id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.182 Rolnummer: A. 217987/IX-8788 Zaak: Arrest 245182 - Personeel van de rechterlijke orde - 16/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-22 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 22:26 Fiche Arrest nr 245.182 van 16 juli 2019 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Vernietiging bekendmaking Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.182 van 16 juli 2019 in de zaak A. 217.987/IX-8788 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Opdebeek kantoor houdend te 2630 Aartselaar Karel van de Woestijnelaan 7 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Raf VAN RANSBEECK woonplaats kiezend te 2170 Merksem Ringlaan 93 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 december 2015, strekt tot de nie- tigverklaring van het koninklijk besluit van 27 oktober 2015 waarbij Raf Van Ransbeeck wordt benoemd tot directeur van het Instituut voor Gerechtelijke Op- leiding. IX-8788-1/37 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Raf Van Ransbeeck heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 februari
- Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Anthony Poppe, die tevens loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- IX-8788-2/37 III. Feiten 3.
- Verzoekster is eerste substituut van de procureur des Konings te Antwerpen, afdeling Mechelen. Bij koninklijk besluit van 27 april 2007 is zij benoemd tot di- recteur van de gerechtelijke opleiding bij het Instituut voor de Gerechtelijke Op- leiding (hierna: het IGO). Het betreft een mandaatfunctie voor een (hernieuwbare) termijn van zes jaar. 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 29 november 2013 wordt een oproep tot kandidaten voor het mandaat van directeur bij het IGO bekendgemaakt. 3.3.
- Verzoekster kandideert op 30 december 2013 en vraagt met toepassing van artikel 15 van de wet van 31 januari 2007 ‘inzake de gerechtelijke opleiding en kennisbeheer en tot oprichting van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding’ (hierna: de wet van 31 januari 2007) om haar mandaat te hernieuwen. Bij haar kandidatuur voegt zij onder meer de met toepassing van artikel 23 van de wet van 31 januari 2007 opgestelde eindevaluatie van haar mandaat als directeur van het IGO van 27 mei 2013, die is afgesloten met de vermelding ‘zeer goed’. Op 22 januari 2014 verleent de procureur des Konings te Antwerpen, afdeling Mechelen – als korpschef van verzoekster – met toepassing van artikel 295 van het Gerechtelijk Wetboek een advies, waaruit blijkt dat haar ambt geen bezwaar heeft tegen een aanwijzing van verzoekster in de functie van directeur van het IGO. 3.4.
- Eveneens op 30 december 2013 dient de tussenkomende partij, raadsheer in het hof van beroep te Brussel, haar kandidatuur in. IX-8788-3/37 Op 15 januari 2014 verleent de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel met toepassing van artikel 295 van het Gerechtelijk Wetboek een gunstig advies met betrekking tot de kandidatuur van de tussenkomende partij. 3.4.
- Naast verzoekster en de tussenkomende partij zijn er nog twee andere kandidaten. 3.
- De federale overheidsdienst Justitie stuurt op 3 februari 2014 de kandidaturen aan de voorzitter van de Verenigde Benoemings- en Aanwijzings- commissie van de Hoge Raad voor de Justitie (hierna: de VBAC) voor advies. 3.
- Na vergadering op 26 maart 2014 verleent de VBAC een advies. Met betrekking tot de kandidatuur van verzoekster luidt het advies: “Mevrouw XXXX begon haar beroepsloopbaan als advocate bij de balie van Mechelen waar ze drie jaar is gebleven (1982 tot 1985). Vervolgens was ze gerechtelijk stagiair bij het parket van Leuven. In 1986 werd ze benoemd tot substituut-procureur des Konings bij het parket van Mechelen. Van 1986 tot 1988 was ze attaché op het kabinet van de minister van Justitie. In 1991 werd ze aangewezen voor het mandaat van eerste substituut. Bij het Mechelse parket waren haar activiteiten en verantwoordelijkheden zeer veelzijdig: bij diens afwezigheid de procureur des Konings vervangen en vertegenwoordigen, de leiding van de afdeling ‘gemeen recht’ en het visum, correctionele zittingen, bemiddeling in strafzaken, slachtofferonthaal als verbindingsmagistraat en het voorzitterschap van de raad voor slachtofferonthaal, de probatiecommissie, de Federale opvolgings- en evaluatiecommissie, de verslagen politiealarm, de preventieraad, het vijfhoeksoverleg, het voorzitterschap van het arrondisse- menteel rechercheplatform en van het begeleidingscomité bij het arrondisse- menteel informatiebureau in Mechelen, mensenhandel en sekten, onrustwek- kende verdwijningen als referentiemagistraat, bijzondere opsporingsmethoden en delicate dossiers als vertrouwensmagistraat, proactieve recherche en com- municatie als persmagistraat. In 2000 kwam ze bij de Hoge Raad voor de Justitie. Ze heeft er vrijwel twee mandaten vervuld, van 26 februari 2000 tot 30 november
- Op de HRJ heeft ze vele, verschillende verantwoordelijkheden uitgeoefend: voorzitter, bureaulid, voorzitter van de verenigde en Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissies, voorzitter van verschillende cellen en werkgroepen. Als bureaulid stond ze in voor de coördinatie en de dagelijkse werking van de instelling. Ze was onder meer betrokken bij materies als begroting, personeel, gebouw, informatica, materiaal … Met de andere bureauleden vertegenwoor- digde ze de HRJ ook naar buiten toe. De activiteiten van de commissies die ze gedurende twee mandaten heeft voorgezeten, betroffen voornamelijk de wer- IX-8788-4/37 ving (gerechtelijke stagiairs, kandidaat-magistraten, -referendarissen en -parketjuristen), de benoemingen en aanwijzingen en de vorming van ma- gistraten. In haar dossier van kandidaatstelling verklaart de kandidaat het volgende: ‘mijn taken bestonden voornamelijk in de vorming van magistraten. De conceptuele uitwerking van de vormingsprogramma’s – waartoe tal van deskundigenvergaderingen werden samengesteld en voorgezeten – leidde steeds tot de aflevering van een vormingsprogramma dat voor uitvoering aan de FOD Justitie kon worden overgemaakt. Samen met mijn Franstalige collega was ik verantwoordelijk voor het hele vormingsbeleid van de Hoge Raad voor de Justitie van 2000 tot eind
- Jaarlijks werden ook de richtlijnen en de programma’s voor de vorming van de magistraten voor- bereid. Ten slotte werden adviezen verleend aan de FOD Justitie over vormingsactiviteiten die door ‘derden’ worden georganiseerd en waarvoor de magistraten financieel werden tegemoetgekomen. Vanaf 2000 kreeg de vorming van magistraten een Europese en internationale dimensie. De voorzitters van de BAC’s hebben op zeer actieve en proactieve wijze meegewerkt aan de ontwikkeling ervan (EJTN uitwisselingsprogramma voor Europese magistraten ...). Er werden ook Europese seminaries geor- ganiseerd en voorgezeten met subsidies van de Europese Commissie. Naast de vorming moesten er activiteiten met het buitenland worden ontplooid (onder andere deskundigenopdrachten voor de Europese Commissie, op- richting en evolutie van het ENCJ – ‘European Network of Councils for the Judiciary’). In het bureau werd ik aangeduid als verantwoordelijke voor de internationale betrekkingen’. Ze was voorzitter van het Europese Netwerk van de Hoge Raden (ENCJ) van mei 2007 tot september
- Mevrouw XXXX kwam bij het Instituut voor gerechtelijke opleiding in december 2007 om het mandaat van directeur van de gerechtelijke opleiding uit te voeren, waar ze, samen met twee adjunct-directeurs, belast was met de da- gelijkse werking van het Instituut, en dat op een collegiale wijze. Tevens is ze voorzitter van de commissies van evaluatie van de gerechte- lijke stage. Bij de directie moest ze het hoofd bieden aan problemen over de perso- neelswerving, het gebouw en het beheer van de begroting; ze heeft deelgeno- men aan de uitwerking van een ‘mission statement’ en van het beleidsplan 2010-
- Volgens de kandidaat ‘schakelt het IGO na een moeilijke opstart vandaag in een tweede versnelling om de opleiding zo professioneel mogelijk aan te pakken en bij de doelgroep te brengen’. Ze geeft aan – dat het IGO heeft geïnvesteerd in een LMS (learning management system) ‘promote’ om een opleidingsportaal voor de doelgroep te ontwikkelen, – en dat er ook een project ‘ABA’ (behoeftenanalyse) werd opgestart. Mevrouw XXXX heeft lezingen, studiedagen en opleidingen in verschil- lende domeinen gevolgd: informatica, management … De Commissie heeft kennis genomen van de ‘andere beroepsactiviteiten’ die in het curriculum vitae van de kandidaat vermeld staan. Mevrouw XXXX onderscheidt zich door haar talenkennis (volgens haar cv: Nederlands, Frans, Engels, Spaans en Duits). Tijdens de hoorzitting werd haar IX-8788-5/37 kennis van het Frans beoordeeld als: zeer goed (op de volgende schaal: zeer goed, goed, gemiddeld, noties). Mevrouw XXXX heeft bij haar dossier van kandidaatstelling de eindeva- luatie van haar mandaat van directeur van het IGO (van 27 mei 2013) toege- voegd. De eindvermelding van deze evaluatie is: zeer goed. Bij brief van 4 maart 2014 aan de leden van de Verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie heeft mevrouw XXXX de wraking verzocht van twee leden van de Commissie, met name: mevrouw […] en mevrouw […]. Volgens de brief ‘is de reden van deze wraking dat deze twee personen hebben deelge- nomen aan de beraadslaging van de raad van bestuur van het Instituut voor gerechtelijke opleiding […], waarvan ze beiden deel uitmaken, naar aanleiding van een dossier waarin een aantal tekortkomingen me persoonlijk worden toe- geschreven. Hoewel de raad van bestuur van het IGO intussen een einde aan deze procedure heeft gesteld, na kennis te hebben genomen van mijn standpunt, hebben deze twee personen kennis van het hele dossier en van de grieven die erin voorkomen ...’. Bij brief van 6 maart 2014 heeft de […] wnd. voorzitter van de Commissie, aan mevrouw XXXX geantwoord dat de dames […] en […] nooit de intentie hadden om deel te nemen aan de vergadering van de VBAC betreffende het mandaat van directeur van het IGO aangezien zij dienden kennis te nemen van een procedure aangaande een van de kandidaten. Naar aanleiding van de bovenvermelde brief van 4 maart 2014 heeft de wnd. voorzitter van de Commissie, met het oog op de vergadering van 26 maart en teneinde de leden naar behoren op de hoogte te stellen, het wenselijk geacht om, overeenkomstig het beginsel van goed bestuur, een brief te sturen naar de […] voorzitter van de raad van bestuur van het IGO, met de vraag welk gevolg er werd gegeven aan de procedure die tegen mevrouw XXXX werd ingeleid. De heer […] heeft geantwoord bij een brief van 18 maart 2014 waarvan de inhoud hierna integraal wordt weergegeven: ‘Mijnheer de voorzitter, Mandaat van directeur van het instituut voor de gerechtelijke opleiding, adviesprocedure Deze brief wordt U gericht in mijn hoedanigheid van voorzitter van de raad van bestuur van het Instituut voor de gerechtelijke opleiding (IGO). De raad van bestuur heeft zich inderdaad bij twee gelegenheden (op 28 februari 2014 en op 14 maart 2014) gebogen over de functionering van mevrouw XXXX als directeur van het instituut. Voordien had de raad van bestuur een rapporteur aangesteld die een on- derzoek voerde ten einde na te gaan of er in hoofde van mevrouw XXXX al dan niet ernstige tekortkomingen waren die een verdere samenwerking met het instituut onmogelijk zouden maken. In dat geval zou de minister ge- adviseerd worden om een onmiddellijk einde te stellen aan het mandaat. Op 28 februari 2014 werd deze procedure afgesloten zonder dat een advies in die zin werd opgesteld. Gelet op de inhoud van het verslag van de rapporteur werden er door de raad van bestuur van 14 maart 2014 tal van richtlijnen opgesteld die in de toekomst door de directeur dienen nageleefd. Opvolging van het deze op- drachten zal nauwgezet gebeuren en de raad van bestuur zal maandelijks IX-8788-6/37 samenkomen. Door de korte tijdspanne is het proces-verbaal van deze laatste vergadering nog niet klaar en werden de instructies nog niet aan de directrice gecommuniceerd. Ik verwacht dat er in de loop van de namiddag deze richtlijnen zullen ge- redigeerd zijn en indien U dit wenst zal ik deze overmaken. […]’ Per mail van 19 maart 2014 heeft de heer […] aan de wnd. voorzitter van de Commissie, op vraag van deze laatste, de richtlijnen van de raad van bestuur die aan mevrouw XXXX zijn overgemaakt, meegedeeld. Uit de meegedeelde in- formatie blijkt dat deze richtlijnen aan de betrokkene werden overgemaakt per mail op 18 maart 2014, waarvan de inhoud hierna integraal wordt weergegeven: ‘[…] Mevrouw de Directeur, Gevolg gevend aan het verzoek van de raad van bestuur geformuleerd op 14 maart 2014 tijdens zijn bijeenkomst, heb ik de eer U volgende beslis- singen mee te delen: In antwoord op de ontvangen brief van de Hoge Raad van Justitie, zal worden geantwoord door de voorzitter dat de tuchtprocedure is beëindigd en dat tijdens de vergadering van 14 maart 2014 diverse aanbevelingen en richtlijnen zullen worden overgemaakt aan mevr. XXXX. (ter info, dit gebeurde op heden) - In uitvoering van het PV van de Raad van Bestuur van 28.2.2014, pagina 8 laatste alinea, pagina 9 vierde en vijfde opsommingspunt, beslist de Raad van Bestuur: - Om aan de minister voor te stellen een kader te creëren zodat de rol van de inspectie van Financiën kan worden voortgezet op permanente wijze; - Dat de structuur van de informatica en toegang tot de interne documenten wordt beschreven door de directie alsmede de wijze van controle; - Dat de Raad van Bestuur dient ingelicht te worden van alle voorgenomen outsourcing door de directie in verband met strategische visie en beleids- matige invulling van de opdrachten van het instituut en de kostprijs hiervan enerzijds, en anderzijds dat de Raad van Bestuur periodiek en op een uni- forme wijze wenst ingelicht te worden over de realisatie van operationele doelstellingen; - Dat de directie volledige rapportage dient te doen aan de Raad van Be- stuur van de door haar en medewerkers van het instituut uitgevoerde bui- tenlandse missies; - Dat de Raad van Bestuur kennis neemt van de brief van 27.2.2014 van de Inspecteur van financiën en vraagt aan de directie om de in de brief aan- gegeven gevolgen toe te lichten op de volgende zitting van de raad van bestuur; - Dat de directie de Raad van Bestuur op de hoogte dient te brengen van de stand van zaken bij het contracteren van een externe preventiedienst. - Dat de directie de raad van bestuur zal inlichten over de stand van zaken na de opdrachtbrief (zie bijlage) Verder wenst de raad van bestuur dat:
- Transparantie boekhouding (er zal worden gevraagd aan de revisor wat kan qua controle en er zal eventueel uitbreiding worden gevraagd van de IX-8788-7/37 huidige controle; de bedrijfsrevisor en de inspecteur van financiën zullen worden uitgenodigd op de volgende vergadering op 10 april 2014);
- Uiteenzetting inspecteur van Financiën op IGO over aanbestedingen; feedback van de directie over deze uiteenzetting met wijziging procedure;
- Financieel-juridisch adviseur zo spoedig mogelijk aanwerven;
- Informaticastructuur aanpassen en voorstellen aan de Raad van Bestuur middels een nota. Daarnaast stuur ik u ook nog eens de afgesproken data door voor de eerstkomende vergaderingen van de Raad van Bestuur: - Donderdag 10 april om 14u (afspraak revisor + IF + punt budget) - Dinsdag 22/4 om 14u. - Donderdag 22/5 om 14u. - Donderdag 26/6 om 14u Mevrouw de directeur, mag ik U uitnodigen aanwezig te willen zijn op 10 april om toelichting te geven bij het budget. De leden van de raad van be- stuur worden uitgenodigd voor een vlot verloop om in de mate van het mogelijke hun vragen in verband met het budget reeds voorafgaandelijk aan de directeur mee te delen. Mag ik u tevens verzoeken nota te willen nemen van de andere data van de vergaderingen? Mevrouw de directeur zou U tenslotte het nodige willen doen tot uitnodiging van de bedrijfsrevisor en de inspecteur van financiën of minstens mij het adres willen bezorgen van de bedrijfsrevisor, om aanwezig te willen zijn op de vergadering van 10 april 2014 om 14.00 h ten einde toelichting te geven van hun takenpakket en de verwachtingen die de leden van de raad van bestuur kunnen hebben. […]’ De informatie en de gegevens die voorafgaan hebben zeker de verbazing van de Commissie gewekt over de wijze waarop mevrouw XXXX het Instituut sinds 2007 heeft beheerd. Na onderzoek en opstelling van een verslag heeft de raad van bestuur wel beslist om de tuchtprocedure tegen haar te beëindigen en de minister van Justitie niet te vragen om een einde te stellen aan haar mandaat. Dat neemt echter niet weg dat de raad van bestuur op grond van de gedane vaststellingen het nodig achtte om aan de betrokkene een aantal aanbevelingen en richtlijnen te sturen in die zin van een versterking van de controle, en dat op nagenoeg alle niveaus: Inspectie van financiën, bedrijfsrevisor, informaticasysteem (structuur en controle), controle van alle outsourcing betreffende de strategische visie, de beleidsmatige invulling van de opdrachten van het IGO en de kostprijs hiervan, contracteren van een externe preventiedienst, transparante boekhouding, aanbestedingen, zo snel mogelijke aanwerving van een financieel adviseur... Volgens de Commissie zijn deze richtlijnen op zijn minst veelzeggend over de nalatigheden in het bestuur, onder meer het financieel bestuur, van het In- stituut en men kan zich er enkel over verbazen dat de eindevaluatie van het mandaat van mevrouw XXXX, die in mei 2013 is uitgevoerd door twee leden van de raad van bestuur, geen enkel probleem hierover vermeldt en eindigt met de vermelding ‘zeer goed’. Deze evaluatie lijkt in tegenspraak te zijn met de tekortkomingen die de invoering van een strikte controle en van een pluridi- mensionele omkadering van het IGO hebben gerechtvaardigd (zie boven). IX-8788-8/37 De verklaringen van mevrouw XXXX over deze verschillende punten tij- dens haar hoorzitting bleven vaag en hebben de Commissie niet overtuigd. De kandidaat gaf een moeilijke opstart van het IGO aan, een personeelstekort, de noodzaak om werkprocessen te herdefiniëren. Ze heeft ook de projecten ‘LMS promote’ en ‘ABA’ vermeld die het mogelijk maken om de te geven prioriteiten te kennen. De Commissie kan zich enkel verbazen dat na 6 mandaatjaren men nog steeds in deze fase zit en dat alle nodige corrigerende maatregelen niet werden genomen om een optimale werking van het Instituut te verzekeren. Tijdens haar hoorzitting werd de kandidaat ook ondervraagd over haar communicatievaardigheden en haar vaardigheid in de dialoog, en vooral over de redenen die hebben geleid tot een breuk met de universiteiten. In haar antwoord bleef mevrouw XXXX opnieuw zeer vaag en haar woorden waren demagogisch getint. Ze sprak onder meer over meningsverschillen, het gebrek aan middelen van het IGO, een aanvankelijk moeilijke communicatie met de universiteiten … Ze geeft aan de universiteiten nodig te hebben en het nieuw wetenschappelijk comité meer te willen betrekken. Ze stelt een analyse van de behoeften (project ‘ABA’ ...) voorop waarmee er meer duidelijkheid kon worden verkregen, maar ook meer overleg en meer dialoog. De Commissie begrijpt niet waarom con- crete initiatieven niet veel eerder werden genomen om de dialoog met de uni- versiteiten te herstellen. De door de kandidaat voorgestelde maatregelen hebben meer weg van intentieverklaringen; ze overtuigen niet en zijn in ieder geval laatkomend. Competentieprofiel (samenvattend rooster) Professionele kwaliteiten Zeer Geschikt Minder Niet geschikt geschikt geschikt 1 Een relevante administratieve en ma- nagementervaring inzake opleiding 5 9 2 4 (conceptie en organisatie) 2 Kennis en ervaring van de manage- mentstechnieken in human resources 3 7 7 4 en inzake veranderingsbeheer 3 Begrip van de organisatie van de ontwikkeling van het personeel, van 5 10 3 3 opleiding en stages in de schoot van de Rechterlijke Orde 4 Uitgebreide kennis op het gebied van het recht en in het bijzonder van de 4 9 5 3 rechterlijke organisatie 5 Ervaring in planning, coördinatie en budgettair beheer van projecten 3 5 4 9 6 Kennis en begrip van de Europese en internationale organisaties die be- 5 12 1 3 voegd zijn inzake rechte[r]lijke oplei- ding 7 Uitstekende communicatieve vaar- 4 6 5 6 digheden 8 Collegialiteits- en groepsgevoel 2 1 9 9 IX-8788-9/37 9 Kwaliteiten die het hem mogelijk maken het Instituut naar buiten toe te 4 8 4 5 vertegenwoordigen TOTAAL 35 67 40 46 Eindvermelding - Zeer geschikt: 3 - Geschikt: 6 - Minder geschikt: 5 - Niet geschikt: 6 […]” Over de kandidatuur van de tussenkomende partij stelt de VBAC: “Deze kandidaat behaalde in 1994, met grote onderscheiding, het diploma van licentiaat in de rechten. Hij behaalde in 2005 de academische graad van doctor in de rechten. De kandidaat was advocaat aan de balie te Dendermonde van 1 oktober 1994 tot 1 januari 1999, met specialisatie in het verbintenissen- recht, contractenrecht, handels- en economisch recht en zekerheidsrechten. Hij was tevens freelance medewerker van een advocaat bij het Hof van Cassatie en was lid van het advocatennetwerk OCIV. De kandidaat kan bogen op een grote ervaring binnen de academische wereld, dit onder meer als deeltijds wetenschappelijk medewerker (1995 tot 1997), als voltijds assistent verbintenissenrecht, privaatrecht, handels- en vennootschapsrecht en romeins recht aan de K.U.Brussel (van 1997 tot oktober 2003), als deeltijds (20%) wetenschappelijk medewerker/praktijkassistent aan de K.U.Brussel met als taak de begeleiding van studenten, het geven van mo- nitoraten en werkcolleges, het verbeteren van scripties en het geven van colle- ges (in de periode november 2003 tot oktober 2005), als doctor-assistent aan de K.U. Brussel belast met de werkcolleges verbintenissenrecht en de begeleiding van het stagevak (van november 2005 tot november 2010), als docent ‘juridisch Nederlands’ aan het universitair talencentrum van de K.U.Brussel. Heden vervult hij nog diverse lesopdrachten aan de K.U.Brussel, dit als (me- de-verantwoordelijke voor de vakken ‘rechten algemeen’, ‘juridische vaardig- heden II’, ‘rechtsmethodiek’ en ‘werkcolleges Nederlandse rechtstaal met in- begrip van pleitoefening’. Hij was lid van de raad van beheer van de K.U.Brussel van februari 1999 tot november 1999, lid van de onderwijsraad van de K.U.Brussel gedurende het academiejaar 1999-2000 en lid van de werkgroep voor onderwijsvernieuwing in de rechtsfaculteit van de genoemde universiteit. Aan deze academische en onderwijsgerelateerde functies dicht de kandidaat zijn ervaring met pedagogische richtlijnen en criteria en met het organiseren van praktisch georganiseerde stages voor studenten toe. Van oktober 2003 tot no- vember 2006 was hij gerechtelijk stagiair voor het gerechtelijk arrondissement Brussel. Van november 2005 tot december 2012 was hij rechter in de recht- banken van koophandel te Brussel en te Leuven. Hij vervulde in de rechtbank IX-8788-10/37 van koophandel te Brussel tevens de taken van persmagistraat (2011 tot 2012) en referentiemagistraat voor de werklastmeting (2011 tot 2012) en stond mee in voor de informatisering en de ontwikkeling van een interne rechtspraakdata- bank. Sinds december 2012 is hij raadsheer in het hof van beroep te Brussel. De kandidaat kan tevens bogen op een ervaring (sedert 2010) als ‘lid-magistraat van de zetel’ van het begeleidingscomité inzake gerechtelijke opleiding, als voorzitter van de Nederlandstalige vereniging voor magistraten, als bestuurslid van de Belgische afdeling van de Internationale Unie voor Ma- gistraten, als bestuurslid van de Vlaamse juristenvereniging
(2011), als lid van het Europees Justitieel Netwerk
(2009)en als medewerker aan het VLIR-UOS-project met betrekking tot het recht in Burundi. Uit het dossier blijkt dat de kandidaat een zeer grote aandacht betoont voor opleiding en per- manente vorming. Hij is onder meer houder van het certificaat van de gespeci- aliseerde opleiding voor toekomstige onderzoeksrechters en van de opleiding management voor magistraten, georganiseerd door het Instituut voor gerechte- lijke opleiding. Hij is (mede-) auteur van een groot aantal juri- disch-wetenschappelijke publicaties en artikels en (gewezen) redactielid van diverse juridische tijdschriften. Uit het dossier blijkt voorts dat de kandidaat spreker was op diverse studiedagen en dat hij een groot aantal opleidingen en vormingen heeft georganiseerd. De kandidaat wijst er in dit verband op dat hij het concept van vele opleidingen heeft uitgedacht en dat hij betrokken was bij de organisatie van verschillende vormingsinitiatieven, vanwaar zijn ver- trouwdheid met de conceptie, planning, coördinatie, organisatie en het bud- getbeheer van vormingen. Blijkens het dossier heeft de kandidaat een goede kennis van het Frans, een degelijke kennis van het Engels en een passieve kennis van het Duits. Hij is houder van een getuigschrift van kennis van de Franse taal in de zin van artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gedurende de hoorzitting wist de kandidaat zich zeer vlot uit te drukken in het Frans. Competentieprofiel (samenvattend rooster) Professionele kwaliteiten Zeer Geschikt Minder Niet geschikt geschikt geschikt 1 Een relevante administratieve en ma- nagementervaring inzake opleiding 7 7 6 1 (conceptie en organisatie) 2 Kennis en ervaring van de manage- mentstechnieken in human resources 1 12 8 0 en inzake veranderingsbeheer 3 Begrip van de organisatie van de ontwikkeling van het personeel, van 11 8 2 0 opleiding en stages in de schoot van de Rechterlijke Orde 4 Uitgebreide kennis op het gebied van het recht en in het bijzonder van de 13 8 0 0 rechterlijke organisatie 5 Ervaring in planning, coördinatie en budgettair beheer van projecten 2 13 5 1 IX-8788-11/37 6 Kennis en begrip van de Europese en internationale organisaties die be- 4 16 1 0 voegd zijn inzake rechte[r]lijke oplei- ding 7 Uitstekende communicatieve vaar- 8 9 1 0 digheden 8 Collegialiteits- en groepsgevoel 10 11 0 0 9 Kwaliteiten die het hem mogelijk maken het Instituut naar buiten toe te 10 9 2 0 vertegenwoordigen TOTAAL 66 93 25 2 Eindvermelding - Zeer geschikt: 10 - Geschikt: 7 - Minder geschikt: 2 - Niet geschikt: 0 […]” Vervolgens vergelijkt de VBAC de kandidaturen als volgt: “Na onderzoek van de dossiers van kandidaatstelling en naar aanleiding van de hoorzittingen is de Commissie van mening dat Raf Van Ransbeeck de meest geschikte kandidaat is om het mandaat van directeur van het Instituut voor gerechtelijke opleiding uit te oefenen, om de volgende redenen: Raf Van Ransbeeck is de enige kandidaat die zowel de kwaliteiten als magistraat, manager en academicus in zich verenigt en die een bijzondere voe- ling heeft met het volgen en het verschaffen van opleiding. Hij beschikt over een recente ervaring als magistraat, met name rechter in de rechtbank van koophandel te Brussel en raadsheer in het Brusselse hof van beroep, hetgeen hem een up-to-date beeld verschaft van de huidige werking, verzuchtingen en noden – dit tevens op het vlak van opleiding – in hoofde van de rechterlijke macht sensu lato. Deze hoedanigheid weet hij op uitmuntende wijze te ver- zoenen met een uitgebreid en recent wetenschappelijk parcours, onder meer als doctorandus, assistent en docent voor diverse vakken, waaronder de begelei- ding, als mede-vakverantwoordelijke van de stage in het kader van de bache- loropleiding. De kandidaat beschikt derhalve zonder de minste twijfel over een grote en actuele voeling met de academische wereld en kan als magistraat-academicus voorzeker een brugfunctie vervullen tussen het instituut voor gerechtelijke op- leiding en de Belgische en internationale universiteiten, waartussen de banden duidelijk opnieuw dienen versterkt te worden. Hij stond mee aan de wieg van een groot aantal opleidingen, functie die hij als coördinator en organisator on- getwijfeld van nabij en op een zelfstandige en inzichtelijke wijze diende te vervullen. Een en ander geeft hem onmiskenbaar een groot inzicht en voeling met de conceptie, de uitwerking en de budgettaire en praktische vraagstukken IX-8788-12/37 die inherent zijn aan het organiseren van opleidingen. De kandidaat is evenmin gespeend van leidinggevende capaciteiten en van een ruime interesse hiervoor, getuige de door hem gevolgde opleiding inzake management, de functies die hij vervulde als ‘lid-magistraat van de zetel’ van het begeleidingscomité inzake gerechtelijke opleiding, als voorzitter van de Nederlandstalige vereniging voor magistraten, als bestuurslid van de Belgische afdeling van de Internationale Unie voor Magistraten, als bestuurslid van de Vlaamse juristenvereniging, ge- zien de door hem uitgevoerde projecten als rechter in de rechtbank van koop- handel en zijn academische en opleidingsgerelateerde activiteiten. Ook op in- ternationaal vlak kan de kandidaat bogen op de nodige inzichten. Hij toont zich als een excellent communicator, die weloverwogen, duidelijk en gestructureerd zijn standpunten weet uiteen te zetten, dit in beide landstalen. Zijn uitgebreide professionele activiteiten duiden onmiskenbaar op een bij- zonder arbeidsethos en een onverdroten inzet. Deze vaststellingen uiten zich overduidelijk in de stemming over de kwaliteiten van de kandidaat, met name inzake de administratieve en managementervaring inzake opleiding, zijn kennis en ervaring inzake managementtechnieken, zijn begrip van de organisatie van de ontwikkeling van het personeel en de opleiding van het personeel van de rechterlijke orde, zijn uitgebreide kennis op het gebied van het recht, zijn er- varing inzake planning, coördinatie en budgettair beheer van projecten, zijn kennis en begrip van de Europese en Internationale organisaties voor rechter- lijke opleiding, zijn communicatieve vaardigheden, collegialiteit en represen- tatieve kwaliteiten, criteria waarop de kandidaat steeds in hoofdorde ‘zeer ge- schikt’, dan wel ‘geschikt’ wordt beoordeeld. Wanneer we kijken naar de samenvattende roosters (zie boven) is Raf Van Ransbeeck diegene die de meeste stemmen ‘zeer geschikt’
(66)en ‘geschikt’
(93)heeft gekregen voor de verschillende criteria van het competentieprofiel. De andere kandidaten hebben respectievelijk de volgende stemmen gekregen: - […]; - […]; - XXXX: 35 ‘zeer geschikt’ en 67 ‘geschikt’. Er dient te worden opgemerkt dat XXXX de enige is die een hoge score
(46)heeft behaald voor de rubriek ‘niet geschikt’. Wat de stemmen over de eindvermelding betreft (vermelding die lijkt op een globale evaluatie van de kandidatuur), heeft Raf Van Ransbeeck ook de beste beoordelingen gekregen: 10 ‘zeer geschikt’, 7 ‘geschikt’, 2 ‘minder ge- schikt’ en 0 ‘niet geschikt’, terwijl de andere kandidaten respectievelijk de volgende beoordelingen hebben gekregen: - […]; - XXXX: 3 ‘zeer geschikt’, 6 ‘geschikt’, 5 ‘minder geschikt’ en 6 ‘niet geschikt’; - […]. […] Het beroepstraject van XXXX is ontegenzeglijk veelzijdig. We nemen vooral in aanmerking haar 14 jaar ervaring als magistraat van het Openbaar Ministerie (substituut en eerste substituut bij het Mechelse parket), haar 2 mandaten bij de Hoge Raad voor de Justitie en haar mandaat bij het instituut voor gerechtelijke opleiding. De expertise die de kandidaat heeft verzameld, IX-8788-13/37 zou een troef kunnen zijn in het kader van de te voorziene functie. Gelet op de informatie die door de raad van bestuur is meegedeeld of voortkomt uit het dossier en de hoorzittingen (de noodzaak om richtlijnen te versturen in de zin van een striktere controle van het beheer van het IGO, het afspringen van de dialoog met de universiteiten, problemen met het wetenschappelijk comité, niet-optimale werking van het college met de adjunct-directeurs ...), ondanks de verklaringspogingen van de kandidaat, rijzen er evenwel ernstige vragen over hoe het instituut beheerd werd en over hoe de opdrachten ervan sinds 2007 werden uitgeoefend. In haar antwoord heeft de kandidaat niet overtuigd dat ze over de capaciteiten beschikt om het IGO weer in handen te nemen op een ge- loofwaardige wijze en deze optimaal te laten werken berustend op een gezond en transparant financieel beheer, op een werkelijk collegiale directie, die de dialoog met de academische wereld echt wil hervatten. Gelet op de gegevens in haar bezit is de Commissie van mening dat Raf Van Ransbeeck zich onder- scheidt van XXXX door zijn betere vermogen om het Instituut voor gerechte- lijke opleiding weer op het rechte pad te brengen en beter af te bakenen, en er een nieuwe dynamiek aan te geven, met als doel al haar opdrachten te vervullen met een adequate communicatie. Raf Van Ransbeeck onderscheidt zich ook door de betere beoordelingen die hij heeft gekregen voor de verschillende cri- teria van het competentieprofiel. In dat opzicht merken we op dat XXXX 40 stemmen ‘minder geschikt’ en 46 stemmen ‘niet geschikt’ heeft gekregen, wat onbetwistbaar een verhinderend beletsel vormt om haar kandidaatstelling in aanmerking te nemen.” De VBAC besluit vervolgens dat de tussenkomende partij ob- jectief gezien de beste kwaliteiten voorlegt om het mandaat van directeur van het IGO uit te oefenen en stelt de volgende rangschikking van de kandidaten op: “1) Raf van Ransbeeck; 2) […]; 3) […]; 4) XXXX.” 3.
- Met een nota van 8 april 2014 deelt de FOD Justitie aan de mi- nister van Justitie het advies van de VBAC mee en wordt de minister gevraagd een beslissing te nemen en een motivering te geven, teneinde een dossier op te stellen ter goedkeuring van de ministerraad. Omdat de regering in lopende zaken is, wordt een beslissing uitgesteld. IX-8788-14/37 3.
- Middels een nota van 21 januari 2015 wordt het dossier door de minster van Justitie voorgelegd aan de ministerraad. 3.9.
- Op 26 januari 2015 richt verzoekster een brief aan de minister van Justitie waarin zij stelt op de website van de Hoge Raad voor de Justitie het niet-bindende advies van de VBAC te hebben gelezen, waarbij zij als vierde kan- didaat werd gerangschikt. Verzoekster is van oordeel dat de HRJ zijn mening heeft gevormd “op basis van verkeerd interpreteerbare inlichtingen, die daarenboven sedertdien door verschillende objectieve bronnen en rapporten zijn weerlegd”. Verzoekster verwijst naar het feit dat op 18 maart 2014 aan de VBAC werd gemeld dat de interne procedure door de raad van bestuur van het IGO werd afgesloten. Doordat tal van interne richtlijnen uitgaande van die raad van bestuur aan de VBAC werden doorgezonden, is volgens haar een negatieve perceptie hoogst- waarschijnlijk aangezien de indruk wordt gewerkt dat er onvoldoende controle werd uitgeoefend en dat er tekortkomingen zouden zijn in het financieel en admi- nistratief beheer. Om dit tegen te spreken, vraagt verzoekster de minister kennis te willen nemen van een aantal verslagen en rapporten die deze negatieve beoorde- ling ontkrachten. Het betreft: - het rapport van de inspecteur van Financiën van 18 juli 2014 waarin wordt ge- steld dat “de risico’s beperkt zijn en de interne controle voldoende georganiseerd is om deze af te dekken” en dat “kan overwogen worden de huidige controle door de Inspectie van Financiën geheel of gedeeltelijk af te bouwen”; - het verslag van de bedrijfsrevisor van 22 mei 2014 waaruit blijkt dat uit nazicht van de rekeningen 2013 geen onregelmatigheden noch slecht bestuur kunnen worden afgeleid; - de weerslag van hun commentaren op de vergadering van de raad van bestuur van 22 mei 2014 waar de leden de gelegenheid hadden om hen alle vragen te stellen; - het verslag van het Rekenhof over de jaren 2009 tot 2013 van het IGO, bezorgd op 7 november 2014 waaruit eveneens blijkt dat er na een grondige audit geen bestuursfouten aangetoond kunnen worden in hoofde van de directeur van het IGO. IX-8788-15/37 Volgens verzoekster moet uit die documenten worden afgeleid dat het advies van de VBAC “onjuist en achterhaald is”. In het advies kon geen rekening worden gehouden met deze rapporten aangezien ze pas achteraf tot stand zijn gekomen. Verzoekster merkt evenwel op dat de benoemende overheid gelet op de zorgvuldigheidsplicht verplicht is het aanstellingsdossier te actualiseren en rekening te houden met alle relevante, recente informatie. 3.9.
- Met een brief van begin februari 2015 wordt aan verzoekster meegedeeld dat haar brief, samen met de bijlagen, zal worden toegevoegd aan het dossier. 3.
- Met het thans bestreden koninklijk besluit van 27 oktober 2015 wordt de tussenkomende partij benoemd tot directeur van het IGO. Het besluit is onder meer gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de Verenigde Benoemings- en Aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, verenigd in algemene vergadering van 26 maart 2014, tot een rangschikking van de kandidaten is gekomen; Overwegende dat uit wat voorafgaat, er overgegaan kan worden tot be- noeming van de voorgedragen kandidaat; […] Overwegende het advies van de ministerraad; Op voordracht van de Minister van Justitie en op advies van de in Raad vergaderde Ministers.” IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- Het eerste middel is geput uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het gelijkheidsbeginsel en de eruit voortvloeiende plicht tot vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoekster voert aan dat in het bestreden besluit geen verge- lijking van de titels en verdiensten van de kandidaten is gebeurd. Er wordt enkel IX-8788-16/37 verwezen naar de adviezen van de korpsoversten, het advies van de VBAC en de door de VBAC opgestelde rangschikking van de kandidaten, waarna wordt be- sloten “dat uit wat voorafgaat” kan worden overgegaan tot benoeming van de voorgedragen kandidaat. De benoemende overheid heeft dus niet alleen zelf geen vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten doorgevoerd, maar beschouwt de door de VBAC opgestelde rangschikking bovendien als een bindend advies dat zonder meer wordt bijgevallen, zonder dat wordt nagegaan of de titels en verdiensten van de kandidaten wel afdoende werden vergeleken. Het advies van de VBAC is evenwel geenszins bindend, zodat de benoemende overheid minstens de afwegingen en conclusies van het advies uitdrukkelijk moest bijvallen. Voorts voert verzoekster aan dat in het advies van de VBAC geen juiste en objectieve afweging van de titels en verdiensten van de kandidaten is gebeurd. Haar titels en verdiensten komen onvoldoende tot uiting, er werd ten onrechte rekening gehouden met een aantal vermeende negatieve elementen en de informatie waarop het advies steunt, is ondertussen achterhaald. Verzoekster verduidelijkt dat alle positieve elementen van haar kandidatuur in het advies worden overschaduwd door een negatieve beoordeling die voortspruit uit een procedure die tegen haar werd gevoerd in de schoot van het IGO en de aanbeve- lingen die de raad van bestuur van het IGO vervolgens heeft opgesteld. Verzoek- ster is van oordeel dat de voorzitter van de VBAC vooreerst niet gemachtigd was om bijkomende inlichtingen in te winnen bij de voorzitter van de raad van bestuur van het IGO over de tegen haar gevoerde procedure. Zij stelt dat die informatie de persoonlijke levenssfeer raakt en niet zomaar openbaar kan worden gemaakt in een benoemingsdossier en advies. Bovendien werd voor de andere kandidaten niet geïnformeerd naar mogelijke procedures en evaluaties en werden de kandidaten derhalve niet gelijk behandeld. Verzoekster meent ook dat haar kandidatuur ten onrechte negatief beoordeeld werd op basis van de ingewonnen informatie. Zo wordt voorbijgegaan aan het feit dat de tegen haar gevoerde procedure werd af- gesloten zonder dat enige maatregel tegenover haar werd geformuleerd of gead- viseerd aan de minister van Justitie. Er wordt ook onevenredig veel belang gehecht aan de richtlijnen die werden opgesteld door de raad van bestuur van het IGO. Uit IX-8788-17/37 deze richtlijnen kan geen negatieve beoordeling van verzoeksters prestaties als directeur van het IGO worden afgeleid, doch hoogstens de wens om nauwer be- trokken te worden bij en geïnformeerd te worden over de dagelijkse werking. Het is dan ook geheel ten onrechte dat in het advies wordt gesteld dat de ingewonnen informatie verbazing wekt over de manier waarop verzoekster het IGO sedert 2007 heeft beheerd. Het is niet omdat de raad van bestuur richtlijnen opstelt die in de richting gaan van een versterking van de controle dat daaruit conclusies getrokken kunnen worden over het beheer door verzoekster. De VBAC gaat haar bevoegd- heid te buiten wanneer zij vervolgens stelt dat er sprake is van “nalatigheden in het bestuur” en dat de eindevaluatie met conclusie ‘zeer goed’ over het mandaat van verzoekster daarmee in tegenspraak en derhalve onjuist is. De VBAC kan ver- zoeksters evaluatie niet zonder meer naast zich neerleggen met de loutere verwij- zing naar enkele richtlijnen waaruit geenszins een gebrekkig functioneren in hoofde van verzoekster kan worden afgeleid. Dit geldt des te meer nu het VBAC zelf geen onderzoek heeft gevoerd, maar zich louter heeft verlaten op de inlich- tingen die van de voorzitter van de raad van bestuur van het IGO zijn verkregen, zonder de interne werking van het IGO te kennen en zonder de context te kennen waarin de richtlijnen tot stand zijn gekomen. Dit vormt een schending van de zorgvuldigheidsplicht. Bovendien is de informatie waarop het advies steunt ach- terhaald door nieuwe gegevens, die verzoekster met een brief van 26 januari 2015 aan de minister van Justitie heeft bezorgd. Samen met die brief werden diverse stukken aan de minister bezorgd die haar “volledig vrij [pleiten] van het beweerde slechte beheer en de nalatigheden die de VBAC verzoekster verwijt”. In het advies van de VBAC is met deze nieuwe elementen geen rekening gehouden, maar ook in de bestreden beslissing is hiervan geen spoor terug te vinden. Nochtans heeft de benoemende overheid ten aanzien van verleende adviezen een vergewisplicht om na te gaan of het advies op zorgvuldige wijze werd verstrekt. De brief en bijlagen zijn dus niet betrokken bij de vergelijking van titels en verdiensten van de kandi- daten. Indien de benoemende overheid zelf geen nieuwe vergelijking van titels en verdiensten van de kandidaten wou opstellen, had zij minstens de plicht om aan de VBAC een nieuw – geactualiseerd – advies te vragen, gelet op de bijgebrachte nieuwe gegevens en de geruime tijd die verstreken was tussen het door de VBAC IX-8788-18/37 verleende advies van 26 maart 2014 en de bestreden beslissing op 27 oktober
- Verzoekster verwijst ten slotte nog naar het verslag van de regeringscommissaris in de raad van bestuur van het IGO en het bericht van de vertegenwoordiger van de minister van Justitie in de raad van bestuur van het IGO waarbij deze zich aansluit bij het voornoemde verslag, waaruit volgens verzoekster blijkt dat er van fouten of nalatigheden geen sprake was.
- De verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit steunt op de voordracht van de VBAC, waarnaar wordt verwezen. Aangezien het be- streden besluit geen motieven bevat die strijden met de motivering van die voor- dracht, moet worden aangenomen dat deze werd bijgevallen. Een uitdrukkelijke bijvalsverklaring is niet nodig. Voorts stelt zij dat overeenkomstig artikel 15 van de wet van 31 januari 2007 de voordracht door de VBAC geen bindend advies is en in het be- streden besluit ook niet als dusdanig werd gekwalificeerd. In de mate dat verzoekster aanvoert dat in het advies van de VBAC geen juiste en objectieve afweging van de titels en verdiensten van de kandidaten werd gemaakt, antwoordt de verwerende partij dat de beoordeling van verzoeksters kandidatuur niet louter steunt op de feiten die door de voorzitter van de raad van bestuur van het IGO werden meegedeeld, maar evenzeer op verzoek- sters reactie op die feiten tijdens de hoorzitting – er werd vastgesteld dat verzoek- sters verklaringen vaag waren en de VBAC niet konden overtuigen – alsook op het gebrek aan resultaten in de werking van het IGO. Zo werd geoordeeld dat de op- timale werking van het IGO na zes jaar beleid door verzoekster nog steeds niet werd verzekerd, dat verzoekster over haar communicatievaardigheden, de vaar- digheid in de dialoog en de breuk met de universiteiten zeer vage antwoorden verstrekte en haar woorden demagogisch getint waren, en dat de hernieuwde wil om de band met de universiteiten te herstellen laattijdig is. De adviezen van de regeringscommissaris bij het IGO en van de vertegenwoordiger van de minister van Justitie in de raad van bestuur van het IGO – de nieuwe gegevens waar de IX-8788-19/37 benoemende overheid volgens verzoekster rekening mee had moeten houden – doen geen afbreuk aan die beoordeling. De kandidatuur van de benoemde kandi- daat werd daarentegen onverdeeld positief beoordeeld en verzoekster weerlegt die beoordeling niet. Zelfs indien abstractie zou worden gemaakt van de richtlijnen die aan verzoekster door de raad van bestuur van het IGO werden opgelegd, heeft de benoemde kandidaat een duidelijk betere beoordeling gekregen. De VBAC heeft bij de vergelijking van de kandidaten dan ook terecht geoordeeld dat de benoemde kandidaat een beter vermogen heeft dan verzoekster om het IGO te leiden en er een nieuwe dynamiek aan te geven met een adequate communicatie. Volgens de ver- werende partij is het advies van de VBAC – en dus ook de bestreden beslissing – dan ook afdoende gemotiveerd. In zoverre verzoekster aanvoert dat de VBAC niet gemachtigd was om bijkomende inlichtingen in te winnen over de procedure die tegen ver- zoekster werd gevoerd aangezien deze de persoonlijke levenssfeer zou raken, argumenteert de verwerende partij dat de persoonlijke levenssfeer niet wordt aangetast door het opvragen van adviezen of evaluaties over het functioneren van een magistraat in het kader van een benoemingsprocedure en dat verzoekster bo- vendien geen bepaling inzake de persoonlijke levenssfeer aanwijst die zou zijn geschonden, waardoor het middel op dit punt onontvankelijk is. Zij is van oordeel dat het net van zorgvuldig bestuur getuigt dat de VBAC nadere informatie heeft ingewonnen met betrekking tot de problematiek, die rechtstreeks betrekking had op verzoeksters functioneren en haar leiding van het IGO. De verwerende partij ontkent ook dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn miskend doordat geen soortgelijke informatie werd gevraagd over het functioneren van de andere kandidaten. Zij wijst erop dat in de dossiers van de andere kandidaten blijkbaar geen elementen werden teruggevonden die ertoe noopten bijkomende inlichtingen te vragen en over de andere kandidaten adviezen werden gegeven door hun korpschef met toepassing van artikel 295 van het Gerechtelijk Wetboek – advies dat voor ver- zoekster beperkt was gelet op het gegeven dat zij reeds dertien jaar niet langer werkzaam is bij het parket van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. IX-8788-20/37 Waar verzoekster stelt dat in het advies van de VBAC wordt voorbijgegaan aan het gegeven dat de procedure tegen haar werd afgesloten zonder dat een maatregel werd genomen, dat er onevenredig veel belang wordt gehecht aan de richtlijnen die door de raad van bestuur van het IGO werden opgesteld waaruit geen negatief functioneren in hoofde van verzoekster kan worden afgeleid, dat ten onrechte wordt opgemerkt dat de verkregen informatie de verbazing wekt over de wijze waarop verzoekster het IGO sedert 2007 heeft geleid en dat de VBAC louter met een verwijzing naar de vernoemde richtlijnen niet kan voorbij- gaan aan het gegeven dat verzoekster een eindevaluatie met vermelding ‘zeer goed’ heeft gekregen, antwoordt de verwerende partij dat het negatief functioneren van verzoekster niet louter werd gehaald uit de richtlijnen die door de raad van bestuur van het IGO werden opgesteld, maar wel uit de vaststellingen die de VBAC zelf heeft gedaan, namelijk dat verzoekster tijdens de hoorzitting in gebreke is gebleven om overtuigende antwoorden te formuleren met betrekking tot de vaststellingen inzake haar beleid, de gebrekkige werking van het IGO en de ver- broken band met de universiteiten. Daarom kon worden geoordeeld dat verzoek- sters eindevaluatie in tegenspraak lijkt te zijn met de tekortkomingen die haar worden verweten. Dat de procedure tegen verzoekster zonder maatregel werd afgesloten, doet niet besluiten tot de onjuistheid van die vaststellingen. Ten slotte stelt de verwerende partij nog dat de bijkomende stukken die verzoekster op 26 januari 2015 aan de minister van Justitie heeft be- zorgd geen afbreuk doen aan de vaststellingen van de VBAC tijdens de hoorzitting met verzoekster. Zij wijst ook erop dat de VBAC slechts één advies kan verlenen en dat de minister van Justitie de gelijkheid tussen de kandidaten zou hebben ge- schonden indien hij voor verzoekster rekening zou houden met de door haar ver- strekte bijkomende gegevens terwijl de andere kandidaten geen bijkomende ge- gevens hebben kunnen indienen bij gebrek aan rechtsgrond hiervoor.
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat het advies van de VBAC steunt op achterhaalde informatie gelet op de nieuwe gegevens die zij op 26 januari 2015 aan de minister van Justitie heeft bezorgd en de IX-8788-21/37 objectieve vaststellingen door de regeringscommissaris en de vertegenwoordiger van de minister van Justitie in de raad van bestuur van het IGO, waarmee ten on- rechte geen rekening is gehouden. Het is dan ook ten onrechte dat de verwerende partij, ter verdediging van haar stelling dat de titels en verdiensten van de kandi- daten wel afdoende zijn vergeleken, in haar memorie van antwoord nog verwijst naar de richtlijnen die door de raad van bestuur van het IGO werden geformuleerd. Uit de voornoemde stukken blijkt dat in wezen een zondebok werd gezocht voor enige zaken die wrevel opwekken. De conclusie dat de opgelegde richtlijnen veelzeggend zijn over de wijze waarop verzoekster het IGO heeft geleid, wordt door deze stukken formeel tegengesproken. Hetzelfde geldt voor de conclusie van het VBAC dat de optimale werking van het IGO na zes jaar mandaat van ver- zoekster nog steeds niet werd verzekerd. Bovendien wordt dit ook tegengesproken door de evaluatie ‘zeer goed’. In de mate dat de verwerende partij verwijst naar de kritiek dat verzoekster tijdens de hoorzitting vaag en niet overtuigend was, repli- ceert verzoekster dat zij diende te schipperen tussen haar loyauteit aan de raad van bestuur van het IGO – waarvan zij op dat moment nog voorzitter was – en het verdedigen van haar kandidatuur, en dat zij dan ook niet vrijuit kon spreken. Wat de conclusies inzake de dialoog met de universiteiten betreft, merkt verzoekster op dat zij eerst het IGO moest uitbouwen vooraleer de samenwerking met de univer- siteiten op een degelijke manier kon worden uitgewerkt. De kritiek van de uni- versiteiten en de Hoge Raad voor de Justitie op het IGO zou volgens verzoekster geenszins haar functioneren betreffen, maar het gevolg zijn van een andere visie op hoe de taken van het IGO moeten worden vervuld, alsook van de hervormings- plannen van de minister van Justitie op dat ogenblik. Volgens verzoekster was er sprake van een machtsstrijd en is het al te kort door de bocht om deze thans te gebruiken om haar tekortkomingen in haar functioneren ten laste te leggen. Zij verwijst nogmaals naar het verslag van de regeringscommissaris in de raad van bestuur van het IGO en het bericht van de vertegenwoordiger van de minister van Justitie in de raad van bestuur van het IGO, waaruit volgens haar blijkt dat er van fouten of nalatigheden geen sprake was en dat zij het slachtoffer is geworden van onder meer verschillen in beleidsvisies over de rol en de toekomst van het IGO, waaronder de rol van universiteiten binnen het raam van de gerechtelijke oplei- IX-8788-22/37 ding. Het advies van de VBAC, dat zich in zeer agressief vernietigende termen uitspreekt over de managementkwaliteiten van verzoekster, houdt geen rekening met de inhoud van het benoemingsdossier en wat is voorafgegaan aan de hoorzit- ting en evenmin met wat na de hoorzitting is gevolgd. De verwerende partij heeft zich klakkeloos bij het advies aangesloten, zonder zelf enig bewijs voor te leggen van wanbeheer door verzoekster. Bovendien moet worden vastgesteld dat sedert de opgestelde richtlijnen geen enkele bijkomende controle op de directie van het IGO werd ingevoerd. Het tijdelijk uitgevoerde toezicht door de inspectie van Financiën werd door de raad van bestuur zelfs stopgezet. Dit alles ontkracht de inhoud van het advies van de VBAC. Wat het management van verzoekster betreft, kan wor- den vastgesteld dat sedert haar vertrek in november 2015 tot op heden organisa- torisch niets is veranderd bij het IGO. Geheel ten onrechte stelt de verwerende partij dan ook dat de adviezen van de regeringscommissaris of van de vertegen- woordiger van de minister van Justitie in de raad van bestuur van het IGO geen afbreuk doen aan de conclusies van de VBAC. Uit deze documenten blijkt precies de achtergrond in het licht waarvan de bemerkingen over verzoekster moeten worden gelezen. Daarenboven blijkt dat deze bemerkingen ongegrond zijn. De regeringscommissaris en de vertegenwoordiger van de minister zijn trouwens beter geplaatst om de werking van het IGO en het functioneren van verzoekster te be- oordelen, daar zij deel uitmaken van de raad van bestuur. Bovendien komen ook de inspectie van Financiën, de bedrijfsrevisor en het Rekenhof tot dezelfde bevin- dingen. Eveneens ten onrechte beweert de verwerende partij dat het VBAC nadere informatie heeft opgevraagd over het functioneren van verzoekster. Uit de brief van de VBAC blijkt dat enkel werd gevraagd naar het gevolg dat aan de tucht- procedure werd gegeven. Alle andere informatie werd door de voorzitter van de raad van bestuur van het IGO ongevraagd verstrekt. Het is dan ook manifest onjuist dat de conclusies van de VBAC voortgaan op eigen vaststellingen. Ook de stelling van de verwerende partij dat na het advies van de VBAC geen rekening meer mocht worden gehouden met nieuwe stukken die dateren van na het advies is manifest onjuist en in strijd met de zorgvuldigheidsplicht en de vergewisplicht. Uit die stukken blijkt immers dat ernstige vraagtekens moeten worden geplaatst bij het advies. IX-8788-23/37
- In haar laatste memorie laat de verwerende partij gelden dat de beoordeling van de eerste mandaatperiode van verzoekster en de aan verzoekster opgelegde richtlijnen slechts een beperkt onderdeel vormen van de elementen waarmee de VBAC rekening heeft gehouden bij het formuleren van haar advies en het opstellen van de rangschikking, en dat verzoeksters kritiek op dit punt bijge- volg niet kan doen besluiten tot het niet-draagkrachtig karakter van het advies. De VBAC heeft haar oordeel over de kandidaten gevormd op grond van een omvat- tend onderzoek van de kandidatuurdossiers – waaronder dat van verzoekster – die onder meer bestaan uit een beleidsplan, een visienota en de bij de kandidatuur verstrekte toelichting. Tevens werd rekening gehouden met de antwoorden die tijdens de hoorzitting werden verstrekt. Zo heeft de VBAC onder meer vastgesteld dat verzoekster er niet in slaagde om de kritiek van de raad van bestuur van het IGO op overtuigende wijze te weerleggen. Op grond van al deze gegevens werd verzoekster vervolgens minder positief beoordeeld op de professionele kwaliteiten ‘Kennis en ervaring van de managementtechnieken in human resources en inzake veranderingsbeheer’, ‘Ervaring in planning, coördinatie en budgettair beheer van projecten’, ‘Uitstekende communicatieve vaardigheden’ en ‘Collegialiteit en groepsgevoel’. In de vergelijking tussen verzoekster en de benoemde kandidaat werd dan ook overwogen dat de benoemde kandidaat zich van verzoekster on- derscheidt “door zijn betere vermogen om het Instituut voor gerechtelijke oplei- ding weer op het rechte pad te brengen en beter af te bakenen, en er een nieuwe dynamiek aan te geven, met als doel al haar opdrachten te vervullen met een adequate communicatie” en dat de benoemde kandidaat zich ook onderscheidt “door de betere beoordelingen die hij heeft gekregen voor de verschillende criteria van het competentieprofiel”. De vaststellingen van de VBAC met betrekking tot verzoeksters mandaat hebben dus geen beslissende invloed gehad op de beoorde- ling door de VBAC. Het besluit dat de benoemde kandidaat het meest geschikt is om het IGO te leiden en er een nieuwe dynamiek aan te geven met een adequate communicatie is, gelet op wat de VBAC heeft vastgesteld met betrekking tot de communicatievaardigheden, de breuk met de universiteiten en de leiding van het IGO door verzoekster, bovendien niet onredelijk. IX-8788-24/37 Voorts betwist de verwerende partij dat de VBAC ten onrechte is voorbijgegaan aan de positieve eindevaluatie van verzoekster. Zij argumenteert dat de VBAC heeft gesteund op een beslissing van de raad van bestuur van het IGO waarin aan verzoekster een reeks richtlijnen werden opgelegd, naar aanleiding van een verslag over haar functioneren. Volgens de verwerende partij getuigt het net van een zorgvuldig onderzoek dat de waarnemend voorzitter van de VBAC eerst bijkomende inlichtingen heeft ingewonnen over de procedure die tegen verzoek- ster werd gevoerd – nadat verzoekster daar zelf melding van had gemaakt – en dat vervolgens ook rekening werd gehouden met de verkregen inlichtingen die van recentere datum waren dan de eindevaluatie van verzoekster. Verzoeksters eind- evaluatie werd dan ook niet zomaar van tafel geveegd. De VBAC heeft op grond van een zorgvuldig onderzoek geoordeeld dat deze eindevaluatie in tegenspraak lijkt te zijn met de meest actuele gegevens over verzoekster. De omstandigheid dat aan verzoekster geen tuchtstraf werd opgelegd naar aanleiding van de tegen haar gevoerde procedure, doet ook geen afbreuk aan het gegeven dat er wel richtlijnen werden opgelegd om een betere werking van het IGO te verzekeren. Verzoekster heeft zich overigens niet tegen deze richtlijnen verzet. Het is maar nadat zij kennis had genomen van de rangschikking door de VBAC dat zij op 26 januari 2015 de minister van Justitie heeft aangeschreven. De verwerende partij benadrukt ook dat het gelijkheidsbeginsel zich ertegen verzet dat na het schrijven van verzoekster aan de minister van Justitie nog een nieuw advies aan de VBAC zou worden gevraagd en dat daartoe een nieuwe hoorzitting zou worden georganiseerd. Verzoekster zou in dat geval im- mers, naar aanleiding van de kennisname van een advies in het kader van de se- lectieprocedure, nog de mogelijkheid krijgen om de besluitvorming te beïnvloeden terwijl het gelijkheidsbeginsel vereist dat voor alle kandidaten van een selectie- procedure een gelijke beoordelingsprocedure moet worden gevolgd, met inbegrip van de hoorzittingen die worden georganiseerd. De verwerende partij merkt ook op dat de door verzoekster aan de minister van Justitie verstrekte gegevens in geen geval afbreuk doen aan de objectieve vaststelling dat er richtlijnen aan verzoekster werden opgelegd, die door haar niet werden betwist. IX-8788-25/37 Dat de vaagheid in de antwoorden van verzoekster toe te schrijven zou zijn aan het feit dat zij op dat ogenblik nog dienst deed als directeur van het IGO, is volgens de verwerende partij op geen enkele manier aangetoond. Zij merkt op dat de VBAC niet alleen heeft geoordeeld dat de verklaringen vaag bleven, maar ook dat deze verklaringen de VBAC niet hebben overtuigd, en zij stelt dat de benoemende overheid mag steunen op hetgeen tijdens een hoorzitting kan worden waargenomen. Ten slotte laat de verwerende partij nog gelden dat het verslag van de regeringscommissaris en de brief van de vertegenwoordiger van de minister van Justitie in de raad van bestuur van het IGO geen afbreuk doen aan de perti- nentie van het advies van de VBAC. In beide documenten wordt inderdaad gewag gemaakt van een conflictsituatie tussen de raad van bestuur van het IGO en ver- zoekster, maar de VBAC heeft beslist om aan de benoemde kandidaat de voorkeur te geven op grond van een eigen beoordeling van het dossier. Daarbij werd reke- ning gehouden met de aan verzoekster opgelegde richtlijnen, maar dat was zeker niet het enige, noch het doorslaggevende element in de beoordeling.
- Verzoekster is in haar laatste memorie daarentegen van oordeel dat de beoordeling van haar eerste mandaatperiode en de aan haar opgelegde richtlijnen wél doorslaggevend waren voor het advies van de VBAC. Zij argu- menteert dat uit de motivering van het advies blijkt dat de VBAC zonder meer heeft aangenomen dat er tijdens het afgelopen mandaat sprake is van nalatigheden en tekortkomingen in hoofde van verzoekster. Ook de beoordeling van haar ver- klaringen tijdens de hoorzitting is onverdeeld negatief en geeft blijk van de over- tuiging dat verzoekster zes jaar onvoldoende heeft gepresteerd. Er wordt geen goed woord over verzoekster gezegd, louter op basis van een beoordeling van haar afgelopen mandaat. Verzoekster meent dat het voorbijgaan aan de zeer gunstige eindevaluatie en het zonder meer voor waar aannemen van vermeende tekortko- mingen en nalatigheden, die inmiddels door diverse gezaghebbende instanties zijn tegengesproken, onredelijk is en niet getuigt van een wettige vergelijking van titels en verdiensten. IX-8788-26/37 Voorts stelt verzoekster dat een formele zeer gunstige evaluatie niet zomaar terzijde kan worden geschoven op basis van inlichtingen die onwettig zijn ingewonnen en waaraan de VBAC veel meer belang heeft gehecht dan de raad van bestuur van het IGO. De raad van bestuur heeft weliswaar een aantal richtlij- nen uitgevaardigd, maar ten aanzien van verzoekster zelf geen enkele maatregel getroffen. Uit die richtlijnen kan niets worden afgeleid dat in tegenspraak is met verzoeksters zeer gunstige evaluatie. Het gaat immers om zeer algemene richtlij- nen die de algemene werking van het IGO betreffen en niet slaan op verzoeksters persoon. Deze richtlijnen rechtvaardigen derhalve niet het vernietigende advies over verzoeksters kandidatuur. Er valt dan ook niet in te zien waarom verzoekster zich tegen deze richtlijnen had moeten verzetten aangezien ze geenszins implice- ren dat haar nalatigheden of tekortkomingen worden verweten. Verzoekster betoogt voorts dat het volstrekt onwettig is dat geen rekening is gehouden met de bij het schrijven aan de minister van Justitie van 26 januari 2015 gevoegde documenten – die tegenspreken dat verzoekster nala- tigheden of tekortkomingen kunnen worden verweten – bij de vergelijking van de titels en verdiensten. Zij argumenteert dat de minister van Justitie op grond van de vergewisplicht de plicht had om deze documenten bij zijn voordracht te betrekken en dat, indien hij van mening was dat hij dit niet zelf kon, hij het dossier had moeten terugsturen naar de VBAC met de vraag of het uitgebrachte advies al dan niet kon worden behouden. De stelling dat op grond van het gelijkheidsbeginsel geen nieuw advies aan de VBAC kon worden gevraagd acht verzoekster onjuist en vormt volgens haar bovendien geen verschoning voor het in gebreke blijven van de minister van Justitie zelf om de nieuwe gegevens te betrekken in de vergelijking van titels en verdiensten met het oog op de door hem te formuleren voordracht. In zoverre de verwerende partij stelt dat de door verzoekster bij brief van 26 januari 2015 verstrekte nieuwe gegevens geen afbreuk doen aan het feit dat de raad van bestuur richtlijnen heeft opgelegd, repliceert verzoekster dat deze nieuwe gegevens wel afbreuk doen aan de conclusie van de VBAC dat haar nalatigheden of tekortkomingen kunnen worden verweten. IX-8788-27/37 Inzake de vraag of de vaagheid in verzoeksters antwoorden al dan niet toe te schrijven zou zijn aan het feit dat zij op dat moment nog in dienst was als directeur van het IGO, laat verzoekster gelden dat zelfs indien haar ant- woorden te vaag zouden zijn geweest, dit geen excuus vormt voor het feit dat de door haar aan de minister van Justitie bezorgde nieuwe gegevens niet bij de ver- gelijking van titels en verdiensten werden betrokken. In de mate dat de verwerende partij stelt dat het verslag van de regeringscommissaris en de brief van de vertegenwoordiger van de minister van Justitie in de raad van bestuur van het IGO geen afbreuk doen aan de eigen be- oordeling door de VBAC, antwoordt verzoekster ten slotte dat die beoordeling volstrekt onwettig was aangezien deze uitgaat van de premisse dat verzoekster nalatigheden en tekortkomingen kunnen worden verweten, terwijl uit de door verzoekster neergelegde rapporten en stukken van onafhankelijke en gezagheb- bende instanties net het tegendeel blijkt. Volgens haar mag met het verslag van de regeringscommissaris en de brief van de vertegenwoordiger van de minister van Justitie wel rekening worden gehouden. Beoordeling
- Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare amb- ten, krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot die openbare ambten, vereist dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden on- derzocht en vergeleken op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid zowel voor wat het vastleggen als de weging van de objectieve en relevante beoordelingscri- teria betreft, die echter de redelijkheid als grens heeft. In het kader van het door hem uit te oefenen wettigheidstoezicht op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, valt het de Raad van State niet toe om zijn beoordeling over de titels en verdiensten van de kandidaten in de plaats te stellen van die van de benoemende overheid. Hij IX-8788-28/37 moet desgevraagd wel nagaan of de benoemende overheid bij het uitoefenen van haar beoordelingsbevoegdheid, uitgegaan is van gegevens die in feite en in rechte juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeen- komstig de door haar vastgestelde criteria binnen de perken van de redelijkheid tot haar beslissing is gekomen. Enkel indien de benoemende overheid handelt op een wijze waarop geen ander naar kennis en kunde redelijk bekwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelend bestuur in dezelfde omstandigheden zou handelen, zal worden vastgesteld dat de benoemende overheid onredelijk heeft gehandeld en dient de Raad van State beteugelend op te treden.
- Overeenkomstig artikel 15 van de wet van 31 januari 2007 worden de directieleden – waaronder ook de directeur van het IGO – benoemd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, op de voordracht van de minister van Justitie en op advies van de VBAC.
- De benoemende overheid verwijst in het bestreden besluit naar het advies van de VBAC van 26 maart 2014 – waarin de titels en verdiensten van de kandidaten zijn vergeleken – en overweegt “dat uit wat voorafgaat, er overge- gaan kan worden tot benoeming van de voorgedragen kandidaat”. Het bestreden besluit bevat voor het overige geen motieven die strijden met het advies van de VBAC. Er moet dan ook worden aangenomen dat de benoemende overheid – in navolging van de minister van Justitie en de ministerraad – zich heeft aangesloten bij de vergelijking van de titels en verdiensten door de VBAC. Een uitdrukkelijke bijvalsverklaring van het advies is, anders dan verzoekster betoogt daartoe, niet vereist. Ten onrechte stelt verzoekster voorts dat het advies van de VBAC als een bindend advies werd beschouwd. De benoemende overheid heeft zelf haar be- oordelingsbevoegdheid uitgeoefend, maar heeft ervoor gekozen om zich voor wat betreft de inhoudelijke expertise te richten op een door de wetgever ingeschakeld adviserend orgaan. 12.
- Verzoekster beweert niet dat in het advies van de VBAC haar titels en verdiensten – beroepstraject, professionele activiteiten en professionele IX-8788-29/37 verwezenlijkingen, talenkennis, verworven expertise in de loop van de eerste mandaatperiode,… – niet correct zijn aangehaald. Verzoekster verduidelijkt in het middel ook niet met welke titels en verdiensten onvoldoende rekening zou zijn gehouden. 12.
- Ten onrechte voert verzoekster aan dat het de voorzitter van de VBAC niet was toegelaten om bij de voorzitter van de raad van bestuur van het IGO nadere inlichtingen in te winnen over de tegen verzoekster gevoerde proce- dure. Die procedure houdt immers rechtstreeks verband met de professionele ge- schiktheid van verzoekster voor de te begeven functie – dit is net waarover de VBAC een advies dient te verlenen. Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat de VBAC naar aanleiding van zijn adviestaak in het kader van de benoemings- procedure van een directeur van het IGO bijkomende inlichtingen inwint om zich van die taak te kwijten. Dat voor andere kandidaten geen dergelijke bijkomende inlichtingen werden ingewonnen is evident, aangezien zij op het ogenblik van hun kandidaatstelling geen ambt bij het IGO bekleden. Over de wijze van dienen van deze kandidaten is op een andere wijze voorgelicht, namelijk door de adviezen van hun korpsoverste. Op dat vlak kan van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake zijn. 12.
- Anders dan verzoekster beweert, wordt in het advies van de VBAC niet voorbijgegaan aan het feit dat de tegen haar gevoerde procedure werd afgesloten zonder dat een maatregel werd genomen of aan de minister van Justitie werd voorgesteld. Dit wordt immers letterlijk in het advies vermeld. De VBAC meent vervolgens wel dat dit geen afbreuk doet aan het feit dat de raad van bestuur van het IGO op grond van de gedane vaststellingen het nodig heeft geacht om een aantal aanbevelingen en richtlijnen op te stellen die moeten leiden tot een ver- sterking van de controle op nagenoeg alle niveaus. 12.
- Bij het formuleren van het advies over verzoekster heeft de VBAC rekening gehouden met het door verzoekster ingediende dossier van de kandidaatstelling met inbegrip van haar motivering bij haar kandidaatstelling, haar IX-8788-30/37 talenkennis zoals mede beoordeeld op de hoorzitting door de VBAC, de evaluatie van verzoeksters mandaat als directeur van het IGO die werd besloten met de vermelding ‘zeer goed’, de inlichtingen die werden verkregen van de voorzitter van de raad van bestuur van het IGO omtrent de tegen verzoekster gevoerde pro- cedure en de richtlijnen die naderhand werden geformuleerd. De VBAC heeft voorts ook rekening gehouden met verzoeksters verklaringen op de hoorzitting naar aanleiding van die verkregen inlichtingen, maar ook naar aanleiding van de door de VBAC gedane vaststellingen inzake het door verzoekster gevoerde beleid en de werking van het IGO. Dit laatste betreft inzonderheid het gegeven dat het IGO na zes jaren nog steeds in een opstartfase zit en dat niet alle nodige maatre- gelen werden genomen om een optimale werking te verzekeren, verzoeksters communicatievaardigheden en vaardigheden in de dialoog en de redenen die hebben geleid tot een breuk met de universiteiten en de door verzoekster voorge- stelde oplossingen. Uit dit alles heeft de VBAC het besluit getrokken dat er “ern- stige vragen [rijzen] over hoe het instituut beheerd werd en over hoe de opdrachten ervan sinds 2007 werden uitgeoefend” en dat verzoekster “niet [heeft] overtuigd dat zij over de capaciteiten beschikt om het IGO weer in handen te nemen op een geloofwaardige wijze en deze optimaal te laten werken berustend op een gezond en transparant financieel beheer, op een werkelijk collegiale directie, die de dialoog met de academische wereld echt wil hervatten”. Er is dus niet enkel rekening ge- houden met de informatie die verkregen werd van de voorzitter van de raad van bestuur van het IGO – inzonderheid de door de raad van bestuur opgestelde richt- lijnen, zoals verzoekster aanvoert. De conclusie van de VBAC steunt ook op eigen vaststellingen en op de antwoorden die verzoekster naar aanleiding van die vast- stellingen aan de VBAC heeft verstrekt tijdens de hoorzitting. 12.
- Gelet op de in het advies gemaakte vaststellingen van de VBAC is het niet onredelijk dat de VBAC heeft geoordeeld dat een en ander “de verbazing van de Commissie [heeft] gewekt over de wijze waarop [verzoekster] het Instituut sinds 2007 heeft beheerd” en dat “men […] zich er enkel over [kan] verbazen dat de eindevaluatie van het mandaat van [verzoekster], die in mei 2013 is uitgevoerd door twee leden van de raad van bestuur geen enkel probleem hierover vermeldt en IX-8788-31/37 eindigt met de vermelding ‘zeer goed’” en dat “[d]eze evaluatie [...] in tegenspraak [lijkt] te zijn met de tekortkomingen die de invoering van een strikte controle en van een pluridimensionele omkadering van het IGO hebben gerechtvaardigd”. De VBAC heeft verzoeksters evaluatie dan ook niet zonder meer naast zich neerge- legd, maar zij heeft op basis van de verkregen inlichtingen – die van recentere datum zijn dan verzoeksters evaluatie – en de eigen vaststellingen zich een eigen beoordeling gevormd over de geschiktheid van verzoekster. 12.
- In zoverre verzoekster aanvoert dat in het advies van de VBAC geen rekening is gehouden met de door haar aan de minister van Justitie bij brief van 26 januari 2015 bezorgde gegevens, volstaat het op te merken dat het advies van de VBAC dateert van vóór dat schrijven en dat er dan ook evident met het schrijven geen rekening kon worden gehouden. 13.
- Ten slotte voert verzoekster nog aan dat de minister van Justitie – bij de voordracht van de te benoemen kandidaat – en de benoemende overheid ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de door haar bij brief van 26 januari 2015 aan de minister van Justitie bezorgde gegevens. Dienaangaande moet worden opgemerkt hetgeen volgt. 13.
- In de brief van 26 januari 2015 aan de minister van Justitie stelt verzoekster dat de VBAC haar mening heeft gevormd “op basis van verkeerd interpreteerbare inlichtingen, die daarenboven sedertdien door verschillende ob- jectieve bronnen en rapporten zijn weerlegd”. Verzoekster verwijst naar de interne richtlijnen die de raad van bestuur van het IGO op 18 maart 2014 aan de VBAC heeft doorgestuurd, “waardoor een negatieve perceptie hoogstwaarschijnlijk is” aangezien “[d]eze interne richtlijnen […] immers de indruk [wekken] dat er on- voldoende controle werd uitgeoefend en dat er tekortkomingen zouden zijn in het financieel en administratief beheer”. Om dit tegen te spreken, vraagt verzoekster de minister kennis te willen nemen “van een aantal objectieve verslagen en rap- porten die deze negatieve beoordeling ontkrachten”. Bij dit schrijven heeft ver- zoekster diverse stukken gevoegd. Het betreft: IX-8788-32/37 - het rapport van de inspecteur van Financiën van 18 juli 2014 waarin wordt ge- steld dat “de risico’s beperkt zijn en de interne controle voldoende georganiseerd is om deze af te dekken” en dat “kan overwogen worden de huidige controle door de Inspectie van Financiën geheel of gedeeltelijk af te bouwen”; - het verslag van de bedrijfsrevisor van 22 mei 2014 waaruit blijkt dat uit nazicht van de rekeningen 2013 geen onregelmatigheden noch slecht bestuur kunnen worden afgeleid; - de weerslag van hun commentaren op de vergadering van de raad van bestuur van 22 mei 2014 waar de leden de gelegenheid hadden om hen alle vragen te stellen; - het verslag van het Rekenhof over de jaren 2009 tot 2013 van het IGO, bezorgd op 7 november 2014 waaruit eveneens blijkt dat er na een grondige audit geen bestuursfouten aangetoond kunnen worden in hoofde van de directeur van het IGO. Volgens verzoekster moet uit die documenten worden afgeleid dat “het advies van de VBAC onjuist en achterhaald is”. Zij wijst erop dat “daar deze rapporten pas achteraf tot stand gekomen zijn, […] de VBAC er […] geen rekening mee [kon] houden” maar dat “[g]elet op de zorgvuldigheidsplicht […] de benoemende overheid dan ook verplicht [is] het aanstellingsdossier te actualiseren en rekening te houden met alle relevante, recente informatie” en dat “eveneens toelichting gevraagd [kan] worden aan de vertegenwoordiger van de Minister alsook aan beide Regeringscommissarissen”. Verzoekster verwijst daarnaast ook naar het verslag van de re- geringscommissaris in de raad van bestuur van het IGO van 12 juni 2014 en naar de e-mail van 13 juni 2014 van de vertegenwoordiger van de minister van Justitie in de raad van bestuur van het IGO aan de directeur van de beleidscel van de mi- nister van Justitie, waarin deze de conclusies van dat verslag volledig bijvalt. In die e-mail staat onder meer te lezen: “De heer […], regeringscommissaris bij het IGO, stuurde mij het verslag dat hij ten behoeve van de minister van Justitie heeft opgesteld over de moeilijk- heden die zich in het bestuur van het IGO voordeden de afgelopen maanden. Ik IX-8788-33/37 kan de inhoud van dat verslag volledig onderschrijven. Niettemin wil ik daar nog het volgende aan toevoegen: 1/ De laatste maanden heeft de raad van bestuur zich quasi uitsluitend in- gelaten met het onderzoek naar beweerde onregelmatigheden in hoofde van de directeur. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat dit niet was ingegeven door enige bezorgdheid omtrent de werking van het instituut, maar wel gedreven werd door de nood om af te rekenen met de persoon van de directeur. Bewe- ringen omtrent malversaties, die inmiddels in het roddelcircuit hoogdagen be- leven, werden tijdens de laatste zitting van de raad (22 mei 2014) door de be- drijfsrevisor en de inspecteur van financiën definitief de kop ingedrukt. 2/ […] Met bijzondere hoogachting, […] Advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie Vertegenwoordiger van de minister van Justitie in de raad van bestuur van het IGO.” 13.
- De voormelde verslagen en documenten lijken ogenschijnlijk in tegenspraak met de conclusies van de VBAC in het advies, minstens inzake de wijze waarop verzoekster het IGO (financieel) heeft bestuurd gedurende haar mandaat. In het advies komt de VBAC immers tot de vaststelling dat er sprake is van “nalatigheden in het bestuur, onder meer het financieel bestuur, van het In- stituut”, terwijl de door verzoekster aan de minister van Justitie bezorgde docu- menten – die uitgaan van externe, niet-partijdige actoren zoals de inspectie van Financiën, het Rekenhof en de vertegenwoordiger van de minister van Justitie in de raad van bestuur van het IGO – dit net lijken te weerleggen. De som en de aard van de voormelde documenten moest de benoemende overheid ertoe brengen hieraan aandacht te besteden. Dat de voormelde verslagen en documenten het advies van de VBAC niet geheel onderuit halen, doet aan die conclusie geen afbreuk. Uit het advies van de VBAC kan niet eenvoudig worden afgeleid of en hoe de vaststel- lingen van de VBAC met betrekking tot de beweerde nalatigheden in het (finan- cieel) bestuur van het IGO door verzoekster hebben gewogen op de aan verzoek- ster toegekende scores en bij de vergelijking van de kandidaten, en het valt niet aan de Raad van State toe om daaromtrent in de beoordeling van het bestuur te treden. IX-8788-34/37 13.
- De minister van Justitie had dan ook de door verzoekster be- zorgde verslagen en documenten bij zijn voordracht moeten betrekken, aangezien ze het advies van de VBAC gedeeltelijk lijken te ontkrachten. Hij had de conclu- sies van deze verslagen kunnen weerleggen of ze kunnen bijvallen, maar hij moest er in ieder geval een standpunt over innemen. En indien hij van oordeel was dat hij dit niet zelf kon, had hij het dossier kunnen terugsturen naar de VBAC met de vraag of, in het licht van de door verzoekster verstrekte verslagen, het uitgebrachte advies al dan niet kon worden behouden. De verwerende partij kan in dat verband overigens niet worden bijgevallen waar zij stelt dat de VBAC slechts één advies kan geven en dat de minister van Justitie de gelijkheid tussen de kandidaten zou schenden indien hij wel rekening zou hebben gehouden met de door verzoekster verstrekte gegevens terwijl de andere kandidaten geen bijkomende gegevens hebben kunnen ver- strekken bij gebrek aan rechtsgrond daarvoor. Die redenering zou met zich mee- brengen dat wanneer een bepaalde kandidaat als de meest geschikte kandidaat naar voor wordt geschoven en de minister nadien in kennis wordt gesteld dat die kan- didaat het voorwerp is geweest van een (zware) tuchtstraf, daarmee geen rekening zou kunnen worden gehouden. 13.
- Uit geen enkel stuk van het administratief dossier, en al zeker niet uit het bestreden besluit, blijkt dat de benoemende overheid de door verzoek- ster aan de minister van Justitie bezorgde verslagen bij de benoeming heeft be- trokken. De benoemende overheid – in navolging van de minister van Justitie en de ministerraad – heeft zich ertoe beperkt zich aan te sluiten bij het advies van de VBAC, alsof de door verzoekster bijgebrachte verslagen niet bestonden, hoewel die verslagen gedeeltelijk met dat advies in tegenspraak lijken te zijn. 13.
- Het middel is wat dit punt betreft gegrond. IX-8788-35/37 V. Anonimisering
- Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt de verzoekende partij dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het koninklijk besluit van 27 oktober 2015 waarbij Raf Van Ransbeeck wordt benoemd tot directeur van het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-8788-36/37 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 juli 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8788-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.182 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div