← België

Arrest 245218 - Natuurbehoud - Vergunningen - 22/07/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.218 Rolnummer: A. 228559/VII-40583 Zaak: Arrest 245218 - Natuurbehoud - Vergunningen - 22/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-23 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-21 07:17 Fiche Arrest nr 245.218 van 22 juli 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Bevolen Oplegging dwangsom Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 245.218 van 22 juli 2019 in de zaak A. 228.559/VII-40.583 In zake : 1. Ivan DECLERCK 2. Dirk VAN DEN BOSSCHE 3. Christophe DEPAMELAERE 4. Claudine QUINTYN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelse steenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 11 juli 2019 bij uiterst dringende noodzakelijkheid, strekt tot

  1. a)de schorsing - van de tenuitvoerlegging van het besluit van 15 mei 2019 van het afdelingshoofd Adviezen en Vergunningen van het Agentschap voor Natuur en Bos houdende een kapmachtiging in openbaar bos - en bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet van de tenuitvoerlegging van
  2. i)het besluit van 8 juni 2010 van het afdelingshoofd Beheer van het Agentschap voor Natuur en Bos tot goedkeuring van het beheerplan voor het domeinbos „Rijckevelde‟ en
  3. ii)het besluit van 17 oktober 2007 van het hoofd VII-40.583-1/25 van het Agentschap voor Natuur en Bos tot goedkeuring van het beheerplan voor het domeinbos „Vagevuurbos‟;
  4. b)de voorlopige maatregel van het “verbod […] tot het kappen van bomen […] in het […] domeinbos [„Rijckevelde‟] […] en in het [domeinbos] Vagevuurbos […], dit zowel op basis van de kapmachtiging van 15.05.2019, alsook op basis van de bosbeheersplannen voor beide bossen, […] onder verbeurte van een dwangsom van 50.000 euro per overtreding”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 juli 2019, om 10.00 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marleen Ryelandt, die verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Peter De Roover, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Het bij bestreden besluit van 17 oktober 2007 goedgekeurde beheerplan voor het domeinbos „Vagevuurbos‟ bevat volgende kapregeling: VII-40.583-2/25 “[…] De bedrijfsvorm voor de naaldhoutbestanden en voor de meeste loofhoutbestanden in het Vagevuurbos blijft hooghout. Een populierenbestand met ondergroei van loofboomsoorten

(22a)en een gemengd loofbos
(35a)wordt in de toekomst als middelhout beheerd. De omlooptijd wordt op 16 of 24 jaar gebracht. Daarnaast blijven er nog de niet beboste oppervlaktes waar uiteraard geen bedrijfsvorm van toepassing is. De normale omlooptijd voor het Vagevuurbos bedraagt 4 jaar voor de jonge ( Het Vagevuurbos is ingedeeld in 2 reeksen. Reeks 1 (65,85 ha bos) bestaat uit de percelen 1 tot 22; reeks 2 (91,14 ha bos) uit de percelen 23 tot 48. De Blauwhuisstraat vormt de grens tussen beide reeksen. Slechts voor enkele bestanden van fijnspar wordt een eindkap voorzien gedurende dit beheerplan. Bedoeling is deze bestanden ofwel naar heide of grasland om te vormen, ofwel een struweel of een door inheemse soorten gedomineerd bos te bekomen. Ook enkele heel jonge bestanden worden gekapt (geen houtoogst) om tot heide omgevormd te worden. Eén populierenbestand
(43a)wordt geoogst en omgevormd naar beekbegeleidend essenbos. Es en zomereik zijn reeds aanwezig in de boomlaag. Er wordt gestreefd naar natuurlijke bezaaiing van de open plekken ontstaan na de populierenkap. In een ander populierenbestand
(22a)wordt naar een middelhout gestreefd en zullen de meeste populieren in 2006 geoogst worden. Het gros van de bestanden zijn te jong om voor eindkap in aanmerking te komen. De weinige bestanden gedomineerd door zomereik en/of beuk zullen zo lang mogelijk behouden worden. In de oudere bestanden (> 50 jaar) worden de mooiste bomen op stam gehouden tot ze de voorziene afmetingen bereiken (min. 120 cm voor Ps; 150 cm voor Do, Pc, L; deze afmetingen schommelen afhankelijk van de marktomstandigheden). Om de acht jaar wordt een dunning in deze bestanden voorzien. De natuurlijke verjonging wordt extensief verpleegd door het vrijstellen van kwalitatief goede toekomstelementen. Sterke dunningen moeten de mogelijkheden tot natuurlijke verjonging verhogen en een verdere stijging van de gemiddeld hoge houtvoorraad vermijden. Indien de natuurlijke verjonging van deze soorten niet lukt, kunnen kleine groepjes inheemse loofbomen (conform de potentieel natuurlijke vegetatie op de standplaats) ingeplant worden. De exploitatietabel wordt in tabel 4.3. weergegeven. De aanduiding in deze kapregeling geeft een begindatum aan. Extreme weersomstandigheden of bijzondere omstandigheden kunnen een verschuiving van de exploitatie met een jaar (uitzonderlijk meer) tot gevolg hebben. De dreven (ongeveer 8
  1. ha)zijn niet mee opgenomen in de kapregeling. Zij worden in principe mee met de aangrenzende bestanden behandeld. Omwille van veiligheidsredenen worden de dreefbomen jaarlijks geïnspecteerd. Dode of kwijnende bomen worden steeds zo spoedig mogelijk geveld of van hun kroon ontdaan. Ze worden ofwel in het bos gelaten (dood hout), ofwel onderhands verkocht. Uitzonderlijk kunnen ze VII-40.583-3/25 behouden worden en dient de toegankelijkheid van het bos eventueel aangepast te worden (zie 4.12). Legende kapregeling x = dunningskap E = eindkap S = specifieke ingreep met bepaald natuurbehoudsdoel (zie verder in dit hoofdstuk voor details) VII-40.583-4/25 […]”. Volgens de verwerende partij werd de in 2018 voorziene dunningskap op de aangeduide percelen of bestanden niet uitgevoerd. Op de webpagina van het Agentschap voor Natuur en Bos informeert deze laatste thans het publiek over de “omvormingswerken die plaatsvinden in het Vagevuurbos”: “Recent hebben de boswachters van Natuur en Bos van de Vlaamse overheid een aantal percelen gehamerd in Vagevuurbos. Ze hebben met andere woorden de bomen aangeduid die zullen gekapt worden. Tijdens het komende kapseizoen worden 7314 bomen gekapt, gespreid over het hele Vagevuurbos. Dit kadert in het bosbeheer voor dit bos. […] De werken zijn een uitvoering van het goedgekeurde uitgebreid bosbeheerplan 2007-2027 voor het domeinbos Vagevuurbos”. VII-40.583-5/25 4. Het bij bestreden besluit van 8 juni 2010 goedgekeurde beheerplan voor het domeinbos „Rijckevelde‟ bevat volgende kapregeling: “[…] Het domeinbos Rijckevelde wordt in één reeks behandeld met een omlooptijd van 8 jaar in de oudere bestanden (> 40 jaar) en vier jaar in de jongere bestanden. De eerste dunningen vangen aan op een bestandsleeftijd van 20 tot 25 jaar. Gedurende de looptijd van het beheerplan zijn er dunningen in 2011, 2019 en 2027, niet tegelijk met de dunningen in het Militair Domein (Martens & Opstaele, 2007). Gelet op het hoge aandeel exoten in de bosvoorraad zal het kapkwantum de aanwas waarschijnlijk licht overstijgen gedurende de loop van dit beheerplan. In perceel 101 (Wit Zand) worden geen reguliere kappen uitgevoerd. Kappen uitgevoerd in het kader van het natuurbeheer van dit perceel zullen door eigen arbeiders gebeuren of uitbesteed worden. Pro memorie wordt in de kapregeling een omlooptijd van 4 jaar voorzien. In bestanden 5c en 12c wordt minimaal beheer voorzien. In Tabel 13 staat de kapregeling voor de periode 2009-2028. De aanduiding in Tabel 13 geeft een begindatum aan. Extreme weersomstandigheden of bijzondere voorvallen kunnen een verschuiving van de exploitatie met een jaar tot gevolg hebben. VII-40.583-6/25 […]”. Op de webpagina van het Agentschap voor Natuur en Bos informeert deze laatste thans het publiek over de “omvormingswerken die plaatsvinden in Ryckevelde”: “Recent hebben de boswachters van Natuur en Bos van de Vlaamse overheid een aantal percelen gehamerd in Ryckevelde. Ze hebben de bomen aangeduid die mogen gekapt worden. Dit kadert in het geplande bosbeheer voor dit bos. […] De werken zijn een uitvoering van het goedgekeurde uitgebreid bosbeheerplan 2009-2028 voor het domeinbos Ryckevelde”. 5. Naar aanleiding van een gegroepeerde aanvraag van 29 april 2019 van “Operationeel Terreinbeheer” van het Agentschap voor Natuur en Bos voor “een verzameling […] van te vellen bomen die aangeboden worden op de openbare houtverkopen georganiseerd door ANB op 5 en 6 juni 2019”, wordt met het bestreden besluit van 15 mei 2019 aan “de betreffende eigenaar die nog niet over een goedgekeurd beheerplan bezit, […] machtiging verleend om kappingen uit te voeren als voorzien in de overzichtstabel in bijlage”. Volgens deze bijlage slaat de kapmachtiging in het domeinbos „Vagevuurbos‟ op de volgende percelen of bestanden: 13a (dunning en eindkap), 13b (dunning en eindkap), 23b (dunning en eindkap), 24a (dunning en eindkap), VII-40.583-7/25 26a (dunning en eindkap), 27a (dunning en eindkap), 28a (dunning en eindkap), 28b (dunning en eindkap), 28c (dunning en eindkap), 28d (dunning en eindkap), 31a (dunning en eindkap), 32a (dunning en eindkap), 33a (dunning en eindkap), 33c (eindkap), 33d (eindkap), 33y (dunning en eindkap), 35a (dunning, eindkap en sanitair), 36a (dunning en eindkap), 37a (dunning en eindkap), 37b (dunning en eindkap), 38a (dunning en eindkap), 38b (dunning en eindkap), 39b (dunning en eindkap), 39d (dunning en eindkap), 40a (dunning en eindkap), 43a (dunning en eindkap), 43b (dunning en eindkap), 43c (dunning en eindkap), 44a (dunning), 44b (dunning), 46a (dunning en eindkap), 50a (dunning en eindkap), 51a (dunning en eindkap), 52a (dunning en eindkap), 53a (dunning en eindkap), 54a (dunning en eindkap), 65a (dunning), 7b (dunning). Volgens de verwerende partij bevat de kapmachtiging enerzijds de percelen waarvoor een dunningskap was voorzien in 2018 in het bosbeheerplan “omdat zij 1 jaar later dan in het beheersplan voorzien de periodieke dunningskap machtig[t] (2019 ipv 2018)” en anderzijds later aangekochte percelen waarvoor “anno 2007 nog geen beheermaatregelen waren voorzien”. Volgens dezelfde bijlage slaat de kapmachtiging in het domeinbos „Rijckevelde‟ op perceel 1a (dunning). 6. Op 6 juni 2019 heeft de openbare houtverkoop plaats in 3 loten voor de percelen in het „Vagevuurbos‟: 43a, 44a, 44b, 46a, 65a (lot 3-2019/VAG- 305), 13a, 13b, 23b, 24a, 26a, 27a, 28a, 28c, 28d, 31a, 32a, 33a, 33y, 35a, 36a, 37a, 37b, 38a, 38b, 39b, 40a, 43b, 43c, 50a, 51a, 52a, 53a, 54a, 7b (lot 3- 2019/VAG-306) en 33c, 33d, 39d (lot 3-2019/VAG-307). Voor de percelen van de eerste twee loten gelden een uitgebreide schoontijd van 1 februari tot 30 juni en een standaardexploitietermijn, i.e. tot eind 2020, als bijzondere verkoopsvoorwaarden. Voor de percelen van het derde lot gelden een standaardschoontijd, i.e. van 1 april tot 30 juni, een standaardexploitatietermijn en moet de aanvang van de exploitatie minimum 14 dagen op voorhand worden doorgegeven aan de boswachter. VII-40.583-8/25 7. Bij dagvaarding van 31 mei 2019 vordert de eerste verzoeker in kort geding het Vlaamse Gewest “in afwachting van een definitieve beslissing over de wettigheid van het bosbeheerplan voor het domeinbos Rijckevelde […] het verbod op te leggen tot het kappen van bomen, op grond van het bosbeheerplan domeinbos Rijckevelde, onder verbeurte van een dwangsom” en het “verbod op te leggen tot de openbare verkoop van hout, voorzien op 6 juni 2019, afkomstig van bomenkap in het domeinbos Rijckevelde, onder verbeurte van een dwangsom”. Bij conclusie van 17 juni 2019 breidt de eerste verzoeker zijn vordering uit “tot een verbod op kap van welke bomen ook, op basis van de kapmachtiging van 15 mei 2019 voor zoveel deze buiten het bosbeheerplan zou vallen”. Bij beschikking van 5 juli 2019 verklaart de burgerlijke kortgedingrechter zich “zonder rechtsmacht om in kort geding te oordelen” over de vorderingen van de eerste verzoeker. De eerste verzoeker heeft eerder op 8 mei 2019 een procedure ten gronde voor de burgerlijke rechter ingesteld tegen het Vlaamse Gewest “teneinde […] het uitgebreid bosbeheerplan voor het domeinbos Rijckevelde […] onwettig te […] verklaren” en laatstgenoemde verbod op te leggen “tot het kappen van bomen, op grond van dit bosbeheerplan, onder verbeurte van een dwangsom”. Deze bodemprocedure is hangende. 8. Bij dagvaarding van 21 juni 2019 vorderen onder meer de derde en vierde verzoekers in kort geding “op grond van art. 159 van de grondwet, het bosbeheerplan voor het Vagevuurbos, alsook de kapmachtiging bij besluit van […] 15.05.2019 […] buiten toepassing te verklaren en tevens onwettig te verklaren” en aan het Vlaamse Gewest verbod op te leggen “tot het kappen van bomen in het kader van het bosbeheerplan van het Vagevuurbos, alsook op grond van de kapmachtiging van […] 15.05.2019 […] onder verbeurte van een dwangsom”. Deze kortgedingzaak voor de burgerlijke rechter is hangende: de zitting is volgens de partijen vastgesteld op 9 augustus 2019. VII-40.583-9/25 IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid Uiteenzetting van de exceptie van de verwerende partij 9. De verwerende partij werpt op dat de door de verzoekers gevorderde “oneigenlijke toepassing van artikel 159 Gw. louter bedoeld [is] om de ratione temporis onontvankelijkheid te vermijden” en dat “beide twintig jaar lopende bosbeheerplannen […] niet meer gevat kunnen worden door een schorsings-en of annulatieberoep, laat staan een procedure bij UDN”. Zij besluit dat de “vordering tot schorsing bij UDN van deze publiek vrij raadpleegbare bosbeheerplannen, onder het mom van een UDN, […] dan ook ruim laattijdig” is. Beoordeling 10. De verzoekers vorderen “op grond van artikel 159 van de Grondwet”
  2. i)de schorsing van de voornoemde goedkeuringsbesluiten van 17 oktober 2007 en 8 juni 2010 na de buitentoepassingverklaring en de onwettigverklaring ervan, en
  3. ii)het opleggen van een voorlopige maatregel onder verbeurte van een dwangsom. 11. De onwettigheidsexceptie van artikel 159 van de Grondwet kan niet leiden tot de schorsing/vernietiging van de voornoemde goedkeuringsbesluiten, enkel tot de schorsing/nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling die er zijn rechtsgrond in vindt en die het voorwerp is van de vordering/het beroep waarin de exceptie wordt opgeworpen. 12. De verzoekers voeren niet aan dat het bestreden besluit van 15 mei 2019 zijn rechtsgrond vindt in de voornoemde goedkeuringsbesluiten die zelf een kapregeling bevatten. Het eerstgenoemde besluit werd ten andere genomen bij toepassing van artikel 50 van het bosdecreet van 13 juni 1990 dat betrekking heeft op “een kapping in andere dan domeinbossen die niet is opgenomen in het beheersplan”. VII-40.583-10/25 13. De vordering “op grond van artikel 159 van de grondwet” tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de voornoemde goedkeuringsbesluiten en tot het opleggen van een voorlopige maatregel onder verbeurte van een dwangsom, is onontvankelijk. V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  4. a)Algemeen 14. Volgens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
  5. b)Uiterst dringende noodzakelijkheid in hoofde van de eerste en tweede verzoekers Standpunten van de partijen 15. De verzoekers zetten uiteen dat de openbare houtverkoop zoals gepland is doorgegaan op 6 juni 2019. Na het verstrijken van de schoontijd op 30 juni 2019 is het volgens hen “meer dan aannemelijk dat de kap van de vele bomen zal worden voorzien” op basis van de bestreden bosbeheerplannen dan wel op basis van het bestreden besluit van 15 mei 2019. Zij achten “de kans meer dan reëel, dat er met groot materieel een aanvang zal worden genomen met de kap van de vele duizenden bomen in beide bossen en dat dit weinig tijd in beslag zal nemen”. Zij stellen nog dat hun vordering “hoogdringend [is], aangezien na het verstrijken van de schoontijd, die liep tot 30 juni 2019, op elk moment tot kap van de […] bomen kan worden overgegaan”. VII-40.583-11/25 De eerste verzoeker stelt dat hij op 540 meter van het domeinbos „Rijckevelde‟ woont en er dagelijks om gezondheidsredenen gaat wandelen en de kap meer dan 3.000 bomen betreft. De tweede verzoeker stelt dat hij “zijn woning en tuin in en palend aan het Rijckeveldebos” heeft, vanuit zijn woning uitkijkt op het Rijckeveldebos en de percelen voor houtkap palen aan zijn tuin. 16. De verwerende partij werpt op dat de verzoekers niet uiteenzetten “waarom zij hun toevlucht zoeken tot de huidige uitzonderlijke procedure bij UDN, behoudens de stelling dat hun leefomgeving enigszins zal veranderen, en in hoofde van eerste verzoeker wordt gezinspeeld op het feit dat zijn gezondheid zou kunnen worden geschaad, hetwelk evenwel geenszins aannemelijk wordt gemaakt. Het staat aan elke verzoeker om elk voor zichzelf te duiden waarom het voor hen onmogelijk is om een eventueel - nog op te starten (?) - vordering tot schorsing en/of nietigverklaring af te kunnen wachten”. Zij stelt nog dat de verzoekers niet diligent zijn opgetreden omdat zij “de vermeende hoogdringendheid zelf gecreëerd [hebben] door pas na de verkoop van het hout op 6 juni 2019, waartegen men reeds in twee eerdere burgerlijke procedures (bij dagvaardingen van 31 mei en 21 juni 2019) is opgekomen alsnog te wachten tot en met 11 juli 2019 om een verzoekschrift bij UDN in te dienen”. De verwerende partij betwist verder het aangevoerde belang van beide verzoekers. Zij wijst er in dat verband op dat de kapmachtiging van 15 mei 2019 “geen betrekking heeft op het domeinbos Rijckevelde, behoudens” perceel 1a. Zij werpt tegen dat de door de eerste verzoeker aangevoerde “aanslag op de levenskwaliteit […] een louter niet aannemelijk gemaakte stelling” is en dat “de dunningswerken gevat door de kapmachtiging dd. 15 mei 2019 niet binnen het gezichtsveld van de tweede verzoeker plaats[vinden]”. VII-40.583-12/25 Beoordeling 17. De mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid doet geen afbreuk aan de regel van artikel 19, eerste lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Op grond van deze bepaling moet een verzoeker doen blijken van “een benadeling of van een belang”. De verzoekende partij moet dus aannemelijk maken dat de bestreden beslissing haar een persoonlijk nadeel kan toebrengen. 18. In hun uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid gaan beide verzoekers eraan voorbij dat de bestreden kapmachtiging van 15 mei 2019 enkel betrekking heeft op het perceel 1a van het domeinbos „Rijckevelde‟, meer bepaald machtiging voor dunning van Amerikaanse eik voor een gemeten volume van 25,363 op dat ene perceel. De dunningskap op de percelen 2a, 2c, 2d, 3a, 3b, 3c, 3d, 4b, 4c, 4e, 4f, 5a, 5b, 5c, 6a, 6b, 7a, 7b, 7c, 8a, 8b, 9a, 10a, 10b, 11a, 12a, 12b, 12c, 12d en 101a is voor 2019 voorzien in het met het voormelde besluit van 8 juni 2010 goedgekeurde beheerplan voor het domeinbos „Rijckevelde‟ en niet in de kapmachtiging van 15 mei 2019. 19. Geen van beide verzoekers die hun belang steunen op de dunkapping in 2019 in uitvoering van het bosbeheerplan „Ryckevelde‟ kunnen volstaan met het door hen aangevoerde belang. Er valt niet in te zien hoe de duning op het perceel 1a in uitvoering van de bestreden kapmachtiging van 15 mei 2019 de levenskwaliteit van de eerste verzoeker kan aantasten te meer omdat de verwerende partij aantoont dat dit perceel op meer dan de aangevoerde afstand van 540 meter van de woning van de eerste verzoeker gesitueerd is en niet in zijn gezichtsveld ligt. De verwerende partij toont ook concreet aan dat het perceel 1a niet paalt aan de woning en tuin van de tweede verzoeker en ook buiten zijn gezichtsveld ligt. VII-40.583-13/25 20. Geen van beide verzoekers tonen in hun inleidende akte hic et nunc concreet en overtuigend aan hoe de bestreden kapmachtiging van 15 mei 2019 hun belang kan krenken. 21. De uiterst dringende noodzakelijkheid wordt bijgevolg niet aangetoond. Die vaststelling volstaat om de vordering van de eerste en de tweede verzoekers tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het opleggen van de gevorderde voorlopige maatregel onder verbeurte van een dwangsom te verwerpen.
  6. c)Uiterst dringende noodzakelijkheid in hoofde van de derde en vierde verzoekers Standpunten van de partijen 22. De verzoekers zetten uiteen dat de openbare houtverkoop zoals gepland is doorgegaan op 6 juni 2019. Na het verstrijken van de schoontijd op 30 juni 2019 is het volgens hen “meer dan aannemelijk dat de kap van de vele bomen zal worden voorzien” op basis van de bestreden bosbeheerplannen dan wel op basis van het bestreden besluit van 15 mei 2019. Zij achten “de kans meer dan reëel, dat er met groot materieel een aanvang zal worden genomen met de kap van de vele duizenden bomen in beide bossen en dat dit weinig tijd in beslag zal nemen”. Zij stellen nog dat hun vordering “hoogdringend [is], aangezien na het verstrijken van de schoontijd, die liep tot 30 juni 2019, op elk moment tot kap van de […] bomen kan worden overgegaan”. De derde verzoeker stelt dat hij zijn woning op 400 meter van het Vagevuurbos heeft. De vierde verzoekster voert aan dat zij “zelfs midden in het Vagevuurbos” woont en vanuit haar woning kijkt op het Vagevuurbos en op de percelen die zullen gekapt worden. 23. De verwerende partij werpt op dat de verzoekers niet uiteenzetten “waarom zij hun toevlucht zoeken tot de huidige uitzonderlijke VII-40.583-14/25 procedure bij UDN, behoudens de stelling dat hun leefomgeving enigszins zal veranderen, en in hoofde van eerste verzoeker wordt gezinspeeld op het feit dat zijn gezondheid zou kunnen worden geschaad, hetwelk evenwel geenszins aannemelijk wordt gemaakt. Het staat aan elke verzoeker om elk voor zichzelf te duiden waarom het voor hen onmogelijk is om een eventueel - nog op te starten (?) - vordering tot schorsing en/of nietigverklaring af te kunnen wachten”. Zij stelt nog dat de verzoekers niet diligent zijn opgetreden omdat zij “de vermeende hoogdringendheid zelf gecreëerd [hebben] door pas na de verkoop van het hout op 6 juni 2019, waartegen men reeds in twee eerdere burgerlijke procedures (bij dagvaardingen van 31 mei en 21 juni 2019) is opgekomen alsnog te wachten tot en met 11 juli 2019 om een verzoekschrift bij UDN in te dienen”. Zij betwist verder de actualiteit van het belang van deze verzoekers met betrekking tot de kapping op de percelen 33c, 33d en 39d omdat het heideherstel er niet zal worden uitgevoerd. Zij wijst erop dat het “louter dunningswerken betreffen” en dat het “bos an sich [niet] verdwijnt”. Beoordeling 24. De vierde verzoekster toont met haar overtuigingsstuk 18-19 aan dat het perceel met haar woning met tuin en loonwerkersbedrijf omgeven wordt door percelen waarvoor de kapmachtiging van 15 mei 2019 geldt: de direct aanpalende percelen 27a, 28d, 32a, 31a, 51a en de aan die percelen palende percelen 26a, 28a, 28b, 28c, 33a, 37a, 37b, 38a, 50a, 52a en de verder omliggende percelen 13a, 13b, 23b, 24a, 33c, 33d, 35a, 36a, 38b, 39b, 39d, 40a, 53a, 54a. Zij stelt met recht dat zij vanuit haar woning uitkijkt op deze percelen die op basis van het bestreden besluit van 15 mei 2019 het voorwerp van dunning en eindkap zijn. VII-40.583-15/25 25. De verwerende partij betwist ten onrechte het diligente optreden van de vierde verzoekster. Het is vooreerst aannemelijk dat de verwerende partij voor verwarring bij de vierde verzoekster heeft gezorgd omtrent de rechtsbasis van de gemachtigde kappingen door enerzijds publiek te maken dat deze kappingen “een uitvoering [zijn] van het goedgekeurde uitgebreid bosbeheerplan 2007-2027 voor het domeinbos Vagevuurbos” en anderzijds in de hoger aangehaalde kortgedingprocedure van de eerste verzoeker te poneren dat deze kappingen ook op de kapmachtiging van 15 mei 2019 steunen. Deze door de verwerende partij gestichte verwarring bij de vierde verzoekster blijkt dan ook uit haar hoger aangehaalde rechtsvordering in kort geding waarin zij de buitentoepassingverklaring vordert van zowel het voormelde goedkeuringsbesluit van 17 oktober 2007 als van het bestreden besluit van 15 mei 2019 en uit haar huidige vordering. De verwerende partij doet dan in haar nota van 18 juli 2019 - anders dan in haar bericht aan het publiek - gelden dat de kappingen op de in bijlage van het bestreden besluit van 15 mei 2019 aangeduide percelen in het Vagevuurbos zullen geschieden op grond van het bestreden besluit van 15 mei 2019 en niet op het bij besluit van 17 oktober 2007 goedgekeurde beheerplan voor het domeinbos „Vagevuurbos‟ omdat eensdeels die kappingen een jaar later dan in de beheerplan voorziene dunning in 2018 zullen worden gedaan en anderdeels omdat een aantal percelen niet in het beheerplan zijn vervat. Voorts heeft de vierde verzoekster de uitspraak in de door haar ingestelde kortgedingprocedure die niet eerder dan na de vastgestelde zitting van 9 augustus 2019 kan worden gedaan, toch niet afgewacht om zich tot de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid te wenden. 26. De vierde verzoekster voert terecht aan dat de bij het bestreden besluit van 15 mei 2019 gemachtigde dunning én eindkap op voormelde percelen op elk moment na het beëindigen van de schoontijd op 30 juni 2019 tot het einde van de toegestane exploitatietermijn (eind 2020) kan aangevat worden en dat deze nog aan te vatten dunning en eindkap onomkeerbaar is. 27. In deze omstandigheden overtuigt de vierde verzoekster ervan dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de VII-40.583-16/25 gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de vierde verzoekster veilig te stellen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. 28. De uiterst dringende noodzakelijkheid is in hoofde van de vierde verzoekster vervuld. Er is geen noodzaak om het vervuld zijn van deze grondvoorwaarde in hoofde van de derde verzoeker hierna te onderzoeken.
  7. d)Ernstig middel Eerste middel Standpunten van de partijen 29. De vierde verzoekster voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, het zorgvuldigheidsbeginsel, de artikelen 26bis en 36ter, § 3 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (natuurbehouddecreet), het onpartijdigheidsbeginsel, de artikelen 10, 11 en 14 van het besluit van 15 mei 2009 van de Vlaamse regering met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer. Zij wijst erop dat het domeinbos „Vagevuurbos‟ volgens het goedgekeurde beheerplan gelegen is in een Europees habitatrichtlijngebied en in afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk. Zij zet onder meer uiteen dat “[i]n de kapmachtiging […] op geen enkele manier [wordt] gemotiveerd inzake de habitattoets, waarom bepaalde beheersmaatregelen, in casu kappingen worden voorzien, welke alternatieven er zijn en welke maatregelen er worden genomen om een betekenisvolle aantasting van de natuur te voorkomen” en dat “[h]etzelfde dient te worden opgemerkt m.b.t. de VEN toets”. Het is volgens haar “zelfs niet duidelijk of de habitattoets, dan wel de VEN toets effectief werden VII-40.583-17/25 uitgevoerd. Nergens wordt er verwezen naar een onderzoek, een toets of een voortoets. […] De kapmachtiging heeft niet onderzocht, wat de impact is van de kappingen op de fauna en flora van het Vagevuurbos. Zo voorziet de kapmachtiging de eindkap van perceel 13b. Welnu, het is juist op dit perceel waar de levendbarende hagedis […] zijn leefplaats heeft! […] In de kapmachtiging wordt geen onderscheid gemaakt naar plaats en perceel in het bos, ook niet naar de aldaar aanwezige fauna en flora die een bijzonder aangepast beheer vergen, zodat er geen enkele zekerheid is dat de beschermde soorten, zowel op het vlak van fauna en flora in stand zullen kunnen gehouden worden. Het vooropstellen in de kapmachtiging van zeer algemene voorwaarden, die standaard zijn, en die blijkbaar ook van toepassing zullen zijn op de percelen, die grotendeels begrepen zitten in het bosbeheerplan, is derhalve een aantasting van de habitat en de VEN toets”. 30. De verwerende partij antwoordt dat de “[h]oofdreden voor de kapmachtiging, voor zover betrekking op het Vagevuurbos, […] uit het feit [bestaat] dat de dunningskap voor de meeste percelen pas 1 jaar later dan gepland zal worden uitgevoerd” en dat “een aantal percelen pas later [werden] aangekocht, welke nu tevens aan een dunningskap worden onderworpen”. Zij stelt dat de voorwaarden van de kapmachtiging “geenszins in strijd [zijn] met de vigerende bosbeheerplannen” te meer omdat “een dunningskap geen ontbossing betreft” en in dat licht niet valt “in te zien waarom er een schending van […] artikel 26bis alsook artikel 36ter § 6 van het decreet natuurbehoud zou voorliggen, vermits er inderdaad geen onvermijdbare en onherstelbare dan wel betekenisvolle aantasting wordt veroorzaakt”. Beoordeling 31. De verwerende partij wijst er terecht op dat het bestreden besluit van 15 mei 2019 “meerdere bossen beslaat” en dat de vierde verzoekster geen belang heeft “bij het aanvechten van toegestane kapmachtiging in haar globaliteit” en dat de “toegestane kapmachtiging voor het Vagevuurbos […] daarenboven afsplitsbaar [is] van de overige kapmachtigingen”. VII-40.583-18/25 In zoverre de vorderingen van de vierde verzoekster ook betrekking hebben op de andere in de bijlage van het bestreden besluit van 15 mei 2019 vermelde bossen dan het domeinbos „Vagevuurbos‟ zijn de vorderingen onontvankelijk. 32. Het bestreden besluit van 15 mei 2019 luidt: “[…] Overwegende dat de percelen met de te vellen bomen deels opgenomen zijn in de VEN-afbakeningen; dat, mits naleving van de voorwaarden opgenomen in deze machtiging, de aangevraagde werken geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur zullen veroorzaken; Overwegende dat de percelen met de te vellen bomen deels gelegen zijn in de speciale beschermingszones, die is aangewezen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones als vermeld in artikel 4 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand; Overwegende dat de percelen met de te vellen bomen deels gelegen zijn in de speciale beschermingszone, die is aangewezen bij het besluit van de Vlaamse Regering 23 april 2014 tot aanwijzing van de habitatrichtlijngebieden; Overwegende dat de aangevraagde werken, mits naleving van de voorwaarden opgenomen in deze machtiging, geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszones kunnen veroorzaken. BESLUIT: Artikel 1. Aan de betreffende eigenaar die nog niet over een goedgekeurd beheerplan bezit, wordt machtiging verleend om kappingen uit te voeren als voorzien in de overzichtstabel in bijlage. Art. 2. De machtiging Is geldig vanaf de datum van ondertekening tot en met het einde van de (verlengde) exploitatietermijn. Art. 3. De machtiging kan worden uitgeoefend onder de volgende voorwaarden: 1° tijdens het uitvoeren van de kapping moet de exploitant een kopie van deze machtiging of de na de verkoop afgeleverde kapvergunning bij zich hebben; 2° De kappingen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden van de houtverkoop wat o.a. inhoudt dat er een de standaard schoontijd, waarbij vellen en ruimen verboden is, geldt van 1 april tot en met 30 juni. De standaard schoontijd is geldig tenzij anders vermeld in de bijzondere bepalingen per lot; 3° de kapping mag in geen geval leiden tot een vermindering van de bosoppervlakte; 4° omvorming van bos naar tuin, het aanplanten van sierstruiken, het wijzigen van de kruidlaag of struiklaag en het plaatsen van constructies zijn niet toegestaan; VII-40.583-19/25 5° als door de kapping open plaatsen zouden ontstaan in het bos is herbebossing van die open plaatsen verplicht. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van natuurlijke verjonging. Indien 3 jaar na het uitvoeren van de kapping nog onvoldoende natuurlijke verjonging met geschikte soorten aanwezig is, moet de verjonging aangevuld worden door aanplanting met bosplantsoen. In geval van aanplanting met loofhout moet dit gebeuren tot een plantverband bereikt is dat niet wijder is dan 2 x 2 meter. In geval van aanplanting met naaldhout moet dit gebeuren tot een plantverband bereikt is dat niet wijder is dan 1,5 x 1,5 meter. Alle afgestorven plantsoen dient vervangen te worden tijdens het eerste plantseizoen dat volgt op het afsterven ervan totdat het hoger genoemde plantverband bereikt wordt met levend plantsoen. […]”. 33. Anders dan de verwerende partij wil doen aannemen is de machtiging in het bestreden besluit niet beperkt tot dunning van de vermelde percelen maar blijkt volgens de bijlage van dit besluit dat voor de aangeduide percelen van het Vagevuurbos veelal ook tot “eindkap” wordt gemachtigd (randnr. 5). 34. Volgens het bij besluit van 17 oktober 2007 goedgekeurde beheerplan voor het domeinbos „Vagevuurbos‟ is het “domein gelegen in een Europees habitatrichtlijngebied, behalve de percelen en bestanden 11, 20, 21, 22, 35y aan de westzijde van het bos en 41y (deel), 45, 46 en 47 in het zuidelijke deel van het bos. Het betreft het gebied nr. BE2000004 (Bossen, heiden en valleigebieden van zandig Vlaanderen: westelijk deel)” en is het domeinbos “tevens integraal opgenomen in de afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk. Ze maken deel uit van het VEN-gebied “valleien, bossen en heiderelicten van de oostelijke Brugse Veldzone” (code 120). De verwerende partij bevestigt in haar nota dat het domein Vagevuurbos gelegen is in voormeld Europees habitatrichtlijngebied “behalve de percelen en bestanden 11, 20, 21, 22, 35y aan de westzijde van het bos en 41y (deel), 45, 46 en 47 in het zuidelijke deel van het bos” en in voormeld VEN- gebied. VII-40.583-20/25 35. Luidens artikel 26bis, § 1, eerste lid, van het natuurbehouddecreet mag “de overheid […] geen toestemming of vergunning verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken”. Uit de parlementaire voorbereiding van deze decretale bepaling (Parl. St. Vl. Parl. 2001-02, nr. 967/1, p. 17, 20) blijkt dat met “vermijdbare schade” wordt bedoeld: “die schade die kan vermeden worden door de activiteit op een andere wijze uit te voeren (bvb. met andere materialen, op een andere plaats, …)”. Onvermijdbare schade is “de schade die men hoe dan ook zal veroorzaken, op welke wijze men de activiteit ook uitvoert”. Is deze onvermijdbare schade “herstelbaar”, dan mag zij wel worden veroorzaakt. Dit herstel moet worden opgevat als “een herstel van de schade (…) op de plaats van beschadiging met een kwantitatief en kwalitatief gelijkaardige habitat als deze die er voor de beschadiging aanwezig was”. Overeenkomstig het tweede lid van dezelfde bepaling moet de kennisgever in principe aantonen dat de activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken en dient, wanneer de kennisgever dit heeft nagelaten, de betrokken overheid zelf te onderzoeken of de activiteit al dan niet onvermijdbare en onherstelbare schade kan veroorzaken. In ieder geval is het niet aan verzoekster om aan te tonen dat er onvermijdbare en onherstelbare schade zou zijn. 36. Uit artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet volgt dat vergunningsplichtige activiteiten die een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kunnen veroorzaken, onderworpen dienen te worden aan een “passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone”. Artikel 2, 30°, van het natuurbehouddecreet definieert een “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als : “een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
  8. en)of de habitat(
  9. s)waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van VII-40.583-21/25 instandhouding van de soort(
  10. en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone”. Hiermee stelt het natuurbehouddecreet de instandhouding voorop van de “natuurlijke kenmerken” van de speciale beschermingszone. Een passende beoordeling is geen loutere vormvereiste voor sommige vergunningsaanvragen, maar vergt een specifiek onderzoek dat moet worden gevoerd vooraleer sommige vergunningen kunnen worden verleend. 37. Uit de weergegeven motieven blijkt in de huidige stand van de procedure niet dat de verwerende partij het bestreden besluit van 15 mei 2019 heeft genomen op basis van
  11. i)een concreet op de respectieve percelen van het Vagevuurbos betrokken onderzoek naar vermijdbare schade als vereist in artikel 26bis, § 1, eerste lid natuurbehouddecreet,
  12. ii)passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de aldaar aangeduide speciale beschermingszone zoals vereist in artikel 36ter, § 3 natuurbehouddecreet. 38. Het middel, voor zover ontvankelijk, dat de schending aanvoert van artikel 26bis, § 1, eerste lid en artikel 26ter, § 3, van het natuurbehouddecreet en van het zorgvuldigheidsbeginsel, is ernstig. VI. Te bevelen voorlopige maatregel Standpunten van de partijen 39. De vierde verzoekster vordert tevens “aan verwerende partij bij wijze van voorlopige maatregel verbod op te leggen tot het kappen van bomen […] in het Vagevuurbos […] op basis van de kapmachtiging van 15.05.2019”. 40. De verwerende partij voert geen specifiek verweer tegen de gevorderde maatregel. VII-40.583-22/25 Beoordeling 41. De voorlopige maatregelen die de Raad van State mag bevelen, moeten “nodig” zijn om “de belangen […] van de partijen” veilig te stellen. Dit houdt in dat de voorlopige maatregelen die een verzoekende partij vraagt aan de verwerende partij op te leggen niet verder moeten strekken dan nodig om haar belangen veilig te stellen. 42. Gelet op het feit dat de schorsing van het bestreden besluit van 15 mei 2019 betrekking heeft op de met dat laatste besluit gemachtigde kappingen in het domeinbos „Vagevuurbos‟ waar de beheermaatregelen van de met het besluit van 17 oktober 2007 goedgekeurde beheerplan voor dit domeinbos blijven gelden, dringt de gevorderde maatregel zich op om de belangen van de vierde verzoekster veilig te stellen zonder dat dit het beheer op basis van het voormelde beheerplan doorkruist. VII. Dwangsom Standpunten van de partijen 43. De vierde verzoekster vraagt dat de bevolen maatregel gepaard gaat met het opleggen van een dwangsom van 50.000 euro per overtreding. 44. De verwerende partij voert geen specifiek verweer tegen de gevorderde dwangsom. Beoordeling 45. Om dezelfde reden als vermeld in randnummer 42 kan het verzoek worden bijgevallen. De dwangsom moet de door de verwerende partij gecreëerde verwarring tussen de beheermaatregelen op basis van het bij besluit van 17 oktober 2007 goedgekeurde beheerplan voor dit domeinbos VII-40.583-23/25 „Vagevuurbos‟ en de bij het geschorste besluit van 15 mei 2019 gemachtigde dunning en eindkap van de betrokken percelen van dit domeinbos voorkomen. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van 15 mei 2019 van het afdelingshoofd Adviezen en Vergunningen van het Agentschap voor Natuur en Bos houdende een kapmachtiging in openbaar bos, voor zover de kapmachtiging betrekking heeft op de in bijlage van dit besluit vermelde percelen 13a, 13b, 23b, 24a, 26a, 27a, 28a, 28b, 28c, 28d, 31a, 32a, 33a, 33c, 33d, 33y, 35a, 36a, 37a, 37b, 38a, 38b, 39b, 39d, 40a, 43a, 43b, 43c, 44a, 44b, 46a, 50a, 51a, 52a, 53a, 54a, 65b en 7a in het domeinbos ‘Vagevuurbos’. 2. De Raad van State beveelt het verbod tot de bij het geschorste besluit gemachtigde dunning en eindkap op de in bijlage van het geschorste besluit vermelde percelen 13a, 13b, 23b, 24a, 26a, 27a, 28a, 28b, 28c, 28d, 31a, 32a, 33a, 33c, 33d, 33y, 35a, 36a, 37a, 37b, 38a, 38b, 39b, 39d, 40a, 43a, 43b, 43c, 44a, 44b, 46a, 50a, 51a, 52a, 53a, 54a, 65b en 7a in het domeinbos ‘Vagevuurbos’. 3. Een dwangsom van 50.000 euro zal verschuldigd zijn per perceel waarop het verbod wordt overtreden. 4. De Raad van State verwerpt de vorderingen voor het overige. VII-40.583-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Pierre Lefranc VII-40.583-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.218 Gerelateerde publicatie(
  13. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.829 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.