← België

Arrest 245153 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 11/07/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.153 Rolnummer: A. 228515/X-17540 Zaak: Arrest 245153 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 11/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-12 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 22:04 Fiche Arrest nr 245.153 van 11 juli 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 245.153 van 11 juli 2019 in de zaak A. 228.515/X-17.

  1. In zake: Wim AERNOUDT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Michiel Descheemaeker kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: INTERGEMEENTELIJKE VERENIGING VOOR HET AF VALBEHEER VOOR OOSTENDE EN OMMELAND (IVOO) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aube Wirtgen en Sietse Wiels kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 4 juli 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van de Raad van Bestuur van de [Intercommunale Vereniging voor het Afvalbeheer voor Oostende en Ommeland] van 18 juni 2019 tot oplegging van de voorwaarden dat [Wim Aernoudt] overeenkomstig de artikelen 13 en 48 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, binnen een termijn van 15 dagen, die ingaat vanaf de dag na de dag van deze beslissing van 18 juni 2019, ontslag neemt als gemeenteraadslid en schepen van de stad Gistel en bij gebreke hieraan [A.H.], benoemd wordt als algemeen directeur”. X-17.540- 1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019, om 10.30 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michiel Descheemaeker, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Sietse Wils, die in eigen naam en loco advocaat Aube Wirtgen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verwerende partij is een intercommunale vereniging voor het afvalbeheer voor Oostende en ommeland (hierna: IVOO) die de vorm aanneemt van een opdrachthoudende vereniging in de zin van artikel 398, § 2, 3°, van het decreet van 22 december 2017 „over het lokaal bestuur‟. De deelnemende gemeenten zijn Bredene, Gistel, Ichtegem, Middelkerke, Oostende en Oudenburg. 3.
  6. Met het oog op de invulling van het ambt van algemeen directeur van het IVOO, wordt een selectieprocedure georganiseerd. X-17.540- 2/10 3.3 Verzoeker die schepen is van de stad Gistel en tevens provincieraadslid is van de provincie West-Vlaanderen, stelt zich kandidaat voor deze functie. 3.
  7. De selectiecommissie rangschikt verzoeker als eerste kandidaat en A.H. als tweede kandidaat. 3.
  8. De Raad van Bestuur van het IVOO gaat op 18 juni 2019 over tot de voorwaardelijke benoeming van verzoeker als algemeen directeur van het IVOO. Hoewel er geen decretale onverenigbaarheid is tussen het ambt van algemeen directeur en een schepenambt, is de Raad van Bestuur van oordeel dat er belangenconflicten kunnen ontstaan indien verzoeker nog schepen van de stad Gistel zou blijven. Zij beslist daarom aan de benoeming van verzoeker de voorwaarde te verbinden dat hij binnen een termijn van vijftien dagen die ingaat van de dag van haar beslissing, ontslag neemt als gemeenteraadslid en als schepen van de stad Gistel en indien verzoeker dit niet doet zij zal overgaan tot de benoeming van de tweede gerangschikte kandidaat, A.H. Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4 Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. X-17.540- 3/10 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting
  9. Verzoeker motiveert de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering als volgt: “
  10. Dat voorliggend verzoekschrift hoe dan [ook] voldoet aan de vereiste van uiterst dringende noodzakelijkheid vloeit voort uit het loutere feit dat verzoekende partij zijn ambt als schepen en gemeenteraadslid in de stad Gistel verliest, indien hij deze niet neerlegt binnen de 15 dagen na de dag van de beslissing en [A.H.] bijgevolg dan ook benoemd wordt tot algemeen directeur.
  11. Vooreerst merkt verzoekende partij op dat hij in ieder geval diligent gehandeld heeft. De beslissing werd hem op 18 juni 2019 via e-mail bezorgd en via aangetekende brief op 25 juni
  12. Bijgevolg wordt op een maximum van 2 weken tijd onderhavig verzoekschrift ingediend. […] Opgemerkt moet worden dat verzoekende partij ook door verwerende partij met de rug tegen de muur geduwd wordt en dienaangaande een afweging moet maken tussen zijn politieke mandaten in de stad Gistel en een job waarvoor hij net een volledige selectieprocedure – met succes – doorlopen heeft. Dit is een afweging waar niet licht mee omgegaan kan worden en waarbij verzoekende partij ook niet over een nacht ijs is gegaan. Er kan niet verwacht worden dat verzoekende partij – geconfronteerd met dergelijke beslissing – onmiddellijk deze knoop zonder meer kan doorhakken. Verzoekende partij heeft dan ook contact opgenomen met verschillende personen om deze beslissing te kunnen doorspreken en werd zo gewezen op het feit dat de voormelde voorwaarden juridisch niet evident zijn. Dienaangaande heeft verzoekende partij ook op 28 juni 2019 de leden van de Raad van Bestuur aangeschreven met een uiteenzetting van de argumenten waarom de voorwaarden vermeld in de beslissing problematisch zijn. Er werd dan ook melding gemaakt dat een procedure geïnitieerd zou worden bij Uw Raad, indien voormelde voorwaarden niet ingetrokken zouden zijn tegen dinsdag 2 juli 2019 omstreeks 12u
  13. Uit de beslissing blijkt dat de Raad van Bestuur zal overgaan tot de benoeming van [A.H.], indien verzoekende partij zijn politieke ambten in de stad Gistel niet neergelegd heeft. Deze beslissing en de openbaarmaking van de niet-benoeming van verzoekende partij zal dan ook een morele schandvlek en imagoschade met zich meebrengen voor verzoekende partij, die onherroepelijk zal zijn, indien hij dient te wachten op een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of in een beroep tot nietigverklaring. Dit niet in het minst aangezien verzoekende partij reeds vele jaren politiek actief is als o.m. gemeenteraadslid, provincieraadslid en momenteel ook als schepen. X-17.540- 4/10 De voorwaarden die opgelegd worden in de beslissing zijn ook integraal geschoeid op vermoedens van belangenvermenging, het verstoren van evenwichten binnen de Raad van Bestuur, het niet kunnen naleven van o.m. algemene loyauteitsverplichtingen, het afwezig zijn van objectiviteit en onafhankelijkheid en de kwalijke perceptie die bij het publiek dienaangaande gecreëerd zou worden bij een gebeurlijke benoeming, indien verzoekende partij niet verzaakt aan zijn politieke mandaten. In deze beslissing wordt m.a.w. aan verzoekende partij een volledig gebrek aan moreel kompas verweten, indien hij zijn mandaten niet neerlegt. Aangezien verzoekende partij zelf op verschillende niveaus politiek actief is en zijn kandidaatstelling reeds bij brede groep mensen kenbaar is gemaakt, brengt het niet-benoemd worden dan ook zware morele schade met zich mee. In de eerste plaats lijdt verzoekende partij morele schade doordat hij zich geconfronteerd weet met een rangschikking, waarbij hij met kop en schouders boven de tweede kandidaat uitkomt, niet nageleefd ziet worden, maar daarnaast de publieke opinie („perceptie van het publiek‟), die er vanuit kan gaan dat verzoekende partij een volledig lak heeft aan deontologische principes, aangezien hij niet ingaat op de vermelde voorwaarden. Van politici mag verwacht worden dat de regels die zij zelf voorschrijven ook nageleefd worden. Het feit dat verzoekende partij niet benoemd zou worden, zal dan ook door de publieke opinie geïnterpreteerd worden dat verzoekende partij de intentie had om functies te cumuleren die – schijnbaar – niet te cumuleren vallen. Het behoeft geen betoog dat politici die onrechtmatig willen cumuleren en aan onrechtmatige belangen- vermenging doen, door de publieke opinie bikkelhard aangepakt worden en er niet nagelaten wordt hen aan de schandpaal te nagelen. De schade die verzoekende partij dienaangaande dan ook zou lijden is niet min, het feit dat dit in hoofde van een actief politicus is en dienaangaande een publiek figuur, maakt het risico op het publiek maken hiervan dan ook des te groter. Het feit dat bij een latere schorsings-en/of vernietigings- procedure de benoeming nog zou kunnen rechtgezet worden, zal alvast de geleden schade niet meer kunnen rechttrekken. De publieke opinie zal reeds zijn oordeel geveld hebben. De kans dat de „buitenwacht‟ van deze voorwaarden lucht krijgt, is quasi met zekerheid vast te stellen. De notulen van de Raad van Bestuur worden namelijk overgemaakt aan alle deelnemende gemeenten. Deze documenten vallen uiteraard onder het inzagerecht van de verschillende raadsleden. Bijgevolg hebben liefst 158 raadslieden (inclusief verzoekende partij zelf) toegang tot deze documenten. Het feit dat een naburige politicus verzaakt aan de opgelegde voorwaarden waarbij in de beslissing zelf niet geschuwd wordt om mogelijke belangenvermenging toe te schrijven aan verzoekende partij bij het niet naleven van deze voorwaarden, levert uiteraard mooi voer op.
  14. Daarnaast dient vastgesteld worden dat de enige wedde die verzoekende partij momenteel ontvangt de wedde van schepen in de stad X-17.540- 5/10 Gistel is (naast de presentiegelden als provincieraadslid in de provincie West-Vlaanderen). Indien verzoekende partij zijn politieke mandaten binnen de stad Gistel neerlegt, heeft dit ook tot gevolg dat hij zijn integrale wedde als schepen verliest. Indien verzoekende partij echter niet benoemd wordt, dient hij ook opnieuw te solliciteren naar nieuw werk. Verzoekende partij had alles ingezet om de aanstellingsprocedure voor de functie van algemeen directeur tot een goed einde te brengen, waarin hij in zekere zin ook in geslaagd is. Dit heeft dan ook tot gevolg dat hij momenteel niet alleen werkervaring mist, maar daarnaast ook de wedde misloopt waar hij bij zijn benoeming recht op had.” Beoordeling
  15. Er moet worden aan herinnerd dat de toepassing van de procedure „bij uiterst dringende noodzakelijkheid‟ een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aannemelijk moet maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een X-17.540- 6/10 gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen. Maar er is meer. Immers, niet anders dan het geval is in een gewone schorsingsprocedure, is vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een eventueel vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een dergelijk arrest kunnen worden goedgemaakt.
  16. Verzoeker wijst er vooreerst op dat hij door de bestreden beslissing “met de rug tegen de muur geduwd wordt en dienaangaande een afweging moet maken tussen zijn politieke mandaten in de stad Gistel en een job waarvoor hij net een volledige selectieprocedure – met succes – doorlopen heeft” en dat “indien hij [zich] niet neerlegt binnen de 15 dagen na de dag van de beslissing […] [A.H.] […] benoemd wordt tot algemeen directeur”. De enkele omstandigheid dat verzoeker, indien hij zich niet neerlegt bij de bestreden beslissing, niet zal worden benoemd tot algemeen directeur maar wel A.H., impliceert evenwel geenszins dat aan verzoeker na een eventueel vernietigingsarrest dat de onwettigheid van de thans bestreden beslissing vaststelt, geen volledig rechtsherstel meer zou kunnen worden verleend, mits verzoeker in voorkomend geval ook de beslissing houdende de benoeming van A.H. met een annulatieberoep bestrijdt om zijn eigen kans op een benoeming te vrijwaren. De voornoemde omstandigheid toont derhalve niet aan dat verzoeker als eerste geselecteerde voor de benoeming van algemeen directeur in zodanige mate schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing ondervindt dat hij de uitspraak over een beroep tot nietigverklaring niet kan afwachten. Ze kan dan X-17.540- 7/10 ook de uiterst dringende noodzakelijkheid van de voorliggende vordering niet verantwoorden.
  17. Verzoeker stelt voorts dat de bestreden beslissing en de openbaarmaking van zijn niet-benoeming een “morele schandvlek” is en “imagoschade” met zich zal meebrengen en dat hem in deze beslissing “een volledig gebrek aan moreel kompas verweten [wordt], indien hij zijn mandaten niet neerlegt”. Volgens verzoeker zal dat alles door de publieke opinie zo gepercipieerd worden dat hij “de intentie had om functies te cumuleren die – schijnbaar – niet te cumuleren vallen” en dat hij “lak heeft aan deontologische principes, aangezien hij niet ingaat op de vermelde voorwaarden”. Met de verwijzing naar een “morele schandvlek”, “imago- schade” en “een volledig gebrek aan moreel kompas” maakt verzoeker op geen enkele wijze concreet aannemelijk dat het beweerde nadeel niet zou kunnen worden goedgemaakt door de genoegdoening die een eventueel vernietigingsarrest hem zou verschaffen. De omstandigheid dat het “publiek” de bestreden beslissing mogelijk foutief zou kunnen interpreteren in die zin dat verzoeker “lak heeft aan deontologische principes” en verschillende functies wil cumuleren, is geen gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en kan de uiterst dringende noodzakelijkheid van de voorliggende vordering evenmin verantwoorden.
  18. Ten slotte doet verzoeker gelden dat als hij zijn politieke mandaten neerlegt, dit tot gevolg heeft dat hij zijn integrale wedde als schepen verliest en als hij dit niet doet, hij niet wordt benoemd tot algemeen directeur en alleen zijn wedde als schepen van de stad Gistel en zijn presentiegelden als provincieraadslid in de provincie West-Vlaanderen heeft en genoodzaakt wordt om opnieuw te solliciteren. X-17.540- 8/10 In de mate dat verzoeker alludeert op een financieel nadeel, moet worden vastgesteld dat hij in zijn verzoekschrift geen informatie geeft omtrent zijn vermogenstoestand. Hij verschaft geen enkele toelichting over de samenstelling van zijn gezin, over de inkomsten van zijn gezin en over het bedrag van de maandelijkse lasten. Evenmin wordt enig stuk bijgebracht dienaangaande. Verzoeker toont dus niet met concrete gegevens aan dat het voorgehouden financieel nadeel zo zwaar is dat het niet zou kunnen worden hersteld met een vernietigingsarrest. Dat verzoeker genoodzaakt wordt om opnieuw te solliciteren, is niet het gevolg van de bestreden beslissing, maar wel het gevolg van zijn eigen keuze om niet zijn mandaten van gemeenteraadslid en schepen in de stad Gistel neer te leggen.
  19. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker niet aantoont dat hij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een dergelijk arrest kunnen worden goedgemaakt. Verzoeker toont met andere woorden niet aan dat zijn vordering uiterst dringend is.
  20. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt de vordering. X-17.540- 9/10
  22. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een vergoeding van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 juli 2019, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Bruno Seutin X-17.540- 10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.153 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.782 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.