← België

Arrest 245102 - Milieuvergunningen - 08/07/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.102 Rolnummer: A. 218345/VII-39611 Zaak: Arrest 245102 - Milieuvergunningen - 08/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-11 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-21 07:17 Fiche Arrest nr 245.102 van 8 juli 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.102 van 8 juli 2019 in de zaak A. 218.345/VII-39.611 In zake : 1. Pascal DE ROOCK 2. Steven DE ROOVER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Huygens kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA ASBECO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Matthijs, Jan Ghysels en Sophie Bleux en tevens door advocaat Marten De Jaeger kantoor houdend te 9990 Maldegem Westeindestraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 februari 2016, strekt tot de nietigverklaring van: VII-39.611-1/33 “1. Het Ministerieel besluit van de Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 26 november 2015, houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 10 november 2011 met nummer M03/42006I3I3IIIAI2 en houdende het verlenen aan de bvba Asbeco van een milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe asbestverwerkend bedrijf aan de Steenweg naar Wetteren 24, 9200 Dendermonde (Schoonaarde), op de percelen kadastraal gekend als afdeling 8, sectie A, nr. 32M […]. 2. Het besluit van de Dienst MER dd. 28.02.2011 houdende vaststelling van de bijzondere richtlijnen voor de opmaak van het project-MER voor Asbeco bvba en houdende goedkeuring van het team van erkende MER-deskundigen […]. 3. Het besluit van de Dienst MER dd. 04.04.2011 houdende goedkeuring van het project-MER voor Asbeco bvba […].” II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 234.707 van 12 mei 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekers hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekers en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni 2019. VII-39.611-2/33 Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Huygens, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jan Ghysels, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij dient in 2009 een milieuvergunnings- aanvraag in voor de exploitatie van een asbestverwerkend bedrijf gelegen aan de Steenweg naar Wetteren 24 te Dendermonde (Schoonaarde). Op 15 oktober 2009 weigert de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning. Op 10 juni 2010 verwerpt de verwerende partij een door de tussenkomende partij ingediend bestuurlijk beroep. Er wordt overwogen dat de exploitatie verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; de vergunning wordt evenwel geweigerd omdat er geen project-milieueffectenrapport (hierna: MER) werd opgemaakt. 3.2. De tussenkomende partij stelt de dienst MER in kennis van een project-MER. Op 28 februari 2011 beslist de dienst MER over de inhoudsafbakening van dit project-MER. 3.3. De dienst MER keurt dit project-MER op 4 april 2011 goed. 3.4. Op 12 mei 2011 dient de tussenkomende partij dan een nieuwe VII-39.611-3/33 milieuvergunningsaanvraag in, met bijgevoegd het project-MER. 3.5. Tijdens het openbaar onderzoek worden er 1.134 bezwaar- schriften ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde verleent een ongunstig advies. 3.6. Op 10 november 2011 weigert de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen andermaal de vergunning. De tussenkomende partij dient een bestuurlijk beroep in, dat op 18 april 2012 door de verwerende partij wordt verworpen. Anders dan in de beslissing van 10 juli 2010 wordt geoordeeld dat de inrichting onverenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening. 3.7. Bij arrest nr. 225.289 van 31 oktober 2013 vernietigt de Raad van State de weigeringsbeslissing van 18 april 2012. De Raad van State oordeelt dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt: “[…] dat aan de verzoekende partij de milieuvergunning wordt geweigerd, omdat de geplande inrichting strijdig zou zijn met de doelstelling van het gemeentelijk RUP dat alleen nog minder milieubelastende industrie zou toelaten, omdat een dergelijke milieubelastende inrichting als de thans in het geding zijnde niet mag worden ingeplant op een zo dichte afstand van bewoning en waardevolle natuurgebieden en omdat de inrichting, gelet op de belangrijke geografische spreiding bij de aanvoer van het asbestafval, wat schaal betreft niet aansluit bij de omgeving en niet beperkt is in omvang. […] Wat het eerste motief betreft, voert de verzoekende partij terecht aan dat nergens in de te dezen toepasselijke voorschriften van het gemeentelijk RUP is voorgeschreven dat enkel minder milieubelastende industrie in de desbetreffende bestemmingszone zou kunnen worden toegelaten. Artikel 1, vierde lid, van de bestemmingsvoorschriften schrijft alleen voor dat de toegelaten bedrijfsactiviteiten de beschermde habitats en soorten die voorkomen in het aangrenzende habitatrichtlijngebied niet negatief mogen beïnvloeden. Het bestreden besluit bevat dienaangaande geen motivering. Het zoekt voor zijn standpunt aansluiting bij de in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan opgenomen stelling dat er een evolutie moet zijn naar minder milieubelastende activiteiten. Er valt evenwel niet in te zien of dit voornemen betrekking heeft op het in het geding zijnde bedrijventerrein dan wel op die percelen waarop UCB is gevestigd. VII-39.611-4/33 Luidens artikel 2.1.2, § 7, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vormen de ruimtelijke structuurplannen geen beoordelingsgrond voor vergunningsaanvragen, en zulks wordt in het bestreden besluit zelf expliciet bevestigd. Anders dan de verwerende en de tussenkomende partij het willen doen voorkomen, is de verwijzing naar het ruimtelijk structuurplan dan ook niet dienstig voor de interpretatie van de stedenbouwkundige voorschriften uit het gemeentelijk RUP, aangezien het RUP in dit opzicht geen enkel aanknopingspunt biedt. [...] Het tweede motief uit het bestreden besluit maakt volgens de verwerende partij een concrete toepassing van de voorwaarde dat het moet gaan om lokale bedrijven die aansluiten bij de omgeving en dat de toegelaten bedrijfsactiviteiten de beschermde habitats en soorten die voorkomen in het aangrenzende habitatrichtlijngebied niet negatief mogen beïnvloeden; volgens de tussenkomende partij gaat het veeleer om een toepassing van de voorwaarde dat de activiteiten de draagkracht van het gebied niet mogen overschrijden, in de zin van een toetsing aan de goede ruimtelijke ordening. Uit de bewoordingen van de stedenbouwkundige voorschriften volgt evenwel dat het lokale karakter van de bedrijvigheid hoofdzakelijk wordt gelinkt aan de grootte van het bedrijf, met name aan de ‘schaal’, de ‘omvang’ en de ‘bedrijfsoppervlakte’. Dit blijkt evenzeer in de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP. De afstand van de inrichting tot de dichtstbijzijnde woningen kadert bijgevolg niet in het toepassingsgebied van dit criterium. Voor de beoordeling van de inrichting ten opzichte van de draagkracht van het gebied of de goede ruimtelijke ordening, is de summiere motivering in het bestreden besluit niet afdoende. De verzoekende partij wijst immers terecht op het bestaan van een gunstig advies van de afdeling Ruimtelijke Planning en Stedenbouwkundig Beleid, dat onder meer heeft gesteld dat het bedrijf van de verzoekende partij wat de schaal betreft aansluit bij de omgeving en beperkt is van omvang en ‘bovendien de draagkracht van de omgeving niet overschrijdt’. Uit het bestreden besluit blijkt niet afdoende waarom de verwerende partij van oordeel is de in het advies geformuleerde argumentatie niet te kunnen volgen. Zulks geldt des te meer omdat de verwerende partij zelf eerder tot een gunstige beoordeling van het stedenbouwkundig aspect was gekomen, in haar beslissing van 10 juni 2010. Zo het de verwerende partij in beginsel niet verboden was haar standpunt te wijzigen, diende zij evenwel dit gewijzigd inzicht te onderbouwen met afdoende motieven. Voorts wijst de verzoekende partij terecht op het MER, waarin wordt geconcludeerd ‘dat het project geen significante negatieve effecten zal hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van zowel het Vogel- als Habitatrichtlijngebied die in de omgeving van het projectgebied gesitueerd zijn’. Gelet op deze conclusie kon de verwerende partij er niet mee volstaan te stellen ‘dat een dergelijke milieubelastende inrichting niet ingeplant mag worden op zo een dichte afstand van (…) vanuit natuuroogpunt waardevolle gebieden’. [...] Het motief van het bestreden besluit over de belangrijke geografische spreiding bij de aanvoer van het asbestafval kan evenmin worden begrepen in het stedenbouwkundig voorschrift dat het bedrijf op het vlak van de schaalgrootte moet aansluiten bij de omgeving en beperkt moet zijn van VII-39.611-5/33 omvang. Het gemeentelijk RUP heeft immers dit criterium uitdrukkelijk in verband gebracht met de grootte van het bedrijf, terwijl dit motief in het bestreden besluit ook niet gekoppeld is aan de voorwaarde dat de activiteiten de draagkracht van het gebied niet mogen overschrijden”. 3.8. Na dit vernietigingsarrest wordt de procedure bestuurlijk beroep hernomen. Alle adviezen zijn gunstig of voorwaardelijk gunstig. In het stedenbouwkundig advies wordt erop gewezen dat “noch de feitelijke omstandigheden, noch de toepasselijke verordeningsbepalingen” inmiddels zijn gewijzigd; wordt er verwezen naar de motieven van het vernietigingsarrest; en wordt het eerder verleende advies bevestigd. Op 23 juli 2014 verwerpt de verwerende partij het bestuurlijk beroep opnieuw. 3.9. Na een auditoraatsverslag met toepassing van de procedure “korte debatten” vernietigt de Raad van State bij arrest nr. 231.646 van 18 juni 2015 ook deze tweede weigeringsbeslissing: “[…] Het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest van de Raad van State strekt zich uit tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven. [...] In zijn arrest nr. 225.289 van 31 oktober 2013 heeft de Raad van State geoordeeld dat ‘nergens in de te dezen toepasselijke voorschriften van het gemeentelijk RUP is voorgeschreven dat enkel minder milieubelastende industrie in de desbetreffende bestemmingszone zou kunnen worden toegelaten’, dat ‘[u]it de bewoordingen van de stedenbouwkundige voorschriften volgt […] dat het lokale karakter van de bedrijvigheid hoofdzakelijk wordt gelinkt aan de grootte van het bedrijf, met name aan de ‘schaal’, de ‘omvang’ en de ‘bedrijfsoppervlakte’’, dat ‘[d]e afstand van de inrichting tot de dichtstbijzijnde woningen […] niet [kadert] in het toepassingsgebied van dit criterium’, en dat ‘[h]et motief […] over de belangrijke geografische spreiding bij de aanvoer van het asbestafval […] evenmin [kan] worden begrepen in het stedenbouwkundig voorschrift dat het bedrijf op het vlak van de schaalgrootte moet aansluiten bij de omgeving en beperkt moet zijn van omvang’. In de sub 3.9 aangehaalde overwegingen van het bestreden besluit worden de door de Raad van State ondeugdelijk bevonden motieven opnieuw gebruikt om te besluiten dat de ‘geplande exploitatie de doelstellingen van het lokale bedrijventerrein ruim overschrijdt’ en zij ‘niet toelaatbaar is volgens het RUP Schoonaardemeersch en de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening’. De bestreden beslissing schendt bijgevolg het gezag van gewijsde van arrest nr. 225.289 van 31 oktober 2013”. VII-39.611-6/33 De Raad van State beveelt dat de verwerende partij binnen een dwingende termijn van vijf maanden na de kennisgeving van het vernietigingsarrest een nieuwe beslissing neemt over het bestuurlijk beroep. 3.10. De procedure bestuurlijk beroep wordt hernomen, en de volgende adviezen worden verleend: - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig, verwijzend naar haar adviezen van 26 augustus 2011, 9 januari 2012 en 9 december 2013; - Ruimte Vlaanderen adviseert gunstig, verwijzend naar een advies van 5 februari 2010; - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij adviseert voorwaardelijk gunstig, verwijzend naar haar adviezen van 31 augustus 2011 en 13 december 2013; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert voorwaardelijk gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert voorwaardelijk gunstig. 3.11. Op 26 november 2015 wordt de eerste bestreden beslissing genomen: de gevraagde vergunning wordt verleend, waarbij de volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden worden opgelegd (artikel 5, 2°): “- In het werkplan staan acceptatiecriteria opgenomen en in het bijzonder acceptatiecriteria voor aanvoer door particulieren en aannemers. Het werkplan bevat ook een procedure voor geweigerde vrachten. - De opslag van hechtgebonden asbest (aangevoerd door aannemers en particulieren) gebeurt in een container die voorzien is van een container-bigbag binnenin de loods. - De op- en overslag van de containers buiten gebeurt op een vloeistofdichte verharding. De cementsilo bevindt zich ook op deze vloeistofdichte verharding. - De containers die buiten opgeslagen worden. zijn steeds gesloten. Het asbestafval hierin is verpakt in dubbele plastic zakken. Deze containers worden maximaal 5 werkdagen opgeslagen. - De verwerkte asbestcementblokken (maximaal 100 ton), de verwerkte geperste asbesthoudende balen (maximaal 20 ton) en metalen restfractie zijn voorzien van een dubbele kunststofverpakking en worden binnen in de loods opgeslagen. Deze fracties worden minimaal wekelijks afgevoerd. VII-39.611-7/33 - Er is een open communicatiebeleid naar de omgeving en een klachten- meldpunt. De gegrondheid van de klachten wordt onderzocht en een klachtenregister met daaraan verbonden genomen maatregelen wordt bijgehouden. - Gedurende het eerste jaar van de exploitatie worden op maandelijkse basis immissiemetingen uitgevoerd op asbest tijdens de verwerkingsactiviteiten op het terrein en in de onmiddellijke omgeving van de bvba Asbeco. De evaluatiepunten worden in samenspraak met de afdeling Milieu-Inspectie vastgelegd. Wanneer uit de evaluatie blijkt dat de bijdrage beperkt is (toetsing aan 1000 vezels/m³ als jaargemiddelde) mag nadien een frequentie van 4 maal per jaar aangehouden worden. De resultaten van deze metingen worden ter evaluatie overgemaakt aan de afdeling Milieu-inspectie en ter kennisgeving aan de deputatie en de stad Dendermonde. Voorafgaandelijk aan de exploitatie wordt eerst op deze plaatsen een nulmeting uitgevoerd. - Volgende milderende maatregelen uit het MER worden genomen: - dagelijkse controle van de absoluutfilters en van de afzuiginstallaties van de werkzone door middel van overdrukmetingen; - maandelijkse controle van de efficiëntie van de absoluutfilters en de afzuiginstallaties aan de hand van luchtemissiemetingen aan de uitgang van de afzuiging; - dagelijkse controle van de sluiting van de zeecontainers in afwachting van de verwerking van de afvalstoffen; - emissiemetingen van de nieuwe stookinstallatie (800 kW) binnen de 3 maanden door een erkend labo in de discipline lucht, en nadien minimaal om de 5 jaar conform artikel 5.43.2.3.3. van titel II van het VLAREM; - de werkzone is met een dubbele luchtlaag afgesloten en wordt 24u/24u in blijvende onderdruk gehouden tussen -10 en -40 Pa met behulp van een centrale afzuiginrichting die voorzien is van 2 absoluutfilters; - het voorziene filtersysteem bestaat uit een voorfilter, tussenfilter en een dubbele HEPA-filter (in serie) op elke extractor; elke HEPA-filter apart heeft een effectiviteit van minimaal 99,97% voor deeltjes van 0,3 µm; - de HEPA-filters worden om de 4 maanden vervangen; - de menger is van het type ‘dwangmenger’ (type menginstallatie met minimale stofemissie); het stof wordt opgevangen in mouwenfilters; de inhoud van de mouwenfilters wordt terug in het proces ingebracht; - er is voorzien in een totale luchtverversing van de werkzone van 6 maal per uur; - de cementsilo is voorzien van zelfreinigende stoffilters, een onderdruk- en overdrukbeveiliging en een overvulbeveiliging met automatisch afsluitsysteem van de vulleiding; - er worden instructies gegeven aan de leveranciers van cement om drukstoten te vermijden bij de lediging van de bulkwagens; - het transport van het cement naar de dwangmengelaar gebeurt via overdekte transportschroeven; - in de onderdrukzone wordt een sproeiinstallatie voorzien die de VII-39.611-8/33 asbestvezels kan neerslaan; - buiten op het terrein wordt een (mobiel) industrieel mistkanon voorzien; deze vernevelingsmachine produceert een mistgordijn van microdruppels en kan binnen een oppervlakte van 1.500 m² asbestvezels neerslaan. - De brandweervoorwaarden opgenomen in het advies van 23 juli 2011 met referentie GDS-dvd-059-2011 worden nageleefd; - Er wordt alleen aangevoerd van 7u - 18u, en de werkuren zijn van 7u tot 19u; - Om de specifieke geluidsbijdrage van de extractoren te beperken moeten er 4 extractoren voorzien worden die werken aan 50% van hun maximaal vermogen in plaats van 2, zoals voorgesteld in het MER (afzonderlijk bronvermogen per extractor 101 dB(A)); - De aanvraag tot wijziging van de milieuvoorwaarden met toepassing van artikel 5.2.1.5, §5, van titel II van het VLAREM wordt toegestaan in die zin dat een groenscherm van minimaal 1 meter breedte aangeplant wordt langs de westelijke en oostelijke perceelgrens, achter de achtergevellijn van de loods. Dit groenscherm bestaat uit streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. De exploitant neemt de nodige maatregelen om zo snel mogelijk een gesloten groenscherm te verkrijgen. Waar de aanleg van het groenscherm wordt belemmerd door de geplande bouwwerken, wordt het groenscherm aangeplant zodra de bouwwerken dat toelaten en het plantseizoen is aangebroken. Waar de geplande bouwwerken de aanleg van het groenscherm niet belemmeren, wordt het groenscherm aangeplant in het eerstvolgende plantseizoen na het verlenen van de vergunning. De beplanting moet doorlopend en op een vakkundige wijze onderhouden worden teneinde zijn afschermende functie optimaal te behouden”. 3.12. De beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat binnen een straal van 100 m rondom de perceelgrenzen zich 25 woningen bevinden (alle gelegen in woongebied); dat de dichtste woning gelegen is op circa 20 m van de toegang van de inrichting en op circa 80 m van de eigenlijke asbestverwerkingszone; dat de dichtstbijzijnde gevoelige groepen (scholen, ziekenhuizen en rusthuizen) zich op meer dan 1 kilometer van de inrichting bevinden; dat de inrichting gelegen is tussen de Schelde en de Steenweg naar Wetteren; dat ten opzichte van de inrichting: - ten noorden de Schelde ligt, die op die locatie afgebakend is als vogelrichtlijngebied ‘Durme en de middenloop van de Schelde’ met daarachter een agrarisch gebied met ecologisch belang waarvan een deel als habitatrichtlijngebied ‘Schelde- en Durmeëstuarium van de Nederlandse grens tot Gent’ afgebakend is en VEN-gebied ‘de Vallei van de Boven Zeeschelde van Kalkense meersen tot Sint-Onolfspolder’; - en oosten, palend aan het bedrijfsterrein, zich een chemisch bedrijf bevindt (Cytec Surface Specialities); - ten zuiden de Steenweg naar Wetteren ligt, met aan de overzijde een circa 60 m breed woongebied met meerdere woningen; VII-39.611-9/33 - ten westen, palend aan het bedrijfsterrein, zich een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut bevindt (volgens het gewestplan), waarvan een deel ook afgebakend is als habitatrichtlijngebied ‘Schelde- en Durmeëstuarium van de Nederlandse grens tot Gent’; dat het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut door voormeld gemeentelijk RUP omgevormd werd tot zone voor lokaal bedrijventerrein, zone voor lokaal bedrijventerrein/toegangen, parkeren en ontvangst, zone voor groene buffer en zone voor natuur; Overwegende dat alle asbestverwerking zal gebeuren in het achterste deel van een bestaande industriële loods die paalt aan het terrein van Cytec Surface Specialities; dat in de loods een hermetisch afgesloten zone gecreëerd zal worden waar de behandeling en de verwerking van het asbestafval zal gebeuren; dat deze asbestverwerkingszone zodoende bijna dubbel ingekapseld is; dat deze zone (de verwerkingshal) in onderdruk zal gehouden worden door een centrale afzuiging; dat de afgezogen lucht over absoluutfilters of HEPA-filters (High Efficiency Particulate Air) geleid wordt vooraleer hij in de buitenlucht geëmitteerd wordt; dat deze filters de mogelijkheid hebben om luchtpartikels te weerhouden van een diameter van 0,3 micrometer met een doeltreffendheid van 99,97% (VITO, 2004); Overwegende dat het asbestafval aangevoerd zal worden in gesloten zeecontainers en gesloten bigbags; dat deze containers ofwel rechtstreeks verwerkt worden ofwel gestockeerd in open lucht in de zone achter de loods op circa 95 m van de dichtste woning; dat het asbestafval zelf ook nog verpakt is in dubbele plastic zakken (bigbags); dat in de aanvraag vermeld wordt dat de aanvoer eveneens kan gebeuren door aannemers en particulieren; dat hiervoor acceptatiecriteria opgesteld zijn (op te leggen als bijzondere voorwaarde, o.a. in een dubbelwandige verpakking) en bigbags ter beschikking gesteld worden (aankopen met instructies en richtlijnen voor de veilige behandeling en het ter beschikking stellen van fixatiemiddelen, mondmaskers en wegwerpoverals); dat in het werkplan, op te maken en goed te keuren door de afdeling Milieu-inspectie voor de aanvang van de exploitatie, ook een procedure moet voorzien worden voor geweigerde vrachten; dat dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; Overwegende dat de gesloten containers slechts kortstondig opgeslagen worden (maximaal 5 werkdagen) en dit op een bijkomende verharde ondergrond (asfalt); dat lege containers op losse verharding (steenpuin) geplaatst zullen worden; Overwegende dat de in de onderdrukzone geloste zakken met asbesthoudend afval geopend worden en de kunststof- en metaalfracties verwijderd worden; dat het gesorteerde asbestafval verkleind wordt door een breker tot een maximum deeltjesgrootte van 1 cm3 en overgebracht wordt naar een cementmengeenheid; dat de cementasbestspecie dan in vormen gestort wordt van 1 m3 voor uitharding tot cementasbestblokken (= immobilisatie door cementering); dat deze voorzien worden van een dubbele kunststofverpakking; dat als bijzondere voorwaarde opgelegd wordt dat deze verwerkte asbestcementblokken steeds binnen in de loods moeten opgeslagen worden (maximaal 100 ton); Overwegende dat de uitgesorteerde kunststoffracties in een balenpers VII-39.611-10/33 gebracht worden die eveneens in de onderdrukzone staat opgesteld (= compactering); dat de geperste balen eveneens een afmeting van 1 m3 hebben en ook dubbel verpakt worden in plastic zakken en geëtiketteerd; dat als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat deze verwerkte geperste asbesthoudende balen steeds binnen in de loods moeten opgeslagen worden (maximaal 20 ton); Overwegende dat er ook een metalen restfractie is die na manuele triëring niet verder compacteerbaar is; dat deze fractie eveneens in dubbele plastic zakken gestapeld wordt in de loods; dat als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat deze verpakte asbesthoudende metalen restfractie steeds binnen in de loods moeten opgeslagen worden; Overwegende dat deze drie fracties (uitgeharde cementblokken, plastic en metaal) afgevoerd worden naar een klasse 1 stortplaats door een geregistreerd vervoerder van afvalstoffen; dat dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; Overwegende dat volgens het aanvraagdossier de exploitant op jaarbasis maximaal volgende hoeveelheden niet-hechtgebonden asbesthoudend afval zal verwerken; dat de voorziene capaciteit als volgt wordt ingedeeld: Type asbestafval Totale kg vrij hoeveelheid asbest/ asbest te verwerken (ton) ton afval (ton) Asbestafval vóór immobilisatie 1.184 169 200,1 (cementering) 0 Asbestafval vóór compactering 3.000 2,46 7,50 Asbestafval rechtstreeks te 450 1 0,5 verpakken (gecontamineerd metaal enz.) Asbestafval voor externe afvoer 200 256 51,50 Totaal 4.834 / 259,6 dat de aangeduide hoeveelheden vrije asbest in de totale hoeveelheid zijn gebaseerd op eerdere studies (MER uitgevoerd voor Rematt TV - omrekeningsfactor); Overwegende dat naast te cementeren en te compacteren afval er ook een deel voor externe afvoer is dat alleen overgeslagen wordt en waar geen bewerking op gebeurt; dat deze bulkfractie afkomstig is van werven in Brussel die doorgaans verwerkt worden door een vergunde Franse verwerker; dat het met andere woorden alleen een tussentijdse opslag in gesloten zeecontainers betreft tot er een voldoende hoeveelheid afval verzameld is voor gezamenlijke afvoer naar deze externe verwerker; Overwegende dat ook kleine hoeveelheden hechtgebonden asbest zullen aanvaard worden van lokale aannemers en particulieren; dat deze fractie onder andere golfplaten omvat, vlakke platen, glasal, rioleringsbuizen, leien, venstertabletten en andere; dat deze buiten zouden worden opgeslagen (overslag) op een vloeistofdichte bodem, in een container die voorzien is van een container-bigbag; dat gelet op de vrij beperkte hoeveelheid die hiervoor wordt aangevraagd (100 ton) en de beschikbare ruimte in de hal, deze opslag ook binnen zou kunnen gebeuren; dat op deze manier het risico op verontreiniging via hemelwater verminderd wordt en er ook geen visuele hinder is; dat dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; VII-39.611-11/33 Overwegende dat de installatie zich volledig binnenin een overdekte ruimte zal bevinden die volledig voorzien is van een vloeistofdichte betonvloer; dat de cementsilo buiten opgesteld staat achteraan het gebouw (langs de kant van de Schelde en grenzend aan het naastgelegen bedrijf Cytec); dat voor de opslag of overslag van de containers achteraan het gebouw (buiten) een bijkomende vloeistofdichte verharding voorzien (1000 m²) wordt; dat de cementsilo ook op deze vloeistofdichte verharding zal komen te staan; dat deze aspecten als bijzondere voorwaarde worden opgelegd; Overwegende dat in het MER gesteld wordt dat de geplande exploitatie voldoet aan de Beste Beschikbare Technieken (BBT) voor asfaltverwerking; Overwegende dat de exploitant in zijn aanvraag expliciet stelt dat de ‘Code van goede praktijk voor het op de Vlaamse sorteercentra aanvaarden, manipuleren, registreren en afvoeren van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig’ (Omzendbrief LNE/2008/1 van 27 augustus 2008) gerespecteerd wordt; Overwegende dat in het MER gesteld wordt dat op basis van een aantal meetcampagnes in Vlaanderen een achtergrondconcentratie van ongeveer 50 à 100 asbestvezels/m3 werd vastgesteld; dat in de geplande situatie geleide emissies ontstaan vanuit de extractoren van de onderdrukzone; dat een worst-case inschatting gemaakt werd van de te verwachten emissies en dat uit de berekeningen blijkt dat de totale jaarlijkse emissie aan asbestvezels 0,00000111 ton/jaar of 1,11 g/jaar zou bedragen; dat dit ruim beneden de lucht-drempelwaarde van het milieujaarverslag, zijnde 0,001 ton/jaar, is; dat bijgevolg de emissies volgens het MER uit de onderdrukzone als niet relevant beschouwd worden; dat de emissiegrenswaarde uit de bijlagen van titel II van het VLAREM voor geleide emissies van asbest bij een afgasstroom van 5.000 m³/u of meer 0,1 mg/Nm3 bedraagt (afzuigdebiet voor werkzone van 1.145 m³ bedraagt hier 6.870 m3/uur); dat dit overeenkomt met 2 vezels/ml of 2.000.000 vezels/m3; dat aangenomen wordt dat de emissie na de eerste HEPA-filter net aan de VLAREM II-emissiegrenswaarde zal voldoen (worst-case), en dat de resterende emissie (max. 0,1 mg/Nm3) nogmaals met 99,97% gereduceerd zal worden door de tweede voorziene HEPA-filter; Overwegende dat de milieukwaliteitsnorm voor asbest volgens VLAREM in de omgevingslucht 1.000 vezels/m3 als gemiddelde jaarlijkse concentratie bedraagt, en als richtwaarde een norm van 500 vezels/m3 vooropgesteld wordt (jaargemiddeld); dat uit de berekeningen blijkt dat de jaarlijkse immissiebijdrage maximaal ongeveer 1,5 asbestvezels/m3 zal zijn ter hoogte van de woningen aan de Steenweg naar Wetteren; dat dit een bijdrage ten opzichte van de actuele luchtkwaliteit van 1,47 tot 2,93% vertegenwoordigt; dat volgens het richtlijnenboek Lucht dergelijke bijdrage als ‘beperkt’ beschouwd wordt (bijdrage tussen 1% en 3% van de richtwaarde); dat ter hoogte van de andere receptor-meetpunten (dichtste woningen in respectievelijk Schoonaarde, Berlare en Wichelen) de bijdrage als ‘verwaarloosbaar te beschouwen is’ volgens het richtlijnenboek Lucht; Overwegende dat volgens het MER het risico op de ontwikkeling van kanker respectievelijk 1 op 40.000 en 1 op 80.000 zou bedragen bij een actuele omgevingsconcentratie van respectievelijk 100 en 50 vezels/m3 (cf. EPA respectievelijk de WHO); dat bij levenslange blootstelling op de meest dichtbij VII-39.611-12/33 zijnde locatie (zijnde de woning op de Steenweg naar Wetteren) een bijkomend risico van 1 op 2.500.000 werd berekend (volgens EPA benadering, zijnde de meest strenge); dat dit risico als aanvaardbaar beschouwd wordt gezien de kans kleiner is dan 1/1.000.000; dat deze berekening ook een worst case berekening is; dat volgens het MER door de aanwezigheid van een asbestverwerkend bedrijf er wel psychische hinder kan zijn en een verminderde belevingswaarde van het leef- en woonklimaat, door de negatieve connotatie die aan asbest verbonden is wegens het verband met kanker; dat een aangehouden open communicatie met de buurt hiervoor aangewezen is en communicatie als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd, alsook een klachtenmeldpunt; dat de exploitant ondertussen reeds een bedrijfswebsite heeft waarop nieuwsbrieven zullen geplaatst worden; dat dienaangaande in het MER voorgesteld wordt om gedurende het eerste jaar van exploitatie op maandelijkse basis immissiemetingen uit te voeren op asbest tijdens de verwerkingsactiviteiten, op het terrein en in de onmiddellijke omgeving van de inrichting, en dat indien uit de evaluatie blijkt dat de bijdrage beperkt is, er nadien een frequentie van 4 maal per jaar kan aangehouden worden; dat dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd (met overmaking van de resultaten aan de afdeling Milieu-inspectie); dat het ook aangewezen is om een nulmeting uit te voeren, namelijk voor de start van de activiteiten; dat uiteraard de meldingsplicht aan de toezichthoudende overheid blijft bestaan bij elk incident waarbij zuiveringsinstallaties of filters zouden uitvallen; Overwegende dat het MER volgende milderende maatregelen aanbeveelt (niettegenstaande er geen significante effecten verwacht worden), die als bijzondere voorwaarden worden opgelegd; - dagelijkse controle van de absoluutfilters en van de afzuiginstallaties van de werkzone door middel van overdrukmetingen; - maandelijkse controle van de efficiëntie van de absoluutfilters en de afzuiginstallaties aan de hand van luchtemissiemetingen aan de uitgang van de afzuiging; - dagelijkse controle van de sluiting van de zeecontainers in afwachting van de verwerking van de afvalstoffen; - emissiemetingen van de nieuwe stookinstallatie (800 kW) binnen de 3 maanden door een erkend labo in de discipline lucht, en nadien minimaal om de 5 jaar conform artikel 5.43.2,3.3 van titel II van het VLAREM; Overwegende dat volgende emissie-preventiemaatregelen genomen moeten worden en als bijzondere voorwaarden worden opgelegd: - de werkzone is met een dubbele luchtlaag afgesloten en wordt 24u/24u in blijvende onderdruk gehouden tussen -10 en -40 Pa met behulp van een centrale afzuiginrichting die voorzien is van 2 absoluutfilters; - het voorziene filtersysteem bestaat uit een voorfilter, tussenfilter en een dubbele HEPA-filter (in serie) op elke extractor; deze HEPA-filter heeft een effectiviteit van minimaal 99,97% voor deeltjes van 0.3 µm; - de HEPA-filters worden om de 4 maanden vervangen; - de menger is van het type ‘dwangmenger’ (type menginstallatie met minimale stofemissie); het stof wordt opgevangen in mouwenfilters; VII-39.611-13/33 de inhoud van de mouwenfilters wordt terug in het proces ingebracht; - er is voorzien in een totale luchtverversing van 6 maal per uur (wettelijk gezien is dit minimaal 4 maal per uur); Overwegende dat er ook niet-geleide emissies kunnen optreden bij de aanvoer en opslag van de onverwerkte afvalstoffen, bij het verladen en doseren van cement en van transportbewegingen over het bedrijfsterrein; dat de aangevoerde containers tot tegen de verwerkingshal worden gereden en vervolgens geopend in de containerlosplaats; dat in deze losplaats de openingen rondom de container afgesloten zijn met een flexibele dichting; dat pas daarna de schuifdeur naar de verwerkingszone geopend wordt, en de container geopend wordt, en de dubbele plastic zakken of bigbags manueel uitgeladen worden; Overwegende dat alle aanvoer gebeurt via verharde wegen en de opslag zal plaatsvinden op een vloeistofdichte verharding; dat het aangevoerde asbestafval steeds dubbel verpakt moet worden; dat om cementstof te vermijden, volgende maatregelen voorzien worden en worden opgelegd als bijzondere voorwaarden: - de cementsilo is voorzien van zelfreinigende stoffilters, een onderdruk- en overdrukbeveiliging en een overvulbeveiliging met automatisch afsluitsysteem van de vulleiding; - instructies aan de cementleveranciers om drukstoten te vermijden bij de lediging van de bulkwagens; - transport van het cement naar de dwangmengelaar via overdekte transportschroeven; Overwegende dat in geval van uitvallen van de onderdruk (elektriciteitspanne, ventilatorpanne, ... ) er een automatisch kleppensysteem is dat de onderdrukzone volledig afsluit van de omgeving; dat een reserve-unit dienst doet als back-up bij wisseling van de filters van de andere unit; Overwegende dat volgende bijkomende voorzieningen getroffen worden om de verspreiding van asbestvezels tegen te gaan in geval van calamiteiten: - in de onderdrukzone zal een sproei-installatie voorzien worden die de asbestvezels kan neerslaan; - buiten op het terrein zal een (mobiel) industrieel mistkanon voorzien worden; deze vernevelingsmachine produceert een mistgordijn van microdruppels en kan binnen een oppervlakte van 1.500 m2 asbestvezels neerslaan; Overwegende dat er een metalen opstand in de werkzone wordt voorzien met een hoogte van 15 cm en een oppervlakte van 195 m2, zodat er op deze wijze bij calamiteit een bluswateropvang van ongeveer 29.000 l voorhanden is; dat moet gesteld worden dat asbest gebruikt wordt als brandwerend materiaal; dat in het kader van deze milieuvergunningsaanvraag de plaatselijke brandweer op 23 juli 2011 een gunstig advies uitbracht mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden; dat het aangewezen is om deze voorwaarden op te leggen als bijzondere voorwaarden; Overwegende dat de installatie zich binnen het gebouw bevindt (behalve de cementsilo en de wachtende zeecontainers achteraan het bedrijf) en de aangevoerde containers binnen het gebouw gelost worden; dat ook de laadactiviteiten binnen gebeuren; dat bijgevolg de mogelijke geluidshinder afkomstig van laad- en losactiviteiten beperkt is; dat er alleen overdag activiteiten zijn (alleen aanvoer mogelijk van 7u tot 18u - werkuren van 7u tot VII-39.611-14/33 19u); dat de Steenweg naar Wetteren een druk bereden hoofdweg is die voor een aanzienlijk geluidsniveau zorgt; dat het aantal transporten voor het bedrijf (aan- en afvoer) beperkt is tot 25 zeecontainers per week; dat een vijftal transporten door particulieren en aannemers per week verwacht worden, zodat ook het transportgeluid beperkt blijft; Overwegende dat de inrichting volgende geluidsbronnen omvat; breker (binnen in onderdrukzone), balenpers (binnen in onderdrukzone), cementmixer (binnen in onderdrukzone) en ventilatoren HEPA-filters (gelokaliseerd aan de achterzijde, tegen de buitenwand van de loods); dat er in het MER één overschrijding van de norm voor het specifiek geluid voor de dagperiode van ongeveer 2 dB(A) gesimuleerd wordt ter hoogte van de Schelde (grens Vogelrichtlijngebied); dat deze overschrijding veroorzaakt wordt door de extractoren; dat volgende milderende maatregelen worden voorgesteld: - ofwel: beperkte afscherming van de extractoren door een muur van snelbouwsteen of schors; - ofwel: volledige akoestische afscherming van de extractoren ten opzichte van de buitenomgeving; - ofwel: door de extractoren aan maximaal 50% van hun maximaal vermogen te laten werken (afzonderlijk bronvermogen per extractor 101 dB(A)), zodat het specifiek geluid van de 4 extractoren dan ongeveer 14 dB(A) tot 16 dB(A) lager zal zijn, dan 2 extractoren op 100% werking; dat de exploitant opteert voor de laatste maatregel, die als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; dat een noodgroep wordt voorzien in geval van stroompanne; Overwegende dat wanneer geen activiteiten plaatsvinden in de onderdrukzone, het debiet van de extractoren nog eens met 50% wordt teruggeschroefd; dat dit gebeurt gedurende 5 werkdagen per week aan 16 uur/dag en gedurende de weekends (2 dagen per week aan 24 uur/dag); dat bijgevolg de mogelijke geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat er geen bedrijfsafvalwater geloosd wordt; dat het water afkomstig van de douches (van personeelssas en van onderdrukzone), reinigingswater van de installaties en hemelwater (ca. 500 m3/

  1. j)worden aangewend voor de aanmaak van het beton dat gebruikt wordt voor de immobilisatie van het asbest; dat het aanwezige personeel gebruik maakt van het sanitair aanwezig in de burelen van het naastgelegen bedrijf (zusterbedrijf Libreco - onderneming voor de afbraak en verwijdering van asbest); dat inzake opvang en hergebruik van hemelwater er in het aanvraagdossier alleen sprake is van een opvangbak van 10 m3 die binnen de hal geplaatst is; dat het overtollige hemelwater van dak en verhardingen (ca. 1.500 m3/
  2. j)zal afgevoerd worden via een bestaande gracht achteraan richting de Schelde (niet-verontreinigd hemelwater - toename van ca. 200 m3/j ten opzichte van huidige situatie); Overwegende dat volgens de overstromingskaarten de inrichting niet gelegen is in een recent overstroomd gebied of in een risicozone voor overstromingen of mogelijk overstromingsgevoelig gebied; dat het uiterste noordelijke deel van het terrein wel is gelegen in een van nature overstroombaar gebied (vanuit de Schelde); dat het gebied volgens de kaartgegevens de voorbije VII-39.611-15/33 jaren niet overstroomd is; dat er geen wijzigingen aangebracht worden aan gebouwen en slechts een beperkte verharding wordt toegevoegd van 1.000 m2, waardoor de effecten van de inrichting op het overstromingsrisico voor de omgeving niet zullen wijzigen; Overwegende dat in het MER de effecten op het watersysteem uitvoerig geanalyseerd en geëvalueerd worden; dat bijgevolg kan worden gesteld dat de vergunningsaanvraag onderworpen is aan de watertoets (doelstellingen van het integraal waterbeleid); dat overeenkomstig artikel 8, §4, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid de analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren is geschied in de milieueffectrapportage; Overwegende dat het bedrijf paalt aan het habitatrichtlijngebied ‘Schelde- en Durmeëstuarium van de Nederlandse grens tot Gent’; dat aan de overzijde van de Schelde, op circa 150 m van het bedrijf, het VEN-gebied ‘de Vallei van de Boven Zeeschelde van Kalkense meersen tot Sint-Onolfspolder’ gelegen is; dat achter het bedrijf de Schelde Is gelegen die op die locatie afgebakend is als vogelrichtlijngebied ‘Durme en de middenloop van de Schelde’; Overwegende dat in het MER de effecten van het bedrijf op de verschillende habitats zijn onderzocht; dat wordt geoordeeld dat de verschillende habitattypes door het project niet worden aangetast; dat in het MER wordt gesteld dat op basis van de verwachte immissies ten gevolge van de emissies afkomstig van asbestverwerkende activiteiten, zoals in voorgaande overwegingen besproken, geen negatieve effecten worden verwacht op fauna en flora; dat op basis van de geluidssimulaties een maximaal geluidsniveau van 36,8 dB(A) wordt verwacht ter hoogte van deze natuurwaarden; dat een piekniveau van 43 dB(A) wordt verwacht; dat op basis van literatuurgegevens kan aangenomen worden dat de drempelwaarde voor geluidsverstoring van gevoelige vogelsoorten rond de 45 dB(A) schommelt; dat uit de berekeningen blijkt dat het verwachte geluidsniveau steeds lager zal liggen dan deze drempelwaarde zodat er geen significante rustverstoring van de avifauna verwacht wordt; Overwegende dat het subadvies van de afdeling Natuur en Bos in eerste aanleg gunstig is; dat bijgevolg kan gesteld worden dat de impact van het bedrijf op de natuurwaarden in de buurt tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat de exploitant stelt dat er in Vlaanderen nog veel asbesthoudend afval aanwezig is; dat er een grote maatschappelijke weerstand is tegen alles wat het verwerken (opslaan, storten, immobiliseren, ...) van asbesthoudend afval omvat, gelet op het gezondheidsrisico dat men hierbij veronderstelt; dat deze beeldvorming deels te wijten is aan de soms onverantwoorde wijze waarop sommige ondernemingen en particulieren in het verleden met asbest omgingen; dat het gezondheidsrisico bij asbestverwerking afhangt van de aard van de installatie en de wijze van uitbaten; Overwegende dat er een nood is aan een afzetkanaal voor kleine hoeveelheden afval met vrij of weinig gebonden asbest; dat burgers en ondernemingen dit afval niet mogen afgeven op veel containerparken; dat er, gelet op de vaak kleine partijen, weinig beroep wordt gedaan op erkende inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars; dat wanneer asbest door VII-39.611-16/33 particulieren naar een containerpark wordt gebracht, er meer manipulaties zijn dan wanneer asbest rechtstreeks naar de verwerker kan gebracht worden; dat er momenteel maar één decentraal gelegen verwerkingsinstallatie voor vrij asbestafval (niet-hechtgebonden asbest of NHA) bestaat in Vlaanderen, zijnde in Mol; dat een bijkomende installatie in West- of Oost-Vlaanderen zorgt voor een geografische spreiding van dergelijke verwerkingsinstallaties en de continuïteit garandeert van de verwerking van dergelijk afval in geval van een calamiteit in de enige nu vergunde installatie; dat een betere geografische spreiding van vergunde verwerkingsinrichtingen de legale verwerking van (kleinere) partijen afvalstoffen met vrij asbest ten goede komt; Overwegende dat de aangevraagde installatie op een relatief korte afstand gelegen is van de stortplaats OVMB, waar het verwerkt afval naartoe zou gaan; Overwegende dat de exploitant een afwijking vraagt van de verplichting tot het plaatsen van een 5 m breed groenscherm (artikel 5.2.1.5, §5, van titel II van het VLAREM) wegens plaatsgebrek en daar er geen risico is op extra visuele hinder; Overwegende dat de inplanting momenteel als volgt is: - ten oosten grenst de onderneming aan de onderneming Cytec (industriegebied); - ten zuiden is er een volledig met beton verharde oprit en ingebouwde weegbrug, grenzend aan de Steenweg op Wetteren met aan de overkant woonhuizen; - ten westen tussen de loods en de perceelgrens is er alleen een berijdbare weg met gemeenschappelijk gebruik van de achterliggende zone; dat de inrichting aan deze zijde paalt aan het bedrijf; - ten noorden grenst de onderneming aan de Schelde met aan de overzijde een agrarisch gebied met ecologisch belang, en hier is er een natuurlijk groenscherm op een braakliggend terreingedeelte; Overwegende dat volgens het gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Schoonaardemeersch’ achteraan het terrein (noordelijke zijde) van de inrichting een strook aangeduid is met artikel 3 ‘zone voor groene buffer’ en met artikel 4 ‘zone voor natuur’; Overwegende dat de cementsilo 9 m hoog is en de opslag van zeecontainers buiten gebeurt; dat de hoogte van de cementsilo overeenstemt met de hoogte van de loods, zodat geen bijkomende visuele hinder verwacht wordt vanuit de zuidelijke richting (door afscherming door het gebouw); dat aan de oostelijke en westelijke zijde de opslag van containers en cementsilo wel zichtbaar zullen zijn; dat een afwijking kan worden toegestaan van artikel 5.2.1.5, §5, van titel II van het VLAREM aangaande het groenscherm van 5 m, behalve voor wat betreft de noordelijke zijde, en voor de oostelijke en westelijke zijde een groenscherm moet voorzien worden van minimaal 1 m breedte beginnend achter de bestaande loods; Overwegende dat de inrichting volgens het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) ‘Schoonaardemeersch’ is gelegen in een zone voor lokaal bedrijventerrein; dat deze zone bestemd is voor bedrijven met een lokaal karakter; dat met lokale bedrijven, bedrijven bedoeld worden die wat de schaal betreft aansluiten bij de omgeving en beperkt zijn in omvang met een maximale bedrijfsoppervlakte van 5.000 m2; dat de toegelaten bedrijfsactiviteiten de VII-39.611-17/33 beschermde habitats en de soorten die voorkomen in het aangrenzend habitatrichtlijngebied, niet negatief mogen beïnvloeden; Overwegende dat het asbest zal verwerkt worden in een beperkt deel van bestaande loodsen dat wordt gehuurd (circa 636 m2); dat wat de schaal betreft kan worden geoordeeld dat deze loodsen aansluiten bij de onmiddellijke omgeving; dat uit bovenstaande overwegingen blijkt dat er geen schadelijke effecten verwacht worden ter hoogte van het habitatrichtlijngebied; dat bijgevolg kan worden gesteld dat het aangevraagde project in overeenstemming is met de voorschriften van het gemeentelijk RUP; Overwegende dat het bedrijf gevestigd zal worden binnen in bestaande gebouwen zodat de ruimtelijke draagkracht niet wordt overschreden; dat het aantal transporten beperkt is tot een 25-tal vrachtwagens en 5-tal personenwagens per week; dat in bovenstaande overwegingen wordt gesteld dat voor wat de verschillende milieuaspecten betreft, de hinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat de hinder en de effecten op mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt [...]”. IV. Ontvankelijkheid Excepties van laattijdigheid - belang Standpunten van de verwerende en de tussenkomende partij 4. Zowel de verwerende als de tussenkomende partij werpt als exceptie op dat het beroep tegen de tweede en de derde beslissing laattijdig is. Bovendien zou het beroep wegens gebrek aan belang of het ontbreken van rechtsgevolgen onontvankelijk zijn. Beoordeling 5. Een project-MER is een voorbereidende handeling voor de eventuele latere vergunning. Bijgevolg kunnen onregelmatigheden ervan worden aangevoerd in een beroep tegen die vergunning. Een beslissing die onderdeel is van een complexe VII-39.611-18/33 rechtshandeling kan samen met de eindbeslissing worden bestreden zolang de voor die eindbeslissing geldende termijn niet is verstreken. 6. Eerste verzoeker woont op ongeveer één kilometer afstand van de inrichting. De aangevoerde middelen behandelen onder meer de veiligheid van de aanvoer van asbestafval door niet erkende vervoerders en de risico’s in geval van calamiteiten in de inrichting, en beweerde tekortkomingen ter zake in het project-MER en in de verdere beoordeling van de aanvraag. Aan eerste verzoeker kan niet het belang worden ontzegd om minstens deze middelonderdelen aan het wettigheidstoezicht door de Raad van State voor te leggen. Beperking van het beroep - verval Standpunten van de partijen 7. Ter terechtzitting deelt de raadsman van de tussenkomende partij mee dat er gedurende meer dan twee jaar geen aanlevering van niet-hechtgebonden asbest door particulieren of bedrijven die daartoe niet erkend zijn heeft plaatsgehad, zodat het gedeelte van de vergunning dat daarop betrekking heeft bij toepassing van artikel 28, § 1, 3°, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, samen gelezen met artikel 28, § 2, van dit decreet, en van artikel 46, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, van rechtswege is vervallen. Hij leidt daaruit af dat het beroep wat dit deel van de vergunning betreft zonder voorwerp is geworden, en dat de beweerde schending van artikel 4.1.7 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM) “niet kan leiden tot de vernietiging van het wel nog rechtsgeldige deel van de vergunning”. VII-39.611-19/33 Beoordeling 8. De wettigheid van een vergunning wordt beoordeeld aan de hand van de gegevens zoals deze voorhanden waren op het ogenblik waarop de bestreden beslissing werd genomen. Tenzij de vergunning uit meerdere afscheidbare onderdelen bestaat -wat te dezen niet wordt aannemelijk gemaakt- worden die gegevens in hun geheel en in hun onderlinge samenhang beoordeeld. Wanneer de vergunninghouder -op het einde van de jurisdictionele procedure en met de klaarblijkelijke bedoeling om in allerlaatste instantie een nietigverklaring te beletten- beweert dat hij een gedeelte van de vergunde activiteiten niet meer zal uitoefenen is het in beginsel zaak van de vergunningverlenende overheid en niet van de Raad van State om de weerslag daarvan op de gehele vergunning op deugdelijke wijze te onderzoeken. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel, eerste onderdeel en tweede middel Standpunten van de partijen 9. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 4.1.4, 4.1.7, 4.3.5, 4.3.6, 4.3.7, 4.3.8 en 4.6.1 DABM, van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu (hierna: Vlarel), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), de materiëlemotiveringsplicht, en het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. In een eerste onderdeel wordt uiteengezet dat het project-MER gebrekkig is en daarom geen basis kan vormen voor de betreden vergunning. Verzoekers wijzen kort samengevat op volgende “essentiële lacunes en fouten”: VII-39.611-20/33 - een essentieel deel van de bedrijfsactiviteiten (onder meer de aanvaarding en verwerking van asbest geleverd door particulieren en niet-erkende aannemers) werd niet of nauwelijks beschreven waardoor ook de impact van deze activiteiten op mens en milieu niet beschreven werd; - het MER is gebaseerd op foute en tegenstrijdige gegevens: zo wordt er in de discipline water van uitgegaan dat het hemelwater dat van de verhardingen in open lucht afwatert naar het habitatrichtlijngebied en uitmondt in de Schelde niet verontreinigd is, daar waar uit de gegevens van de aanvraag en het MER blijkt dat dit water met zekerheid wel verontreinigd zal zijn; - het project-MER bevat geen adequate milderende maatregelen voor de disciplines waar significant negatieve effecten verwacht worden, zoals bijvoorbeeld het geval is voor psychische hinder; - het project-MER gaat louter uit van de utopische situatie dat er zich geen calamiteiten (brand, overstroming, ongevallen bij laden en lossen, enz.) kunnen voordoen: de milieueffecten worden derhalve niet op correcte wijze in kaart gebracht; - de cumulatieve effecten van het bedrijf met de andere activiteiten op het terrein, waaronder deze van Libreco, dat samen met de tussenkomende partij een milieutechnische eenheid vormt, worden niet onderzocht. 10. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 5, 6 en 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 (hierna: DIWB), artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het DIWB, de artikelen 1.1.2 en 5.2.1.7, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de materiëlemotiveringsplicht en het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. VII-39.611-21/33 Verzoekers trachten aan te tonen dat de gewraakte gebreken van het project-MER hebben doorgewerkt in de vergunningsbeslissing. Zij stellen dat de minister slechts ten dele rekening houdt met de aanlevering van niet-hechtgebonden asbest door particulieren en niet-erkende aannemers, door enerzijds uitdrukkelijk te bevestigen dat dergelijke leveringen aanvaard zullen worden en anderzijds in de vergunning enkel een bijzondere voorwaarde op te nemen voor de opslag van hechtgebonden asbest dat werd aangevoerd door particulieren en niet-erkende aannemers, zonder dat wordt bepaald dat deze opslag binnenin de loods moet gebeuren, in plaats van buiten, zoals voorzien was in de aanvraag. Er is volgens verzoekers geen enkele reden waarom deze voorwaarde beperkt zou worden tot hechtgebonden asbest. Door als bijzondere voorwaarde aan de exploitant op te leggen dat een werkplan moet opgemaakt worden met acceptatiecriteria voor aanvoer van asbest door particulieren en niet-erkende aannemers en voor geweigerde vrachten, zou de minister een gekend probleem voor zich uitschuiven: de wijze waarop asbest aangeleverd en gelost wordt is bepalend voor de verspreiding van asbestvezels in de omgeving en net om deze reden had het Agentschap Zorg en Gezondheid geadviseerd om de aanlevering van asbest door particulieren en niet-erkende aannemers te verbieden. In plaats van deze manifeste lacune in de aanvraag te verhelpen door deze activiteit te verbieden of door zelf gedetailleerde en sluitende voorschriften op te leggen, heeft de minister volgens verzoekers het probleem uitgesteld. Er bestaat geen enkele zekerheid dat een werkplan afdoende maatregelen zal omvatten die de verspreiding van asbestvezels bij aanlevering door particulieren en niet-erkende aannemers uitsluiten. 11. Wat betreft de aanvoer van asbest door particulieren en door daarvoor niet-erkende aannemers wijst de verwerende partij erop dat luidens de artikelen 4.7.0.1, § 2, en 6.4.0.1, § 2, van Vlarem II het enkel aan gespecialiseerde bedrijven toegelaten is om niet-hechtgebonden asbest te verwijderen, dat artikel 4.7.0.1, § 3, 5°, van Vlarem II de wijze bepaalt waarop niet-hechtgebonden asbest behandeld moet worden, namelijk door de materialen te verpakken in een VII-39.611-22/33 gesloten verpakking, en dat de bestreden beslissing voor zoveel als nodig de verplichting oplegt om artikel 4.7 van Vlarem II na te leven. Zij meent dat de exploitatie de vergunningsvoorwaarden naleeft als er niet-hechtgebonden afval afgeleverd zou worden dat aan de bepalingen van hoofdstuk 4.7 van Vlarem II voldoet. In de richtlijnen voor het MER wordt volgens haar niet gevraagd dat er een oplossing wordt geboden voor de geweigerde vrachten. Gelet op de kleine aangevoerde hoeveelheid hechtgebonden asbest door particulieren en aannemers en de bijzondere voorwaarden “dat dit binnen dient te gebeuren” kunnen de transporten voor particulieren en niet-erkende aannemers geen probleem vormen inzake luchtverontreinging of geluidshinder. De verwerende partij meent voorts dat “asbest dat in het water zit geen gevolgen oplevert voor de gezondheid”, en dat het bovendien niet om “verontreinigd water” gaat, aangezien verontreiniging van het water in Vlarem II wordt gedefinieerd als “het direct of indirect door de mens lozen van stoffen of energie in het aquatisch milieu, ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de ecosystemen in het water kunnen worden geschaad, of enig rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd”. De verwerende partij poogt ten slotte de opmerkingen van verzoekers over het geringe onderzoek naar oplossingen in geval van calamiteiten te weerleggen door te verwijzen naar een passage hierover in het goedgekeurde MER en de vraag van verzoekers om dit verder uit te werken te bestempelen als opportuniteitskritiek. Kort samengevat betreft de kritiek van verzoekers volgens de verwerende partij “stelselmatig details waaromtrent zij niet verder (raken) dan twijfel zaaien en argumenteren dat het onderzoek niet diepgaand genoeg geweest VII-39.611-23/33 is”. 12. Aangaande het tweede middel stelt de verwerende partij dat het sinds 2008 verplicht is om voor het verwijderen van niet-hechtgebonden asbest een beroep te doen op een erkend verwijderaar en dat alleen eenvoudig te verwijderen materialen volgens artikel 4.7.0.1, § 2, van Vlarem II nog zelf mogen worden weggebroken. Zij noemt het een betere beleidskeuze om de kleine hoeveelheden afval bij ASBECO toe te laten, “al was het maar bij gebreke aan alternatief”. Bij ontstentenis aan regelgeving is het niet onredelijk om de exploitant als eerste betrokkene zelf acceptatie- (en weigerings-)regels op te laten stellen. Dit is wellicht de beste garantie voor de juiste manipulatie van deze materialen, temeer nu er maandelijks immissiemetingen zullen gebeuren waarvan de resultaten bekend zullen gemaakt worden. Daarenboven dienen ook particulieren en aannemers het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Vlarema) na te leven, waarvan artikel 6.1.1.1, 1°, met zoveel woorden stelt dat de afvalstoffen degelijk verpakt behoren te zijn. Er is volgens de verwerende partij geen onduidelijkheid omtrent het niet-hechtgebonden asbest. Wat betreft de afvoer van hemelwater van de verhardingen in open lucht meent de verwerende partij dat, door de manier van lossen van de containers in de in onderdruk staande verwerkingshal, het uitgesloten is dat er asbestdeeltjes terechtkomen op de verhardingen buiten. 13. Wat betreft het tweede middel wijst de tussenkomende partij erop dat, samengevat, - het transport en de aanvoer van al dan niet hechtgebonden asbest wordt geregeld door Vlaamse wetgeving, en geen onderdeel uitmaakt van de vergunning, - de behandeling, stockering en verwerking wel onderdeel uitmaakt van de VII-39.611-24/33 milieuvergunning, en beoordeeld wordt door de minister, - en dat de acceptatiecriteria de goede werking garanderen, en worden opgenomen in het werkplan dat geen onderdeel uitmaakt van de vergunning maar ter goedkeuring wordt voorgelegd voor aanvang van de exploitatie. Ook volgens de tussenkomende partij blijkt dat het af te voeren hemelwater niet verontreinigd is. Zij benadrukt ten slotte dat in het werkplan eveneens bijkomend -naar aanleiding van recente wetgeving die nog niet van toepassing was op het moment van de aanvraag- twee slibopvangputten werden voorzien waarin eventueel gecontamineerd water kan worden opgevangen na een calamiteit en gefilterd kan worden afgevoerd, en dat de exploitant een filterinstallatie ter beschikking heeft met een capaciteit van 10.000 liter per uur om water te filteren tot de wettelijke lozingsnorm. 14. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij toe dat de MER-deskundigen op geen enkel punt de aanleveringen hebben beoordeeld, maar wel enkel de interne werking van het bedrijf. Het project-MER bevat volgens hen enkel een beschrijving van de aanleveringen. De stelling als zouden de risico’s uit de aanlevering van niet-hechtgebonden asbest mee in de MER-beoordeling moeten betrokken zijn, kan volgens haar niet worden bijgetreden nu ook de andere aanleveringen niet beoordeeld, maar enkel beschreven zijn. 15. De tussenkomende partij voegt in haar laatste memorie wat het tweede middel betreft nog toe dat thans ongeveer 675 ton niet-hechtgebonden asbest wordt aangeleverd, waarvan maximum 200 kg afkomstig van particulieren en niet-erkende aannemers. Beoordeling 16. Gelet op hun samenhang wordt het eerste onderdeel van het eerste middel en het tweede middel samen beoordeeld. VII-39.611-25/33 Vlarem II definieert hechtgebonden asbest als: “asbestcement, asbesthoudende vloertegels en vloerbekledingen, asbesthoudende bitumen en roofingproducten en asbesthoudende pakkingen en dichtingen waarvan het bindmiddel bestaat uit cement, bitumen, kunststof of lijm”. Alle andere asbesthoudende materialen gelden als niet-hechtgebonden asbest. In het project-MER werd aangenomen dat niet-hechtgebonden asbest enkel door erkende vervoerders zal worden aangeleverd, in gesloten zeecontainers. Het lossen daarvan gebeurt luidens de tekst van het project als volgt: “Alle handelingen vanaf het lossen tot de voltooiing van het verwerkingsproces gebeuren in de afgesloten werkzone die permanent in onderdruk staat, zodat er geen asbestvezels vrijkomen in de omgeving. Het lossen gebeurt via de loskade in de afgesloten zone die daartoe is ingericht en permanent onder onderdruk staat. De container wordt - nog steeds volledig afgesloten - tegen de onderdrukzone geplaatst in de materiaalsas. Na aanbrengen van de flexibele afdichting rond de container zal het rolluik van de onderdrukzone geopend worden. Pas hierna kunnen de deuren van de container geopend worden. De zakken worden manueel gelost in de onderdrukzone, na ledigen van de container wordt deze visueel gecontroleerd, eventueel gestofzuigd en gefixeerd. Het rolluik wordt gesloten waarna de container kan verplaatst worden naar de zone op het terrein die voorzien is voor het plaatsen van de lege containers”. Verzoekers wijzen erop dat tijdens de behandeling van de vergunningsaanvraag duidelijk is geworden dat het ook de bedoeling van de exploitant is om kleine hoeveelheden niet-hechtgebonden asbest te aanvaarden uit handen van niet-erkende aannemers en particulieren. In de bestreden beslissing wordt dit ook aanvaard. In de motivering wordt echter geen aandacht besteed aan de wijze waarop een en ander moet verlopen. In de beslissing wordt meer bepaald overwogen: “[...] dat er een nood is aan een afzetkanaal voor kleine hoeveelheden afval met vrij of weinig gebonden asbest; dat burgers en ondernemingen dit afval niet mogen afgeven op veel containerparken; dat er, gelet op de vaak kleine partijen, VII-39.611-26/33 weinig beroep wordt gedaan op erkende inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars; dat wanneer asbest door particulieren naar een containerpark wordt gebracht, er meer manipulaties zijn dan wanneer asbest rechtstreeks naar de verwerker kan gebracht worden; dat er momenteel maar één decentraal gelegen verwerkingsinstallatie voor vrij asbestafval (niet-hechtgebonden asbest of NHA) bestaat in Vlaanderen, zijnde in Mol; dat een bijkomende installatie in West- of Oost-Vlaanderen zorgt voor een geografische spreiding van dergelijke verwerkingsinstallaties en de continuïteit garandeert van de verwerking van dergelijk afval in geval van een calamiteit in de enige nu vergunde installatie; dat een betere geografische spreiding van vergunde verwerkingsinrichtingen de legale verwerking van (kleinere) partijen afvalstoffen met vrij asbest ten goede komt [...]”. Een eventuele maatschappelijke nood volstaat evenwel op zich niet om losser om te gaan met bestaande milieuregelgeving. Uit de memorie van antwoord blijkt dat niet-hechtgebonden asbest weliswaar niet door anderen dan gespecialiseerde bedrijven mag worden verwijderd, maar dat de tussenkomende partij desondanks niet-hechtgebonden asbest dat in strijd daarmee werd verwijderd mag aanvaarden als dit op correcte wijze is verpakt in een door haar ter beschikking gestelde verpakking. Met verwijzing naar de tekst van het MER wijst de verwerende partij er in haar antwoord op dat niet-hechtgebonden asbest dient verpakt te zijn, dat men de weg kan vinden die dit afval doorloopt, en dat “de bestreden beslissing” gecorrigeerd heeft dat de aanlevering binnen in de loods dient te gebeuren. De passage in het project-MER waarop de verwerende partij zich beroept heeft betrekking op niet-hechtgebonden asbest, dat door erkende vervoerders/aannemers wordt aangeleverd in gesloten containers, en dat daarna in het bedrijf wordt verwerkt. De bijzondere vergunningsvoorwaarde waarnaar wordt verwezen luidt: “De opslag van hechtgebonden asbest (aangevoerd door aannemers en particulieren) gebeurt in een container die voorzien is van een container-bigbag binnen de loods”. Zij handelt over hechtgebonden asbest, dat VII-39.611-27/33 door niet erkende aannemers en door particulieren wordt aangeleverd, dat pas in het bedrijf in een container wordt gebracht, en dat daarna zonder verwerking naar een stortplaats wordt gebracht. Aangezien er uitdrukkelijk wordt voorzien in de mogelijkheid dat niet-hechtgebonden asbest kan worden aangevoerd door particulieren en door niet-erkende aannemers, op afspraak en in daartoe door de exploitant ter beschikking gestelde verpakkingen, gaat het niet op om de daaraan verbonden risico’s buiten de beoordeling van de vergunningsaanvraag te houden. De stelling in de laatste memorie van de verwerende partij als zouden de aanleveringen in het project-MER enkel beschreven zijn en niet beoordeeld zijn, doet hier niets aan af. Artikel 4.1.7. DABM heeft betrekking op de doorwerking van milieueffect- en veiligheidsrapportage in de besluitvorming. De tekst die destijds van toepassing was luidt: “De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde rapport of de goedgekeurde rapporten en met de opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht. Zij motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten: 1° de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft; 2° de aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief; 3° de in het rapport of de rapporten voorgestelde maatregelen”. Door in de vergunningsbeslissing toe te laten dat er niet-hechtgebonden asbest wordt aangeleverd door particulieren of bedrijven die daartoe niet erkend zijn, terwijl de daaraan verbonden specifieke risico’s niet werden onderzocht in het project-MER, schendt de bestreden beslissing artikel 4.1.7 DABM. VII-39.611-28/33 Eerste middel, tweede onderdeel Standpunten van de partijen 17. In het tweede onderdeel van het eerste middel bekritiseren verzoekers dat niemand van het team van erkende MER-deskundigen erkend was voor het deeldomein “psychosomatische aspecten” van de discipline “mens” (artikel 6, 1°, d), 1), van Vlarel). Uit het project-MER blijkt volgens hen dat de heer Paul Vanhaecke is opgetreden als deskundige in de discipline “lucht” en in de discipline/deeldomein “mens/toxicologie”. Zijn erkenning in het deeldomein “psychosomatische aspecten” was evenwel door de bevoegde Vlaamse minister geweigerd bij besluit van 17 maart 2010. Nochtans was in de beslissing van de dienst MER van 28 februari 2011 over de kennisgeving van het voorgenomen project uitdrukkelijk gevraagd dat het luik “psych(osomat)ische impact” zou worden besproken en passende preventieve en milderende maatregelen zouden worden beschreven met betrekking tot communicatieplanning en interne preventiemaatregelen. Ook wordt in verschillende adviezen gewezen op de psychische impact, en wordt daarop ingegaan in de bestreden vergunnings- beslissing, en worden er maatregelen voorgesteld en opgelegd. De behandeling van dit aspect in het project-MER is echter bijzonder summier en vrijblijvend, en de behandeling ervan in de bestreden vergunningsbeslissing is dienovereen- komstig. 18. De verwerende partij antwoordt dat het “inderdaad waarschijnlijk (lijkt) dat de erkenning van de heer Vanhaecke op het ogenblik van het neerleggen van het MER verlopen was”, maar stelt dat dergelijke onvolkomenheden niet van aard kunnen zijn om het MER in vraag te stellen, “en al zeker niet de bestreden beslissing, daar waar het MER uiteindelijk slechts een niet bindend advies betreft en er in de bestreden beslissing wel degelijk maatregelen opgenomen zijn om tegemoet te komen aan de psychische impact van de exploitatie”. VII-39.611-29/33 Zij vervolgt: “Verzoekende partij beperkt er zich toe te stellen dat er geen diepgaand onderzoek gebeurd is. Maar welke concrete invulling zij dan wel zou verwachten blijft alweer uitermate vaag. Ook op de bestreden beslissing oefenen zij kritiek uit. Zij menen dat de milieuvergunning geen rechtszekere voorwaarden inhoudt die een garantie zou bieden dat de psychische hinder binnen de perken van het aanvaardbare zou blijven. Dergelijke kritiek is opportuniteitskritiek, en daarenboven al bij al toch wel gemakkelijk: Kan men zich immers rechtszekere voorwaarden inbeelden die een garantie zouden bieden voor psychische hinder? Op elke maatregel zal steeds kritiek kunnen geuit worden”. 19. Zij voegt voorts toe dat de dienst MER bekijkt of de erkende (sub)discipline een sleuteldiscipline is voor het betrokken type milieu- effectenrapport en geoordeeld heeft dat de erkenning voor mens-psychosomatische aspecten te dezen geen sleuteldiscipline is en de erkenning voor de discipline mens, subdiscipline toxicologie, geschikt was. De richtlijnen vermelden trouwens dat er gerapporteerd moet worden inzake mens-gezondheid en inzake mens-mobiliteit. Het psychosomatisch aspect is daar slechts één deeltje van, derwijze dat de dienst MER van oordeel geweest is dat een erkenning mens-toxicologie voldoende was. 20. De tussenkomende partij betoogt dat Paul Vanhaecke erkend MER-deskundige was in de discipline mens-toxicologie, en tevens de coördinator van het team van deskundigen. Zij vervolgt dat de dienst MER, zoals gebruikelijk is, de werkwijze heeft goedgekeurd waarbij de coördinator ook de sub-disciplines behandelt waarvoor de aanstelling van een specifiek erkend deskundige niet vereist is. Beoordeling 21. Verzoekers leggen een besluit van 17 maart 2010 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur voor, waarbij de verlenging VII-39.611-30/33 van de erkenning van de betreffende deskundige uitdrukkelijk wordt geweigerd voor het onderdeel psychosomatische aspecten van de discipline “mens”, deeldomein “toxicologie en psychosomatische aspecten”, omdat geen voldoende ervaring en onderlegdheid in deze discipline was aangetoond. De deskundige kon dus bij de inwerkingtreding op 1 januari 2011 van Vlarel niet genieten van de overgangsbepaling van artikel 89 van dat besluit, en beschikte niet over een erkenning als MER-deskundige in de discipline “mens”, deeldomein “psychosomatische aspecten”. Volgens artikel 4.3.6, § 2, tweede lid, DABM, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissingen, moet de samenstelling van het team van erkende MER-deskundigen het mogelijk maken om het project-MER op te stellen in overeenstemming met de goedgekeurde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen. Conform de MER-richtlijnen dient het onderzoek naar de psychosomatische impact van het bedrijf deel uit te maken van het project-MER. De opmerkingen in de memorie van antwoord dat het project-MER “uiteindelijk slechts een niet bindend advies” is, en dat “er in de bestreden beslissing wel degelijk maatregelen opgenomen zijn om tegemoet te komen aan de psychische impact van de exploitatie”, vormt een miskenning van het hele opzet van de milieueffectrapportage. Hetzelfde geldt voor de poging in de memorie van de tussenkomende partij om het belang van de subdiscipline “psychosomatische aspecten” te minimaliseren, en haar uiteenzetting over de gebruikelijke pragmatische werkwijze terzake. Het eerste en het tweede middel zijn gegrond. VII-39.611-31/33 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt: “1. Het Ministerieel besluit van de Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 26 november 2015, houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 10 november 2011 met nummer M03/42006I3I3IIIAI2 en houdende het verlenen aan de bvba Asbeco van een milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe asbestverwerkend bedrijf aan de Steenweg naar Wetteren 24, 9200 Dendermonde (Schoonaarde), op de percelen kadastraal gekend als afdeling 8, sectie A, nr. 32M […]. 2. Het besluit van de Dienst MER dd. 28.02.2011 houdende vaststelling van de bijzondere richtlijnen voor de opmaak van het project-MER voor Asbeco bvba en houdende goedkeuring van het team van erkende MER-deskundigen […]. 3. Het besluit van de Dienst MER dd. 04.04.2011 houdende goedkeuring van het project-MER voor Asbeco bvba […].” 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro verschuldigd aan de verzoekers. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.611-32/33 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.611-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.102 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.234.707 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.