeplant wordt langs de westelijke en oostelijke perceelgrens, achter de achtergevellijn van de loods. Dit groenscherm bestaat uit streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. De exploitant neemt de nodige maatregelen om zo snel mogelijk een gesloten groenscherm te verkrijgen. Waar de aanleg van het groenscherm wordt belemmerd door de geplande bouwwerken, wordt het groenscherm aangeplant zodra de bouwwerken dat toelaten en het plantseizoen is aangebroken. Waar de geplande bouwwerken de aanleg van het groenscherm niet belemmeren, wordt het groenscherm aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na het verlenen van de vergunning. De beplanting moet doorlopend en op een vakkundige wijze onderhouden worden teneinde zijn afschermende functie optimaal te behouden”. 3.12. De beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat binnen een straal van 100 m rondom de perceelgrenzen zich 25 woningen bevinden (alle gelegen in woongebied); dat de dichtste woning gelegen is op circa 20 m van de toegang van de inrichting en op circa 80 m van de eigenlijke asbestverwerkingszone; dat de dichtstbijzijnde gevoelige groepen (scholen, ziekenhuizen en rusthuizen) zich op meer dan 1 kilometer van de inrichting bevinden; dat de inrichting gelegen is tussen de Schelde en de Steenweg naar Wetteren; dat ten opzichte van de inrichting: - ten noorden de Schelde ligt, die op die locatie afgebakend is als vogelrichtlijngebied ‘Durme en de middenloop van de Schelde’ met daarachter een agrarisch gebied met ecologisch belang waarvan een deel als habitatrichtlijngebied ‘Schelde- en Durmeëstuarium van de Nederlandse grens tot Gent’ afgebakend is en VEN-gebied ‘de Vallei van de Boven Zeeschelde van Kalkense meersen tot Sint-Onolfspolder’; - en oosten, palend aan het bedrijfsterrein, zich een chemisch bedrijf bevindt (Cytec Surface Specialities); - ten zuiden de Steenweg naar Wetteren ligt, met aan de overzijde een circa 60 m breed woongebied met meerdere woningen; VII-39.611-9/33 - ten westen, palend aan het bedrijfsterrein, zich een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut bevindt (volgens het gewestplan), waarvan een deel ook afgebakend is als habitatrichtlijngebied ‘Schelde- en Durmeëstuarium van de Nederlandse grens tot Gent’; dat het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut door voormeld gemeentelijk RUP omgevormd werd tot zone voor lokaal bedrijventerrein, zone voor lokaal bedrijventerrein/toegangen, parkeren en ontvangst, zone voor groene buffer en zone voor natuur; Overwegende dat alle asbestverwerking zal gebeuren in het achterste deel van een bestaande industriële loods die paalt aan het terrein van Cytec Surface Specialities; dat in de loods een hermetisch afgesloten zone gecreëerd zal worden waar de behandeling en de verwerking van het asbestafval zal gebeuren; dat deze asbestverwerkingszone zodoende bijna dubbel ingekapseld is; dat deze zone (de verwerkingshal) in onderdruk zal gehouden worden door een centrale afzuiging; dat de afgezogen lucht over absoluutfilters of HEPA-filters (High Efficiency Particulate Air) geleid wordt vooraleer hij in de buitenlucht geëmitteerd wordt; dat deze filters de mogelijkheid hebben om luchtpartikels te weerhouden van een diameter van 0,3 micrometer met een doeltreffendheid van 99,97% (VITO, 2004); Overwegende dat het asbestafval aangevoerd zal worden in gesloten zeecontainers en gesloten bigbags; dat deze containers ofwel rechtstreeks verwerkt worden ofwel gestockeerd in open lucht in de zone achter de loods op circa 95 m van de dichtste woning; dat het asbestafval zelf ook nog verpakt is in dubbele plastic zakken (bigbags); dat in de aanvraag vermeld wordt dat de aanvoer eveneens kan gebeuren door aannemers en particulieren; dat hiervoor acceptatiecriteria opgesteld zijn (op te leggen als bijzondere voorwaarde, o.a. in een dubbelwandige verpakking) en bigbags ter beschikking gesteld worden (aankopen met instructies en richtlijnen voor de veilige behandeling en het ter beschikking stellen van fixatiemiddelen, mondmaskers en wegwerpoverals); dat in het werkplan, op te maken en goed te keuren door de afdeling Milieu-inspectie voor de aanvang van de exploitatie, ook een procedure moet voorzien worden voor geweigerde vrachten; dat dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; Overwegende dat de gesloten containers slechts kortstondig opgeslagen worden (maximaal 5 werkdagen) en dit op een bijkomende verharde ondergrond (asfalt); dat lege containers op losse verharding (steenpuin) geplaatst zullen worden; Overwegende dat de in de onderdrukzone geloste zakken met asbesthoudend afval geopend worden en de kunststof- en metaalfracties verwijderd worden; dat het gesorteerde asbestafval verkleind wordt door een breker tot een maximum deeltjesgrootte van 1 cm3 en overgebracht wordt naar een cementmengeenheid; dat de cementasbestspecie dan in vormen gestort wordt van 1 m3 voor uitharding tot cementasbestblokken (= immobilisatie door cementering); dat deze voorzien worden van een dubbele kunststofverpakking; dat als bijzondere voorwaarde opgelegd wordt dat deze verwerkte asbestcementblokken steeds binnen in de loods moeten opgeslagen worden (maximaal 100 ton); Overwegende dat de uitgesorteerde kunststoffracties in een balenpers VII-39.611-10/33 gebracht worden die eveneens in de onderdrukzone staat opgesteld (= compactering); dat de geperste balen eveneens een afmeting van 1 m3 hebben en ook dubbel verpakt worden in plastic zakken en geëtiketteerd; dat als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat deze verwerkte geperste asbesthoudende balen steeds binnen in de loods moeten opgeslagen worden (maximaal 20 ton); Overwegende dat er ook een metalen restfractie is die na manuele triëring niet verder compacteerbaar is; dat deze fractie eveneens in dubbele plastic zakken gestapeld wordt in de loods; dat als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat deze verpakte asbesthoudende metalen restfractie steeds binnen in de loods moeten opgeslagen worden; Overwegende dat deze drie fracties (uitgeharde cementblokken, plastic en metaal) afgevoerd worden naar een klasse 1 stortplaats door een geregistreerd vervoerder van afvalstoffen; dat dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; Overwegende dat volgens het aanvraagdossier de exploitant op jaarbasis maximaal volgende hoeveelheden niet-hechtgebonden asbesthoudend afval zal verwerken; dat de voorziene capaciteit als volgt wordt ingedeeld: Type asbestafval Totale kg vrij hoeveelheid asbest/ asbest te verwerken (ton) ton afval (ton) Asbestafval vóór immobilisatie 1.184 169 200,1 (cementering) 0 Asbestafval vóór compactering 3.000 2,46 7,50 Asbestafval rechtstreeks te 450 1 0,5 verpakken (gecontamineerd metaal enz.) Asbestafval voor externe afvoer 200 256 51,50 Totaal 4.834 / 259,6 dat de aangeduide hoeveelheden vrije asbest in de totale hoeveelheid zijn gebaseerd op eerdere studies (MER uitgevoerd voor Rematt TV - omrekeningsfactor); Overwegende dat naast te cementeren en te compacteren afval er ook een deel voor externe afvoer is dat alleen overgeslagen wordt en waar geen bewerking op gebeurt; dat deze bulkfractie afkomstig is van werven in Brussel die doorgaans verwerkt worden door een vergunde Franse verwerker; dat het met andere woorden alleen een tussentijdse opslag in gesloten zeecontainers betreft tot er een voldoende hoeveelheid afval verzameld is voor gezamenlijke afvoer naar deze externe verwerker; Overwegende dat ook kleine hoeveelheden hechtgebonden asbest zullen aanvaard worden van lokale aannemers en particulieren; dat deze fractie onder andere golfplaten omvat, vlakke platen, glasal, rioleringsbuizen, leien, venstertabletten en andere; dat deze buiten zouden worden opgeslagen (overslag) op een vloeistofdichte bodem, in een container die voorzien is van een container-bigbag; dat gelet op de vrij beperkte hoeveelheid die hiervoor wordt aangevraagd (100 ton) en de beschikbare ruimte in de hal, deze opslag ook binnen zou kunnen gebeuren; dat op deze manier het risico op verontreiniging via hemelwater verminderd wordt en er ook geen visuele hinder is; dat dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; VII-39.611-11/33 Overwegende dat de installatie zich volledig binnenin een overdekte ruimte zal bevinden die volledig voorzien is van een vloeistofdichte betonvloer; dat de cementsilo buiten opgesteld staat achteraan het gebouw (langs de kant van de Schelde en grenzend aan het naastgelegen bedrijf Cytec); dat voor de opslag of overslag van de containers achteraan het gebouw (buiten) een bijkomende vloeistofdichte verharding voorzien (1000 m²) wordt; dat de cementsilo ook op deze vloeistofdichte verharding zal komen te staan; dat deze aspecten als bijzondere voorwaarde worden opgelegd; Overwegende dat in het MER gesteld wordt dat de geplande exploitatie voldoet aan de Beste Beschikbare Technieken (BBT) voor asfaltverwerking; Overwegende dat de exploitant in zijn aanvraag expliciet stelt dat de ‘Code van goede praktijk voor het op de Vlaamse sorteercentra aanvaarden, manipuleren, registreren en afvoeren van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig’ (Omzendbrief LNE/2008/1 van 27 augustus 2008) gerespecteerd wordt; Overwegende dat in het MER gesteld wordt dat op basis van een aantal meetcampagnes in Vlaanderen een achtergrondconcentratie van ongeveer 50 à 100 asbestvezels/m3 werd vastgesteld; dat in de geplande situatie geleide emissies ontstaan vanuit de extractoren van de onderdrukzone; dat een worst-case inschatting gemaakt werd van de te verwachten emissies en dat uit de berekeningen blijkt dat de totale jaarlijkse emissie aan asbestvezels 0,00000111 ton/jaar of 1,11 g/jaar zou bedragen; dat dit ruim beneden de lucht-drempelwaarde van het milieujaarverslag, zijnde 0,001 ton/jaar, is; dat bijgevolg de emissies volgens het MER uit de onderdrukzone als niet relevant beschouwd worden; dat de emissiegrenswaarde uit de bijlagen van titel II van het VLAREM voor geleide emissies van asbest bij een afgasstroom van 5.000 m³/u of meer 0,1 mg/Nm3 bedraagt (afzuigdebiet voor werkzone van 1.145 m³ bedraagt hier 6.870 m3/uur); dat dit overeenkomt met 2 vezels/ml of 2.000.000 vezels/m3; dat aangenomen wordt dat de emissie na de eerste HEPA-filter net aan de VLAREM II-emissiegrenswaarde zal voldoen (worst-case), en dat de resterende emissie (max. 0,1 mg/Nm3) nogmaals met 99,97% gereduceerd zal worden door de tweede voorziene HEPA-filter; Overwegende dat de milieukwaliteitsnorm voor asbest volgens VLAREM in de omgevingslucht 1.000 vezels/m3 als gemiddelde jaarlijkse concentratie bedraagt, en als richtwaarde een norm van 500 vezels/m3 vooropgesteld wordt (jaargemiddeld); dat uit de berekeningen blijkt dat de jaarlijkse immissiebijdrage maximaal ongeveer 1,5 asbestvezels/m3 zal zijn ter hoogte van de woningen aan de Steenweg naar Wetteren; dat dit een bijdrage ten opzichte van de actuele luchtkwaliteit van 1,47 tot 2,93% vertegenwoordigt; dat volgens het richtlijnenboek Lucht dergelijke bijdrage als ‘beperkt’ beschouwd wordt (bijdrage tussen 1% en 3% van de richtwaarde); dat ter hoogte van de andere receptor-meetpunten (dichtste woningen in respectievelijk Schoonaarde, Berlare en Wichelen) de bijdrage als ‘verwaarloosbaar te beschouwen is’ volgens het richtlijnenboek Lucht; Overwegende dat volgens het MER het risico op de ontwikkeling van kanker respectievelijk 1 op 40.000 en 1 op 80.000 zou bedragen bij een actuele omgevingsconcentratie van respectievelijk 100 en 50 vezels/m3 (cf. EPA respectievelijk de WHO); dat bij levenslange blootstelling op de meest dichtbij VII-39.611-12/33 zijnde locatie (zijnde de woning op de Steenweg naar Wetteren) een bijkomend risico van 1 op 2.500.000 werd berekend (volgens EPA benadering, zijnde de meest strenge); dat dit risico als aanvaardbaar beschouwd wordt gezien de kans kleiner is dan 1/1.000.000; dat deze berekening ook een worst case berekening is; dat volgens het MER door de aanwezigheid van een asbestverwerkend bedrijf er wel psychische hinder kan zijn en een verminderde belevingswaarde van het leef- en woonklimaat, door de negatieve connotatie die aan asbest verbonden is wegens het verband met kanker; dat een aangehouden open communicatie met de buurt hiervoor aangewezen is en communicatie als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd, alsook een klachtenmeldpunt; dat de exploitant ondertussen reeds een bedrijfswebsite heeft waarop nieuwsbrieven zullen geplaatst worden; dat dienaangaande in het MER voorgesteld wordt om gedurende het eerste jaar van exploitatie op maandelijkse basis immissiemetingen uit te voeren op asbest tijdens de verwerkingsactiviteiten, op het terrein en in de onmiddellijke omgeving van de inrichting, en dat indien uit de evaluatie blijkt dat de bijdrage beperkt is, er nadien een frequentie van 4 maal per jaar kan aangehouden worden; dat dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd (met overmaking van de resultaten aan de afdeling Milieu-inspectie); dat het ook aangewezen is om een nulmeting uit te voeren, namelijk voor de start van de activiteiten; dat uiteraard de meldingsplicht aan de toezichthoudende overheid blijft bestaan bij elk incident waarbij zuiveringsinstallaties of filters zouden uitvallen; Overwegende dat het MER volgende milderende maatregelen aanbeveelt (niettegenstaande er geen significante effecten verwacht worden), die als bijzondere voorwaarden worden opgelegd; - dagelijkse controle van de absoluutfilters en van de afzuiginstallaties van de werkzone door middel van overdrukmetingen; - maandelijkse controle van de efficiëntie van de absoluutfilters en de afzuiginstallaties aan de hand van luchtemissiemetingen aan de uitgang van de afzuiging; - dagelijkse controle van de sluiting van de zeecontainers in afwachting van de verwerking van de afvalstoffen; - emissiemetingen van de nieuwe stookinstallatie (800 kW) binnen de 3 maanden door een erkend labo in de discipline lucht, en nadien minimaal om de 5 jaar conform artikel 5.43.2,3.3 van titel II van het VLAREM; Overwegende dat volgende emissie-preventiemaatregelen genomen moeten worden en als bijzondere voorwaarden worden opgelegd: - de werkzone is met een dubbele luchtlaag afgesloten en wordt 24u/24u in blijvende onderdruk gehouden tussen -10 en -40 Pa met behulp van een centrale afzuiginrichting die voorzien is van 2 absoluutfilters; - het voorziene filtersysteem bestaat uit een voorfilter, tussenfilter en een dubbele HEPA-filter (in serie) op elke extractor; deze HEPA-filter heeft een effectiviteit van minimaal 99,97% voor deeltjes van 0.3 µm; - de HEPA-filters worden om de 4 maanden vervangen; - de menger is van het type ‘dwangmenger’ (type menginstallatie met minimale stofemissie); het stof wordt opgevangen in mouwenfilters; VII-39.611-13/33 de inhoud van de mouwenfilters wordt terug in het proces ingebracht; - er is voorzien in een totale luchtverversing van 6 maal per uur (wettelijk gezien is dit minimaal 4 maal per uur); Overwegende dat er ook niet-geleide emissies kunnen optreden bij de aanvoer en opslag van de onverwerkte afvalstoffen, bij het verladen en doseren van cement en van transportbewegingen over het bedrijfsterrein; dat de aangevoerde containers tot tegen de verwerkingshal worden gereden en vervolgens geopend in de containerlosplaats; dat in deze losplaats de openingen rondom de container afgesloten zijn met een flexibele dichting; dat pas daarna de schuifdeur naar de verwerkingszone geopend wordt, en de container geopend wordt, en de dubbele plastic zakken of bigbags manueel uitgeladen worden; Overwegende dat alle aanvoer gebeurt via verharde wegen en de opslag zal plaatsvinden op een vloeistofdichte verharding; dat het aangevoerde asbestafval steeds dubbel verpakt moet worden; dat om cementstof te vermijden, volgende maatregelen voorzien worden en worden opgelegd als bijzondere voorwaarden: - de cementsilo is voorzien van zelfreinigende stoffilters, een onderdruk- en overdrukbeveiliging en een overvulbeveiliging met automatisch afsluitsysteem van de vulleiding; - instructies aan de cementleveranciers om drukstoten te vermijden bij de lediging van de bulkwagens; - transport van het cement naar de dwangmengelaar via overdekte transportschroeven; Overwegende dat in geval van uitvallen van de onderdruk (elektriciteitspanne, ventilatorpanne, ... ) er een automatisch kleppensysteem is dat de onderdrukzone volledig afsluit van de omgeving; dat een reserve-unit dienst doet als back-up bij wisseling van de filters van de andere unit; Overwegende dat volgende bijkomende voorzieningen getroffen worden om de verspreiding van asbestvezels tegen te gaan in geval van calamiteiten: - in de onderdrukzone zal een sproei-installatie voorzien worden die de asbestvezels kan neerslaan; - buiten op het terrein zal een (mobiel) industrieel mistkanon voorzien worden; deze vernevelingsmachine produceert een mistgordijn van microdruppels en kan binnen een oppervlakte van 1.500 m2 asbestvezels neerslaan; Overwegende dat er een metalen opstand in de werkzone wordt voorzien met een hoogte van 15 cm en een oppervlakte van 195 m2, zodat er op deze wijze bij calamiteit een bluswateropvang van ongeveer 29.000 l voorhanden is; dat moet gesteld worden dat asbest gebruikt wordt als brandwerend materiaal; dat in het kader van deze milieuvergunningsaanvraag de plaatselijke brandweer op 23 juli 2011 een gunstig advies uitbracht mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden; dat het aangewezen is om deze voorwaarden op te leggen als bijzondere voorwaarden; Overwegende dat de installatie zich binnen het gebouw bevindt (behalve de cementsilo en de wachtende zeecontainers achteraan het bedrijf) en de aangevoerde containers binnen het gebouw gelost worden; dat ook de laadactiviteiten binnen gebeuren; dat bijgevolg de mogelijke geluidshinder afkomstig van laad- en losactiviteiten beperkt is; dat er alleen overdag activiteiten zijn (alleen aanvoer mogelijk van 7u tot 18u - werkuren van 7u tot VII-39.611-14/33 19u); dat de Steenweg naar Wetteren een druk bereden hoofdweg is die voor een aanzienlijk geluidsniveau zorgt; dat het aantal transporten voor het bedrijf (aan- en afvoer) beperkt is tot 25 zeecontainers per week; dat een vijftal transporten door particulieren en aannemers per week verwacht worden, zodat ook het transportgeluid beperkt blijft; Overwegende dat de inrichting volgende geluidsbronnen omvat; breker (binnen in onderdrukzone), balenpers (binnen in onderdrukzone), cementmixer (binnen in onderdrukzone) en ventilatoren HEPA-filters (gelokaliseerd aan de achterzijde, tegen de buitenwand van de loods); dat er in het MER één overschrijding van de norm voor het specifiek geluid voor de dagperiode van ongeveer 2 dB(A) gesimuleerd wordt ter hoogte van de Schelde (grens Vogelrichtlijngebied); dat deze overschrijding veroorzaakt wordt door de extractoren; dat volgende milderende maatregelen worden voorgesteld: - ofwel: beperkte afscherming van de extractoren door een muur van snelbouwsteen of schors; - ofwel: volledige akoestische afscherming van de extractoren ten opzichte van de buitenomgeving; - ofwel: door de extractoren aan maximaal 50% van hun maximaal vermogen te laten werken (afzonderlijk bronvermogen per extractor 101 dB(A)), zodat het specifiek geluid van de 4 extractoren dan ongeveer 14 dB(A) tot 16 dB(A) lager zal zijn, dan 2 extractoren op 100% werking; dat de exploitant opteert voor de laatste maatregel, die als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; dat een noodgroep wordt voorzien in geval van stroompanne; Overwegende dat wanneer geen activiteiten plaatsvinden in de onderdrukzone, het debiet van de extractoren nog eens met 50% wordt teruggeschroefd; dat dit gebeurt gedurende 5 werkdagen per week aan 16 uur/dag en gedurende de weekends (2 dagen per week aan 24 uur/dag); dat bijgevolg de mogelijke geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat er geen bedrijfsafvalwater geloosd wordt; dat het water afkomstig van de douches (van personeelssas en van onderdrukzone), reinigingswater van de installaties en hemelwater (ca. 500 m3/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.