id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.109 Rolnummer: A. 226354/VII-40398 Zaak: Arrest 245109 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-11 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-24 01:13 Fiche Arrest nr 245.109 van 8 juli 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.109 van 8 juli 2019 in de zaak A. 226.354/VII-40.
- In zake : Hildegarde VERLOO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristin Dewever en Aniek Van de Velde kantoor houdend te 8720 Wakken Kasteeldreef 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/1195 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 21 augustus 2018 in de zaak 1617/RvVb/0328/A. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 27 november 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. Verzoekster heeft een toelichtende memorie ingediend. VII-40.398-1/8 Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Aniek Van de Velde, die verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 8 december 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de NV BFS Europe een stedenbouwkundige vergunning “voor het plaatsen van 4 silo’s”. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekster tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. VII-40.398-2/8 IV. Onderzoek van het middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert de schending aan van artikel 35, vierde [lees: derde] lid van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet)“in de uitlegging die het arrest er aan geeft in strijd met de uitlegging van het Unierecht waardoor het Vlaams bestuursrechtscollege nochtans volledig gebonden is”. Zij betoogt dat het bestreden arrest “manifest in strijd [is] met het Unierecht door te beslissen dat het eerste en het vierde [...] onderdeel [van haar eerste middel] evenals het nieuw middel [ingeroepen in de wederantwoordnota] niet ontvankelijk zijn bij gebrek aan belang”. Zij stelt dat het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 87/2018 van 5 juli 2018 heeft aangenomen “dat de in artikel 35, [derde] lid, genomen maatregel niet als gevolg heeft dat een verzoekende partij zelf moet bewijzen dat de aangevoerde onregelmatigheid een invloed kan hebben op de inhoud van de genomen beslissing” en “tot dit oordeel [komt] door verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot artikel 10bis van de richtlijn 85/337/EEG (thans artikel 11 van de richtlijn 2011/92/EU)”. Het bestreden arrest stelt volgens verzoekster “op geen enkele wijze vast dat uit de motivering van het vergunningsbesluit zelf kon worden afgeleid dat de naar het BPA verwijzende motieven een niet bepalend, ondergeschikt of overtollig karakter hadden. Uit het bestreden arrest blijkt op geen enkele wijze dat de rechter geoordeeld heeft dat indien wettigheidskritiek geformuleerd in het eerste en het vierde onderdeel van het eerste middel gegrond zou zijn verklaard, bepaalde bijzondere omstandigheden van de zaak toch tot gevolg hadden dat deze onwettigheid geen invloed kon hebben op de genomen beslissing. Het eerste en vierde onderdeel van het eerste middel werden eenvoudigweg niet onderzocht. In wezen heeft de [RvVb] […] aangenomen dat de [verzoekster] onvoldoende feiten aanduidde die konden aantonen dat zij belang bij het middel had en dat het de VII-40.398-3/8 bestuursrechter toekwam soeverein te beslissen welke partij met de grootste overtuigingskracht haar stellingen in dat verband had opgebouwd”. Zij wijst erop dat zij voor de RvVb “de wettigheid van de toegepaste plannen (gewestplan en BPA) wat betreft de naleving van het materiële recht” heeft betwist en dat in het bestreden arrest niet wordt “vastgesteld dat de tegen de plannen met bindende en verordenende kracht ingeroepen rechtmatigheidsbezwaren uitsluitend op procedurefouten betrekking hebben”. Beoordeling
- De voor het eerst in de toelichtende memorie aangevoerde schending van artikel 6.1 en 14 van het Europees Verdrag van tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 1 en 9 van het Verdrag van Aarhus betreffende de toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, zonder aan te tonen dat verzoekster dat niet in de inleidende akte kon aanvoeren zoals wordt vereist in artikel 3, § 2, 9° van het cassatieprocedurebesluit, is laattijdig en dienvolgens onontvankelijk.
- Artikel 35, derde lid, DBRC-decreet bepaalt: “Een onwettigheid geeft alleen aanleiding tot een vernietiging, als de partij die ze aanvoert, wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid”. Deze bepaling relativeert de vernietigingsbevoegdheid van de RvVb “in die zin dat een onwettigheid slechts aanleiding geeft tot een vernietiging, indien de partij d[i]e ze aanvoert wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid”. (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, 8). VII-40.398-4/8
- Het Grondwettelijk Hof heeft aangenomen dat deze bepaling: - niet de draagwijdte heeft dat verzoekende partijen “zich niet langer op een onwettigheid zouden kunnen beroepen wanneer zij niet kunnen aantonen dat de aangevoerde onwettigheid een invloed kan hebben op de inhoud van de genomen beslissing”; - “niet als gevolg [heeft] dat een verzoekende partij zelf moet bewijzen dat de aangevoerde onregelmatigheid een invloed kan hebben op de inhoud van de genomen beslissing” (GwH 5 juli 2018, nr. 87/2018, B.29.3).
- Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het: - eerste en vierde onderdeel van het eerste middel van verzoekster waarin zij de buitentoepassing vordert van het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna: BPA) op grond van artikel 159 van de Grondwet; - het in de wederantwoordnota nieuw aangevoerde middelonderdeel.
- Het bestreden arrest besluit dat het eerste en vierde middelonderdeel “niet ontvankelijk bij gebrek aan belang” zijn op grond van volgende overwegingen: - in het eerste middelonderdeel voert verzoekster aan “dat de voorbereidende stukken voor de totstandkoming en ter verantwoording van het BPA met betrekking tot de afwijking van het gewestplan niet deugdelijk gemotiveerd zijn”; - in het vierde middelonderdeel bekritiseert verzoekster “het feit dat de BPA-voorschriften met betrekking tot de bestemmingswijziging naar nijverheidszone uitsluitend bestemd zijn voor de uitbreiding van het aldaar bestaand en gevestigd bedrijf en enkel door één welbepaald bedrijf kunnen gerealiseerd worden”; - beide middelonderdelen hebben enkel betrekking “op de motivering betreffende de deelgebieden van het BPA die niet gelegen zijn in de gewestplanbestemming ‘milieubelastende industrie’ volgens het gewestplan van 1979”, meer bepaald op “de wettigheid van de motieven die de omvorming van de oorspronkelijke gewestplanbestemming ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ en ‘agrarisch gebied’ naar nijverheidszone moeten verantwoorden”; VII-40.398-5/8 - “de aangevraagde werken [blijken] gelegen [te] zijn volgens […] het gewestplan […] in een ‘gebied voor milieubelastende industrieën’”; - de vaststelling van het gewestplan “wordt in deze middelonderdelen niet betwist door [verzoekster], noch vordert zij de buitentoepassingverklaring van dit gewestplan”; - “het BPA [bestaat] enerzijds uit de oorspronkelijke gewestplanbestemming (milieubelastende industriezone en industriegebied) […] en [kleurt] anderzijds delen van het agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied in […] als nijverheidszone”, - “de visie en het ontwikkelingsperspectief van het bestreden BPA [komen voort] uit het uitbreiden van de bestaande bedrijvenzone”; - een mogelijke gedeeltelijke vernietiging van het BPA “heeft niet tot gevolg dat daarmee de algemene economie van het plan wordt aangetast” dat “in dat geval blijft bestaan voor de deelgebieden die volgens het gewestplan 1979 als milieubelastende industrie waren ingekleurd en als industriegebied (wijziging gewestplan in 1998)”, zijnde de “zone van het BPA” die “volledig conform de geldende gewestplanbestemming [is] en […] dus niet onwettig [kan] bevonden worden op grond van een schending van de gewestplanbestemming, gezien zij slechts een bevestiging is van een bestaande planologische toestand, en de economie van het plan, dat ook nieuwe gebieden tot nijverheidszone bestemt, niet aantast”; - het door verzoekster aangevoerde ondeelbaar karakter van het BPA wordt “niet bijgetreden” omdat er “een wezenlijk verschil [is] tussen delen van het BPA die agrarische gebieden omzet naar een in wezen totaal verschillende bestemming ‘nijverheid’ en het deel van het BPA dat een bestaande gewestplanbestemming bevestigt” en het feit dat “het bedrijf vergunningen heeft verkregen voor uitbreidingen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en agrarisch gebied, doet niet terzake”; - aangezien “de mogelijke gegrondverklaring van het eerste en/of vierde middelonderdeel enkel moet leiden tot een gebeurlijke buitentoepassing verklaring van de deelgebieden die een bestemmingswijziging hebben ondergaan, maar niet van de deelgebieden die reeds voorafgaand aan het BPA als bestemming VII-40.398-6/8 industriegebied of milieubelastende industriezone hadden, maakt [verzoekster] niet aannemelijk dat zij enig voordeel kan halen bij een gebeurlijke gegrondverkalring van beide middelonderdelen”.
- Door aldus te beslissen heeft het bestreden arrest de middelonderdelen van verzoekster waarin zij betoogt dat de aangevoerde onwettigheden een invloed hebben op de inhoud van de bestreden vergunningsbeslissing verworpen door met deze redenen aan te nemen dat de aangevoerde onwettigheden geen invloed hebben op de inhoud van de bestreden vergunningsbeslissing.
- Het bestreden arrest besluit dat het in de wederantwoordnota nieuw aangevoerde middelonderdeel niet ontvankelijk is omdat: - een “middel in beginsel in het inleidend verzoekschrift [moet] worden uiteengezet om op ontvankelijke wijze in de debatten te kunnen worden gebracht, dit om de rechten van verdediging van de andere procespartijen te vrijwaren”; - verzoekster “niet aantoont dat zij dit middel niet reeds in het inleidend verzoekschrift had kunnen voeren”.
- Het middel komt niet op tegen deze redenen van verwerping van dit in de wederantwoordnota nieuw aangevoerde middelonderdeel en kan derhalve niet tot cassatie leiden.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. VII-40.398-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.398-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.109 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div