id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.214 Rolnummer: A. 228605/VII-40588 Zaak: Arrest 245214 - Voedselveiligheid (FAVV) - 19/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-22 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-21 22:07 Fiche Arrest nr 245.214 van 19 juli 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 245.214 van 19 juli 2019 in de zaak A. 228.605/VII-40.588. In zake : de BVBA PIT-STOP 2 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Keuster kantoor houdend te 2980 Sint-Antonius-Zoersel Handelslei 60 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge – Sint-Kruis Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 16 juli 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “[b]eslissing van het FAVV dd. 12 juli 2019 waarbij [de bvba PIT-STOP 2] bevolen wordt de winkel aan de Vier-Windenstraat 7 te Sint-Jans-Molenbeek te sluiten na maandag 21 juli 2019 voor de eindconsument”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-40.588-1/33 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 juli 2019, om 10.30 uur. Eerste voorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk De Keuster, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Frédérick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij baat een detailhandel uit, enerzijds in (vers) vlees, anderzijds in andere levensmiddelen. Zij beschikt hiertoe over twee toelatingen vanwege de verwerende partij. De verzoekende partij verkoopt halalproducten, die zij invoert via groothandelaars, voornamelijk vanuit het buitenland. Zij bekwam deze toelatingen in de loop van het jaar 2017. 3.2. Na diverse ongunstige controles van de inrichting door de verwerende partij wordt aan de verzoekende partij op 1 maart 2019 de intentie tot intrekking van haar toelatingen overgemaakt, conform artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de VII-40.588-2/33 erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. 3.3. Conform artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 heeft verzoekster op 8 maart 2019 haar bezwaren geuit, waarbij zij tevens gevraagd heeft om te worden gehoord. De verzoekende partij werd bij monde van haar zaakvoerder gehoord op 18 maart 2019. Er werd haar medegedeeld dat zij een laatste kans kreeg om corrigerende acties voor te stellen. 3.4. Op 28 maart 2019 vond een hercontrole plaats. Negen van de twintig willekeurig geselecteerde producten waren niet of niet afdoende geëtiketteerd. Opnieuw wordt een proces-verbaal van overtreding opgemaakt en worden de niet-conforme producten in beslag genomen. 3.5. De verwerende partij bevestigt op 3 april 2019 de intrekking van de toelating van verzoekster op grond van artikel 16, § 3, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006. Verzoekster tekent beroep aan bij de beroepscommissie. 3.6. Op 29 april 2019 wordt verzoekster gehoord bij monde van haar twee zaakvoerders. 3.7. De beroepscommissie adviseert de intrekkingsbeslissing te schorsen, zij het onder voorwaarden: “1/ Dat naast eventuele geplande inspecties voorzien in het regulier inspectieplan van het FAVV voor deze vestiging, tevens een door de exploitant te betalen onaangekondigde inspectie van het FAVV wordt VII-40.588-3/33 uitgevoerd, telkens in het derde en vierde kwartaal van 2019 en in het eerste kwartaal van 2020. 2/ Tijdens deze extra inspecties worden telkens: 2.1.Voor drie willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket volledig gecontroleerd aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3352 Levensmiddelen: VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN); 2.2.Voor zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten (andere producten dan de in punt 2.1 vermelde levensmiddelen) het etiket gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum, het lotnummer zonder gebruik te maken van de checklist DIS 3352; 2.3. Een controle uitgevoerd van de infrastructuur en hygiëne aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3309 detailhandel met toelating (zonder verwerking): INFRASTRUCTUUR, INRICHTING EN HYGIENE. 3/ Zodra enig resultaat van de inspecties bedoeld onder 1/ de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 opgenomen checklist gestuurde controle of indien minstens 1 van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1. en 2.1 onder nummer AER/BRU/028577 als detailhandel en vleeswinkel definitief. Indien voor of tijdens de voorziene periodes de versies van checklisten aangepast worden, zijn het de nieuwe versies die gehanteerd zullen worden en van tel zijn tijdens deze inspectie. Indien de resultaten van alle inspecties bedoeld onder 1/ voor alle checklisten hernomen onder 2.1 en 2.3 en de onder 2.2 genoemde producten ‘gunstig’ of ‘gunstig met opmerkingen’ beoordeeld worden en al deze controles dus als conform kunnen worden beschouwd, wordt de procedure tot intrekking van de toelating zonder voorwerp per 31 maart 2020.” 3.8. Op 9 mei 2019 beslist de minister het advies van de beroepscommissie integraal te volgen. Deze beslissing concludeert: “Op grond van al het voorgaande en gelet op artikel 16 §5 van het bovenvermelde Koninklijk besluit van 16 januari 2006 beslis ik om de toelating 1.1. Detailhandel in levensmiddel en de toelating 2.1 Vleeswinkel verkregen met nummer AER/BRU/028577 voor de activiteiten Detailhandelaar – productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL29 AC96 PR52) en Slagerij - productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL9 AC96 PR168) van Pit-Stop 2 met ondernemingsnummer 0543.317.388 en vestigingseenheidsnummer 2.235.990.253 gelegen in VII-40.588-4/33 Vier-Windenstraat 7 te 1080 Sint-Jans-Molenbeek te behouden onder volgende voorwaarden: 1/ Dat naast eventuele geplande inspecties voorzien in het regulier inspectieplan van het FAVV voor uw vestiging, tevens een door u te betalen onaangekondigde inspectie van het FAVV wordt uitgevoerd, telkens in het derde en vierde kwartaal van 2019 en in het eerste kwartaal van 2020. 2/ Tijdens deze extra inspecties worden telkens: 2.4. Voor drie willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket volledig gecontroleerd aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3352 Levensmiddelen: VERPAKKING EN ETIKETTER1NG (INCLUSIEF HANDELS- NORMEN); 2.5. Voor zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten (andere producten dan de in punt 2.1 vermelde levensmiddelen) het etiket gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum, het lotnummer zonder gebruik te maken van de checklist DIS 3352; 2.6. Een controle uitgevoerd van de infrastructuur en hygiëne aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3309 detailhandel met toelating (zonder verwerking): INFRASTRUCTUUR, INRICHT1NG EN HYGIENE. 3/ Zodra enig resultaat van de inspecties bedoeld onder 1/ de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 opgenomen checklist gestuurde controle of indien voor minstens 1 van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1. en 2.1 onder nummer AER/BRU/028577 als detailhandel en vleeswinkel definitief. Indien voor of tijdens de voorziene periodes de versies van checklisten aangepast worden, zijn het de nieuwe versies die zullen gehanteerd worden en van tel zijn tijdens deze inspectie. Indien de resultaten van alle inspecties bedoeld onder 1/ voor alle checklisten hernomen onder 2.1 en 2.3 en de onder 2.2 genoemde producten ‘gunstig’ of ‘gunstig met opmerkingen’ beoordeeld worden en al deze controles dus als conform kunnen worden beschouwd, wordt de procedure tot intrekking van de toelating zonder voorwerp per 31 maart 2020.” 3.9. Op 12 juli 2019 vindt een onverwachte controle plaats in de inrichting van verzoekster. De controle inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne wordt als ‘gunstig met opmerkingen’ beoordeeld. VII-40.588-5/33 De uitgebreide controle inzake etikettering, die ingevolge de beslissing van de minister moet worden uitgevoerd op drie producten, resulteerde ook in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen’. Vervolgens werd betreffende zeventien producten een ‘quick- scan’ uitgevoerd, waarbij telkens het etiket werd gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum en het lotnummer. Deze controle was ongunstig voor zeven van de zeventien producten. 3.10. Op 12 juli 2019 wordt de bestreden beslissing genomen. Deze besluit tot de definitieve intrekking op grond van volgende vermeldingen: VII-40.588-6/33 VII-40.588-7/33 VII-40.588-8/33 VII-40.588-9/33 IV. Ontvankelijkheid van de vordering Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij “stelt zich vragen bij het belang van verzoekende partij […] waar dit beroep immers geen einde kan stellen aan de beslissing van Minister Ducarme dd. 9.05.2019”. Zij wijst erop dat tegen deze beslissing door de verzoekende partij geen rechtsmiddel werd aangewend, zodat deze beslissing definitief is geworden. Zij stelt verder dat zij zolang die beslissing bestaat “terzake geen enkele beoordelingsvrijheid (heeft) en … zij in geval van vaststelling van enige inbreuk eenvoudigweg de intrekking van de toelating (dient) vast te stellen” en concludeert dat de verzoekende partij “aldus geen belang (heeft) terzake”. VII-40.588-10/33 5. Ter terechtzitting stelt de verzoekende partij dienaangaande dat de beslissing van 9 mei 2019 een voorbereidende beslissing is. Beoordeling 6. Het is zonder meer duidelijk dat de voorliggende bestreden beslissing die de quasi onmiddellijke sluiting van de inrichting van de verzoekende partij tot gevolg heeft, de belangen van die partij ongunstig raakt. 7. Onder punt 3.8. hierboven wordt de inhoud van de beslissing van 9 mei 2019 weergegeven. Daaruit blijkt dat wanneer enig resultaat van de in het vooruitzicht gestelde inspecties ongunstig is of voor één van de zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket “gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum …” niet conform is, de intrekking van de toelating als detailhandel en vleeswinkel, “definitief” wordt. Het geheel van die beslissing hoefde de verzoekende partij er niet toe te brengen deze beslissing aan te vechten, vermits zij er mocht op vertrouwen dat de verwerende partij deze beslissing op wettige, en derhalve op zorgvuldige en redelijke wijze, zou uitvoeren. In afwachting hiervan behield zij haar erkenning en hoefde zij niet te anticiperen op een mogelijk onwettige uitvoering van die beslissing. 8. De exceptie wordt derhalve verworpen. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de VII-40.588-11/33 nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen 10. Inzake de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering doet de verzoekende partij het volgende gelden : “IV. SPOEDEISENDHEID 24. De bestreden beslissing houdt in dat de bedrijfsactiviteiten onmiddellijk moeten worden gestopt vanaf 22 juli 2019. Uw Raad heeft de sluiting van de bedrijfsactiviteiten reeds aanvaard als een situatie van spoedeisendheid (R.v.St. nr. 106.590 van 16 mei 2002, overweging 3.3.2). Dit houdt concreet in dat vanaf 22 juli er geen producten meer mogen worden verkocht ook niet in de versafdeling. Onder stuk nr. 14 wordt een verklaring toegevoegd van de accountant waaruit blijkt dat er in geval van een sluiting een verlies zal ontstaan welke een ernstig risico op faillissement inhoudt. Aan deze bijlage is de meest recente jaarrekening gevoegd. Er wordt op jaarbasis een omzet gerealiseerd van 9.018.564 euro. Dit houdt een omzet in per maand van 751.547 euro. De schulden op korte termijn (minder dan 1 jaar) bedragen 993.158,66 euro. Dit houdt in dat de betalingstermijn van deze schulden 40 kalenderdagen betreft (= 993.158,66/9.018.564,05 x 365). Binnen een termijn van ongeveer 40 kalenderdagen moet een bedrag van bijna 1 miljoen euro worden betaald. De kaspositie bedraagt 518.548 euro. Deze is derhalve maar goed voor een halve maand. Het verlies van de aanwezige bederfbare goederen bedraagt reeds 200.000 euro. Onder stuk nr. 3 wordt ook de neergelegde jaarrekening toegevoegd. Deze vertoont gelijkaardige cijfers doch iets minder actueel. 25. De intrekking van de erkenning leidt onmiddellijk tot een immens imago-verlies. De zaakvoerders van de verzoekende partij zijn ‘geïmmigreerd’ vanuit Antwerpen en zijn er in geslaagd op korte termijn om één van de grootste halal-supermarkten van Brussel te bouwen. Zij worden door de bestaande zaken in de omgeving vaak met een scheef oog bekeken. In geval van een sluiting zal heel snel het gerucht verspreid worden dat er zich problemen stellen met de hygiëne van de verse waren (kip, groenten, ...). In realiteit wordt de zaak echter gesloten omwille van de aanwezigheid van producten die in elke andere winkel in de buurt, dus ook de concurrenten, nog wel te koop zijn. Deze imago-schade moet absoluut worden voorkomen. Het zal een blijvend verlies aan cliënteel veroorzaken. VII-40.588-12/33 26. Het financieel verlies en de imagoschade zullen beperkt worden indien de versafdeling (vlees, groen, fruit, …) kan open blijven. Op die manier kunnen ook de bederfbare goederen worden verkocht en wordt hier geen verlies geleden. 27. Het FAVV zal trachten te argumenteren dat de producten in de winkel in Antwerpen kunnen worden verkocht. Dit is geen oplossing. Deze winkel heeft haar eigen stock + eigen omzet. Het zal nooit mogelijk zijn om plots in Antwerpen zoveel meer te verkopen om het financieel verlies in Brussel te compenseren. V. DRINGENDE NOODZAKELIJKHEID 28. Verzoekende partij heeft zich uiterst diligent opgesteld. Het verzoekschrift bij uw Raad werd ingediend op 16 juli 2019 terwijl de bestreden beslissing werd ontvangen op 12 juli 2019. Tussen de beide data ligt ook een weekend en het is volle vakantieperiode. Bovendien is op 15 juli 2019 getracht in overleg te treden met het FAVV […]. De gedelegeerde bestuurder heeft gemeld dat overleg zinloos was. Er was dan ook geen andere mogelijkheid dan een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te leiden bij Uw Raad. 29. Een gewone schorsingsprocedure komt onvermijdelijk te laat. De financiële verliezen zullen dan te sterk zijn opgelopen […]. Bovendien zal de ingetreden imagoschade met het verlies van klanten enorm zijn […].” 11. De verwerende partij betwist dit in de volgende bewoordingen : “1. BETREFFENDE DE UITERST DRINGENDE NOODZAKELIJKHEID: 20. Betreffende huidige procedure, dewelke een procedure betreft waar de rechten van verdediging van verwerende partij uiterst beperkt zijn waar zij in een uiterst korte tijdspanne haar dossier dient op te maken en verweer dient voor te bereiden en op te stellen. Dat huidige procedure dan ook een uitzonderingsprocedure betreft, in afwijking van de ‘normale’ annulatieprocedure en gewone schorsingsprocedure, waarbij het dan ook aan de verzoekende partij in dezer toekomt om aan de hand van concrete en actuele stukken aan te tonen dat de zaak voor haar te spoedeisend is om de uitkomst van de normale procedures af te wachten en dat dan ook voor haar de financiële gevolgen gevoelig en onomkeerbaar zullen zijn. Voormelde principes werden recentelijk door Uw Raad een zeer duidelijk gemaakt per arrest van 8 mei 2018 in een gelijkaardig dossier: (nr. 241.411) ‘[…] Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt om aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep en een gewone schorsingsprocedure te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt. De financiële gevolgen moeten in beginsel gevoelig en onomkeerbaar zijn. De vermindering van het zakencijfer moet van die aard zijn dat de leefbaarheid van de onderneming in het gedrang komt. VII-40.588-13/33 Het is aan de verzoekende partij om het vervuld zijn van de voorwaarden en de hoegrootheid van de financiële schade te bewijzen. Zij mag er zich niet toe beperken te stellen dat zij dit nadeel lijdt, zij moet concrete gegevens verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. Er moeten gegevens worden aangereikt die duidelijk maken dat het voortbestaan of de werking van de verzoekende partij als onderneming in het gedrang komt. De verzoekende partij moet haar beweringen concreet maken en deze staven met de nodige overtuigingstukken. De verzoekende partij moet de rechter de noodzakelijke specifiek op de omstandigheden van haar situatie gerichte gegevens ter beschikking stellen die hem toelaten om te verifiëren of het tijdelijk ondergaan van de beslissing in afwachting van een uitspraak ten gronde haar activiteiten definitief en onherroepelijk in gevaar dreigt te brengen, of minstens toch op een dermate fundamentele wijze dat van haar niet mag worden verwacht dat zij de normale afwikkeling van de procedure moet afwachten’. 21. Het komt dus toe aan de verzoekende partij in dezer bij verzoekschrift te onderbouwen en aan de hand van verifieerbare, concrete en precieze gegevens en stukken aan te tonen dat zij voldoet aan deze voorwaarden en dewelke aldus aantonen dat de zaak voor haar te spoedeisend is om de gewone schorsings- en annulatieprocedure af te wachten. Verzoekende partij toont niet aan dat zij aan deze voorwaarden voldoet. Verzoekende partij argumenteert met betrekking tot de spoedeisendheid van haar vordering in amper enkele alinea’s dat de sluiting van haar inrichting op zeer korte termijn een ernstig risico op faillissement inhoudt. Nochtans beperkt zij zich tot een loutere verklaring van haar accountant met daaraan gekoppeld de jaarrekening over de periode 1.10.2017 tot 30.09.2018, die niet eens is neergelegd. Daarbij wordt niet eens de moeite genomen één en ander aan de hand van concrete stukken te bewijzen zodat controle van haar beweringen door verwerende partij, dan wel door uw Raad mogelijk is. Hoe overigens toont zij aan dat er sprake zou zijn van een verlies van 200.000,00 EUR aan aanwezige bederfbare goederen? De thans bestreden beslissing houdt in dat de bedrijfsactiviteiten van verzoekende partij moeten gestopt worden vanaf 22.07.2019, hetgeen haar de gelegenheid [g]eeft om nog tot die tijd te voorzien in de verkoop van bederfbare goederen. Daarenboven heeft verzoekende partij ook de mogelijkheid om de verse producten, of minstens een deel daarvan, te verkopen in de andere vestiging in Antwerpen. De situatie van verzoekster moet dan ook gezien worden in het licht van de situatie van haar zustervennootschap, waarover geen enkel stuk voorligt... Daarenboven is verzoekende partij in elk geval reeds sinds 11.07.2019 in de mogelijkheid om op de vastgelegde data te voorzien in de verkoop van alle aanwezige bederfbare goederen, waardoor er geen sprake kan zijn van een verlies van alle bederfbare goederen. De accountant stelt nochtans als volgt: De voorraden bedragen 534.504,70 euro waarvan ongeveer 200.000 vers waren. Deze laatsten zijn bij een sluiting onmiddellijk verloren en leiden tot VII-40.588-14/33 een direct verlies van 200.000 euro. Hierdoor treedt een volledig kapitaalsverlies op. Dergelijke bewering is allerminst gestaafd en is bovendien pertinent onjuist. De bestreden beslissing maakte tevens ook melding van het feit dat verzoekende partij vanaf 11.07.2019 geen nieuwe bestellingen meer mag aannemen van leveranciers. Het is dan ook een raadsel hoe hoog de schulden op korte termijn op datum van de sluiting van de bedrijfsinrichting zullen zijn. Verzoekende partij maakt in haar verzoekschrift de berekening van het leverancierskrediet (het aantal dagen waarbinnen haar leveranciers moeten worden betaald). Deze berekening is echter onjuist. Om het leverancierskrediet te berekenen dient de volgende formule te worden toegepast: Handelsschulden op te hoogste 1 jaar _____________________________________________________________________________________________________ Kostprijs van de goederen en diensten x 365 dagen Er wordt niet aangetoond dat de solvabiliteit van de onderneming niet goed is en dat zij niet genoeg eigen middelen heeft om een periode van zes maanden (ongeveer de doorlooptijd van een gewone schorsingsprocedure) te overleven. De kaspositie is niet het enige in aanmerking te nemen element wat dit betreft... Ten andere maakt zij ook zonder enige concreet element aan te halen melding van een immens imago-verlies doordat andere supermarkten in de buurt naar eigen zeggen geruchten zouden verspreiden. Deze bewering is compleet uit de lucht gegrepen. Overigens is de vaste rechtspraak van Uw Raad dat imagoverlies wordt gecompenseerd door een eventuele vernietigingsbeslissing, waardoor dit niet kan meespelen bij de overwegingen inzake het spoedeisend karakter van de vordering. Verzoekende partij blijft dan ook in gebreke aan de nochtans duidelijke eisen van Uw Raad, teneinde deze uitzonderingsprocedure toe te staan, te voldoen. Er wordt geenszins aangetoond dat een gewone schorsingsprocedure onvermijdelijk te laat zou komen. De vordering dient te worden verworpen.” Beoordeling 12. De bestreden beslissing heeft een gedwongen sluiting van zowel de koelafdeling met vlees, groenten en zuivel, als van de afdeling met voorverpakte producten, van de verzoekende partij, tot gevolg. Het is duidelijk dat dergelijke gedwongen sluiting groot imagoverlies voor de verzoekende partij dreigt mee te brengen, vermits ze een beeld dreigt te creëren van een inrichting waar de regels, niet alleen ter zake van VII-40.588-15/33 etikettering, maar ook, gelet op de sluiting van de hele supermarkt, op het vlak van voedselveiligheid en hygiëne, niet worden gerespecteerd, en dit terwijl blijkt dat de controle op dit vlak gunstig was. Bovendien spreekt het voor zich dat een dergelijke sluiting groot inkomstenverlies zal teweegbrengen. Het komt de Raad van State niet toe, en hij is ook niet in de mogelijkheid dit te doen, zich uit te spreken over de kansen op faillissement, zeker niet tegen een verklaring van een accountant in. De vaststelling dat dit gevaar reëel is, volstaat. In dit verband kan ook niet van de verzoekende partij geëist worden dat zij zich intussen maar uit de slag trekt door middel van een overheveling van haar gekoelde producten van Brussel naar een “zusteronderneming” in Antwerpen. Om al deze redenen, en gelet op het feit dat de verzoekende partij met de nodige diligentie is opgetreden, hetgeen overigens niet wordt betwist door de verwerende partij, dient geconcludeerd te worden dat aan deze voorwaarde tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan. VII. Ernst van het tweede en het derde middel Standpunt van de partijen 13. Het tweede middel wordt genomen van de schending van de materiëlemotiverings- en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. VII-40.588-16/33 Dit wordt als volgt ontwikkeld : “11. Eerste onderdeel : De beslissing van het FAVV om tot een ongunstige beoordeling te besluiten voor de controle van zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum en het lotnummer zonder gebruik te maken van de checklist DIS 3352 steunt niet op deugdelijke motieven en is niet op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Tweede onderdeel: De beslissing is in elk geval niet gebaseerd op enig deugdelijk motief voor wat de intrekking van de toelating betreft voor de slagerij (= vleeswinkel). De inbreuken hebben niets te maken met de slagerij en bij uitbreiding met alle versproducten. De discussie betreft enkel de etiketten van voorverpakte producten. 2. Uiteenzetting van het middel 12. De materiële motiveringsplicht houdt overeenkomstig de rechtspraak van Uw Raad in dat de bestreden beslissing moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit de stukken van het administratief dossier. 13. Het zorgvuldigheidsbeginsel is afgeleid uit de algemene zorgvuldigheidsnorm die wordt bepaald aan de hand van het criterium van de normaal voorzichtige en redelijk bestuur geplaatst in dezelfde feitelijke omstandigheden. Zo is er een schending van de zorgvuldigheidsplicht omwille van een gebrek aan een zorgvuldige voorbereiding, wanneer het bestuur te kort is geschoten door een gebrek aan zorgvuldige afweging van de bij het besluit betrokken belangen, of wanneer er sprake is van een gebrek in de zorgvuldige kennisgeving van de beslissing. 14. Tijdens de controle van 11 en 12 juli 2019 werden er drie verschillende controles doorgevoerd: 1. DIS 3309 Detailhandel met toelating (zonder verwerking): infrastructuur, inrichting en hygiëne. Hier werd een gunstig advies met opmerkingen verstrekt. Er zijn enkele kleine tekortkomingen vastgesteld doch het beperkt aantal non-conformiteiten leidt niet tot een ongunstige beoordeling, Deze controle rechtvaardigt dus geenszins de intrekking van de toelating. 2. DIS 3352 Levensmiddelen: verpakking en etikettering (inclusief handelsnormen). Dit betreft een intensieve controle aan de hand van de checklist DIS 3352 van de verpakking van drie producten (Halideal - Andalouse saus, Robert cocktail, Fizzy strawberry). Er werd tweemaal een gunstige beoordeling met opmerkingen toegekend en éénmaal een gunstige beoordeling. Deze controle rechtvaardigt dus geenszins de intrekking van de toelating. 3. Quickscan van 17 producten: Dit betreft een meer oppervlakkige controle dan de DIS 3352-controle van 17 producten op 4 aspecten: VII-40.588-17/33 vertaling, allergenen, TGT/THT (= bewaarvoorschriften), partijnummer (= lotnummer). Er zijn in totaal 68 aspecten gecontroleerd. Hiervan zijn er 59 conform. Er stelt zich enkel een discussie voor 9 aspecten. 15. Van de 9 beweerde non-conformiteiten bij de quickscan hebben er 7 betrekking op vermeende taalaspecten, één op het aspect allergenen wat eigenlijk ook een taalaspect betreft én een ontbrekend partijnummer. Het voorverpakte product Marakesh-Milfehocfilm = gebakjes) werd door verzoekende partij zelf onmiddellijk aangepast en werd ook terug vrijgegeven. Hiermee vallen al twee opmerkingen weg, zijnde 1 opmerking over een vertaling en één opmerking over allergenen. Er blijven dus nog 6 non- conformiteiten inzake vertaling over én één ontbrekend lotnummer. Er is dus nog maar discussie over 6 van de 17 producten en over 7 non-conformiteiten. Ten behoeve van uw Raad overlopen wij de producten in kwestie […]. BESTREDEN VERWEER CONCLUSIE BESLISSING 9. Superfresh Puff Pastry - Het etiket is wel degelijk De 1000 gram (aangeduid met in het Frans en controleur letter A) Nederlands. van het FAVV De vermelding van de De bewoordingen heeft dit houdbaarheidsdatum is productiedatum en product ten niet correct vermeld in het houdbaarheid “best voor onrechte als Nederlands datum” staan wel niet- degelijk op het etiket conform vermeld in het aangeduid. Nederlands. De data staan weliswaar maar éénmaal vermeld voor alle talen. Er kan echter geen enkel De handelsbenaming is misverstand ontstaan. niet vermeld in het De handelsbenaming Nederlands en in het staat wel degelijk Frans. bovenaan rechts zowel in het Nederlands als het Frans: “superfresh pâte de mille-feuilles surgelée – superfresh diepgevroren bladerdeeg’. VII-40.588-18/33 10. Marakesh – Dit probleem werd Er zijn geen non- Milfehocfim (aangeduid onmiddellijk opgelost conformiteiten met een B) door verzoekende partij meer die een zelf en het product is intrekking van de De handelsbenaming is reeds vrijgegeven. toelating kunnen niet in het Nederlands en ondersteunen. het Frans. De vermelding van allergenen is niet correct vertaald in het Nederlands. 13. Mekkafood – Het etiket is wel degelijk Diepgevroren schijf van ook in het Frans en het fijngesneden Nederlands. kippenseparatorvlees en paneermeel voorgegaard, 1200 gram (aangeduid met
- c)Enkel de nutritionele Het is onduidelijk informatie is enkel in het of de De voedingswaarde- Nederlands en het Duits. voedingswaarde vermelding staat niet in het wel op het etiket Frans. moet worden vermeld. In de bestreden beslissing wordt geen rechtsgrond aangeduid. Voor het FAVV is het geen prioriteit overeenkomstig wat op de website staat vermeld. […] 14. Konouz-spliterwten: Het etiket is wel degelijk (product D) in het Nederlands en het Frans. De voedingswaarde- vermelding staat 2 maal in Dezelfde verpakking het Frans vermeld. De ene wordt zowel gebruikt voedingswaarde- voor bonen als voor vermelding is voor bonen, erwten maar dan met een maar deze is niet van andere opdruk onderaan. toepassing voor het Dit is niet verboden. Er is product. geen enkele verwarring mogelijk met de zeer duidelijke opschriften ‘spliterwten’. VII-40.588-19/33 De voedingswaarde- De voedingswaarde is Het is onduidelijk vermelding is niet vermeld enkel in het Frans. of de in het Nederlands. voedingswaarde wel op het etiket Geen naam of adres van de De merknaam ‘Konouz’ moet worden verantwoordelijke operator staat wel degelijk vermeld. In de van het product. vermeld. bestreden beslissing wordt geen rechtsgrond aangeduid. Voor het FAVV is het geen prioriteit overeenkomstig wat op de website staat vermeld […]. 15. Bizim Mutfak – Het etiket is zowel in het Voorbereiding voor crème Nederlands als in het met bananensmaak, Frans. 140 gram. (product E) De bewaarvoorschriften De zin ‘Keep in a cool staan in het Engels en zijn and dry and odour free niet vertaald in het Frans environment’ staat er en Nederlands. enkel in het Engels. Dit is duidelijk uit plaatsgebrek op het etiket. 16. Laayoune – China Het etiket in volledig in De controleur van groene thee, 500 gram het Frans en het het FAVV heeft ten (product F) Nederlands onrechte dit product als non- De vermelding van de De vermelding ‘A conform houdbaarheidsdatum is consommer avant le’ aangeduid. niet correct vermeld in het betreft wel degelijk Frans: A consommer avant correct Frans. […] le. VII-40.588-20/33 17. Alyna – Cashewnoten Het etiket is wel degelijk R + S, 300 Gram in twee talen. (product G) Deze vertaling is Het volgende is niet evenwel inderdaad vertaald in het Frans: onvolledig. - De vermelding voedingswaarde per 100 gram. De handelsbenaming is niet vertaald in het Frans; - De ingrediëntenlijst; - Het land van herkomst; - Fabrikant verwerkt ook noten, pinda’s en sesamzaad. De vermelding van de houdbaarheidsdatum is niet correct vermeld in het Frans: A Consommer avant le De behandeling van de Dit betreft wel correct noten: Frans. Roasted en salted is niet vertaald in het Nederlands en Frans. Deze begrippen worden ook in het Frans en het Er staat geen lotnummer Nederlands gebruikt. vermeld (houdbaarheidsdatum is enkel uitgedrukt in maand en jaar) Van de 7 producten die als niet-conform worden aangeduid, zijn er bij nader inzien maar 4 met een tekortkoming inzake etikettering, zijnde: 1. 13. Mekkafood – Diepgevroren schijf van fijngesneden kippenseparatorvlees (product C); 2. 14. Konouz-spliterwten; (product D); 3. 15. Bizim Mutfak – Voorbereiding voor crème met bananensmaak, 140 gram. (product E); 4. 17. Alyna – Cashewnoten R + S, 300 Gram (product G). Alle etiketten bevatten zowel Nederlands als Frans overeenkomstig artikel 8§1 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere VII-40.588-21/33 producten. De tekortkomingen van de producten 13 en 15 zijn bovendien bijzonder licht. Zonder afbreuk te willen doen aan het belang van de etikettering in de juiste talen, zijn de vastgestelde tekortkomingen manifest onvoldoende zwaarwichtig om hiervoor een ongunstige score toe te kennen. Niet elke non- conformiteit kan zomaar leiden tot een ongunstige score. Dit was ook niet het geval bij de twee andere controles […]. Dit geldt des te meer omwille van het feit dat deze ongunstige beoordeling leidt tot een bedrijfssluiting. Er blijven hoogstens nog 4 van de 9 tekortkomingen over op een totaal van 68. De beslissing steunt dan ook niet op deugdelijke motieven waardoor de materiële motiveringsplicht is geschonden. 16. Het nader onderzoek van de beweerde non-conformiteiten heeft ook aangetoond dat de controleur van het FAVV niet zorgvuldig is te werk gegaan bij haar onderzoek. Twee van de producten, zijnde nr. 9 ‘Superfresh Puff Pastry’ en 16 ‘Laayoune – China Groene thee’ staan onterecht op de lijst als zijnde niet-conform. Er is bovendien geen enkele aanwijzing te vinden over de methode die gehanteerd is geworden voor de steekproef. Er kan niet met zekerheid bepaald worden of de steekproef op een onpartijdige wijze is verlopen. Het zorgvuldigheidsbeginsel is dan ook geschonden.” Het derde middel wordt genomen van de schending van het redelijkheidsbeginsel en van de formelemotiveringsplicht. Dit wordt als volgt ontwikkeld : “19. In een eerste onderdeel wordt uiteengezet dat het FAVV met zijn beslissing tot intrekking het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. De Beroepscommissie heeft vastgesteld dat er grote vooruitgang is gemaakt. Ook tijdens de laatste controle waren twee van de drie beoordelingen gunstig. Het aantal inbreuken op de etikettering is ook beperkt (Supra). Daarenboven is er geen gevaar voor de voedselveiligheid. De maatregel tot intrekking is dan ook disproportioneel gelet op de zware gevolgen, zijnde de bedrijfssluiting. In een tweede onderdeel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing minstens formeel had moeten motiveren in het licht van de vastgestelde inbreuken waarom een dergelijke verregaande maatregel als een intrekking van de erkenning noodzakelijk is mede gelet op de afwezigheid van een gevaar voor de voedselveiligheid en de volksgezondheid. In een derde onderdeel wordt aangegeven dat de etiketteringsproblematiek in feite deze is van de leveranciers en dat het aanpakken van een enkele halalwinkel kennelijk onredelijk en onevenwichtig is. VII-40.588-22/33 In het vierde onderdeel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing in elk geval disproportioneel is ten aanzien van de intrekking van de toelating voor de slagerij/ versafdeling. 2. Uiteenzetting van het middel 20. Het evenredigheidsbeginsel is erkend als een volwaardig beginsel van behoorlijk bestuur en houdt in dat de beslissing in een redelijke verhouding moet staan tot de feiten en/of het doel ervan (principle of proportionality). De intrekking van de erkenning/toelating betreft een beveiligingsmaatregel en geen strafmaatregel. De processen-verbaal worden immers bezorgd aan het parket die eveneens optreedt. Op straffe van het beginsel ‘non bis in idem’ moet een dergelijke intrekking worden gekwalificeerd als een beveiligingsmaatregel. Het onderdeel van het algemeen belang dat het koninklijk bestuit van 16 januari 2006 ‘beveiligt’ betreft de voedselveiligheid. Artikel 14 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 voorziet in de mogelijkheid tot schorsing van de erkenning en het opleggen van bijzondere voorwaarden; artikel 15 in de mogelijkheid tot intrekking in 12 gevallen (zie ook het eerste middel). De genomen beslissing moet in een evenredig verband staan met de ernst van de feiten én mag bovendien niet verder gaan dan noodzakelijk is om zijn doel te bereiken, zijnde de bescherming van de voedselveiligheid/volksgezondheid. De intrekking van de toelating welke een bedrijfssluiting voor gevolg heeft (zie verder onder het hoofdstuk ‘spoedeisendheid’) is kennelijk onredelijk met de ernst van de situatie. Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid. Dit werd bevestigd door de Beroepscommissie. Er zijn zware investeringen doorgevoerd, personeel aangeworven, financiële middelen ter beschikking gesteld, externe consultants gecontacteerd, ... Al deze inspanningen zijn erkend door de Beroepscommissie: ‘7. Op basis van de elementen in het dossier zijn de commissieleden van oordeel dat er geen direct en onmiddellijk gevaa[r] bestaat voor de voedselketen. - gelet op het gewijzigd aankoopbeleid (als preventieve maatregel) d[at] moet garanderen dat de nieuw aangekochte producten beschikken over een conform etiket; - gelet op het feit dat PIT-STOP2 van start is gegaan met het verwijderen van alle niet-conforme producten uit het verkoopsgamma en hiervoor een samenwerkingsovereenkomst heeft met een extern samenwerkingspartner heeft aangegaan; Zijn de commissieleden van oordeel dat exploitant de nodige inspanningen heeft geleverd en nog zal leveren die tegemoet komen aan de door de inspectiediensten vastgestelde inbreuken. Echter willen de commissieleden de garantie dat deze inspanningen niet van tijdelijke aard zijn en stelt zij voor dat er een doorgedreven opvolging gebeurt door de inspectiediensten waarbij exploitant dient aan te tonen dat zijn engagement van continue aard is.’ Er bestaat dan ook geen enkele noodzaak vanuit het algemeen belang om de toelating in te trekken. Een eventueel strafsanctie voor de inbreuken komt niet toe aan het FAVV en de bevoegde minister maar aan de rechter op vervolging van het parket. VII-40.588-23/33 Daarenboven werden de bewuste producten reeds in beslag genomen […]. Er bestaat dan ook een andere en minder verregaande maatregel die hetzelfde doel bereikt. De bedrijfssluiting van de verzoekende partij is evenmin een efficiënt middel om een verbetering van de kwaliteit van de etikettering na te streven. Hiervoor is een beslag bij de groothandelaars een veel efficiënter middel, temeer omdat zij allen leveren aan veel meer halalwinkels dan enkel deze van verzoekende partij. Deze groothandelaars zijn allemaal gekend. Onder stuk nr. 16 worden de facturen toegevoegd. Indien het FAVV maatregelen wenst te nemen met betrekking tot de etikettering van halal-producten is het veel efficiënter om de groothandelaars te controleren en daar de producten die niet voldoen onder beslag te plaatsen. De producten die onder beslag zijn geplaatst, kunnen bovendien nog overal verkregen worden in de buurt […] Er kon derhalve een minder verregaande maatregel genomen worden die veel minder gevolgen heeft voor de verzoekende partij. Het FAVV heeft met de intrekking van de erkenning een disproportionele beslissing genomen en heeft dan ook het evenredigheidsbeginsel geschonden. Het eerste onderdeel van het tweede middel is ernstig en gegrond. 21. De bestreden beslissing bevat geen enkel motief over de noodzaak om dergelijke verregaande maatregel op te leggen. Het FAVV heeft de formele motiveringsplicht geschonden omdat op generlei wijze in de bestreden beslissing is terug te vinden waarom hij tot deze verregaande maatregel beslist en waarom deze maatregel evenredig is met de ernst van de feiten. Uw Raad oordeelde in dat verband het volgende in het arrest nr. 106.590 van 16 mei 2002: ‘Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van, onder meer, de materiële en de formele motiveringsverplichting; dat zij dienaangaande uiteenzet wat volgt: er is niet voldaan aan de materiële motiveringsverplichting aangezien noch uit het bestreden besluit, noch uit de daaraan voorafgaande briefwisseling blijkt waarom de zware straf van de intrekking van de erkenning moest opgelegd worden, aangezien er geen gevaar voor de volksgezondheid wordt aangetoond en aangezien niet blijkt waarom de minister een zwaardere straf wenste op te leggen dan deze vervat in het advies van de administratie; omdat die verschillende redenen niet in het bestreden besluit worden vermeld en omdat de verwerende partij er ook niet antwoordt op de argumentatie van haar bezwaarschrift, is ook de formele motivering niet afdoende;’ De formele motiveringsplicht is dan ook geschonden wegens gebrek aan motieven over de noodzaak dergelijke verregaande maatregel te nemen. Het tweede onderdeel is eveneens ernstig en gegrond. 22. Verzoekende partij heeft ter gelegenheid van de beslissing van 3 april 2019 haar gehele winkel op verkeerde etiketten laten triëren door voedselspecialist AS4, tegen een buitengewoon hoge - eigenlijk voor een gewone supermarkt ondraaglijke - kost […]. Zij heeft alle leveranciers gesommeerd om de Belgische etiketteringsreglementering te respecteren […]. VII-40.588-24/33 Desondanks heeft verwerende partij vaststellingen gedaan bij ‘droge’ halalproducten die allen werden geleverd na de triage en die andere producten zijn dan diegene waarvan sprake in de controle van 28 maart 2019. Verzoekende partij voelt zich machteloos. Zij kan niet wettig halalproducten aankopen dan tenzij via groothandelaars die ook verkopen aan talrijke andere halalwinkels. Waar haar cliënteel quasi-uitsluitend allochtonen betreft, kan zij het commercieel niet maken géén halalproducten te verkopen. Dat is alsof aan autochtonen geen spaghetti meer verkocht zou kunnen worden. Het blijkt voor een winkel onmogelijk (het experiment met eigen mensen is mislukt) dan wel onbetaalbaar (AS4) om alle etiketten van de zowat 6000 halalproducten zelf te controleren. Het sommeren van de leveranciers lijkt vooralsnog geen resultaat te hebben opgeleverd. Als het verwerende partij menens is om het etiketteringsprobleem van halalproducten aan te pakken, moet ze terecht bij de leveranciers, niet bij één enkele winkel. Verzoekende partij heeft geen kennis van andere winkels die worden geconfronteerd met een even drastische beslissing als de bestreden beslissing, enkele maar omwille van etikettering van droge halalproducten. Een vervolgingsbeleid moet redelijk, evenwichtig en doelmatig zijn, met inachtname van het gelijkheidsbeginsel. Het sluiten van één enkele halalsupermarkt omwille van een probleem dat kennelijk zit bij de leveranciers, die ook en veel nuttiger kunnen aangepakt worden door het FAVV, is kennelijk onredelijk. Als alle halalwinkels moeten sluiten omwille van het etiketteringsprobleem, dan verschuift het probleem ongetwijfeld zich naar de ‘zwarte markt’. De oplossing ligt dus bij de leveranciers, de producenten maar vooral de groothandelaars, niet bij de kleinhandelaars. Het middelonderdeel is ernstig en gegrond. 23. De bestreden beslissing is in elk geval niet proportioneel ten aanzien van de slagerij en bij uitbreiding de gehele versafdeling aangezien de inbreuken enkel betrekking hebben op de voorverpakte producten. Het vierde middelonderdeel is ernstig en gegrond.” 14. De verwerende partij beantwoordt deze middelen als volgt: “TWEEDE MIDDEL: Betreffende de zogenaamde schending van de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur 25. Verzoekende partij werpt in een tweede middel de schending op van de hierboven geciteerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij verdeelt het tweede middel in twee onderdelen. Verwerende partij kan als volgt repliceren wat betreft het eerste middelonderdeel: Verzoekende partij stelt dat de vastgestelde non-conformiteiten deels onterecht als niet conform zijn aangeduid. Daarenboven stelt zij dat deze non- conformiteiten niet tot een ongunstig resultaat kunnen leiden. VII-40.588-25/33 Verwerende partij mag allereerst opmerken dat verzoekster het debat tracht te verengen tot de vaststellingen en non-conformiteiten in het laatste missierapport dd. 12.07.2019. De ‘gescande’ producten betreffen slechts willekeurig gekozen producten uit het zeer ruime assortiment (duizenden producten) van verzoekster. Het steeds opnieuw vaststellen van non-conformiteiten inzake etikettering is een symptoom van een diepgaand, structureel probleem. Verzoekster is immers niet in staat om op lange termijn haar etiketteringssysteem op punt te krijgen. Het is net dit probleem dat de beroepscommissie en navolgend de Minister heeft willen aankaarten. Teneinde wat dit betreft garanties te hebben werd dan ook de beslissing genomen om de toelating van verzoekster te behouden, doch onder bepaalde voorwaarden. De beslissing van de Minister dd. 09.05.2019 is duidelijk: 3/ Zodra enig resultaat van de inspecties bedoeld onder 1/ de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 opgenomen checklist gestuurde controle of indien minstens 1 van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1. en 2.1 onder nummer AER/BRU/028577 als detailhandel en vleeswinkel definitief. Het gaat hierbij aldus niet om ‘ongunstige scores’ zoals verzoekster stelt, doch één non-conformiteit is voldoende om de intrekking definitief te laten worden. Verzoekster geeft in haar verzoekschrift zelf toe dat er sprake is van 4 non-conformiteiten. Aangezien er minstens van één non-conformiteit sprake is, is het middelonderdeel alleen al om die reden niet ernstig. Verwerende partij mag er andermaal op wijzen dat verzoekster geen beroep bij Uw Raad heeft ingesteld tegen de beslissing van de Minister en dat de termijn om dit te doen inmiddels verstreken is. Deze beslissing is aldus definitief en verzoekster wordt geacht hiermee akkoord te zijn gegaan. Het is uiteraard in geen geval die beslissing die thans aan de toetsing van Uw Raad wordt onderworpen. Samengevat, vergist verzoekster zich wanneer zij stelt dat de vastgestelde non-conformiteiten niet tot een ongunstige score kunnen leiden. Deze opmerking is niet pertinent. 26. Verwerende partij dient tevens te repliceren wat betreft de opmerkingen van verzoekster op de specifieke non-conformiteiten. Dat een etiket onmiddellijk door de zaakvoerder werd aangepast en dat hierdoor twee non-conformiteiten wegvallen, is uiteraard irrelevant. De bedoeling is net dat er géén non-conformiteiten worden vastgesteld en dat verzoekster zelf een systeem heeft om dit te voorkomen. Het reactief optreden doet de vaststellingen uiteraard niet verdwijnen... Wat de specifieke producten betreft: - Superfresh Puff Pastry: deze bewoordingen zijn niet in overeenstemming met de bijlage X bij de Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 (hierna Vo. 1169/2011); de handelsbenaming staat inderdaad in beide talen vermeld; - Marrakesh Milfe Hosfim: de non-conformiteiten zijn vastgesteld en worden niet betwist – rechtzetting achteraf is niet pertinent: VII-40.588-26/33 - Mekkafood diepgevroren schijf van fijngesneden kippenseparatorvlees: artikel 9, 1, I) van de Vo. 1169/2011 schrijft voor dat de voedingswaarde verplicht op het etiket moet worden vermeld. - Konouz spliterwten: er ligt geen bewijs voor van de beweringen van verzoekster – vaststellingen door een controleur van het FAW, die wat betreft hun bevoegdheden de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie hebben, gelden tot bewijs van het tegendeel. Art. 9, 1, I) Vo. 1169/2011 schrijft voor dat de voedingswaarde op het etiket vermeld staat; ten slotte is het verplicht de verantwoordelijke operator op het etiket te vermelden – een merknaam is niet voldoende. - Bizim Mutfak: de vermeldingen moeten correct en volledig vertaald zijn, dit is niet het geval. De overige vaststellingen worden niet betwist wat dit product betreft; - Laayoune China groene thee: deze bewoordingen zijn niet in overeenstemming met de bijlage X bij de Vo. 1169/2011; - Alyna cashewnoten: verzoekster geeft toe dat de vertaling onvolledig is; de vermelding inzake houdbaarheid is niet in overeenstemming met de bijlage X bij de Vo. 1169/2011. Bovenstaande toont aan dat de opmerkingen van verzoekster niet correct zijn. De non-conformiteiten zijn allemaal terecht. Bijgevolg is ook geen sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door (de controleur van) de verzoekende partij. 27. Wat nu het tweede middelonderdeel betreft: Dit onderdeel is niet pertinent wat de thans bestreden beslissing betreft. Het onderdeel heeft betrekking op de niet aangevochten beslissing van de Minister dd. 09.05.2019. Verwerende partij heeft thans enkel vaststellingen gedaan – die correct zijn – en hieraan het rechtsgevolg gegeven zoals door de Minister vooropgesteld. Het tweede middel is niet ernstig. DERDE MIDDEL: Nopens de zogenaamde schending van het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en de formele motiveringsplicht Het derde middel wordt door verzoekende partij uiteengezet aan de hand van verschillende onderdelen: 19. In een eerste onderdeel wordt uiteengezet dat het FAVV met zijn beslissing tot intrekking het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. De Beroepscommissie heeft vastgesteld dat er grote vooruitgang is gemaakt. Ook tijdens de laatste controle waren twee van de drie beoordelingen gunstig. Het aantal inbreuken op de etikettering is ook beperkt (supra). Daarenboven is er geen gevaar voor de voedselveiligheid. De maatregel tot intrekking is dan ook disproportioneel gelet op de zware gevolgen, zijnde de bedrijfssluiting. In een tweede onderdeel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing minstens formeel had moeten motiveren in het licht van de vastgestelde inbreuken waarom een dergelijke verregaande maatregel als een intrekking VII-40.588-27/33 van de erkenning noodzakelijk is mede gelet op de afwezigheid van een gevaar voor de voedselveiligheid en de volksgezondheid. In een derde onderdeel wordt aangegeven dat de etiketteringsproblematiek in feite deze is van de leveranciers en dat het aanpakken van een enkele halalwinkel kennelijk onredelijk en onevenwicht is. In het vierde onderdeel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing in elk geval disproportioneel is ten aanzien van de intrekking van de toelating voor de slagerij/ versafdeling. Dat er van een schending van het evenredigheidsbeginsel, noch van de formele motiveringsplicht geen sprake kan zijn. Verwerende partij mag zich nader verklaren. 28. Opnieuw dient verwerende partij te benadrukken dat het evenredigheidsbeginsel en de formele motiveringsplicht terzake niet van toepassing zijn; Verzoekende partij mag dienaangaande verwijzen naar haar argumentatie onder het eerste middel waaruit blijkt dat verwerende partij in casu geen beslissingsmacht had en louter voorzag in de uitvoering van een eerder genomen, en niet bestreden beslissing, van minister Ducarme. De beginselen van behoorlijk bestuur zijn aldus enkel van toepassing op de beslissing van minister Ducarme die aan verzoekende partij werd betekend in datum van 9.05.2019, doch die in het kader van huidig beroep niet ter discussie kunnen worden gesteld. In het licht van deze zienswijze diende en kon verwerende partij, bij haar vaststelling dat de intrekking van de erkenning definitief was geworden, dan ook geen afweging meer maken op vlak van evenredigheid. Verwerende partij maakt terzake eenvoudigweg geen beoordeling of de vaststelling van verschillende non-conformiteiten op vlak van etikettering en de mededeling van allergeneninformatie in proportie is tot de sluiting van de inrichting. Verwerende partij kon enkel de vastgestelde procedure, zoals uiteengezet in de beslissing van minister Ducarme, volgen en diende dan ook in geval van enige non conformiteit de definitieve intrekking van de toelating als detailhandel en vleeswinkel vast te stellen. De beslissing van minister Ducarme vermeldde dienaangaande als volgt: ‘Zodra enige resultaat van de inspecties bedoeld onder 1/de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 opgenomen checklist gestuurde controle of indien voor minstens 1 van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1 en 2.1 onder nummer AER/BRU/028577 als detailhandel en vleeswinkel definitief’ 29. Wat betreft overigens de formele motiveringsplicht kan verwerende partij, net gelet op haar onmogelijkheid om terzake een beoordeling te maken, enkel verwijzen naar de eerder genomen beslissing van minister Ducarme dd. 9.05.2019. Artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen bepalen het volgende: Artikel 2: ‘De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd..’ VII-40.588-28/33 Artikel 3: ‘De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.’ Dienaangaande wordt de beslissing van de minister net als de hele historiek met betrekking tot de vastgestelde inbreuken en de gevolgde procedure, uitdrukkelijk in de bestreden akte vermeld. De controleur van het FAVV vermeldt aldus uitdrukkelijk het volgende: ‘Controle in het kader van een definitieve intrekking van de FAVV toelating. Op 1 maart 2019, wordt de brief ‘beslissing tot intrekking van de toelating’ naar de operator verstuurd. Op 8 maart 2019 tekende de operator beroep aan en vond een hoorzitting plaats op 18 maart 2019. Op 28 maart 2019 vond er een hercontrole plaats om de gegrondheid van de bezwaren te kunnen vaststellen. Er werden nog tal van inbreuken vastgesteld. De operator werd hiervan via aangetekend schrijven in kennis gesteld op 3 april 2019. Een beroepscommissie werd samengesteld op 29 april 2019 om de bezwaren van de operator uiteen te zetten. De commissie adviseerde om de intrekking van de toelating op te schorten onder bepaalde voorwaarden. Dit advies werd gevolgd door minister Ducarme. Operator werd hiervan op de hoogte gebracht via aangetekend schrijven op 9 mei 2019. Gezien de voorwaarden die vermeld werden in de brief van Minister Ducarme werden geschonden wordt de toelating definitief ingetrokken. (7 voorverpakte producten die wer[d]en gecontroleerd in de quickscan op de wettelijke verplichte vermeldingen zijn niet conform). Op basis van de vaststellingen wordt er een proces-verbaal van overtreding opgesteld.’ Wanneer verzoekende partij opnieuw de formele motivering ter discussie stelt waarbij volgens haar uitdrukkelijk diende te worden gemotiveerd waarom een dergelijke verregaande maatregel in het licht van de vastgestelde inbreuken verantwoord is, stelt zij opnieuw enkel en alleen de beslissing van minister Ducarme dd. 9.05.2019 aan de kaak. Dit is dan ook niet de thans bestreden beslissing. De thans bestreden beslissing wordt onder verwijzing naar de vastgestelde inbreuken bij de inspectie dd. 11.07.2019 en de beslissing van minister Ducarme wel degelijk formeel gemotiveerd. 30. In het derde onderdeel meent verzoekende partij het feit dat de maatregel ten aanzien van haar wordt bevolen in plaats van ten aanzien van haar leveranciers als kennelijk onredelijk en evenwichtig te kunnen aanmerken. Laat het duidelijk zijn dat zoals reeds werd vermeld onder het eerste middel, artikel 1, punt 3 van de Europese Verordening nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten alle criteria vast op vlak van etikettering, het volgende bepaalt: 1. Deze verordening is van toepassing op exploitanten van levensmiddelenbedrijven in alle schakels van de voedselketen wier activiteiten de verstrekking van voedselinformatie aan de consumenten betreffen. Zij is van toepassing op alle voor de eindverbruiker bestemde levensmiddelen, VII-40.588-29/33 inclusief door grote cateraars geleverde levensmiddelen, en op voor levering aan grote cateraars bestemde levensmiddelen. De redenering als zou de sluiting van een enkele halalwinkel niet zijn verantwoordt zonder dat ook de leverancier wordt houdt helemaal geen steek. Daarenboven worden door verwerende partij stelselmatig controles verricht naar de conformiteit met de regelgeving inzake voedselveiligheid in alle inrichtingen die aan haar controle zijn onderworpen. Indien zich non-conformiteiten voordoen bij leveranciers van verzoekende partij zullen door verwerende partij ook ten aanzien van deze inrichtingen gepaste maatregelen worden getroffen. Laat het duidelijk zijn dat dit gegeven geen verschoning kan betekenen in hoofde van verzoekende partij die evident zelf verantwoordelijk is voor de producten die aan de consument aanbiedt. 31. Volgens het vierde onderdeel van het derde middel zou in elk geval de intrekking van de toelating van de slagerij/versafdeling als disproportioneel zijn aan te merken ten aanzien van de vastgestelde inbreuken. Verwerende partij kan terzake enkel verwijzen naar randnummer 28 waar het de beslissing van de minister betrof opdat de intrekking van de toelating als detailhandel en als vleeswinkel definitief bij vaststelling van ‘enige’ onregelmatigheid. Ook op dit vlak had verwerende partij terzake geen enkele beoordelingsbevoegdheid. Het derde middel dient dan ook in zijn totaliteit te worden verworpen als ongegrond.” Beoordeling 15. Aangaande het verweer geput uit het definitief geworden zijn van de beslissing van 9 mei 2019 en uit het verband tussen die beslissing en deze die thans wordt bestreden, dient op de eerste plaats verwezen te worden naar hetgeen hierboven werd geoordeeld met betrekking tot het belang van de verzoekende partij bij de voorliggende vordering. 16. Het wordt niet betwist dat op het vlak van de etikettering in de zgn. quickscan van 17 producten, bij de controle van 12 juli 2019 een aantal onvolkomenheden werden vastgesteld. Hierover ter terechtzitting ondervraagd bevestigt de verwerende partij de vaststelling door de verzoekende partij, die ook prima facie blijkt uit de bestreden beslissing, dat deze onvolkomenheden in wezen uitsluitend betrekking VII-40.588-30/33 hebben op een gebrekkige vertaling, soms in het Nederlands, vaker in het Frans, van een aantal vermeldingen die in de andere taal wel op het desbetreffende etiket voorkomen. Bovendien bevestigt de verwerende partij, ook in haar nota, dat de controle van 12 juli 2019 “inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne” als “gunstig met opmerkingen” werd beschouwd. Bovendien wordt zelfs vastgesteld dat de “uitgebreide controle inzake etikettering, die […] moet worden uitgevoerd op drie producten” ook resulteerde in de beoordeling “gunstig met opmerkingen”. 17. Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat, naar de letter, één van de in de “quickscan van zeventien producten” weerhouden onvolkomenheden op het vlak van de etikettering, zelfs wanneer die enkel betrekking heeft op “de taal”, blijkens de libellering van de beslissing van 9 mei 2019, volstaat om de erkenning definitief in te trekken zowel voor de detailhandel als voor de “vleeswinkel”. 18. In redelijkheid kan evenwel niet worden aangenomen dat eender welke dergelijke onvolkomenheid, ongeacht de ernst of de mogelijke gevolgen ervan, blindweg, automatisch, moet aanleiding geven tot de gevolgen die de bestreden beslissing met zich meebrengt. De beslissing van 9 mei 2019 kan in rechte dan ook niet in die zin worden begrepen dat de minste – eventueel zelfs futiele – tekortkoming, bijvoorbeeld op het vlak van vertaling van de vereiste gegevens op een etiket, automatisch tot de definitieve volledige intrekking van de toelatingen voor de detailhandel én de vleeswinkel moet aanleiding geven. Er wordt in dit verband zelfs niet aangevoerd door de verwerende partij dat de weerhouden onvolkomenheden slaan op de inhoud zelf VII-40.588-31/33 van de vermelding. Toegegeven wordt dat het in casu steeds gaat om onvolledige of gebrekkige vertalingen. 19. Het valt dan ook nauwelijks in te zien, en minstens had de verwerende partij derhalve formeel moeten motiveren, waarom de weerhouden tekortkomingen in redelijkheid tot dergelijke zware gevolgen moesten leiden, nu de verwerende partij tegelijk ook vaststelt dat de – onverwachte – controle van 12 juli 2019 “inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne … als ‘gunstig met opmerkingen’ (werd) beschouwd”, en zelfs dat “de uitgebreide controle inzake etikettering die … moet worden uitgevoerd op drie producten, (ook) resulteerde … in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen”. 20. De middelen zijn in de hierboven besproken mate dan ook ernstig. 21. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de “[b]eslissing van het FAVV dd. 12 juli 2019 waarbij [de bvba PIT-STOP 2] bevolen wordt de winkel aan de Vier-Windenstraat 7 te Sint-Jans-Molenbeek te sluiten na maandag 21 juli 2019 voor de eindconsument”. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de geschorste beslissing. VII-40.588-32/33 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 juli 2019, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Roger Stevens, eerste voorzitter van de Raad van State, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Roger Stevens VII-40.588-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.214 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.539 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div