id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.133 Rolnummer: A. 225719/VII-40338 Zaak: Arrest 245133 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-11 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-21 06:54 Fiche Arrest nr 245.133 van 10 juli 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.133 van 10 juli 2019 in de zaak A. 225.719/VII-40.
- In zake : Hildegarde DE ROUCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Van Assche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de NV SARANTA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 juli 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0989 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna : RvVb) van 12 juni 2018 in de zaak 1617/RvVb/0399/A. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 16 augustus 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. VII-40.338-1/7 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 oktober
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Klaas De Pauw, die loco advocaat Pieter Van Assche verschijnt voor verzoekster, en advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.338-2/7 III. Feiten 3.
- Met een besluit van 15 december 2016 verklaart de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) het administratief beroep van verzoekster tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze (hierna: college) van 16 augustus 2016 onontvankelijk. Met dit laatste besluit verleent het college aan de SA Global Telecom Organisation Holding een stedenbouwkundige vergunning “voor de afbraak bestaande gebouwen, verplaatsen zendmast Belgacom en inbreidingsproject met nieuwbouw van 56 appartementen, 4 woningen, ruimte voor handel, diensten of kantoren op het gelijkvloers, ondergrondse parking en buitenaanleg (site Torck)”. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van verzoekster tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid Exceptie
- De tussenkomende partij voert aan: “[…] Maar er is meer. De drie cassatiemiddelen handelen over een onbesproken tweede PSA-verslag door de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Dit vormde enkel een gedeelte (een naderhand gevoegd middelonderdeel) van het enig middel van verzoekende partij voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen verwerpt de vordering tot vernietiging van verzoekende partij wegens het niet aannemelijk maken van het risico op hinder door verzoekende partij (zodat de onontvankelijkheid van het beroep voor de deputatie behouden blijft). Het cassatieberoep waarin cassatiemiddelen worden aangevoerd die één van de zelfstandige motieven van het bestreden arrest niet bekritiseren, kan in principe niet leiden tot cassatie van het bestreden arrest […]. De bodemrechter is niet gehouden te antwoorden op alle argumenten die VII-40.338-3/7 de verzoekende partij ter staving van haar middel heeft aangevoerd, maar die geen afzonderlijk middel uitmaken. De verplichting van artikel 149 Grondwet elke rechterlijke uitspraak met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormt […]. Door haar drie cassatiemiddelen te enten op het tweede PSA-verslag (dat door de RvVb onbesproken bleef) doch geen doorslaggevend motief was om het middel te behandelen, heeft verzoekende partij geen belang bij het cassatieberoep. Het cassatieberoep is onontvankelijk”.
- Verzoekster antwoordt dat de tussenkomende partij wel “aan[geeft] dat de drie cassatiemiddelen geënt zijn op het feit dat er nergens in de beslissing van de [RvVb] naar het tweede verslag wordt verwezen, waarop nochtans diverse middelen zijn geënt”. Beoordeling
- Verzoekster voert drie middelen aan. In een eerste middel voert zij de schending aan van artikel 149 van de Grondwet iuncto artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Zij stelt dat de RvVb “wel degelijk [heeft] gezien dat de stukken 15 en 17 twee verschillende verslagen van [de] provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar betreffen en dat deze inhoudelijk tegenstrijdig zijn”, dat zij daar in de wederantwoordnota heeft op gewezen “in het onderdeel handelend over de zorgvuldigheid van de beoordeling en de motiveringsverplichting [...] bij de beoordeling in het kader van de devolutieve werking van dit dossier” en de RvVb “in het kader van de beoordeling van de opgeworpen middelen, en meer bepaald met betrekking tot het eerste middelonderdeel dat hierover spreekt, geen enkele beoordeling [heeft] gemaakt” en “niet in[gaat] op deze tegenstrijdigheid en het opgeworpen onderdeel”. Zij licht toe dat het middel dat de RvVb bespreekt “het tweede en derde middelonderdeel, tevens onderdelen van het eerste middel” betreft “maar niet expliciet noch impliciet omtrent de onzorgvuldigheid en het gebrek aan materiële VII-40.338-4/7 motivering voor wat betreft de twee tegenstrijdige verslagen die voor respectievelijk na de hoorzitting zijn opgeworpen en waarvan het laatste niet bekend is gemaakt aan de verzoekende partij”. Verzoekster voert in het tweede middel de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 4.7.23, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ( hierna : VCRO) iuncto artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 2009 tot regeling van sommige onderdelen van de administratieve beroepsprocedure inzake stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen, en de hoorplicht. Zij zet uiteen dat het tweede verslag van de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar “pas na de hoorzitting werd opgesteld […] niet aan de partijen is overgemaakt” waaruit moet “worden afgeleid dat dit stuk niet in de procedure is gevoegd, minstens dat aan de partijen niet de kans is gegeven om hier repliek op te geven”, dat het bestreden arrest door “gewoonweg niet te verwijzen (behalve in de feiten) naar de discussie omtrent de zorgvuldigheid en de materiële motiveringsverplichting, die bestond ingevolge het dubbele en tegenstrijdige verslag van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar, heeft de [RvVb] op geen enkele wijze gemotiveerd waarom de deputatie tot een zorgvuldige beslissing is kunnen komen op basis van deze stukken” en dat het bestreden arrest aangevoerde bepalingen schendt door “niet te antwoorden op het middelonderdeel dat […] verwijst” naar de “twee tegenstrijdige verslagen”. In een derde middel voert verzoekster de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en “het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van het recht van verdediging”. Zij betoogt dat de RvVb niet antwoordt op de feitelijke gegevens met betrekking tot de verslagen van de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar en “op basis van de gegevens die tijdens de hoorzitting naar voor zijn gekomen en waarbij nieuwe elementen naar voor zijn gekomen, […] niet beslist om de debatten te heropenen”. VII-40.338-5/7
- Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat : - verzoekster in haar verzoekschrift voor de RvVb één middel aanvoert, meer bepaald de schending van artikel 4.7.21, § 2, 2°, VCRO, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht; - de tussenkomende partij voor de RvVb benadrukt dat het belang van verzoekster zich beperkt tot de vraag of de deputatie het beroep al dan niet terecht onontvankelijk heeft verklaard; - verzoekster in haar wederantwoordnota voor de RvVb stelt dat zij “geen kennis heeft van het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar van 8 december 2016, dat na de hoorzitting werd opgesteld” en dat zij alleen kennis heeft van het verslag van 28 november 2016, waarin wordt geadviseerd het beroep ontvankelijk te verklaren.
- Het bestreden arrest overweegt vooraf dat de “discussie over de ontvankelijkheid van het annulatieberoep […] in dit geval samen[valt] met het onderzoek van het […] middel ten gronde” van verzoekster en onderzoekt vervolgens of verzoekster voldoet aan de vereisten in artikel 4.7.21, § 2, 2°, VCRO die dezelfde zijn als de vereisten in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO. Het bestreden arrest onderzoekt vervolgens de door verzoekster aangevoerde mobiliteitshinder en verstoring van haar woon- en leefgenot door de bestreden vergunningsbeslissing van de deptuatie en besluit zowel dat verzoekster deze hinder en nadelen niet concreet aannemelijk maakt als dat de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie afdoende gemotiveerd en niet kennelijk onjuist of onredelijk is. Om die reden verwerpt de RvVb het beroep van verzoekster.
- De middelen van verzoekster zijn niet gericht tegen deze beoordeling van de RvVb. VII-40.338-6/7
- Het cassatieberoep is onontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.338-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.133 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div