← België

Arrest 245118 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 09/07/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.118 Rolnummer: A. 226891/XIV-37894 Zaak: Arrest 245118 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 09/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-12 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 22:28 Fiche Arrest nr 245.118 van 9 juli 2019 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 245.118 van 9 juli 2019 in de zaak A. 226.891/XIV-37.894 In zake: Gunter DE SMET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken kantoor houdend te 1050 Brussel Kroonlaan145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Met een enig verzoekschrift, ingediend op 6 december 2018, vordert verzoeker de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van de Algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie (DGR) van de Federale Politie van 6 november 2018 waarbij verzoeker wegens beroepsongeschiktheid wordt ontslagen op 7 november 2018 om 24.00 uur. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. XIV-37.894-1/9 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 mei
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is op 28 mei 2018 benoemd als assistent van politie (loonschaal CC1). Hij wordt tewerkgesteld bij de dienst Administratie van de Opleidingen (AFO) in de Nationale Politieacademie (ANPA). Verzoeker dient een stage van zes maanden te doorlopen van 28 mei 2018 tot 29 november
  6. XIV-37.894-2/9 3.
  7. Op 12 juli 2018 heeft verzoeker een gesprek met zijn dienstoverste B.K. waarvan verslag wordt opgemaakt. Uit het door verzoeker bijgebrachte verslag van dat gesprek, gericht aan de directeur van de ANPA, blijkt onder meer dat verzoeker sinds zijn indiensttreding op 28 mei 2018 dertien ziektedagen opnam, dat verzoeker zich ook reeds rechtstreeks bij de directeur ANPA heeft beklaagd over de onduidelijkheid van zijn takenpakket zonder zijn dienstoverste hiervan op de hoogte te brengen. Uit dit verslag blijkt tevens dat collega C.V. afwezig is, dat de mentor van verzoeker, X.D., onlangs overleden is en dat de stagemeester van verzoeker HCP S. langdurig afwezig is, evenals dat een nieuwe mentor en stagemeester “zullen worden aangeduid”. De dienstoverste vraagt zich in de conclusie van dat verslag af of verzoeker “fysiek in staat is om zijn functie bij ANPA naar behoren uit te voeren.” In antwoord op dit verslag stuurt verzoeker een (niet gedateerde) nota aan de directeur ANPA waarin hij zijn opmerkingen formuleert. 3.
  8. Met een e-mail van 2 augustus 2018 wordt aan (onder meer) verzoeker de beslissing van de directeur ANPA van diezelfde dag overgemaakt waarbij de mentor en de stageleider van verzoeker worden aangeduid “[v]oor de stageperiode die loopt van 28-05-2018 tot en met 27-11-2018”, met name P. J. als mentor en J. A. als stageleider. 3.
  9. Verzoeker legt als stuk 6 een niet-gedateerd “verslag over de wijze van functioneren”, neer. Het verslag dat betrekking heeft op de periode van 28 mei 2018 tot 22 augustus 2018 is niet ondertekend door de stageleider, noch door de mentor. Verzoeker heeft op 11 september 2018 van dit verslag kennis genomen. 3.
  10. Verzoeker legt als stuk 7 een “evaluatieverslag” neer voor de periode van 28 mei 2018 tot 4 september
  11. Dit verslag werd opgesteld door XIV-37.894-3/9 P.J.. Onder punt IV. van dat verslag wordt gesteld: “Op 02-08-2018 werd ik, ADV [P.J.] aangewezen als mentor van [verzoeker]. In het besluit van dit verslag wordt voorgesteld om de stage van verzoeker vroegtijdig te beëindigen. Naar aanleiding van dit verslag vindt er op 11 oktober 2018 een gesprek plaats tussen verzoeker en de stageleider, K.S. Het blijkt immers dat de commissaris-generaal inmiddels op 5 oktober 2018, met verwijzing naar de artikelen V.III.9, V.III.11 en VIII.15 RPPol, ADV K.S. als stageleider en ADV P.J. als mentor heeft aangesteld “vanaf 28/05/2018”. Het evaluatieverslag wordt op 11 oktober 2018 voor kennis- neming ondertekend door verzoeker, de stageleider K.S. en de mentor P.J. 3.
  12. Op 6 november 2018 beslist de directeur-generaal DGR, bij delegatie van de commissaris-generaal, om verzoeker wegens beroepsongeschikt- heid te ontslaan op datum van 7 november 2018 om 24.00 uur. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  13. Voorshands bemerkt de Raad van State dat de verwerende partij geen nota heeft neergelegd en dat het door haar neergelegde administratief dossier enkel een afschrift van de bestreden beslissing bevat. In die omstandigheden worden de feitelijke gegevens zoals die in de punten 3.1 tot 3.6 op basis van de door verzoeker bijgebrachte stukken zijn weergegeven, geacht correct te zijn. De aldus weergegeven feiten zijn voorts niet in tegenspraak met de bestreden beslissing.
  14. Bij de betekening van het auditoraatsverslag aan de verwerende partij is melding gemaakt van de inhoud van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling XIV-37.894-4/9 bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verwerende partij werd er op gewezen dat zij binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van dat verslag kan vragen om artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State toe te passen. De verwerende partij heeft geen toepassing gevraagd van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. V. Betreffende het voorwerp van het beroep
  15. De verwerende partij heeft met een brief van 21 maart 2019 aan de Raad van State bevestigd, zoals hem eerder door verzoeker met een brief van 18 maart 2019 werd meegedeeld, dat tussen partijen “een regeling” tot stand is gekomen. Zij stelt in haar brief dat tussen de bij het voorliggende beroep betrokken partijen een dading werd afgesloten waarbij de bestreden beslissing “voor onbestaande wordt beschouwd”. Zij deelt nog mee dat verzoeker een nieuwe stage heeft aangevangen vanaf 12 februari
  16. Er is aan de Raad van State evenwel geen document bezorgd waaruit blijkt dat de bestreden beslissing door de bevoegde administratieve overheid werd ingetrokken of ab initio uit de rechtsordening werd verwijderd zodat moet worden besloten dat het voorliggende beroep waarbij verzoeker wordt ontslagen op 7 november 1018 om 24.00 uur nog steeds een voorwerp heeft. VI. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel
  17. In een eerste middel voert verzoeker een schending aan van “het zorgvuldigheidsbeginsel evenals van de artikelen V.III.9, V.III.10, V.III.11 en V.III.15 RPPol, evenals van artikel V.1 UBPol”. Verzoeker voert in essentie aan dat uit artikel V.III.9 RPPol volgt dat de stage bedoeld is om de stagiair te evalueren en overeenkomstig artikel V.III.11 RPPol verloopt de stage onder XIV-37.894-5/9 leiding van een stageleider die wat de federale politie betreft, door de commissaris-generaal moet worden aangewezen. De stageleider moet er op toezien dat de stagiair deelneemt aan de met toepassing van artikel V.III.10 bepaalde opleidingsactiviteiten. De minister heeft op grond van artikel V.III.9 RPPol de algemene regels van de stage vastgelegd in het UBPol. Artikel V.1 van het UBPol bevat een gedeelte verplichte opleiding die door verzoeker in het kader van zijn stage moet worden gevolgd. Artikel V.III.15 RPPol bepaalt tot slot dat elke stagiair wordt begeleid door een mentor. Met de bestreden beslissing wordt verzoeker beroepsongeschikt bevonden op grond van een aantal kritieken in het functioneringsverslag en het evaluatieverslag, terwijl het duidelijk is dat het van in het begin fout is gelopen met de benoeming van de stageleider en de mentor. Eerst werden de stageleider en de mentor aangeduid door de Directeur ANPA, en wel pas op 2 augustus 2018 (terwijl de stage een aanvang heeft genomen op 28 mei 2018). Overeenkomstig de artikelen V.III.11 en V.III.15 RPPol moeten zij door de commissaris-generaal worden aangesteld, wat finaal is gebeurd op 5 oktober
  18. Verzoeker heeft derhalve geen stage gelopen onder daadwerkelijke leiding van een stageleider. De inbreng van deze stageleider beperkt zich tot het in ontvangst nemen van het evaluatieverslag, het daarop volgend horen van verzoeker, om uiteindelijk een voorstel tot ontslag te formuleren. Verzoeker is evenmin door een mentor begeleid. Ook deze werd pas op 5 oktober 2018 aangeduid. Diens inbreng op het vlak van begeleiding was nihil en beperkt zich tot het redigeren van het functioneringsverslag en het evaluatieverslag waarbij verzoeker nog opmerkt dat de mentor op een andere dienst werkt. Met de aanstelling van P.J. als mentor op 2 augustus 2018, kan geen rekening worden gehouden vermits deze uitgaat van een onbevoegde overheid. Verzoeker besluit dat hij geen enkele opleiding heeft gekregen terwijl de reglementering een verplichte opleiding voorziet. Bij gebrek aan opleiding, leiding en begeleiding kan er van een deugdelijke evaluatie van de stagiair geen sprake zijn. Om die reden zijn niet alleen de aangehaalde bepalingen van het RPPol en het UBPol geschonden, maar tevens het zorgvuldigheids- beginsel. XIV-37.894-6/9 Beoordeling
  19. Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen: “[…] 2.
  20. Uit deze [door verzoeker geschonden geachte] bepalingen blijkt derhalve onder meer: - dat wat de personeelsleden van de federale politie betreft, de stagiair zijn stage doorloopt onder de leiding van een door de commissaris-generaal aangewezen een stageleider (art. V.III.11, eerste lid RPPol); - dat wat de personeelsleden van de federale politie betreft, de stagiair begeleid wordt door een mentor, die moet voldoen aan de geschiktheidscriteria door de minister bepaald en die aangewezen wordt door de commissaris-generaal (art.V.III.15, eerste en tweede lid RPPol); - dat wat de CaLog-personeelsleden, lager dan niveau A en B, van de federale politie betreft, voor de stagiair een verplicht opleidingsgedeelte ‘ter integratie in de eigen functie’ geldt (art.V.III.9, tweede lid RPPol en art. V.1 UBPol); het komt, wat de personeelsleden van de federale politie, de commissaris-generaal of de door hem aangewezen directeur-generaal toe de opleidingsactiviteiten waaraan de stagiair moet deelnemen vast te stellen (art. V.III.10 RPPol). Met verzoeker wordt vastgesteld: - dat aan verzoeker op 2 augustus 2018 - dit is na verloop van ongeveer de helft van de stage van zes maanden - een stageleider werd toegewezen door de directeur ANPA, die daartoe niet bevoegd was gelet op artikel V.III.11 RPPol, en dat de commissaris-generaal pas op 5 oktober 2018 - dit is na verloop van meer dan twee derden van de stage van zes maanden - een stageleider heeft aangewezen die aan de voorwaarden van artikel V.III.11 RPPol voldoet; deze aanwijzing gebeurde met terugwerkende kracht tot 28 mei 2018, datum van aanvang van de stage; - dat aan verzoeker op 2 augustus 2018 - dit is na verloop van ongeveer de helft van de stage van zes maanden een mentor werd toegewezen door de directeur ANPA, die daartoe niet bevoegd was gelet op artikel V.III.15, tweede lid RPPol , en dat de commissaris-generaal pas op 5 oktober 2018 - dit is na verloop van meer dan twee derden van de stage van zes maanden - een mentor heeft aangewezen, overeenkomstig artikel V.III.15; deze aanwijzing gebeurde met terugwerkende kracht tot 28 mei 2018, datum van aanvang van de stage; - dat niet blijkt dat aan de verzoeker overeenkomstig artikel V.III.9, tweede lid RPPol enige opleiding werd gegeven, hoewel artikel V.1 UBPol opleidings- activiteiten ‘ter integratie in de eigen functie’ verplicht stelt; het blijkt evenmin dat de commissaris-generaal of een door hem aangewezen directeur-generaal de opleidingsactiviteiten waaraan verzoeker moest deelnemen heeft vastgesteld, zoals voorgeschreven door artikel V.III.10 RPPol. 2.
  21. Op grond van deze vaststellingen kan slechts besloten worden dat de door verzoeker aangehaalde bepalingen van het RPPol en het UBPol geschonden zijn. Dat de commissaris-generaal alsnog op 5 oktober 2018, na verloop van meer dan twee derden van de stage, overeenkomstig de bepalingen van het RPPol met terugwerkende kracht een stageleider en mentor heeft aangesteld, kan geen afbreuk doen aan de vaststelling dat de verzoeker in werkelijkheid een belangrijk deel van zijn stage heeft moeten doorlopen zonder de reglementair voorgeschreven leiding en begeleiding. De aanwijzing met terugwerkende kracht doet evenmin afbreuk XIV-37.894-7/9 van de vaststelling dat de verzoeker geen opleidingsactiviteiten ter integratie in de eigen functie aangeboden heeft gekregen hoewel dit verplicht was. Kennelijk heeft de commissaris-generaal of een door hem aangewezen directeur-generaal ook de opleidingsactiviteiten waaraan de verzoeker moest deelnemen niet vastgesteld. Voor zover als nodig kan verzoeker ook nog bijgevallen worden dat de verwerende partij tekortgeschoten is in de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht: bij gebreke aan opleiding, leiding en begeleiding kan er van een deugdelijke evaluatie van de stagiair geen sprake zijn, en werd de bestreden beslissing genomen met miskenning van het zorgvuldigheidsbeginsel. […].”
  22. De verwerende partij betwist deze conclusie niet. Uit haar in punt 6 vermelde brief waarin zij meedeelt dat de bij het voorliggende beroep betrokken partijen een regeling hebben getroffen waarbij de bestreden beslissing “voor onbestaande” wordt gehouden, blijkt veeleer het tegendeel. Daargelaten de vraag of de bestreden beslissing kan worden aanzien als een onbestaande rechtshandeling, ziet de Raad van State alvast geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt het eerste middel gegrond. Het past dan ook om de bestreden beslissing met een vernietiging uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, mede in het belang van de duidelijkheid en zekerheid van de rechtssituaties en de rechtsverhoudingen. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. VII. De vordering tot schorsing
  23. De nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan geen voorwerp meer heeft. XIV-37.894-8/9 BESLISSING
  24. De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur van de Algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie (DGR) van de Federale Politie van 6 november 2018 waarbij verzoeker wegens beroepsongeschiktheid wordt ontslagen op 7 november 2018 om 24.00 uur.
  25. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  26. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-37.894-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.