← België

Arrest 245181 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 16/07/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.181 Rolnummer: A. 216418/IX-8682 Zaak: Arrest 245181 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 16/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-22 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-21 22:07 Fiche Arrest nr 245.181 van 16 juli 2019 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.181 van 16 juli 2019 in de zaak A. 216.418/IX-8682 In zake : Nicolas VAN LAREBEKE-ARSCHODT woonplaats kiezend te 5550 Bohan Chemin des Grossarts 105 tegen : de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 13 juli 2015, strekt tot de nietigverkla- ring van het besluit van de raad van bestuur van de Universiteit Gent van 8 mei 2015 in zoverre daarbij Stefaan De Henauw, Kris Gevaert, Lea Maes en John Van Borsel bevorderd worden tot hoogleraar op 1 oktober
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 240.890 van 5 maart 2018 is het debat heropend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een aanvullend verslag op- gesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. IX-8682-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. De verzoekende partij en advocaat Matthias Castelein, die loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest van 5 maart
  7. Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  8. De verwerende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk is aangezien het verzoekschrift geen middel bevat dat voldoet aan de vereisten van artikel 2, § 1, 2°, van het algemeen procedurereglement. Zij argumenteert dat verzoeker in zijn verzoekschrift geen opdeling maakt in middelen of middelon- derdelen, maar zich beperkt tot het geven van kritiek op de bestreden beslissing in een ongestructureerd, onlogisch en onsamenhangend geheel, zonder per kritiek aan te tonen wat de geschonden bepaling of rechtsbeginsel is en hoe de bestreden IX-8682-2/16 beslissing deze bepaling of dat rechtsbeginsel schendt. Weliswaar voert hij bij de toelichting van zijn belang bij het beroep de schending aan van een aantal alge- mene beginselen van behoorlijk bestuur, maar in zijn betoog ten gronde koppelt hij nauwelijks terug naar deze beginselen. Bovendien verwijst verzoeker in zijn be- toog naar tal van oudere bevorderingsprocedures waarvan hij de rechtsgeldigheid niet aanvecht. Dit alles maakt verzoekers argumentatie complex en leidt tot de onmogelijkheid om met zekerheid te achterhalen wat hij precies bedoelt.
  9. In zijn memorie van wederantwoord geeft verzoeker aan vijf rechtsmiddelen aan te voeren en hij zet deze nog eens kort uiteen.
  10. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij, wat de ont- vankelijkheid van het beroep betreft, zich te gedragen naar de wijsheid van de Raad van State. Beoordeling 7.
  11. Hoewel het verzoekschrift niet steeds even duidelijk gestructu- reerd en geformuleerd is, was de verwerende partij in staat te achterhalen welke wettigheidsbezwaren verzoeker aanvoert tegen de thans bestreden beslissing, aangezien zij in haar memorie van antwoord verzoekers kritieken feilloos heeft ondergebracht in vijf middelen en elk van die middelen uitgebreid heeft beant- woord. 7.
  12. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het tweede onderdeel van het tweede middel Standpunt van de partijen
  13. In het tweede onderdeel van het tweede middel voert verzoeker aan dat de beslissing van de facultaire beoordelingscommissie in het kader van de IX-8682-3/16 uitvoering van arrest nr. 215.004 van 8 september 2011 van de Raad van State van 3 maart 2015 – die nadien wordt bijgevallen in de beslissing van de faculteitsraad van 18 maart 2015 en de thans bestreden beslissing van de raad van bestuur van 8 mei 2015 – “onterecht en onbillijk” is in de mate erin wordt besloten dat ver- zoeker niet voldoet aan de minimale criteria voor bevordering naar hoogleraar (goedgekeurd op de faculteitsraad van 21 juni 2007) aangezien hij niet voldoet aan het criterium ‘minstens 5 A1 publicaties als 1ste of laatste auteur gepubliceerd hebben in de top 25 percentiel van de tijdschriften in het vakgebied in de laatste 7 jaren (2003-2009)’ doordat hij slechts vier dergelijke publicaties kan voorleggen en verzoeker dienvolgens wordt uitgesloten van de finale vergelijking en rang- schikking. Verzoeker argumenteert dat hij wel aan dit criterium voldoet indien de laatste zeven jaren voorafgaand aan de datum van het indienen van de kandidatu- ren in aanmerking worden genomen (de periode maart 2003-februari 2010). De faculteit houdt voor dit criterium evenwel rekening met de periode januari 2003-december 2009 en weigert een publicatie van 23 februari 2010 in aanmerking te nemen, hoewel de doctoraten en de citatie-index wel in rekening worden ge- bracht tot 1 maart
  14. Verzoeker wijst erop dat het facultair reglement van 21 juni 2007 bepaalt dat de kandidaat vijf A1 publicaties als eerste of laatste auteur gepubliceerd moet hebben in het top 25 percentiel van de tijdschriften in het vakgebied in de laatste zeven jaren. Er wordt niet bepaald dat het over kalender- jaren gaat. Zoals ook al gesteld in het auditoraatsverslag over de zaak A.198.234 moet in dat geval het begrip ‘jaar’ in de eerste plaats worden begrepen in de eerste in het woordenboek Van Dale vermelde betekenis, namelijk “de tijd van 12 maanden”, en slechts ondergeschikt in de betekenis van een kalenderjaar. De beoordelingscommissie en de faculteit vermelden dat vele organismen die fondsen verstrekken om administratieve redenen met kalenderjaren werken wat de beoor- deling van wetenschappelijke productie betreft. Hier is echter het beoordelen van de activiteit van een persoon op datum van een kandidatuurstelling aan de orde en dan vereist de billijkheid dat ook de meest recente publicaties, zoals dit trouwens gebeurt inzake promotorschap van doctoraten en inzake de citatie-index, in aan- merking worden genomen. IX-8682-4/16
  15. De verwerende partij is daarentegen van oordeel dat het be- doelde tijdskader de kalenderjaren 2003-2009 beslaat, gelet op hetgeen vermeld is in het facultaire reglement van 21 juni 2007 en op het bij de uitnodiging tot kan- didaatstelling gevoegde sjabloon 3 waarin wordt vermeld ‘Onderzoek: A1-publicaties (2005-2009)’. Artikelen gepubliceerd in kalenderjaar 2010 werden derhalve terecht niet in aanmerking genomen. Gelet op de uitdrukkelijke omschrijving in de sjablonen die bij de uitnodiging tot het indienen van de kandidatuur waren gevoegd en de in het beoordelingsverslag opgenomen motivering, kan volgens de verwerende partij geen rekening worden gehouden met de omschrijving van het begrip ‘jaren’ in het Van Dale woordenboek. De betekenis in het woordenboek kan enkel aanvullend worden toegepast “wanneer de bepalingen van de ‘overeenkomst’ onduidelijk zijn”, hetgeen in casu niet het geval is aangezien “[d]e sjablonen [deel uitmaken] van de ‘overeenkomst”. In de sjablonen wordt voor de A1-publicaties ‘2009’ vermeld. Er valt niet in te zien, waarom de periode voor de A1-publicaties in het kader van de ‘minimale verwachtingen’ niet op hetzelfde moment zou eindigen als de periode van de inhoudelijke beoordeling van de A1-publicaties met het oog op rangschikking. Dat het promotorschap van doctoraten in aanmerking wordt genomen tot 1 maart 2010, acht de verwerende partij niet relevant. Dit betreft immers niet de A1-publicaties en bovendien werd voor het promotorschap uit- drukkelijk op het bij de uitnodiging tot kandidaatstelling gevoegde sjabloon 2 vermeld “promotorschap van doctoraten voor 01-03-2010”. Verzoeker kan daaruit niet zonder meer afleiden dat de A1-publicaties ook tot 1 maart 2010 in aanmer- king genomen zouden worden. Het tegendeel blijkt uitdrukkelijk uit de uitnodi- gingsbrief en de sjablonen. De verwerende partij argumenteert voorts dat alle kandidaten op dezelfde manier moeten worden behandeld en dat andere kandidaten ook maar A1 publicaties hebben opgegeven tot eind
  16. Dat verzoeker een oudere academicus IX-8682-5/16 is, verandert hier niets aan. Er anders over oordelen zou in strijd zijn met het ge- lijkheidsbeginsel en het principe patere legem. Volgens de verwerende partij is deze handelwijze geenszins onbillijk, maar transparant en objectief. Alle kandi- daten worden gelijk behandeld. Er valt niet in te zien waarom verzoeker een ver- schillende behandeling zou moeten genieten dan alle andere ZAP-leden. Gecon- tingenteerde bevorderingen zijn competitief en bijgevolg moet er een vergelijking gebeuren aan de hand van een standaardprocedure en niet ad hoc of afgestemd op het profiel of de suggesties van een kandidaat. Dit geldt des te meer nu bij de bevordering tot hoogleraar de nadruk wordt gelegd op de kwaliteit van het we- tenschappelijk onderzoek en het leiden van onderzoek. De verwerende partij merkt ook nog op dat verzoeker de toe- passingswijze van de criteria op voorhand kende aangezien deze ook werd ge- hanteerd in het kader van de bevorderingsronde van 2008, waar een gelijkaardig tijdskader werd toegepast. Verzoeker wist dus ruim op voorhand waaraan hij zich kon verwachten voor de bevorderingsronde 2010 en diende zelf ervoor te zorgen dat hij tijdig over de nodige publicaties beschikte. Indien er sprake is van een onzorgvuldig handelen, dan is dit enkel in hoofde van verzoeker zelf.
  17. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat vermits het facultair reglement zelf een onderscheid maakt tussen de begrippen ‘jaren’ en ‘kalenderjaren’, niet kan worden aangenomen dat het begrip ‘jaren’ alleszins be- grepen moet worden in de betekenis van kalenderjaren. Volgens verzoeker is de keuze voor kalenderjaren enkel ingegeven door praktische en gemaksoverwegin- gen, niet door het nastreven van grote zorgvuldigheid of maximale relevantie. Hij merkt daarbij op dat recente publicaties zeer relevant zijn voor de wetenschappe- lijke carrière van een onderzoeker en voor het beoordelen van de meest recente prestaties van een onderzoeker. Dit is de reden, aldus verzoeker, waarom gedu- rende bijna zijn gehele carrière, aan kandidaten voor benoeming of bevordering werd gevraagd om wetenschappelijke artikels die reeds voor publicatie werden aanvaard, maar nog niet werden gepubliceerd, toch te vermelden in de lijst van publicaties. Hij wijst ook erop dat voor elke bevorderingsronde tot 2008 andere IX-8682-6/16 criteria werden gehanteerd en dat hij gezien zijn leeftijd zijn activiteit niet meer kon aanpassen aan telkens veranderende criteria. Dit illustreert een gebrek aan zorgvuldigheid en billijkheid in het benoemings- en bevorderingsbeleid van de faculteit. Verzoeker merkt ook nog op dat hij, in tegenstelling tot wat de verwe- rende partij meent, niet wenst dat voor hem een ander tijdsinterval zou gelden dan voor de andere kandidaten. Hij meent dat alle kandidaatstellingen zo moeten worden onderzocht, waarbij het criterium van de A1-publicaties beoordeeld wordt op basis van een tijdsinterval van zeven jaren in plaats van zeven kalenderjaren.
  18. In haar laatste memorie argumenteert de verwerende partij dat het criterium met betrekking tot ‘A1-publicaties als 1ste of laatste auteur gepubli- ceerd in de top 25 percentiel van de tijdschriften in het vakgebied’ zowel voorkomt bij de minimumvoorwaarden, als bij de criteria voor rangschikking van de kan- didaten die aan de minimumvoorwaarden voldoen. Het verschil is het aantal jaren waaruit de publicaties kunnen worden geput: bij de minimumvoorwaarden geldt een tijdskader van zeven jaar, terwijl bij de rangschikking een tijdskader van vijf jaar geldt. Bij de minimumvoorwaarden is er in het facultair reglement sprake van ‘jaar’ zonder meer, bij de rangschikking wordt vermeld dat het over kalenderjaren gaat. Welnu, er is geen enkele reden waarom de minimumvoorwaarden zouden moeten worden beoordeeld in functie van periodes van twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indiening van de kandidatuur, terwijl de kandidaten die aan deze minimumvoorwaarden voldoen, wat ditzelfde criterium betreft, vervolgens gerangschikt zouden moeten worden in functie van kalenderjaren. De logica ver- eist dat in beide criteria het tijdskader van een ‘jaar’ op dezelfde manier wordt geïnterpreteerd. Uit niets – en al zeker niet uit het facultair reglement – blijkt dat de faculteit aan het begrip ‘jaar’ een verschillende interpretatie wenste te geven. Gelet op de uitdrukkelijke vermelding van ‘kalenderjaar’ in het criterium voor de rang- schikking, kan niet anders dan worden uitgegaan van kalenderjaren zonder meer, en niet van periodes van twaalf maanden voorafgaand aan de indiening van de kandidaturen. Dit is ook de manier waarop de beoordeling in casu is gebeurd. Bovendien hebben alle andere kandidaten hun kandidatuur in die zin opgesteld. IX-8682-7/16 Geen van de negentien andere kandidaten heeft immers publicaties uit 2010 ver- meld. Het criterium was dus voor alle kandidaten heel duidelijk. Ook op het bij de uitnodiging tot kandidaatstelling gevoegde sjabloon 3 wordt ‘2009’ vermeld en dus niet ‘2010’, ‘28 februari 2010’ of ‘1 maart 2010’. De waarde van dit document kan niet worden geminimaliseerd. Aangezien de beoordeling van de kandidatuurstellingen onder meer op basis van dit ingevulde sjabloon gebeurt en de faculteitsraad het bestuurscollege adviseert over de be- vordering, kan niet anders dan worden besloten dat dit sjabloon het akkoord van de faculteitsraad geniet. Dat op het sjabloon de periode 2005-2009 wordt vermeld – hetgeen vijf jaren omvat en niet de in het criterium omschreven zeven jaren – komt omdat sjabloon 3 betrekking heeft op de rangschikkingsvoorwaarde. Doch er is geen enkele reden om aan te nemen dat het begrip ‘jaar’ in de ene bepaling anders zou moeten worden begrepen dan in de andere bepaling. Overigens is de spraakgebruikelijke betekenis van het begrip ‘jaar’ in wetenschappelijke context voor wat het in rekening brengen van publica- ties betreft, overduidelijk ‘kalenderjaar’. De verwerende partij verwijst in dat verband naar de repliek van de beoordelingscommissie op de opmerking van verzoeker. Voor A1-publicaties is het lopende kalenderjaar per definitie incom- pleet en voor de carrièrecurve op dat ogenblik niet relevant. Verwezen kan worden naar onder meer de histogrammen per kalenderjaar bij de berekening van de H-index, evenals naar Vlaamse, federale en internationale financieringskanalen waar eveneens strikte tijdvensters worden gehanteerd en veelal enkel de weten- schappelijke output van de laatste vijf kalenderjaren van de loopbaan in overwe- ging wordt genomen. Ook voor de berekening van de impactfactor van een tijd- schrift wordt rekening gehouden met kalenderjaren. Voor iedere academicus is het duidelijk dat bij de beoordeling van publicaties het begrip ‘jaar’ als kalenderjaar moet worden geïnterpreteerd, en al zeker gezien de vergelijkende en competitieve context. In ieder geval lijdt het geen twijfel dat de begrippen ‘jaar’ en ‘kalender- jaar’ in casu dezelfde betekenis hebben en om die reden ook door elkaar gebruikt IX-8682-8/16 worden. Zo wordt ook in het verslag van de beoordelingscommissie bij de be- spreking van het criterium ter rangschikking gesproken van de “laatste 5 jaren”. Overigens, zelfs indien het begrip ‘jaar’ als de tijd van twaalf maanden begrepen moet worden, dan blijkt uit niets dat die twaalf maanden zou- den lopen tot de uiterste indieningsdatum van de kandidaturen. Nergens wordt immers de begin- of einddatum van de twaalf maanden vermeld. Het is perfect verenigbaar met de omschrijving van de in het facultair reglement vastgestelde criteria om die twaalf maanden te laten beginnen op 1 januari. Geen bepaling in dit reglement verhindert een analoge interpretatie als deze gegeven aan ‘kalenderjaar’ bij het criterium van de rangschikking.
  19. Verzoeker benadrukt in zijn laatste memorie nog dat voor doc- toraten en de Hirsch citatie index wel gegevens tot 1 maart 2010 in aanmerking werden genomen. Hij betwist ook dat het begrip ‘jaar’ in de spraakgebruikelijke betekenis bij academici ‘kalenderjaar’ zou zijn. Hij wijst erop dat academici veeleer denken in termen van academiejaar en dat voor de vierjaarlijkse evaluatie van professoren ook geteld wordt per academiejaar. Ten slotte laat hij ook op- merken dat het vroegtijdig afsluiten van de periode waarin publicaties in aanmer- king worden genomen in strijd is met het opzet om veel belang te hechten aan de recente wetenschappelijke activiteit van een kandidaat, daar er bijna altijd zes of meer maanden verlopen tussen het voor de eerste maal indienen van een artikel en de uiteindelijke publicatie ervan. Beoordeling 13.
  20. De artikelen V.24 en V.27 van de Codex Hoger Onderwijs leggen de bevoegdheid tot benoemen – waarbij ook het vastleggen van de voor- waarden tot benoeming behoort – bij het universiteitsbestuur. 13.
  21. Artikel 12, § 4, laatste lid, van het reglement van de Universiteit Gent ‘betreffende de benoeming of aanstelling, de bevordering, de evaluatie en het IX-8682-9/16 beroep van de leden van het Zelfstandig Academisch Personeel’ zoals vastgelegd door de raad van bestuur op 12 september 2003 – in de versie van toepassing op het moment van de bestreden beslissing – (hierna: het ZAP-reglement) bepaalt dat de gecontingenteerde bevorderingen van hoofddocent naar hoogleraar gebeuren “op een competitieve wijze op basis van de in artikel 14 beschreven kwalitatieve ei- sen”. Artikel 13, eerste lid, van het ZAP-reglement stelt dat “[d]eze bevorderingen gebeuren op basis van de verdiensten van de kandidaten”. Het tweede lid van artikel 13 bepaalt: “Op basis van het verslag van de beoordelingscommissie maakt de facul- teitsraad ten behoeve van de raad van bestuur een gemotiveerd voorstel voor bevordering over, en motiveert waarom de overige kandidaten op basis van het aantal beschikbare betrekkingen en/of evaluatie niet in aanmerking komen voor de vacante bevorderingsplaatsen. Uit die omstandige motivering moet blijken: ° dat de vergelijking van de titels en verdiensten daadwerkelijk is gebeurd; ° welke de objectieve, redelijke en pertinente criteria zijn die daarbij wer- den gehanteerd; ° welke de concrete redenen zijn waarom aan de voorgestelde kandidaten de voorkeur voor bevordering tot hoogleraar wordt gegeven.” In artikel 14, § 5, van het ZAP-reglement zijn onder meer de kwalitatieve eisen en criteria voor de graad van hoogleraar omschreven: “
  22. Hoogleraar Wetenschappelijk onderzoek De hoogleraren dienen in elk geval op hoogstaand niveau actief te zijn in het wetenschappelijk onderzoek. Daarbij moeten ze een ruime ervaring hebben in het leiden van onderzoek. Elke faculteit en gelijkgesteld orgaan dienen een standaardprocedure vast te leggen voor de appreciatie van het wetenschappelijk onderzoek van de hoogleraren. In deze procedure moeten de nodige garanties zijn ingebouwd opdat er effectief zou uit blijken of de hoogleraar wetenschappelijk op hoog- staand niveau presteert volgens de internationaal gebruikelijke standaarden voor het betrokken vakgebied. Hiervoor kan onder meer gebruik worden ge- maakt van beoordelingen opgemaakt door, bij voorkeur buitenlandse, onaf- hankelijke deskundigen van buiten de Universiteit Gent volgens de peer-refereeing-formule gevolgd door internationale tijdschriften. Ook kan worden gebruik gemaakt van bibliometrische gegevens. IX-8682-10/16 Het strekt tot aanbeveling dat de hoogleraren in staat zijn om onderzoeks- projecten op te zetten en de nodige fondsen voor de verwezenlijking ervan te verwerven. […].” 13.
  23. De criteria voor gecontingenteerde bevorderingen tot hoogle- raar, zoals goedgekeurd door de faculteitsraad van 21 juni 2007, bepalen onder de algemene principes: “
  24. Het Universitair reglement bepaalt: ‘Hoogleraren dienen in elk geval op hoogstaand niveau actief te zijn in wetenschappelijk onderzoek. Daarbij moeten ze een ruime ervaring hebben in het leiden van onderzoek. Het strekt tot aan- beveling dat de hoogleraren in staat zijn om onderzoeksprojecten op te zetten en de nodige fondsen voor de verwezenlijking ervan te verwerven’.
  25. Naast deze bepaling van het universitair reglement wordt beslist: - het geheel van de 3 pijlers van de universitaire opdracht (onderwijs, on- derzoek en dienstverlening) in overweging te nemen; gezien het bevorderingen naar hoogleraar betreft, wordt de nadruk gelegd op de kwaliteit van het we- tenschappelijk onderzoek en het leiden van onderzoek. - rekening te houden met de specificiteit van de discipline en het weten- schapsbeleid - rekening te houden met de aanstelling (voltijds, BOF, deeltijds, voltijds UZ aangesteld) - de volledige loopbaan in aanmerking te nemen, met speciale aandacht voor de laatste 5 jaar. […]
  26. Teneinde de bevorderingscommissie beter te informeren, wordt aan de kandidaten gevraagd, naast de feitelijke gegevens vermeld op het formulier, bijkomende informatie te verschaffen met betrekking tot hun prestatie op de 3 pijlers van de universitaire opdracht. M.b.t. onderzoek: een korte beschrijving van de onderzoekslijn waarvoor de kandidaat internationale erkenning en waardering geniet, met vermelding van zijn/haar 5 beste publicaties in dit onderzoeksgebied, en van zijn/haar plannen voor de uitbouw van deze onderzoekslijn in de volgende 5 jaar. M.b.t. onderwijs: […] M.b.t. dienstverlening: […].” Verder wordt bepaald: “Werkzaamheden van de beoordelingscommissie […] De evaluatie van kandidaten voor de drie universitaire pijlers wordt af- zonderlijk voorbereid door ad hoc werkgroepen […] Opdracht van de werkgroepen IX-8682-11/16 - rangschikking van de kandidaten per pijler (zonder kennis van de rang- schikking van de kandidaten voor de andere pijlers). Opdracht van de voltallige beoordelingscommissie - beoordeling activiteitenverslag van de werkgroepen - rangschikking van de kandidaten voor het geheel van de drie pijlers en selectie van de kandidaten die voorgedragen worden Fase 1: rangschikking van de kandidaten per pijler 1.
  27. Evaluatiecriteria onderwijs […] 1.
  28. Evaluatiecriteria wetenschappelijk onderzoek Voor de evaluatie van de pijler onderzoek wordt bijzonder belang gehecht aan de activiteit van de kandidaat als leider van een onderzoeksgroep en coach van jonge onderzoekers. Dit sluit aan bij de criteria die door de UGent gehan- teerd worden en geldt voor alle disciplines en vakgebieden onafgezien van het niveau van de impactfactoren van de tijdschriften in het betrokken vakgebied. Criteria voor de pijler wetenschappelijk onderzoek
  29. het (co) promotorschap van doctoraten, afgelegd voor de indiening van de kandidatuur (noot: per doctoraat kan er slechts 1 promotor en 1 co-promotor zijn]
  30. de bibliometrische analyse van de A1-publicaties van de laatste 5 ka- lenderjaren waarbij onder meer wordt gelet op het aantal eerste en laatste (groepsleider) auteurschappen, de ranking binnen het vakgebied, de citaties (gecorrigeerd voor het vakgebied) etc.
  31. het verwerven van onderzoeksfondsen […], fondsen bij internationale organisaties […] of onderzoeksopdrachten ten behoeve van private/industriële sponsors […] of ten behoeve van de overheid […]
  32. het verwerven van wetenschappelijke prijzen […] 1.
  33. Evaluatiecriteria wetenschappelijke/maatschappelijke dienstverlening […].” Tot slot worden ook de ‘minimale verwachtingen ten aanzien van kandidaten voor bevordering tot HL’ vastgelegd: “
  34. wetenschappelijk onderzoek - promotor of copromotor zijn van minstens 2 afgelegde doctoraten en minstens 1 lopend doctoraat. - minstens 2 onderzoeksfondsen verworven hebben als promotor of co- promotor. […] - minstens 5 A1 publicaties als 1ste of laatste auteur gepubliceerd hebben in de top 25 percentiel van de tijdschriften in het vakgebied in de laatste 7 jaar.
  35. onderwijs : […]
  36. wetenschappelijke en maatschappelijke dienstverlening […]
  37. een kandidaat moet voldoen aan de minimale verwachtingen voor elk van de 3 pijlers om in aanmerking te komen voor bevordering tot Hoogleraar.” IX-8682-12/16
  38. Het facultair reglement van 21 juni 2007 definieert niet wat onder het begrip ‘jaar’ moet worden verstaan. Voorts blijkt dat voor wat de mi- nimale vereiste ‘minstens 5 A1 publicaties als 1ste of laatste auteur gepubliceerd hebben in de top 25 percentiel van de tijdschriften in het vakgebied in de laatste 7 jaar’ betreft, niet wordt gespecificeerd dat het om kalenderjaren of academiejaren gaat. Wat de bibliometrische analyse van de A1-publicaties als criterium voor de rangschikking van de kandidaten die aan de minimale verwachtingen beantwoor- den betreft, wordt daarentegen wel uitdrukkelijk vermeld dat daarbij (de laatste vijf) kalenderjaren in aanmerking worden genomen. Het reglement hanteert aldus verschillende begrippen, die in beginsel elk een eigen betekenis hebben. Nochtans laat het reglement na om die termen nader te definiëren, alhoewel het begrippen zijn die voor uiteenlopende invulling vatbaar zijn; zo merkt verzoeker niet onterecht op dat in zijn academische wereld een ‘jaar’ ook opgevat wordt als een ‘academiejaar’. 15.
  39. Volgens de verwerende partij is er geen enkele reden waarom de minimale verwachtingen zouden moeten worden beoordeeld in functie van pe- riodes van twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indiening van de kandi- datuur, terwijl de kandidaten die aan deze minimumvoorwaarden voldoen, wat ditzelfde criterium betreft, vervolgens gerangschikt zouden moeten worden in functie van kalenderjaren. Zij meent dat het begrip ‘jaar’ op dezelfde manier moet worden geïnterpreteerd en dat aangezien er in het criterium met betrekking tot de A1-publicaties voor wat betreft de rangschikking van de kandidaten die aan de minimale verwachtingen voldoen sprake is van kalenderjaren, ook voor wat de minimale verwachting inzake A1-publicaties betreft, moet worden uitgegaan van (zeven) kalenderjaren. Dat blijkt alvast niet duidelijk uit de tekst van het facultaire reglement waar, zoals gezegd, in het ene geval uitdrukkelijk de term kalenderjaren wordt gebruikt, terwijl in het andere geval louter over jaren wordt gesproken. De verwerende partij gaat ook eraan voorbij dat het niet om hetzelfde beoordelings- IX-8682-13/16 criterium gaat. Het beoordelen of de kandidaten al dan niet voldoen aan de mini- male verwachtingen voor een bevordering tot hoogleraar is een eerste stap bij de beoordeling van de kandidaten, waarvoor specifieke criteria gelden. Pas daarna worden de kandidaten die aan de minimale voorwaarden voldoen gerangschikt, waarbij voor die fase andere, specifieke criteria worden gebruikt. Dat die criteria met elkaar verband houden, doet daaraan geen afbreuk. 15.
  40. De verwerende partij verwijst ter ondersteuning van haar ar- gumentatie ook naar het bij het kandidaatstellingsformulier gevoegde sjabloon 3 waar wordt vermeld: ‘sjabloon 3: A1-publicaties (periode 2005-2009)’. Zij erkent evenwel dat dit sjabloon wordt gehanteerd voor de rangschikking van de kandi- daten waarvan reeds geoordeeld is dat zij aan de minimale verwachtingen beant- woorden. Dit verklaart ook meteen waarom er op het sjabloon sprake is van een periode van vijf kalenderjaren. Zoals gezegd moet de rangschikking van de kan- didaten onderscheiden worden van het beoordelen of de kandidaten al dan niet aan de minimale verwachtingen inzake A1-publicaties voldoen. Voor die eerdere fase in het onderzoek van de kandidaturen gelden eigen criteria. Ter beoordeling van het criterium inzake de A1-publicaties wordt blijkbaar gebruik gemaakt van het wetenschappelijk curriculum dat onder meer een integraal overzicht van de pu- blicaties van de kandidaat bevat overeenkomstig bijlage 2 bij het model van solli- citatieformulier.
  41. Wat voorafgaat brengt de Raad tot de volgende conclusie. Bij afwezigheid van een specifieke definitie dienen de gebezigde termen in hun spraakgebruikelijke betekenis te worden begrepen. Welnu, zuiver taalkundig houdt het begrip ‘jaar’ een tijd van twaalf maanden in en wordt ‘ka- lenderjaar’ omschreven als de periode van 1 januari tot 31 december. Rekening houdend met die spraakgebruikelijke betekenis en het gegeven dat het facultair reglement voor de bibliometrische analyse wel specifiek IX-8682-14/16 de term ‘kalenderjaar’ hanteert, kan de door de verwerende partij voorgestelde interpretatie niet stand houden. Zelfs indien de faculteitsraad bij het aannemen van het ZAP-reglement niet de spraakgebruikelijke betekenis voor ogen had, maar inte- gendeel de concepten ‘jaar’ en ‘kalenderjaar’ als onderling inwisselbaar zag, dan verzet die onzorgvuldigheid bij de redactie van het reglement zich ertegen dat van een kandidaat die aantoont dat hij over vijf A1 publicaties beschikt zeven jaar voorafgaand aan de uiterste datum voor indiening van de kandidaturen op 1 maart 2010, wordt aangenomen dat hij niet aan de gestelde minimale voorwaarde vol- doet.
  42. Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  43. De Raad van State vernietigt het besluit van de raad van bestuur van de Universiteit Gent van 8 mei 2015 over de gecontingenteerde bevorderingen van hoofddocent naar hoogleraar 2008 en 2010, in zoverre daarbij Stefaan De Henauw, Kris Gevaert, Lea Maes en John Van Borsel bevorderd worden tot respectievelijk voltijds of deeltijds hoogleraar op 1 oktober
  44. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. IX-8682-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 juli 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8682-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.181 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.890 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.