← België

Arrest 245119 - Politie (federale reglementen) - 09/07/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.119 Rolnummer: A. 227177/XIV-37917 Zaak: Arrest 245119 - Politie (federale reglementen) - 09/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-12 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-24 01:13 Fiche Arrest nr 245.119 van 9 juli 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie (federale reglementen) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 245.119 van 9 juli 2019 in de zaak A. 227.177/XIV-37.917 In zake: David HILAERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse stationsstraat 35 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5344 SCHAARBEEK - EVERE - SINT-JOOST-TEN-NODE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.

  1. Het beroep, ingesteld op 11 januari 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het Politiecollege van de Politiezone Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-ten-Node, ook gekend als politiezone Brussel Noord of BruNo, PZ 5344, van 13/12/2018, ter kennis gebracht aan verzoeker bij ongedateerde brief, per-mail ter kennis gebracht aan diens beroepsorganisatie VSOA op 20/12/2018, houdende de beslissing tot ontslag van ambtswege wegens onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen.” 1.
  2. Op 4 maart 2019 heeft verzoeker een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissing ingesteld. XIV-37.917-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft in het kader van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid die bij het tussenarrest nr. 243.429 van 17 januari 2019 is verworpen, een nota en een administratief dossier ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. Op 4 maart 2019 heeft verzoeker een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissing ingediend. Eerste Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 mei
  4. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dieter Vanelverdinghe, die loco advocaat Siegfried De Mulder verschijnt voor verzoeker, en advocaat Thomas Eyskens die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een advies gegeven. XIV-37.917-2/9 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 243.429 van 17 januari
  7. Er wordt naar verwezen. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging - laatste memorie
  8. Bij de betekening van het auditoraatsverslag aan de verwerende partij is melding gemaakt van de inhoud van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. De verwerende partij werd er op gewezen dat zij binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van dat verslag kan vragen om artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State toe te passen.
  9. De verwerende partij dient op 27 maart 2019 een “nota houdende schriftelijke opmerkingen na een auditoraatsverslag „korte debatten‟” in. Zij verzoekt daarin niet om toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doch betwist dat de voorliggende zaak kan worden afgehandeld met een vernietiging van de bestreden beslissing volgens de procedure bij korte debatten.
  10. De procedure zoals toegepast door het auditoraat voorziet niet in de mogelijkheid om een dergelijke “nota houdende schriftelijke opmerkingen na een auditoraatsverslag „korte debatten‟” als een processtuk neer te leggen. XIV-37.917-3/9 Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten, die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de door de verwerende partij neergelegde “nota houdende schriftelijke opmerkingen na een auditoraatsverslag „korte debatten‟” op dergelijke feiten betrekking heeft, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de memorie geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Kortedebattenprocedure Uiteenzetting van het eerste middel
  11. In het eerste middel van zijn op 11 januari 2019 ingediende verzoekschrift verwijt verzoeker de verwerende partij onzorgvuldig handelen omwille van een schending van de materiëlemotiveringsplicht en een schending van artikel 125 van de wet van 7 december 1998 „tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus‟ (hierna: de wet van 7 december 1998). Hij zet in essentie uiteen dat krachtens het genoemde artikel 125 een onregelmatige afwezigheid van minstens tien dagen kan leiden tot een ontslag van ambtswege. De nadere voorwaarden zijn bepaald in de artikelen IX.I.5 en IX.I.6 van het RPPol, waarin onder meer voorzien is dat het betrokken personeelslid bij de in artikel 125 van de wet van 7 december 1998 bedoelde onregelmatige afwezigheid met een aangetekende brief in kennis wordt gesteld van de inhoud van artikel 125 en van de artikelen IX.I.6 en IX.I.10 van het RPPol en van de datum vanaf dewelke de in artikel 125 bedoelde termijn van tien dagen wordt berekend, waarna het betrokken personeelslid de mogelijkheid geboden wordt om binnen de tien dagen zijn argumenten of enig ander nuttig gegeven mee te delen dat toelaat te oordelen over het al dan niet onregelmatig karakter van de afwezigheid. Verzoeker voert aan dat hij in casu overeenkomstig die bepalingen bij brief van 28 november 2018 in antwoord op het aangetekend XIV-37.917-4/9 schrijven van de korpschef van 23 november 2018, de argumenten inzake zijn afwezigheid aan de korpschef heeft overgemaakt, met toevoeging van de ontbrekende medische attesten. Hij stelt in die brief ook ondubbelzinnig te hebben aangegeven in dienst te willen blijven. De bestreden beslissing wordt gemotiveerd op grond van de vaststellingen dat verzoeker de bepalingen van het RPPol inzake arbeidsongeschiktheid en medische voorgeschriften, evenals de bepalingen van GPI 8 niet heeft nageleefd, dat hij telefonisch werd gecontacteerd, dat lastens verzoeker reeds in augustus een tuchtdossier werd aanhangig gemaakt wegens laattijdige overdracht van medische getuigschriften, dat uit de brief van 28 november 2018 niet zou blijken dat het verzoeker onmogelijk was deze getuigschriften over te maken, dat niet blijkt dat er een oorzakelijk verband is tussen de door verzoeker aangevoerde omstandigheden en zijn onregelmatige afwezigheid, dat de medische getuigschriften laattijdig zijn en verzoeker geen bewijs levert van een element die hem belette zijn afwezigheid te rechtvaardigen en de medische getuigschriften te bezorgen, wat volgens verzoeker niet strookt met de rechtspraak inzake de toepassing van artikel 125 van de wet van 7 december
  12. Verzoeker meent dat doordat de verwerende partij haar beslis- sing niet baseert op de enige overweging of het vermoeden dat hij niet langer in dienst wenst te blijven al dan niet is weerlegd of als weerlegd dient te worden beschouwd, zij artikel 125 van de wet van 7 december 1998 schendt, evenals de materiëlemotiveringsplicht en de plicht tot zorgvuldig handelen. De overwegingen van de verwerende partij als zou verzoeker niet gehandeld hebben volgens de voorschriften inzake het bijbrengen van de nodige medische attesten, doet volgens verzoeker aan die vaststelling niets af. Beoordeling
  13. De toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: de algemene XIV-37.917-5/9 procedureregeling), is mogelijk indien blijkt dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist. De tweede hypothese zou te dezen aan de orde zijn, zijnde beroepen waarvan de oplossing, ook al ligt die niet onmiddellijk voor de hand, toch gemakkelijk kan worden gevonden in een kort debat. Het voorgaande neemt niet weg dat de toepassing van de kortedebattenprocedure met de nodige omzichtigheid moet worden toegepast wanneer blijkt dat die oplossing niet zo voor de hand liggend is als wordt voorgesteld en een verder doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk blijkt, zoals te dezen het geval is. De omstandigheid dat de verwerende partij, die zich ter terechtzitting verzet tegen de toepassing van de kortedebattenprocedure, de kans heeft om ter terechtzitting mondeling te repliceren op het verslag van de auditeur is niet relevant, nu een procedure voor de Raad van State uit kracht van wet schriftelijk is en een dergelijke repliek de debatten enkel nodeloos zou verlengen. Evenmin doet de vaststelling dat de verwerende partij tijdens de schorsings- procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een nota heeft ingediend, hieraan af.
  14. Ter terechtzitting betwist de verwerende partij, in reactie op het met toepassing van de kortedebattenprocedure opgestelde auditoraatsverslag gegrond bevonden eerste middel, de interpretatie die wordt gegeven aan artikel 125 van de wet van 7 december
  15. Zij betoogt in essentie - zoals zij eerder te berde bracht, met de eraan inherente beperkingen, in haar nota in het kader van de kortgedingprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid - dat zij het genoemde artikel 125 correct heeft toegepast. Een onregelmatige afwezigheid van minstens 10 dagen leidt volgens haar tot het ontslag van ambtswege. Ze wijst erop dat luidens de bepaling het statuut van de politieambtenaren hun beschikbaarheid waarborgt en dat zij niet zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst mogen wegblijven. Zij verwijst daartoe naar onder meer de parlementaire voorbereiding XIV-37.917-6/9 bij het in het eerste middel geschonden geachte artikel 125 en de aard zelve van het politieambt. Artikel 125 van de wet van 7 december 1998 huldigt het beginsel van de bijzondere beschikbaarheid van politieambtenaren en bepaalt het gevolg bij langdurige onregelmatige afwezigheden door middel van definitieve verwijdering van betrokkene uit zijn ambt. Voorts wijst ze nog op de artikelen IX.I.5, IX.V.6, X.II.3 en X.II.4 van het RPPol in hun onderlinge samenhang. Tot slot, verwijst ze op haar beurt naar rechtspraak ter staving van haar standpunt dat ingeval van een onregelmatige afwezigheid die niet gerechtvaardigd kan worden, de wet het ontslag oplegt. Haar standpunt lijkt niet van elke pertinentie ontbloot, te meer daar de door de partijen in hun respectievelijke memorie ontwikkelde standpunten niet werden mee behandeld in het verslag ex artikel 93 van de algemene procedureregeling, wat de Raad van State doet besluiten dat deze argumenten niet zonder verder onderzoek kunnen worden afgewezen.
  16. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State de conclusie van het auditoraatsverslag dat de zaak in zoverre met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van de algemene procedureregeling kan worden beslecht, niet bijvalt. De zaak dient voor de behandeling ten gronde dan ook te worden verwezen naar de gewone rechtspleging. VI. Vordering tot schorsing
  17. Omdat de Raad van State het auditoraatsverslag niet bijvalt dat het eerste middel met toepassing van de kortedebattenprocedure van artikel 93 van de algemene procedureregeling tot nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden, heeft de op 4 maart 2019 ingediende vordering tot schorsing nog steeds een voorwerp. XIV-37.917-7/9 Echter, de door verzoeker op 4 maart 2019 ingestelde (gewone) vordering tot schorsing die is ingediend vóór de neerlegging van het verslag bedoeld in artikel 24 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (zodat geen toepassing voorligt van artikel 17, § 1, derde lid, van die wet), is door de griffie van de Raad van State niet aan de verwerende partij betekend zodat deze over die vordering geen schriftelijk standpunt heeft kunnen innemen waardoor de vordering tot schorsing, in acht genomen de vereisten van het contradictoir debat, de eerbiediging van het recht van de verdediging en het beginsel van het dubbel onderzoek met het oog op een ernstige behandeling van de zaak, vooralsnog niet in staat is om te worden behandeld.
  18. Conclusie is derhalve dat de vordering tot schorsing die terug op de voorgrond treedt, volgens de desbetreffende regeling dient te worden voortgezet, wat te dezen betekent dat het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast over de uitvoering van de maatregelen die het onderzoek voorafgegaan te waken, evenals met een aanvullend onderzoek van de vordering tot schorsing waarover nog verslag moet worden uitgebracht. VII. Rechtsplegingsvergoeding
  19. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
  20. De Raad van State heropent het debat.
  21. De zaak wordt wat het beroep tot vernietiging betreft verwezen naar de gewone rechtspleging. XIV-37.917-8/9
  22. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het aanvullend onderzoek van de vordering tot schorsing. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-37.917-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.119 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.429 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.623 ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.