id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.223 Rolnummer: A. 228611/XIV-38102 Zaak: Arrest 245223 - Uitleveringen - 23/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-24 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 22:01 Fiche Arrest nr 245.223 van 23 juli 2019 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 245.223 van 23 juli 2019 in de zaak A. 228.611/XIV-38.102 In zake: Besim KRASNICAJ bijgestaan en vertegenwoordigd door Advocaat Bart De Decker kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Prinsses Jos. Charlottelaan 71 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
(1874)of art. 8 of art. 14 dan wel, al dan niet in combinatie met art. 3 of art. 6 EVRM”. Verzoekers kritiek op de overweging in de bestreden beslissing dat het niet vaststaat dat hij een Roma is, doet bijgevolg niet terzake. Voorts maakt verzoeker niet aannemelijk dat zijn situatie analoog is aan die in de zaak Alković door louter te stellen “dat in beide dossiers blijkt dat partijen klagen over de justitiële tekortkomingen in Montenegro ten aanzien van Roma inwoners”, zonder verdere concrete bewijzen dat de geschetste problematiek ook op hem van toepassing zou zijn. Met de verwerende partij wordt vastgesteld dat verzoeker op geen enkel ogenblik - naast gegevens van algemene strekking - elementen aanhaalt die zouden aantonen dat er in zijn concreet geval een risico zou zijn op een schending van de door hem ingeroepen rechten. De enkele verwijzing naar het genoemde arrest Alković t. Montenegro, zonder aannemelijk te maken dat hij in geval van uitlevering in dezelfde of gelijkaardige concrete omstandigheden zal belanden, volstaat daartoe niet. Wat het (overtollig) motief betreft dat het bestaan van dergelijk risico ook een rol had kunnen spelen in het kader van de asielprocedure, wat niet het geval is geweest, toont verzoeker de onjuistheid ervan niet aan. Het bestaan van een vonnis (in het kader van een misdrijf van gemeen recht) is geen reden op zich om Montenegro niet te beschouwen als een veilig land van herkomst en aan te nemen dat verzoeker daadwerkelijk een ernstig risico loopt. Voor zover verzoeker betoogt dat hij, anders dan in het kader van zijn asielaanvraag en met verwijzing naar voornoemd arrest Alković t. Montenegro, thans wel een vrees op vervolging kan aantonen, wordt opnieuw vastgesteld dat verzoeker geen elementen aanhaalt die zouden aantonen dat er in zijn concreet geval een risico zou zijn op een schending van de door hem ingeroepen rechten. XIV-38.102-6/11 Wat betreft ten slotte het niet vermelden in de bestreden beslissing van verzoekers medische toestand, wordt vastgesteld dat verzoeker in het kader van de uitleveringsprocedure evenmin melding heeft gemaakt van zijn medische toestand en de eventuele gevolgen daarvan voor de uitvoerbaarheid van het uitleveringsbesluit, zodat het de verwerende partij niet ten kwade kan worden geduid hiermee geen rekening te hebben gehouden. Overigens ligt geen bewijs voor van verzoekers bewering dat “bijkomende procedurele maatregelen” werden genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “gelet op verzoekers medische toestand”. Stuk 3 van het verzoekschrift waar verzoeker naar verwijst, betreft de beslissing van 13 november 2018 waarbij de toekenning van het vluchtelingenstatuut en de subsidiaire bescherming aan de echtgenote van verzoeker wordt geweigerd.
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 1 van het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957, meer bepaald het door België gemaakte voorbehoud wanneer de overdracht uitzonderlijke ernstige gevolgen kan hebben voor de betrokken persoon met name omwille van zijn leeftijd of gezondheidstoestand. Verzoeker verwijst opnieuw naar de “bijkomende procedurele maatregelen” die werden genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “gelet op verzoekers medische toestand”, alsook naar stukken waaruit blijkt dat verzoeker in België meerdere operaties onderging en nog moet ondergaan. Verzoekers medische toestand is relevant nu uit onderzoek van de Europese Unie blijkt dat Montenegro slecht scoort aangaande de toegang tot medische hulp voor gedetineerden, en het een publiek geheim is dat Roma’s er nog steeds worden gediscrimineerd. XIV-38.102-7/11 Beoordeling
- Artikel 1 van het Europees Uitleveringsverdrag luidt: “De Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, elkander de personen uit te leveren, die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij vervolgd worden ter zake van een strafbaar feit of gezocht worden tot tenuitvoerlegging van een straf of maatregel”. België tekende volgend voorbehoud aan met betrekking tot dit artikel: “De uitlevering wordt niet toegestaan wanneer de overdracht uitzonderlijk ernstige gevolgen kan hebben voor de betrokken persoon, met name omwille van zijn leeftijd of gezondheidstoestand”. Het dient derhalve te gaan om een gezondheidstoestand bij de betrokkene die niet alleen de uitvoering van de uitlevering tijdelijk onmogelijk maakt (opschorting) maar zo ernstig is dat de uitlevering definitief moet worden geweigerd. Met de verwerende partij wordt vastgesteld dat verzoeker niet aantoont tijdens de voorafgaande procedure argumenten te hebben opgeworpen met betrekking tot zijn medische toestand die zouden kunnen vallen onder het door België gemaakte voorbehoud bij artikel 1 van het Europees Uitleveringsverdrag. Ook in de huidige procedure verstrekt verzoeker geen enkele relevante informatie die zou aantonen dat zijn medische toestand dermate ernstig zou zijn dat hij niet kan worden uitgeleverd. Zoals hoger gesteld is stuk 3 niet relevant. De overige stukken betreffen afspraken voor medische beeldvorming in verband met een probleem aan de pols, zonder enige verdere informatie.
- Het tweede middel is niet ernstig. XIV-38.102-8/11 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van artikel 2bis, tweede lid, van de Uitleveringswet van 15 maart 1874, en artikel 2, lid 1, van het zevende protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM). Verzoeker wijst erop dat de bestreden beslissing melding maakt dat het vonnis op tegenspraak werd gewezen en sinds 8 december 2017 definitief is geworden, terwijl hij geen kennis heeft van enige zaak hangende voor de rechtbank van Podgorica en nooit voor deze rechtbank is verschenen daar hij op die datum reeds in Frankrijk was. Uit de bestreden beslissing blijkt dat er voor verzoeker geen rechtsmiddelen meer openstaan, wat een schending uitmaakt van artikel 2, lid 1, van het zevende protocol bij het EVRM. Het uitleveringsbesluit dat gelet op bovenstaande elementen toch beslist om over te gaan tot uitlevering zonder voorbehoud, schendt dan ook de bovenstaande bepalingen. Beoordeling
- Artikel 2bis, tweede lid, van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 bepaalt dat “[u]itlevering […] evenmin [kan] worden toegestaan wanneer er ernstige risico’s bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling.” Artikel 2, lid 1, van het zevende Protocol bij het EVRM luidt: “Iedereen die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, heeft het recht zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld.” XIV-38.102-9/11
- Uit de aanhef van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Podgorica van 27 oktober 2016, op grond waarvan om verzoekers uitlevering werd verzocht, blijkt dat het vonnis op dezelfde dag werd uitgesproken na een hoorzitting in aanwezigheid van verzoeker. In het vattingsbevel van 22 maart 2018 dat door dezelfde rechtbank met het oog op de uitvoering van de straf werd uitgevaardigd, wordt gesteld dat dit vonnis op 8 december 2017 definitief is geworden. De juistheid van deze vermeldingen uitgaande van de Montenegrijnse autoriteiten wordt niet ontkracht door een loutere, niet aangetoonde bewering dat verzoeker “op 8 december 2017” in Frankrijk zou zijn geweest.
- Het derde middel is niet ernstig. VI. Conclusie
- Uit wat voorafgaat volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-38.102-10/11
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juli tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe vakantie- kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Patricia De Somere XIV-38.102-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.223 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div