← België

Arrest 245122 - Politie - 09/07/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.122 Rolnummer: A. 227403/XIV-37945 Zaak: Arrest 245122 - Politie - 09/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-12 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 22:13 Fiche Arrest nr 245.122 van 9 juli 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 245.122 van 9 juli 2019 in de zaak A. 227.403/XIV-37.945 In zake : de VZW NATIONAAL SYNDICAAT VAN HET POLITIE- EN VEILIGHEIDSPERSONEEL (NSPV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joos Roets en Stefan Sottiaux kantoor houdend te 2018 Antwerpen Oostenstraat 38 bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 1 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 februari 2019 “waarbij werd geoordeeld dat de aanvraag van de NSPV tot vaststelling van de representativiteit als vakorganisatie niet binnen de reglementair bepaalde termijnen werd ingediend, en bijgevolg werd besloten dat niet voldaan werd aan de wettelijk en reglementair voorgeschreven voorwaarden om als representatieve vakorganisatie te worden beschouwd, en haar status wordt omschreven als een erkende (niet-representatieve) vakorganisatie”. XIV-37.945-1/7 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 243.756 van 19 februari 2019 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een pleitnota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019 . Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gert Op De Beeck, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joos Roets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XIV-37.945-2/7 III. Feiten. 3.1. De voor het voorliggende beroep relevante feiten zijn weergegeven in het tussenarrest nr. 243.756 van 19 februari 2019 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing werd ingewilligd. Er wordt naar verwezen. 3.2. Vervolgens, bij brief van 10 april 2019 deelt de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken aan de verzoekende partij wat volgt mee: “Overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, kan ik u bevestigen dat het NSPV beantwoordt aan de representativiteitsvoorwaarde bedoeld in artikel 6, tweede lid, 2°

  1. a)van de wet van 24 maart 1999. Ik heb de controlecommissie, bedoeld in artikel 14, § 1 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, hiervan in kennis gesteld opdat zij overeenkomstig de beslissing van de Raad van State (arrest nr. 243.756 d.d. 19 februari 2019), op grond van artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999 kan nagaan of het NSPV nog steeds aan het representativiteitscriterium bedoeld in artikel 6, tweede lid, 2°,
  2. b)van diezelfde wet voldoet.” 3.3. Met een brief van 17 april 2019 tot slot verzoekt de Controlecommissie van de representativiteit van de vakbondsorganisaties in de openbare sector de verzoekende partij om tegen uiterlijk 10 mei 2019 de gegevens over te maken die toelaten te onderzoeken of de verzoekende partij nog voldoet aan het criterium van het ledenaantal, bedoeld in artikel 6, tweede lid, 2°, b). IV. Toepassing kortedebattenprocedure Voorwerp van het beroep 4. Uit haar brief van 7 mei 2019 waarbij de verzoekende partij de in de punten 3.2 en 3.3 aangehaalde briefwisseling aan de Raad van State heeft XIV-37.945-3/7 bezorgd, blijkt dat zij daarin een “uitdrukkelijke, minstens impliciete, intrekking van de bestreden beslissing” ziet. Beoordeling 5. In zijn arrest nr. 243.756 van 19 februari 2019 heeft de Raad van State de bestreden beslissing in haar tenuitvoerlegging geschorst in essentie omdat prima facie werd geoordeeld dat artikel 12, § 1 van de wet van 24 maart 1999 de bevoegdheid om na te gaan of een vakorganisatie aan het in het artikel 6, tweede lid, 2°
  3. b)van de wet van 24 maart 1999 bedoelde representativiteitscriterium voldoet, rechtstreeks aan de Controlecommissie heeft toegewezen en dat deze commissie daartoe het initiatief moest nemen, wat niet is gebeurd. De bestreden beslissing die uitgaat van de minister, terwijl de bevoegdheid om te controleren of een vakbondsorganisatie voldoet aan het representativiteitscriterium de Controlecommissie toekomt, ging derhalve niet uit van de daartoe bevoegde overheid. Voorts oordeelde de Raad van State, in het genoemde arrest met betrekking tot de door de verzoekende partij gevorderde voorlopige maatregel, nog dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat (
  4. i)de verzoekende partij terug de status van representatieve vakorganisatie (en de daaraan verbonden prerogatieven) heeft, (
  5. ii)het de verwerende partij toekomt het gezag van gewijsde van een schorsingsarrest, evenals de motieven waarop dat schorsingsarrest steunt, te eerbiedigen en (iii) de vraag van de verzoekende partij om de verwerende partij te bevelen haar alle prerogatieven van een representatieve vakorganisatie toe te kennen, haar geen bijkomend voordeel bijbrengt zodat de gevraagde voorlopige maatregel overbodig was. 6. Met zijn in punt 3.2 genoemde brief van 10 april 2019 bevestigt de minister uitdrukkelijk dat de verzoekende partij voldoet aan de representativiteitsvoorwaarde bedoeld in artikel 6, tweede lid, 2°
  6. a)van de wet van 24 maart 1999. Wat deze representativiteitsvoorwaarde betreft, moet worden XIV-37.945-4/7 vastgesteld dat de bestreden beslissing niet is gesteund op de vaststelling dat de verzoekende partij er niet aan zou voldoen. De uitdrukkelijke bevestiging van de minister dat de verzoekende partij aan die voorwaarde voldoet, is bijgevolg geen nieuw gegeven dat een impact zou kunnen hebben op de bestreden beslissing en het beroep dat er tegen werd ingediend. In de mate de minister in datzelfde schrijven de verzoekende partij nog te kennen geeft dat hij aan de Controlecommissie heeft meegedeeld dat het haar toekomt om na te gaan of de verzoekende partij nog steeds aan het representativiteitscriterium bedoeld in artikel 6, tweede lid, 2°
  7. b)van de wet van 24 maart 1999 voldoet en dat deze commissie daartoe het initiatief moet nemen (wat zij inmiddels ook heeft gedaan), handelt de minister geheel overeenkomstig het arrest nr. 243.756 van 19 februari 2019. Hoewel te dezen geen beslissing voorligt waarbij de bestreden beslissing formeel en uitdrukkelijk ab initio wordt ingetrokken, neemt dit niet weg dat moet worden aangenomen dat de minister met zijn brief van 10 april 2019 de eerdere, in zijn tenuitvoerlegging geschorste beslissing heeft vervangen door een nieuwe beslissing die in de plaats van de bestreden beslissing is gekomen en waarmee de minister de onwettigheden volledig heeft weggewerkt - wat door de verwerende partij ter terechtzitting ook uitdrukkelijk wordt bevestigd. Het voorwerp van de bestreden beslissing wordt aldus teniet gedaan. Volledigheidshalve bemerkt de Raad van State dat in de hypothese de Controlecommissie op basis van de door de verzoekende partij bijgebrachte gegevens alsnog zou besluiten dat de verzoekende partij niet meer aan het representativiteitscriterium, bedoeld in artikel 6, tweede lid, 2°
  8. b)van de wet van 24 maart 1999, voldoet dit een nieuwe beslissing is die niet het voorwerp uitmaakt van het voorliggende annulatieberoep. Rekening houdende met het initiatief van de minister om de bij het arrest nr. 243.756 vastgestelde onwettigheden volledig weg te werken, is in het XIV-37.945-5/7 auditoraatsverslag terecht geoordeeld dat de afhandeling van deze zaak slechts korte debatten vergt. 7. Het voorliggende beroep heeft geen voorwerp meer. V. Kosten 8. Het verdwijnen van het voorwerp van het beroep is te wijten aan de verwerende partij zodat de verzoekende partij als de in het gelijk gestelde partij moet worden beschouwd zodat het in de gegeven omstandigheden past de kosten met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de verwerende partij te leggen. Met toepassing van artikel 67, § 2, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ wordt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding met 20 procent verhoogd indien het beroep tot nietigverklaring, zoals te dezen, gepaard gaat met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De rechtsplegingsvergoeding wordt begroot op een bedrag van 840 euro. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. XIV-37.945-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-37.945-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.122 Gerelateerde publicatie(
  9. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.756 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.