id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.127 Rolnummer: A. 217367/X-16393 Zaak: Arrest 245127 - Onbewoonbare en ongezonde/onveilige woningen - 09/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-18 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-24 01:12 Fiche Arrest nr 245.127 van 9 juli 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Onbewoonbare en ongezonde/onveilige woningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 245.127 van 9 juli 2019 in de zaak A. 217.367/X-16.
- In zake : Lydia VERHOEVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Vangeel kantoor houdend te 2440 Geel Diestseweg 155 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Roland Pockele-Dilles en Kris Cox kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stoopstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Burgemeester van de stad Antwerpen […] van 25 augustus 2015, door verzoekster ontvangen op maandag 31 augustus 2015, besluit bij de stad Antwerpen gekend onder referte SL/OV/15.008bis”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. é.629 van 26 januari 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-16.393-1/8 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. Verzoekster en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ineke Michielsen, die loco advocaat Bram Vangeel verschijnt voor verzoekster, en advocaat Fredrick Emmerechts, die loco advocaat Roland Pockele-Dilles verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Optredend “in het kader van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet”, draagt de burgemeester van de stad Antwerpen bij besluit van 9 april 2015 verzoekster, eigenares van het pand in de Duboisstraat 2-4 te 2060 Antwerpen, op om het gebouw af te breken, zo niet zal hij de werken van ambtswege op haar kosten en risico doen uitvoeren. X-16.393-2/8 Blijkens het besluit werd op 30 maart 2015 door een politie- inspecteur en een stadsingenieur een proces-verbaal opgesteld waarin is geacteerd dat het pand zeer bouwvallig is en mogelijk kan instorten, en dat de firma SPS werd opgevorderd “om het pand deftig af te sluiten”. 3.
- Nadat de burgemeester op 25 augustus 2015 het besluit van 9 april 2015 intrekt, beslist hij – met het thans bestreden besluit – “in het kader van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet”: “Artikel 2 Aan Lydia Verhoeven, wonende [te] Pettenlaan 4, 2400 Mol, eigenares van het pand, wordt verzocht onmiddellijk na betekening van onderhavig besluit onderstaande werken uiterlijk uit te voeren [binnen een termijn van] twaalf weken. - Definitieve en degelijke afsluiting van het pand. Het pand te laten onderzoeken door een stabiliteitsingenieur, zijn voorgestelde aanpassingen onder zijn toezicht te laten uitvoeren. Een attest te bezorgen van deze stabiliteitsingenieur waarin deze verklaart dat het pand zonder voorbehoud stabiel is, conform de vigerende normeringen; of Afbraak van het pand met waterdichte bescherming en stabilisering van de vrijgekomen mandelige muren. Artikel 3 Ingeval betrokkene niet aan artikel 2 voldoet, zal de burgemeester van ambtswege de hoger genoemde werken doen uitvoeren, op kosten en risico van de veroorzaker. Tevens bestaat de mogelijkheid tot schadeloosstelling ingevolge artikel 1386 van het burgerlijk wetboek.” 3.
- In een verslag van 25 november 2015 deelt de stabiliteitsingenieur waarop verzoekster een beroep deed mee dat de nodige aanpassingswerken in de woning aan de Duboistraat 2-4 werden uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat de instandhoudingswerken op een degelijke manier werden uitgevoerd en er geen stabiliteitsprobleem meer zal zijn, noch een gevaar voor instorting. 3.
- Met het oog op de behandeling door de Raad van State van verzoeksters vordering tot schorsing van het bestreden besluit, schrijft de advocaat van verzoekster in een e-mailbericht van 14 januari 2016 aan die van de verwerende partij: X-16.393-3/8 “Indien u mij per officiële brief bevestigt dat de beslissing is uitgevoerd en derhalve geen verder gevolg zal kennen, komt het mij voor dat wij beiden schriftelijk kunnen melden aan de Raad dat het beroep zonder voorwerp is geworden.” De raadsman van de verwerende partij antwoordt daarop met een e-mailbericht van dezelfde datum dat het bevel wel nog blijft bestaan en blijft gevolg hebben: “alleen moet er thans niet verder ingegrepen worden”. Ook op de terechtzitting van 15 januari 2016 deelt verzoekster mee dat de vordering volgens haar “zonder voorwerp” is geworden. De vordering tot schorsing wordt bij arrest nr. é.629 van 26 januari 2016 verworpen bij gebrek aan spoedeisendheid. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen en de auditeur
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij tegen dat verzoekster zonder actueel belang is: het bestreden besluit heeft zijn volle uitwerking gehad “door de instemming, minstens de berusting in feite door de verzoekster”.
- Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord dat verweerster het aangevochten besluit nog onmogelijk ambtshalve kan uitvoeren en dat dit volgens haar “inderdaad tot gevolg [heeft] dat er geen actueel belang meer is bij de vordering tot vernietiging”. Zij wijst erop dit reeds op 14 januari 2016 aan de raadsman van de verwerende partij te hebben meegedeeld, evenals tijdens de zitting over de schorsingsvordering. Evenwel meent verzoekster toch nog een actueel belang te hebben indien de visie zou worden gevolgd die de verwerende partij in haar e- mailbericht van 14 januari 2016 aannam. In dat geval immers, zo meent X-16.393-4/8 verzoekster, “zou verweerster conform artikel 3 van de beslissing ambtshalve kunnen afbreken”. In het dispositief van de memorie van wederantwoord vraagt zij in hoofdorde om het beroep “onontvankelijk te verklaren bij gebreke aan actueel belang”. Alleen “voor zover zou worden geoordeeld dat de bestreden beslissing ambtshalve uitvoerbaar blijft”, vraagt zij het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.
- In haar verslag gaat de eerste auditeur met verzoekster mee. Geoordeeld wordt dat de bestreden beslissing nog wel bestaat, maar niet langer uitvoerbaar is nu ze naar behoren is nageleefd: “Indien verwerende partij, naar de toekomt toe, van oordeel zou zijn dat het pand opnieuw – ondanks de inmiddels reeds uitgevoerde werken die zij goedkeurde en waarvan ze zelf stelde dat ze tegemoetkwamen aan hetgeen in het thans bestreden bevel werd vereist – een gevaar voor de openbare veiligheid uitmaakt zal zij dit in een nieuw besluit dienen te verwoorden.”
- In de laatste memorie verklaart verzoekster “[i]n aanvulling op hetgeen uiteengezet is in de memorie van wederantwoord” toch nog belang te hebben bij het beroep. Zij brengt daartoe een aanmaning bij van de verwerende partij van 21 januari 2019 om 2.248,54 euro te betalen vanwege kosten voor hekken ter afsluiting. Indien, aldus verzoekster, de bestreden beslissing vernietigd wordt, “is de terugvordering in ieder geval (en onder voorbehoud van bijkomende excepties) op geen enkele rechtsgrond gebaseerd”.
- Van haar kant, ten slotte, verklaart de verwerende partij zich “integraal” aan te sluiten bij het standpunt van de auditeur. Zij bevestigt dat, indien er zich een nieuwe onveilige situatie zou voordoen, “inderdaad een nieuwe beslissing genomen [dient] te worden”. Voor het overige argumenteert de verwerende partij dat verzoekster “haar belang hangende de procedure niet zomaar [kan] wijzigen” en X-16.393-5/8 dat “er geen voldoende rechtstreeks/causaal verband tussen de bestreden beslissing en het opgeworpen financieel nadeel [is]”. Beoordeling
- Niet eerder dan in de laatste memorie gewaagt verzoekster ter staving van haar belang van een terugvordering, die een rechtsgrond zou vinden in de bestreden beslissing. Niet alleen geeft verzoekster daarmee een volslagen nieuwe inhoud aan het belang waarop zij zich tot dan beriep, maar tevens blijkt de aanmaning ter zake betrekking te hebben op facturen, wegens de huur van een afsluiting, die allesbehalve nieuw zijn, maar verzoekster al ruim meer dan twee jaar bekend zijn. Bovendien en bovenal wordt vastgesteld dat verzoekster met geen enkel woord het verband tussen de bestreden beslissing en de huur van de afsluiting – die volgens de verwerende partij gebeurde “ingevolge het P.V. van 30 maart 2015” (zie sub randnummer 3.1) – toelicht en aannemelijk maakt. De invulling die verzoekster in de laatste memorie aan haar actueel belang geeft, kan de Raad van State niet overtuigen.
- Van een actueel belang is er in de visie van verzoekster dan nog alleen sprake in zoverre de Raad van State niet zou aannemen dat het bestreden besluit, door de uitvoering ervan, is uitgewerkt. Wat dat betreft, deelt de Raad van State de zienswijze in het auditoraatsverslag dat indien het pand in de toekomst opnieuw een gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou uitmaken, de burgemeester daar dan met een nieuw besluit zou dienen tegen op te treden. X-16.393-6/8 Het is een conclusie waartoe uiteindelijk, in haar laatste memorie, ook de verwerende partij kon komen na zich daarover initieel bepaald onbestemd, zo al niet terughoudend, te hebben betoond.
- De slotsom luidt derhalve dat verzoekster zonder actueel belang is bij het voorliggend beroep en dat het beroep om die reden als onontvankelijk wordt verworpen. V. Kosten Standpunt van de partijen
- Naar het oordeel van verzoekster, in de laatste memorie, moeten de kosten ten laste van de verwerende partij worden gelegd: verzoekster heeft zelf aangegeven dat de beslissing, door te zijn uitgevoerd, niet langer uitvoerbaar is en de vordering onontvankelijk, maar de verwerende partij bleef om onbegrijpelijke redenen in haar e-mail van 14 januari 2016 schrijven dat de beslissing behouden blijft en gevolg blijft hebben; de verwerende partij weigert dus de procedure te beëindigen.
- De verwerende partij betwist dat. In haar e-mail van 14 januari heeft zij “enkel willen aangeven dat het bevel – ook al is het niet langer uitvoerbaar wegens uitgevoerd – nog wel in de rechtsorde behouden blijft voor de bestaande situa[tie]”. Beoordeling
- Verzoekster doet aannemen dat zij, na het arrest over de vordering tot schorsing van de bestreden beslissing, niet de voortzetting van het geding zou hebben gevraagd indien de verwerende partij er reeds op dat moment, en niet pas later, toe gekomen kon zijn om voldoende duidelijk te erkennen dat, vermits de bestreden beslissing van de burgemeester was uitgevoerd, een nieuw optreden van de burgemeester een nieuwe beslissing zou vergen. X-16.393-7/8 In de gegeven omstandigheden past het alleen de kosten van de vordering tot schorsing ten laste van verzoekster te leggen. De kosten van het beroep tot nietigverklaring dienen ten laste van de verwerende partij te komen. Bij die kosten is geen rechtsplegingsvergoeding ten behoeve van verzoekster aangezien zij niet kan worden beschouwd als een “in het gelijk gestelde partij” in de zin van artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State verwijst verzoekster in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juli 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.393-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.127 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.629 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div