id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.104 Rolnummer: A. 226380/VII-40402 Zaak: Arrest 245104 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 08/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-11 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 06:54 Fiche Arrest nr 245.104 van 8 juli 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.104 van 8 juli 2019 in de zaak A. 226.380/VII-40.402 In zake :
- Frans MEULENEIRE
- de BVBA DE PAREL ZORG- EN DIENSTENCENTRUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Vande Moortel kantoor houdend te 9000 Gent Groot-Brittanniëlaan 12-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITS- VERZEKERING ( RIZIV) -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de nederlandstalige Kamer van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle (hierna: DGEC) van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: RIZIV) van 10 september 2018, houdende uitspraak over het beroep tegen de beslissing van de Kamer van eerste aanleg van 20 juli
- II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 10 december 2018 verklaart het cassatie- beroep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.402-1/18 Auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Violette Vanscheewijck, die loco advocaat Jan Vande Moortel verschijnt voor de verzoekende partijen, en attaché Jonathan Owczarek, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De bestreden beslissing van de Kamer van beroep berust op de volgende motieven: “Beoordeling Het hoger beroep van de appellanten werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingediend. Het komt derhalve ontvankelijk voor. Ter zitting deelden de appellanten een brief mede in een andere zaak waarbij de Kamer van Beroep gevraagd wordt de zaak DORGE MEDIC te willen schorsen omdat in 2 andere zaken de Raad van State 5 prejudiciële vragen zou gesteld hebben aan het Grondwettelijk Hof die verband houden met de VII-40.402-2/18 samenstelling van de zetel of samenstelling van de Kamer van Beroep. Appellanten vragen dat ook deze zaak zou geschorst worden in afwachting van een uitspraak van het Grondwettelijk Hof. Er zijn geen redenen voorhanden om huidige zaak die in staat van wijzen is uit te stellen. Een goede, snelle en efficiënte rechtsbedeling laat dit niet toe. Evenmin dient er een prejudiciële vraag gesteld te worden. De Kamer van Beroep gaat niet in op deze vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof voor zover de verwijzing van de appellanten naar de brief van 6 juni 2018 een dergelijk verzoek zou inhouden. In huidige zaak werd er nooit een verzoek tot wraking gesteld. De Kamer van Beroep zetelt conform de wettelijke samenstelling en de wil van de wetgever. Het was de bedoeling om een paritaire samenstelling te bekomen in de administratieve rechtbanken. Deze nobele bedoeling heeft het voordeel dat personen uit de praktijk de zaak kunnen toelichten gelet op hun beroepskennis en ervaring. Uiteraard speelt dit in casu zeker in het voordeel van de appellanten. Een dergelijke samenstelling vindt men ook in bijvoorbeeld de arbeidsgerechten (bv. leden van representatieve werknemersorganisaties en dito werkgeversorganisaties). Het verschil met deze rechtbanken is dat hier (= Kamer van Beroep) de leden, met uitzondering van de Voorzitter, enkel een raadgevende stem hebben terwijl in de arbeidsgerechten bv. de leden mee beslissen. De leden van de Kamer van Beroep zijn ook geen ‘vertegenwoordigers’ van de verzekeringsinstellingen zoals vermeld wordt in de brief van 6 juni 2018 door de appellanten neergelegd. Vertegenwoordigen betekent ‘optreden namens’. D.i. hier niet het geval. De appellanten gaan uit van een verkeerde premisse. De leden worden wel door de verzekeringsinstellingen voorgedragen op dubbele lijsten. De paritaire samenstelling vereist wel dat de leden van de groepen die zijn bedoeld in artikel 140, § 1, eerste lid 3°, 5° tot 21° als werkende leden deel uitmaken van dezelfde beroepscategorie waartoe de zorgverlener behoort, hetgeen logisch is wanneer men de leden omwille van hun beroepservaring erbij betrekt. De leden die zetelen in de Kamer van Beroep handelen op een onafhankelijke wijze, beslissen niet en hebben enkel een raadgevende stem omwille van hun technische kennis. De aanwezigheid van zorgverleners van dezelfde beroepscategorie draagt bij tot het aanvaarden van de uitspraak. De Kamer van Beroep oordeelt opnieuw van voor af aan over deze zaak. De Raad van State heeft in het verleden reeds tot 2 maal toe de vernietigingsberoepen omwille van wrakingsverzoeken onontvankelijk verklaard. De Kamer van Beroep heeft het niet moeilijk met het feit dat de appellanten alle mogelijke argumenten en grieven inroepen. Dit maakt deel uit van hun recht van verdediging en is trouwens de taak van hun raadslieden. Hier komen zij wel heel laat af met de vraag om schorsing, die ze dan niet eens hebben uitgewerkt m.b.t. hun toestand en hun zaak. Dr. J, vermeld in de brief van 6 juni 2018, diende een verzoek tot wraking in tegen de 2 leden van de Kamer van eerste aanleg die zetelden als ‘vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen’. Een dergelijke klacht formuleerde hij niet ten aanzien van de leden van zijn eigen beroepscategorie. VII-40.402-3/18 Indien hij aanneemt en van mening is dat de leden van de verzekerings- instellingen het beginsel van de objectieve onpartijdigheid van de Kamers schenden, dan geldt dit, volgens hem, niet voor zijn beroepscategorie en oordeelt hij met 2 maten en 2 gewichten. In casu werd geen verzoek tot wraking geformuleerd, zoals hoger reeds overwogen. De Kamer van beroep oordeelt met volle rechtsmacht in volle onafhankelijkheid. De Kamer van beroep is immers een onafhankelijk administratief rechtscollege en geen eigen orgaan van de DGEC. De wet bepaalt enkel dat de Kamer van beroep bij de DGEC wordt ingesteld, maar niet dat zij deel uitmaakt van deze dienst of van het RIZIV. Het gaat om een rechtsprekend orgaan, waarvan de onafhankelijkheid ten opzichte van het RIZIV door de wetgever is gewild. De DGEC is niet vertegenwoordigd in de Kamer en neemt geen deel aan de beraadslagingen ervan. De Kamer is het RIZIV geen verantwoording verschuldigd voor haar beslissingen. Dat de leden die in de administratieve rechtscolleges zetelen, in hun hoedanigheid van zorgverstrekker, doet op zichzelf geen afbreuk aan de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid ervan. Hetzelfde geldt voor de artsen met raadgevende stem, voorgedragen door de verzekeringsinstellingen. Enkel de voorzitter-magistraat van de Kamer van Beroep heeft beslissings- bevoegdheid. Wegens de techniciteit van de materie heeft de wetgever aan de stemgerechtigde magistraat raadgevende leden toegevoegd, voorgedragen door de verzekeringsinstellingen en de representatieve beroepsgroepen. De leden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen en de representatieve beroepsgroepen hebben slechts een raadgevende stem. De raadgevende leden zetelen in de Kamer van beroep overigens niet in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van een verzekeringsinstelling of de beroepsgroep die hen heeft voorgedragen, maar in persoonlijke naam. Dat houdt in dat zij vrij en naar eigen goeddunken oordelen. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, de artikelen 10, 11 en 151, §1 van de Grondwet worden niet geschonden. De Kamer van Beroep biedt de in artikel 6 EVRM bepaalde waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De rechter oordeelt vrij over de toepassing van de prejudiciële bevraging naar gelang de noodzakelijkheid die hiertoe, volgens hem, bestaat ter wille van de oplossing van het geschil. Er wordt in deze terecht getwijfeld dat de bevraging dienstig is ter oplossing van het geschil omdat, naar mening van deze Kamer, de rechten van de appellanten niet zijn geschonden en de samenstelling van de zetel geen nadeel berokkent aan de partijen. Door het instellen van het hoger beroep wordt de zaak bovendien volledig opnieuw onderzocht en behandeld met onafhankelijke leden met een raadgevende stem en met een magistraat die uiteindelijk oordeelt. Nopens de samenvoeging: Huidige zaak dient niet samengevoegd met het dossier tegen Mw. De Winter. Het gaat hier om 2 verschillende dossiers met 2 verschillende zorgverstrekkers en verschillende feiten. Het gaat hier om 2 verschillende en afzonderlijke beroepen die niet onderling zo verbonden zijn dat het wenselijk is deze samen te behandelen en te beoordelen teneinde oplossingen te vermijden VII-40.402-4/18 die onverenigbaar zouden kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht. Het zou perfect mogelijk zijn om de tenlasteleggingen bij één van de 2 echtgenoten te weerhouden en bij de andere niet, indien de Kamer van Beroep op grond van de aangereikte gegevens tot deze conclusie zou komen. Artikel 6 van het K.B. van 9 mei 2008 tot bepaling van de werkingsregels en het Procedurereglement dient hier niet toegepast. Nopens de aansprakelijkheid: De eerste appellant was werknemer bij de tweede appellante. Met de Kamer van eerste aanleg dient geoordeeld dat dit niet belet dat hij, als verpleegkundige, beantwoordde aan het begrip zorgverlener in de zin van artikel 2n van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en als dusdanig optrad bij het uitvoeren van de prestaties en bij het aanrekenen van de verstrekkingen op zijn naam. Hij diende dus de nomenclatuur te volgen. Bovendien gaat het hier om herhaaldelijk voorkomende lichte fouten bij deze aanrekeningen zodat de eerste appellant zich zelf niet zou kunnen beroepen op de vrijstelling van zijn aansprakelijkheid als werknemer. Wanneer de eerste appellant herhaaldelijk prestaties aanrekent die zelfs niet werden uitgevoerd (toiletten die niet werden uitgevoerd, prestaties in weekends wanneer hij nooit gekomen is, het aanrekenen van prestaties na het overlijden van de patiënt) en prestaties die ten onrechte werden aangerekend dan gaat het niet alleen om fouten en nalatigheden die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomen zelfs om bedrog (oplichting van het RIZIV) en zware schuld. Het gaat hier om niet één maar herhaalde onjuiste aanrekeningen bij 3 verzekerden. De goede trouw wordt in deze gevallen niet weerhouden in hoofde van de eerste appellant. Misbruiken ten nadele van de ziekteverzekering en ten voordele van een zorgverlener, welke ook de reden zou zijn voor deze misbruiken, kunnen niet aanvaard worden door deze Kamer. In toepassing van artikel 164, lid 2 van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 is de tweede appellante, de bvba De Parel, hoofdelijk gehouden tot terugbetaling van de ten onrechte aangerekende verstrekkingen. Nopens de bewijslevering: Het was niet nodig bepaalde huisartsen te verhoren. De verklaringen van de patiënten of van degenen uit hun omgeving die hen uiteraard goed kennen (echtgenoten, kinderen, …) volstaat wanneer deze duidelijk zijn en de tenlastelegging aantonen. De Kamer van eerste aanleg en de Kamer van Beroep kunnen en mogen oordelen dat de feiten waarover zij uitspraak moeten doen bewezen zijn en neerkomen op bedrog, wanneer zij hebben vastgesteld dat deze feiten bewezen voorkomen en deze feiten aantonen dat het niet om vergissingen gaat, zelfs wanneer de partijen het woord bedrog niet hebben gebruikt. Deze Kamers oordelen niet ultra petita wanneer zij de feiten als bewezen beschouwen en tot de conclusie komen dat deze neerkomen op bedrog. Wanneer de zorgverstrekker enkel de plaats die moet behandeld worden wast en daarvoor telkens ten onrechte een gans toilet aanrekent, dan betreft dit geen lichte fout, vergetelheid in de tarificatie of vergissing maar oplichting. Het betreft niet één maar verschillende verzekerden. Het feit dat er maar prestaties bij 7 van de 20 onderzochte verzekerden VII-40.402-5/18 werden ten laste gelegd, doet niets af van het correct onderzoek en toont meteen ook aan dat het onderzoek zowel ten laste als ten ontlaste werd gevoerd en dat er naar de waarheid werd gezocht. De beweringen van de appellanten dat de inspecteurs niet naar de waarheid hebben gezocht wordt dan ook tegengesproken door de feiten zelf. De appellanten hebben ook geen bijkomende onderzoeken gevraagd. De vragen waren duidelijk en blijken voldoende uit de antwoorden. Er zijn geen redenen voorhanden om te twijfelen aan de verklaringen van de verzekerden die bevestigd werden door de eigen vaststellingen van de verpleegkundige controleurs van de Dienst. Er werden 2 klachten geformuleerd door 2 verzekerden. Deze gevallen werden niet weerhouden door de geïntimeerde en dienen hier dus niet behandeld. De appellanten roepen een Romeins rechtsbeginsel in (‘in dubeo pro reo’) hetgeen letterlijk betekent : ‘bij twijfel voor de beklaagde’ terwijl het hier in de eerste plaats gaat om een burgerlijk geschil (de terugbetaling van ten onrechte aangerekende en ontvangen prestaties) waar dit rechtsbeginsel niet speelt. De vraag is of de eerste appellant de zorgen, die zij heeft aangerekend, heeft toegediend of mocht aanrekenen binnen het wettelijk kader van de ZIV-reglementering. Indien niet kunnen aan deze feiten, indien bewezen, desgevallend ook strafrechtelijke gevolgen worden gekoppeld. Nopens de nietigheid van het onderzoek: De appellanten gewagen van onaanvaardbare, onwettige en intimiderende praktijken van de sociaal inspecteurs. Deze worden niet bewezen in de weerhouden gevallen, ook niet op gebied van schending van deontologie. Het volstaat niet te beweren (zie artikel 870 Gerechtelijk Wetboek). Uit de processen-verbaal kan enkel afgeleid worden dat de sociaal inspecteurs zich correct hebben gedragen en de wetgeving hebben nageleefd. De tekst van het Sociaal Strafwetboek (de artikelen 62 en 63) wordt zelfs getoond aan de zorgverleners in bepaalde dossiers. De beweerde telefonische klachten van de patiënten n.a.v. de bezoeken van de inspecteurs worden niet aangetoond. Het verwondert de Kamer van Beroep dat de appellanten gewagen van ‘gemanipuleerde verklaringen’ en verklaringen afgelegd ‘onder twijfelachtige omstandigheden’ en dat zij daarvoor geen klacht hebben neergelegd tegen de beëdigde personen, hoewel het hier nochtans gaat om zeer zware beschuldigingen aan hun adres. Bij gebrek aan concreet bewijs worden deze beschuldigingen afgedaan als stemmingmakerij. De processen-verbaal worden als bewijskrachtig aanzien bij gebrek aan tegenbewijs. De woordelijke opname van vragen en antwoorden is niet vereist. Dit werd trouwens ook niet gevraagd. Uit de processen-verbaal kan alleen afgeleid worden dat de ondervraagde personen op een correcte manier werden behandeld en verhoord en dat de Salduz-Wet niet werd geschonden. Nopens de tenlasteleggingen: Tenlastelegging 1: De verklaring van [...] is zeer duidelijk en wijst er op dat zij nooit werd verzorgd of gewassen in het weekend. Dit was pas het geval van zodra [...] alleen begon te werken. De appellanten verwijzen naar hun deelstaten en verstrekkingsregister, maar deze betreffen niet alle weekends van juli tot en met november 2013 en staan bovendien flagrant in contradictie met de VII-40.402-6/18 verklaring van de patiënte zelf. De zelf opgemaakte stukken vormen geen bewijs van de aangerekende prestatie wanneer deze flagrant wordt tegengesproken door de verzekerde. Er kan dan ook niet aangenomen worden dat de aangerekende zorgen ook effectief werden uitgevoerd.De echtgenote van de eerste appellant verklaarde zich akkoord dat deze verzekerde niet werd gewassen op zaterdag en zondag. Er diende dan ook geen verder onderzoek te gebeuren of de huisarts te verhoren. Indien deze patiënte niet werd gewassen in het weekend, konden en mochten er ook geen toiletten aangerekend worden, hetgeen de appellanten toch weten. De eerste appellant was nooit bij deze patiënte geweest (zie verklaring verzekerde) en haar naam zei de eerste ap- pellant ook niets. Dat de appellanten het niet nauw namen met de reglementering wordt ook aangetoond door de aangerekende verstrekkingen voor verzekerde [...]. Er werden op 30 en 31 mei 2013 nog prestaties aangerekend waar dat deze patiënte op 29 mei 2013 overleden was. De appellanten wijten deze verkeerde aanrekeningen aan problemen met het computerprogramma, maar deze problemen worden niet aangetoond. Trouwens de onjuiste aanrekeningen werden ingegeven in de computer en daarbij niet eens gecontroleerd, wat men toch verwacht indien er computerproblemen zouden geweest zijn. Er werd nooit medegedeeld aan het RIZIV dat er foutieve aanrekeningen waren gebeurd. Voor wat betreft Dhr [...] verwijst de Kamer van Beroep naar de verklaring van deze patiënt. ‘Zij kwamen 2 keer per dag. Het was Frans zijn vrouw die mijn doorligwonden heeft verzorgd.’ [...] verklaarde dat de verpleegkundige enkel gekomen zijn in de periode februari-maart gedurende ongeveer 3 maanden omwille van zijn doorligwonden. Hij is duidelijk wanneer hij aanhaalt dat hij toen ook niet gewassen werd door [...], maar dat hij ook op dat moment gewassen werd door zijn vrouw zoals ze dat al jaren deed. [...] gaf toe dat ze maar 2 keer per dag langskwam en niet 3 keer. De verpleegkundige, die de doorligwonden had verzorgd, was het dus met dit onderdeel eens. De eerste tenlastelegging komt dan ook integraal bewezen voor. Tenlastelegging 2: Voor [...] werd er dagelijks een forfait C aangerekend in de periode van 10 februari t/m 30 november
- Er mocht geen forfait C worden aangerekend voor deze patiënt. De geïntimiteerde kwam terecht tot deze conclusie omdat er geen toilet werd toegediend. Uiteraard kan er pas een forfait C worden aangerekend wanneer er aan de voorwaarden van dit forfait werd voldaan. Om forfait C toe te kennen, dienen uiteraard de voorwaarden vervuld. Wanneer blijkt dat er geen zorgen werden toegediend, die overeenstemmen met het forfait C, dan impliceert dit dat de zorgverstrekker het niet te nauw nam met zijn verplichtingen. In casu wordt, gelet op de feiten, dit weerhouden. Het woord van de verzekerde krijgt geen voorrang op dat van de verpleegkundige. Indien de ene zegt dat er geen toilet werd toegediend en de andere wel, dan kan de Kamer van beroep ook niet meer belang hechten aan het woord van de verpleegkundige. De prestatie komt in een dergelijk geval niet bewezen voor. Er kan toch moeilijk aanvaard worden dat de verzekerden de zorgen die zij ontvangen hebben zullen ontkennen. Zij hebben daar geen belang bij. Anderzijds hebben de zorgverleners wel belang bij het aanrekenen van VII-40.402-7/18 prestaties. In casu blijkt dat de verzekerde zelf duidelijk verklaart dat hij in de weerhouden periode werd verzorgd door zijn vrouw die hem waste, uit bed hielp en dat hij toen (periode 1 juli t/m 30 november 2013) niet werd gewassen door [...]. Uiteraard kunnen er geen prestaties worden aangerekend wanneer deze niet werden uitgevoerd. Het is niet omdat de echtgenote van de eerste ap- pellant vanaf een bepaald ogenblik de doorligwonden van de verzekerde [...] verzorgde (hetgeen deze verzekerde toegaf) dat zij hem ook een toilet gaf. Hij gewaagt daar niet van. Hij werd niet gewassen door de eerste appellant. De eerste appellant kwam maar één keer langs om een decubitusmatras te installeren samen met zijn vrouw. De periodes zijn voldoende duidelijk. De doorligwonden werden 2 keer per dag verzorgd. Uiteraard werden die plaatsen gewassen en ontsmet, niet door de eerste appellant maar door zijn echtgenote, hoewel dit nog geen volledig toilet uitmaakt, zoals wettelijk vereist. Aangezien de verklaring van de verzekerde voldoende duidelijk was, diende zijn echtgenote niet ondervraagd noch zijn huisarts. De lengte van het onderhoud speelt hierbij in de gegeven omstandigheden geen rol maar de inhoud. Voor wat betreft verzekerde [...] beroepen de appellanten zich op twijfel dat in hun voordeel speelt. Zoals reeds overwogen wordt dit niet aanvaard. D.i. geen willekeur maar gewoon de vaststelling dat wanneer 2 standpunten tegenstrijdig zijn nopens een of meerdere feiten, deze feiten niet bewezen worden door de zorgverstrekker. Het gaat hier om de verklaring van de echtgenote van de inmiddels overleden verzekerde. Er zijn geen redenen voorhanden om meer belang te hechten aan de verklaringen van de zorgverleners. De Kamer van eerste aanleg heeft dus niet compleet willekeurig beslist, maar logische en juridisch correcte conclusies getrokken uit de voorgelegde gegevens. Deze verzekerde werd gewassen door zijn echtgenote die verpleegster was. Aan de latere verklaring van de echtgenote wordt geen geloof gehecht. Zij tekent met haar naam maar schrijft in de verklaring haar naam volledig verkeerd. Dit toont aan dat haar verklaring, voor zover die van haar afkomstig is, eerst werd voorgeschreven door iemand anders. De inhoud wijst in deze richting. Er kan immers moeilijk aanvaard worden dat [...] zal schrijven, ‘Ik, mevrouw Van [...]’ [...]. Haar verklaring strookt niet met haar eerdere en oorspronkelijke verklaring waarin zij geen opmerkingen maakte over de tijdsnotering en identificatie van de controleurs. De eerste onder- vraging duurde langer dan de 10 minuten door [...] aangehaald (zie proces- verbaal), hetgeen aantoont dat de tweede verklaring foutief is. De inspecteurs hebben zich vereenzelvigd en waren niet van de mutualiteit of opdringerig. Haar latere verklaring op verzoek van de appellanten weegt niet op tegen haar eerste verklaring. Het komt niet dienstig voor deze persoon als getuige op te roepen. De verklaring van de huisarts was niet nodig. Er wordt ook niet aangetoond dat hij op de hoogte was van het uitvoeren van de toiletten. Een zelfde problematiek wordt opgeworpen door de appellanten i.v.m. [...]. Hier werd niet de verzekerde verhoord, maar haar dochter omwille van het feit dat de verzekerde reeds overleden was. De verklaring van deze dochter toont aan dat de eerste appellant de verzekerde niet gewassen heeft zodat de aangerekende prestaties niet kunnen toegerekend worden. De verpleegsters kwamen enkel de inspuitingen geven. De moeder van [...] waste zich nog alle dagen zelf (verhoor 31 juli 2014). De eerste appellant verklaarde daarentegen VII-40.402-8/18 dat hij niet meer weet welke zorgen hij zijn patiënte toediende. Het standpunt van de appellanten wordt tegengesproken door de dochter van de verzekerde die heel formeel was. De verzekerde werd nooit gewassen door de eerste ap- pellant. Uit de verklaringen dient afgeleid dat indien [...] niet langskwam, de andere verpleegster enkel een inspuiting gaf. De eerste appelant wist zelfs niet meer of hij zorgen toediende aan deze patiënte. De eerste appellant werd ook niet vermeld in de verklaring van de dochter van de patiënte. Er wordt niet aangetoond dat de eerste appellant de aangerekende zorgen toediende. De aangerekende verstrekkingen kunnen dan ook niet worden aanvaard. Terecht werd beslist tot de terugvordering ervan. Tenlastelegging 3: De eerste appellant verklaarde dat hij niet op de hoogte was van de reglementering. Het feit dat deze varieert en dient aangepast aan de evolutie van de geneeskunde en de nieuwe medische technieken mag geen reden zijn om de bestaande reglementering niet toe te passen. Van een zorgverlener wordt verwacht dat hij de reglementering die op het beroep betrekking heeft kent en toepast. Hij woonde op het moment van de verstrekkingen reeds geruime tijd samen met [...] en werkte voor de door haar uitgebate bvba. Hij kon zich laten erkennen als mantelzorger (deze erkenning is echter niet nodig) maar deed dit niet met het negatief gevolg voor de ziekteverzekering. De eerste appellant woonde ook samen met de dochter van [...], [...], zodat een zelfde redenering en wetgeving dient toegepast. De Kamer van Beroep beaamt de overwegingen van de eerste rechter. De geïntimeerde verwijst terecht naar artikel 8, §8, 1° van de Nomenclatuur (wondzorg mag niet worden aangerekend wanneer die door de rechthebbende zelf of door een mantelzorger kan worden uitgevoerd of aan hen kan worden aangeleerd). Ook deze tenlastelegging komt bewezen voor. Nopens de administratieve geldboete: De feiten en de weerhouden tenlasteleggingen worden integraal bewezen geacht. Een administratieve geldboete van 100 % voor de tenlastelegging komt passend voor. Hetzelfde dient overwogen voor wat betreft de administratieve geldboete van 50 % voor de tenlasteleggingen 2 en
- Er zijn geen redenen aanwezig om de eerste appellant geen administratieve geldboete op te leggen of deze te herleiden tot het minimum of met volledig of gedeeltelijk uitstel toe te kennen. Een effectieve administratie geldboete komt gerechtvaardigd voor. De feiten zijn ernstig, zelfs al is het de eerste keer dat er inbreuken werden vastgesteld. Er wordt niet gewaagd van vroegere onderzoeken. De goede trouw kan niet worden aanvaard wanneer er bijvoorbeeld prestaties worden aangerekend die niet werden uitgevoerd. De Kamer van Beroep moet geen bijscholing bevelen, los van de vraag of deze Kamer dit kan. Het is de zorgverlener zelf die moet weten of hij in staat is te handelen overeenkomst[ig] de reglementering en als beoefenaar van een vrij beroep al het nodige moet doen om op de hoogte te blijven van al hetgeen verband houdt met dat beroep en zeker met de RIZIV-reglementering wanneer er aan het RIZIV prestaties worden aangerekend. Wanneer men onbeslagen op het ijs gaat, loopt men risico’s. Van een ‘medewerker’ aan de sociale zekerheid wordt verwacht dat hij minstens de reglementering onder de knie heeft. In casu moeten de appellanten de niet uitgevoerde en niet conforme prestaties VII-40.402-9/18 terugbetalen en dient aan de eerste appellante een administratieve geldboete opgelegd zoals door de Leidend Ambtenaar oordeelkundig begroot en door de Kamer van eerste aanleg grotendeels overgenomen. De ten laste gelegde prestaties dateren van 19 november 2012 t/m 20 september 2013 en dus na 18 maart
- De Wet van 15 februari 2012 was toen al in werking getreden. Niet artikel 101 van het Sociaal Strafwetboek dient toegepast. Artikel 142 Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 werd terecht toegepast voor het vaststellen van de maatregel en/of sanctie. Het hoger beroep van de appellanten dient als ongegrond afgewezen. Nopens het incidenteel beroep: De geïntimideerde stelde incidenteel beroep in bij besluiten omdat, volgens haar alle weerhouden feiten bewezen zijn en derhalve de daarmede verband houdende ten onrechte aangerekende verstrekkingen dienen terugbetaald. Uit de hogervermelde overwegingen volgt dat al de tenlastenleggingen bewezen zijn. Dit heeft gevolgen op de terugbetaling, maar evenzeer op de administratieve geldboete die het gevolg vormt van de ten onrechte aangerekende verstrekkingen. De administratieve geldboete zoals vastgesteld door de Leidend Ambtenaar en gevraagd in eerste aanleg - het betrof de beslissing van 12 april 2016 ten aanzien van de appellanten op hoofdberoep - dient derhalve hersteld. OM DIE REDENEN DE KAMER VAN BEROEP die kennis neemt van de zaken die in het Nederlands moeten behandeld worden, Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op de 14 juli 1994, in het bijzonder op de artikelen 144 en 145, en op artikel 112 van de Gezondheidswet van 13 december
- Na beraadslaging in overeenstemming met het bepaalde in artikel 145 van de gecoördineerde wet, en artikel 19 van het Procedurereglement; Recht doende op tegenspraak. Zegt voor recht dat deze zaak niet dient uitgesteld en dat, voor zover de verwijzing van de appellanten op hoofdberoep naar de brief van 6 juni 2018 in de zaak A.R. NB-001-17 een vordering tot het stellen van een prejudiciële vraag inhoudt, er geen prejudiciële vraag dient gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch niet gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt derhalve de bestreden beslissing van de Kamer van eerste aanleg van 20 juli 2017 op tegenspraak gewezen enkel in de mate dat het werd bestreden en bevestigt de beslissing van de Leidend Ambtenaar d.d. 12 april 2016 waarbij de appellanten hoofdelijk werden veroordeeld tot terugbetaling van de waarde van de ten onrechte aangerekende verstrekkingen ten belope van € 14.254,87 en waarbij de eerste appellant een administratieve geldboete werd opgelegd van € 7.398,20”. VII-40.402-10/18 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen “de verkeerde toepassing” van de wet aan. In een eerste onderdeel roepen zij de schending in van artikel 169 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna: ZIV-wet) samengelezen met artikel 66 van het Sociaal Strafwetboek. Volgens hen heeft het proces-verbaal geen bijzondere bewijswaarde omdat de termijn van veertien dagen om een afschrift aan de overtreder ter kennis te brengen, werd overschreden. De verzoekende partijen citeren de bestreden beslissing en besluiten dat de Kamer van beroep in strijd met de hogervermelde bepalingen, een bijzondere bewijswaarde hecht aan de verklaringen, dat zij de feiten die erin worden vermeld bewezen acht, en dat zij stelt dat de verzoekende partijen het tegendeel dienen aan te tonen. Dit gaat volgens hen in tegen de eigen vaste rechtspraak dat de DGEC de bewijslast draagt en dat in geval van twijfel de vordering wordt afgewezen. In een tweede onderdeel menen de verzoekende partijen dat “artikel 73bis, 2° gecoördineerde ZIV-wet juncto artikel 8§1 NGV” verkeerd werd toegepast. De rechtsgrond waarop de beslissing van de Kamer van beroep steunt, komt neer op het feit dat de aangerekende verstrekking voor de patiënt waarvan de afhankelijkheidstoestand niet voldoet aan de in artikel 8, § 1, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen bepaalde voorwaarden/criteria wordt teruggevorderd, terwijl in “tenlastelegging 1” de Kamer motiveert dat er geen forfait C mocht worden aangerekend omdat er geen toilet werd toegediend. Nergens in de wetgeving wordt vermeld dat er een toilet moet worden uitgevoerd om een forfait C te kunnen aanrekenen. Ook aangaande een tweede verzekerde VII-40.402-11/18 vermeldt de bestreden beslissing dat de eerste appellant de verzekerde niet heeft gewassen zodat de aangerekende prestaties niet kunnen worden toegekend. Opnieuw stelt de Kamer dat de verstrekkingen worden teruggevorderd omwille van een niet uitgevoerde zorg. Deze motivering betreft een verkeerde toepassing van artikel 73bis, 2°, van de ZIV-wet samengelezen met artikel 8 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige zorgen en uitkeringen. Beoordeling
- De bestreden beslissing steunt onder meer op de verklaringen van de verzekerden en stelt vast dat er niet wordt aangetoond dat de aangerekende zorgen ook effectief werden uitgevoerd. Als cassatierechter komt het de Raad van State niet toe op zijn beurt te onderzoeken of de aangevoerde inbreuken bewezen zijn. Het eerste middelonderdeel mist feitelijke grondslag. De passages die de verzoekende partijen aanhalen steunen op de verklaringen van de verzekerden waaruit wordt afgeleid dat er niet wordt aangetoond dat de aangerekende zorgen ook effectief werden uitgevoerd. De bestreden beslissing vermeldt de reden waarom hiertoe werd besloten. De kritiek op de bewijswaarde van de processen-verbaal met betrekking tot het verhoor van patiënten betreft een overtollig motief en kan niet tot cassatie leiden. Een nader onderzoek van het tweede onderdeel zou de Raad van State verplichten tot een beoordeling van de zaak zelf, waarvoor hij krachtens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, niet bevoegd is. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de bodemrechter VII-40.402-12/18 verwijst naar een verkeerde rechtsgrond of de aangehaalde bepalingen verkeerd zou hebben toegepast. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen
- In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht aan omdat de bestreden beslissing niet op de juiste feiten zou zijn gebaseerd. De verzoekende partijen betogen dat er tijdig twee stukken betreffende klachten ten aanzien van de inspecteurs werden neergelegd en dat in de bestreden beslissing ten onrechte werd vermeld dat er geen klacht werd neergelegd. Beoordeling
- De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur zijn als zodanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Artikel 19, § 6, van het Procedurereglement van de Kamer van eerste aanleg en van de Kamers van beroep bij de DGEC heeft geen andere inhoud. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt die beslissing te nemen en de aangebrachte excepties en beroepsgrieven te verwerpen of in te willigen. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals VII-40.402-13/18 tegenstrijdigheid in de motieven, maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Uit de aangehaalde motieven van de bestreden jurisdictionele beslissing blijkt dat de Kamer van beroep de redengeving duidelijk en ondubbelzinnig uiteenzet. De bestreden jurisdictionele beslissing is met redenen omkleed. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. C. Derde middel Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen roepen in het derde middel de schending in van het beginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie vervat in artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Zij verwijzen naar prejudiciële vragen die werden gesteld aan het Grondwettelijk Hof, en die inmiddels door dit Hof werden beantwoord bij arrest nr. 15/2019 van 31 januari
- In hoofdzaak werd aan het Grondwettelijk Hof gevraagd of artikel 145 van de ZIV-wet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 151, § 1, van de Grondwet, met het algemeen beginsel van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter en met artikel 6 van het EVRM, in zoverre die bepaling in die zin moet worden geïnterpreteerd dat de twee artsen die met raadgevende stem in de Kamer van beroep zetelen, als vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen moeten worden beschouwd. VII-40.402-14/18 De Kamer van beroep is volgens de verzoekende partijen overeenkomstig artikel 144 van de ZIV-wet opgericht in de schoot van het RIZIV, bij de DGEC, en maakt daar organiek deel van uit. Zij wijzen erop dat de Kamers van eerste aanleg en van beroep op de website van het RIZIV expliciet bij de organen van de DGEC worden vernoemd en dat de griffie bestaat uit personeelsleden van de DGEC, die door deze dienst worden aangeduid, waardoor zij volgens de verzoekende partijen evenmin onpartijdig zijn. Dat de Kamer van beroep zich bevindt in de gebouwen van de verwerende partij, dat haar voorzitter en leden financiële vergoedingen ontvangen van de verwerende partij en dat elke vorm van communicatie via de griffie van de Kamer van beroep loopt, zijn volgens de verzoekende partijen objectieve elementen die haar doen twijfelen aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de Kamer van beroep. Zij besluiten dat er minstens een aanzienlijke schijn van partijdigheid bestaat. In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen toe dat de leidend ambtenaar en de directieverantwoordelijke dezelfde persoon zijn, waardoor de persoon die beslist om te vervolgen en degene die uitspraak doet over de zaak dezelfde persoon is. Beoordeling
- Het middel heeft geen betrekking op de artsen die met raadgevende stem in de Kamer van beroep zetelen. Er wordt niet ingezien hoe met de prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof, waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, rekening zou moeten worden gehouden bij de beoordeling van het middel. In arrest nr. 15/2009 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 145 van de ZIV-wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het EVRM, niet schendt. VII-40.402-15/18 De Kamer van beroep doet uitspraak als rechtscollege met volle rechtsmacht. Zij heeft een volledige beoordelingsbevoegdheid, zowel ten aanzien van de feiten als van het recht. Haar beslissing komt in de plaats van die van de Kamer van eerste aanleg. In zoverre het middel de Kamer van eerste aanleg betreft is het niet ontvankelijk. De Kamer van beroep is geen eigen orgaan van de DGEC, maar een administratief rechtscollege dat bij deze dienst is ingesteld. De wet bepaalt enkel dat de Kamer van beroep bij de DGEC wordt ingesteld, maar niet dat zij deel uitmaakt van deze dienst of van het RIZIV. Het gaat om een rechtsprekend orgaan, waarvan de onafhankelijkheid ten opzichte van het RIZIV door de wetgever is gewild. De DGEC is niet vertegenwoordigd in de Kamer en neemt geen deel aan de beraadslagingen ervan. De Kamer is het RIZIV geen verantwoording verschuldigd voor haar beslissingen. Enkel de voorzitter-magistraat van de Kamer van beroep heeft immers beslissingsbevoegdheid. De beweringen omtrent de leidend ambtenaar tonen niet aan dat de Kamer van beroep niet onafhankelijk of onpartijdig zou zijn. Luidens artikel 145, § 3, eerste lid, van de ZIV-wet zetelt de Kamer van beroep te Brussel in de lokalen van het Instituut. De enkele omstandigheid dat de zittingen in de gebouwen van het RIZIV plaatsvinden, brengt de onafhankelijkheid van de Kamer van beroep niet in het gedrang. De omstandigheid dat de prestaties van een rechter worden vergoed door de overheid ten aanzien van wie hij beslissingen moet nemen brengt zijn onafhankelijkheid niet in het gedrang. Een andere opvatting zou de functie van de rechter, en inzonderheid de bestuursrechter, onmogelijk maken. VII-40.402-16/18 De kritiek van de verzoekende partijen met betrekking tot de aanwijzing van de griffiers is een opportuniteitskritiek die niet tot cassatie van de bestreden beslissing kan leiden. De Kamer van beroep biedt de in artikel 6 van het EVRM bepaalde waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Het derde middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. VII-40.402-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.402-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.104 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.