id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.230 Rolnummer: A. 228663/VII-40589 Zaak: Arrest 245230 - Voedselveiligheid (FAVV) - 24/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-09 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 22:24 Fiche Arrest nr 245.230 van 24 juli 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 245.230 van 24 juli 2019 in de zaak A. 228.663/VII-40.
(1)19 AC96 PR168) van uw inrichting Pit-Stop 2 met ondernemingsnummer VII-40.589-1/39 0543.317.388 en vestigingseenheidsnummer 2.235.990.253 gelegen in Vier- Windenstraat 7 te 1080 Sint-Jans-Molenbeek worden ingetrokken’”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 juli 2019, om 14:00 uur. Eerste voorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk De Keuster en advocaat Uschi Steurs, loco advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaten Frederick Valcke en Joost Hoste die, loco advocaat Rik Depla, verschijnen voor de verwerende partij zijn gehoord. Eerste-auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de vordering inzake het opleggen van voorlopige maatregelen betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Wat de feiten betreft wordt verwezen naar wat werd uiteengezet in het arrest nr. 245.214 van 19 juli 2019, behoudens wat de bestreden beslissing betreft. 3.2. De thans bestreden beslissing luidt: VII-40.589-2/39 “Op 12 juli 2019 werd een controle uitgevoerd in uw inrichting naar aanleiding van de beslissing van de Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’S, Landbouw en Maatschappelijke Integratie van 9 mei 2019. Deze controle was één van de voorwaarden opgelegd door de Minister. De Minister besliste op 9 mei 2019: ‘Op grond van al het voorgaande en gelet op artikel 16 §5 van het bovenvermelde Koninklijk besluit van 16 januari 2006 beslis ik om de toelating 1.1. Detailhandel in levensmiddel en de toelating 2.1 Vleeswinkel verkregen met nummer AER/BRU/028577 voor de activiteiten Detail- handelaar – productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL29 AC96 PR52) en Slagerij – productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL9 AC96 PR168) van Pit-Stop 2 met ondernemings- nummer 0543.317.388 en vestigingseenheidsnummer 2.235.990.253 gelegen in Vier-Windenstraat 7 te 1080 Sint-Jans-Molenbeek te behouden onder volgende voorwaarden: 1/ Dat naast eventuele geplande inspecties voorzien in het regulier inspectieplan van het FAVV voor uw vestiging, tevens een door u te betalen onaangekondigde inspectie van het FAVV wordt uitgevoerd, telkens in het derde en vierde kwartaal van 2019 en in het eerste kwartaal van 2020. 2/ Tijdens deze extra inspecties worden telkens: 2.1. Voor drie willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket volledig gecontroleerd aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3352 Levensmiddelen: VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN); 2.2. Voor zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten (andere producten dan de in punt 2.1 vermelde levensmiddelen) het etiket gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum, het lotnummer zonder gebruik te maken van de checklist DIS 3352; 2.3. Een controle uitgevoerd van de infrastructuur en hygiëne aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3309 detailhandel met toelating (zonder verwerking): INFRASTRUCTUUR, INRICH- TING EN HYGIENE. 3/ Zodra enig resultaat van de inspecties bedoeld onder 1/de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 opgenomen checklist gestuurde controle of indien voor minstens 1 van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1. en 2.1 onder nummer AER/BRU/02B577 als detailhandel en vleeswinkel definitief. Indien voor of tijdens de voorziene periodes de versies van checklisten aangepast worden, zijn het de nieuwe versies die zullen gehanteerd worden en van tel zijn tijdens deze inspectie. Indien de resultaten van alle inspecties bedoeld onder 1/ voor alle checklisten hernomen onder 2.1 en 2.3 en de onder 2.2 genoemde producten ‘gunstig’ of ‘gunstig met opmerkingen’ beoordeeld worden en al deze controles dus als conform kunnen worden beschouwd, wordt de procedure tot intrekking van de toelating zonder voorwerp per 31 maart 2020.’ VII-40.589-3/39 Uit het missierapport van 12 juli 2019 en het proces-verbaal 2754/19/0074/BRU, waarvan u een kopie ontving, blijkt duidelijk dat uw inrichting de door de Minister opgelegde voorwaarden niet heeft nageleefd. Er werden naast inbreuken inzake hygiëne en autocontrole opnieuw tal van inbreuken inzake etikettering vastgesteld. Al sinds de opstart werd uw inrichting meermaals gecontroleerd waarbij meermaals quasi identieke inbreuken werden vastgesteld. Het probleem situeert zich hoofdzakelijk op het vlak van een niet conforme etikettering en het onjuist en/of onvolledig verschaffen van de allergeneninformatie. U heeft hiervoor al tal van processen-verbaal ontvangen en u hierover reeds meermaals gehoord. De Minister heeft de intrekking van de toelatingen geschorst onder voorwaarden omwille van het feit dat u tijdens de beroepscommissie volgende argumenten had: - gelet op het gewijzigd aankoopbeleid (als preventieve maatregel) die moet garanderen dat de nieuw aangekochte producten beschikken over een conform etiket; - gelet het feit dat uw inrichting van start is gegaan met het verwijderen van alle niet-conforme producten uit het verkoopgamma en hiervoor een samenwerkingsovereenkomst met een extern samenwerkingspartner is aangegaan; Echter wilde de Minister eveneens de garantie dat deze inspanningen niet van tijdelijke aard zijn en wenste hij dat het Agentschap diende te zorgen voor een doorgedreven opvolging waarbij u diende aan te tonen dat uw engagement van continue aard is. Deze controles bestonden uit het nagaan van: * Voor drie willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket volledig gecontroleerd aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3352 Levensmiddelen: VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN); * Voor zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten (andere producten dan de in punt 2.1 vermelde levensmiddelen) het etiket gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum, het lotnummer zonder gebruik te maken van de checklist DIS 3352; * Een controle uitgevoerd van de infrastructuur en hygiëne aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3309 detailhandel met toelating (zonder verwerking): INFRASTRUCTUUR, INRICHTING EN HYGIENE. Echter is bij de controle van 12 juli 2019 gebleken dat bij de controle van het tweede hierboven vermelde punt de etikettering nog steeds niet in orde is. Tijdens een steekproefsgewijze controle werden opnieuw tal van non-conformiteiten vastgesteld inzake de taal van de etikettering, het niet correct weergeven van de allergeneninformatie en het ontbreken van tal van verplichte vermeldingen. Het belang van voedingslabels mag nochtans niet onderschat worden, vooral als het gaat om allergieën en voedsel- intoleranties. Consumenten moeten precies weten wat een voedingsproduct bevat om een weloverwogen aankoopbeslissing te kunnen nemen. En deze nieuwe vaststellingen tonen nogmaals aan dat u deze materie niet beheerst en ons dus onmogelijk een garantie kan bieden over de exacte inhoud en samenstelling van alle door u verkochte producten in gans uw inrichting en VII-40.589-4/39 dit was nochtans een essentiële eis van de Minister. Dit zorgt voor een reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid van al uw klanten, die zich onmogelijk kunnen baseren op de door u aangeleverde etiketten. Vanuit Europees niveau wordt enorm veel belang gehecht aan de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming. Het vrije verkeer van veilig en gezond voedsel is immers een wezenlijk aspect van de interne markt en levert een aanzienlijke bijdrage tot de gezondheid en het welzijn van de burgers en hun sociale en economische belangen. Om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de consumenten te bereiken en hun recht op informatie te waarborgen, moet ervoor worden gezorgd dat de consumenten de nodige informatie krijgen over de levensmiddelen die zij consumeren. Via deze brief delen we u dan ook officieel mee dat conform de beslissing van Minister Ducarme van 9 mei 2019 de toelating 1.1. Detailhandel in levensmiddel en de toelating 2.1 Vleeswinkel verkregen met nummer AER/BRU/028577 voor de activiteiten Detailhandelaar – productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL29 AC96 PR52) en Slagerij – productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL9 AC96 PR168) van uw inrichting Pit-Stop 2 met ondernemingsnummer 0543.317.388 en vestigingseenheidsnummer 2.235.990.253 gelegen in Vier-Windenstraat 7 te 1080 Sint-Jans- Molenbeek worden ingetrokken. U vindt een kopie van het missierapport, het proces-verbaal en de beslissing van de Minister in bijlage bij deze brief.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-40.589-5/39 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen 5. Inzake de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering doet de verzoekende partij hetzelfde gelden als in de zaak die tot het arrest nr. 245.214 heeft geleid. De verwerende partij betwist dit op dezelfde gronden als in voormelde zaak. Beoordeling 6. Om dezelfde redenen als uiteengezet in het arrest nr. 245.214 wordt vastgesteld dat de desbetreffende schorsingsvoorwaarde is vervuld. Deze beoordeling geldt ten deze des te meer, nu de verzoekende partij thans geconfronteerd wordt met een nieuwe beslissing, met dezelfde gevolgen, die genomen is op 23 juli 2019 en onmiddellijk gelding heeft. VI. Ernst van het eerste, het derde en het vierde middel Standpunt van de partijen 7. Het eerste middel wordt genomen uit de schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr 245.214 van 19 juli 2019. Dit wordt als volgt ontwikkeld : “9. Uw Raad heeft duidelijk gemaakt dat onvoldoende gemotiveerd werd in de eerste sluitingsbeslissing van de bescheiden inbreuken op de etiketteringsreglementering van die aard zouden dat de sluiting van de inrichting van verzoekende partij redelijk verantwoord was. [De verzoekende partij citeert vervolgens de bestreden beslissing.] 11. Het zal Uw Raad opvallen dat (
- a)de geschorste beslissing van 12 juli 2019 niet wordt ingetrokken; (
- b)de bestreden beslissing op exact dezelfde VII-40.589-6/39 documenten gesteund ais de eerste, geschorste, sluitingsbeslissing; (
- c)geen enkele kruisverwijzing wordt gemaakt naar uw arrest nr. 245.214 van 19 juli 2019; (
- c)a fortiori niet wordt ingegaan op de kritische bedenkingen van uw Raad over de ernst van de in het proces-verbaal van 12 juli 2019 vastgestelde inbreuken. Verwerende partij beperkt zich tot enkele algemene beschouwingen over de relatie van voedselveiligheid en etikettering, zonder in concreto duidelijk te maken waar de voedselveiligheid geraakt werd door de vaststellingen van 12 juli 2019. Daardoor heeft verwerende partij het gewijsde van uw schorsingsarrest miskend”. 8. Het derde middel wordt genomen van de schending van de materiëlemotiveringsplicht en de schending van de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit wordt als volgt ontwikkeld : “15. De materiële motiveringsplicht houdt overeenkomstig de rechtspraak van Uw Raad in dat de bestreden beslissing moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit de stukken van het administratief dossier. 16. Het zorgvuldigheidsbeginsel is afgeleid uit de algemene zorgvuldigheidsnorm die wordt bepaald aan de hand van het criterium van de normaal voorzichtige en redelijk bestuur geplaatst in dezelfde feitelijke omstandigheden. Zo is er een schending van de zorgvuldigheidsplicht omwille van een gebrek aan een zorgvuldige voorbereiding, wanneer het bestuur te kort is geschoten door een gebrek aan zorgvuldige afweging van de bij het besluit betrokken belangen, of wanneer er sprake is van een gebrek in de zorgvuldige kennisgeving van de beslissing. 17. Tijdens de controle van 11 en 12 juli 2019 werden er drie verschillende controles doorgevoerd: 1. DIS 3309 Detailhandel met toelating (zonder verwerking): infrastructuur, inrichting en hygiëne. Hier werd een gunstig advies met opmerkingen verstrekt. Er zijn enkele kleine tekortkomingen vastgesteld doch het beperkt aantal non-conformiteiten leidt niet tot een ongunstige beoordeling. Deze controle rechtvaardigt dus geenszins de intrekking van de toelating. 2. DIS 3352 Levensmiddelen: verpakking en etikettering (inclusief handelsnormen). Dit betreft een intensieve controle aan de hand van de checklist DIS 3352 van de verpakking van drie producten (Halideal – Andalouse saus, Robert cocktail, Fizzy strawberry). Er werd tweemaal een gunstige beoordeling met opmerkingen VII-40.589-7/39 toegekend en éénmaal een gunstige beoordeling. Deze controle rechtvaardigt dus geenszins de intrekking van de toelating. 3. Quickscan van 17 producten: Dit betreft een meer oppervlakkige controle dan de DIS 3352-controle van 17 producten op 4 =aspecten: vertaling, allergenen, TGT/THT (= bewaarvoorschriften), partijnummer (= lotnummer). Er zijn in totaal 68 aspecten gecontroleerd. Hiervan zijn er 59 conform. Er stelt zich enkel een discussie voor 9 aspecten. 18. Van de 9 beweerde non-conformiteiten bij de quickscan hebben er 7 betrekking op vermeende taalaspecten, één op het aspect allergenen wat eigenlijk ook een taalaspect betreft én een ontbrekend partijnummer. Het voorverpakte product Marakesh-Milfehocfilm (= gebakjes) werd door verzoekende partij zelf onmiddellijk aangepast en werd ook terug vrijgegeven. Hiermee vallen al twee opmerkingen weg, zijnde 1 opmerking over een vertaling en één opmerking over allergenen. Er blijven dus nog 6 non-conformiteiten inzake vertaling over én één ontbrekend lotnummer. Er is dus nog maar discussie over 6 van de 17 producten en over 7 non- conformiteiten. Ten behoeve van uw Raad overlopen wij de producten in kwestie (zie stuk nr. 9 verpakkingen). VII-40.589-8/39 VII-40.589-9/39 VII-40.589-10/39 Van de 7 producten die als niet-conform worden aangeduid, zijn er bij nader inzien maar 4 met een tekortkoming inzake etikettering, zijnde: 1. 13. Mekkafood – Diepgevroren schijf van fijngesneden kippenseparatorvlees (product C); 2. 14. Konouz-spliterwten: (product D); 3. 15. Bizim Mutfak – Voorbereiding voor crème met bananensmaak, 140 gram. (product E); 4. 17. Alyna – Cashewnoten R + S, 300 Gram (product G). Alle etiketten bevatten zowel Nederlands ais Frans overeenkomstig artikel 8§1 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten. De tekortkomingen van de producten 13 en 15 zijn bovendien bijzonder licht. Zonder afbreuk te willen doen aan het belang van de etikettering in de juiste talen, zijn de vastgestelde tekortkomingen manifest onvoldoende zwaarwichtig om hiervoor een ongunstige score toe te kennen. Niet elke non-conformiteit kan zomaar leiden tot een ongunstige score. Dit was ook niet het geval bij de twee andere controles (zie randnummer 4 – stuk nr. 1.) Dit geldt des te meer omwille van het feit dat deze ongunstige beoordeling leidt tot een bedrijfssluiting. Er blijven hoogstens nog 4 van de 9 tekortkomingen over op een totaal van 68. VII-40.589-11/39 Dit was het geval bij de eerste sluitingsbeslissing en niet minder bij de tweede, thans bestreden sluitingsbeslissing. Ook de bestreden beslissing steunt dan ook niet op deugdelijke motieven waardoor de materiële motiveringsplicht is geschonden. Zij beperkt zich tot algemeenheden. 19. Het nader onderzoek van de beweerde non-conformiteiten heeft ook aangetoond dat de controleur van het FAVV niet zorgvuldig is te werk gegaan bij haar onderzoek. Twee van de producten, zijnde nr. 9 ‘Superfresh Puff Pastrv’ en 16 ‘Laavoune – China Groene thee’ staan onterecht op de lijst als zijnde niet-conform. Er is bovendien geen enkele aanwijzing te vinden over de methode die gehanteerd is geworden voor de steekproef. Er kan niet met zekerheid bepaald worden of de steekproef op een onpartijdige wijze is verlopen. Het zorgvuldigheidsbeginsel is dan ook geschonden. 20. In elk geval is er geen enkel deugdelijk motief op basis van de vastgestelde non-conformiteiten om ook de toelating als vleeswinkel/slagerij in te trekken. De discussie over de etikettering slaat volledig op de voorverpakte producten.” 9. Het vierde middel wordt genomen van de schending van het evenredigheidsbeginsel en de schending van de formelemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit wordt als volgt ontwikkeld : “22. In een eerste onderdeel wordt uiteengezet dat het FAVV met zijn beslissing tot intrekking het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. De Beroepscommissie heeft vastgesteld dat er grote vooruitgang is gemaakt. Ook tijdens de laatste controle waren twee van de drie beoordelingen gunstig. Het aantal inbreuken op de etikettering is ook beperkt (Supra). Daarenboven is er geen gevaar voor de voedselveiligheid. De maatregel tot intrekking is dan ook disproportioneel gelet op de zware gevolgen, zijnde de bedrijfssluiting. In een tweede onderdeel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing minstens formeel had moeten motiveren in het licht van de vastgestelde inbreuken waarom een dergelijke verregaande maatregel ais een intrekking van de erkenning noodzakelijk is mede gelet op de afwezigheid van een gevaar voor de voedselveiligheid en de volksgezondheid. In een derde onderdeel wordt aangegeven dat de etiketteringsproblematiek in feite deze is van de leveranciers en dat het aanpakken van een enkele halalwinkel kennelijk onredelijk en onevenwichtig is. In het vierde onderdeel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing in elk geval disproportioneel is ten aanzien van de intrekking van de toelating voor de slagerij/ versafdeling. 2. Uiteenzetting van het middel VII-40.589-12/39 23. Het evenredigheidsbeginsel is erkend ais een volwaardig beginsel van behoorlijk bestuur en houdt in dat de beslissing in een redelijke verhouding moet staan tot de feiten en/of het doel ervan (principle of proportionality). De intrekking van de erkenning/toelating betreft een beveiligingsmaatregel en geen strafmaatregel. De processen-verbaal worden immers bezorgd aan het parket die eveneens optreedt. Op straffe van het beginsel ‘non bis in idem’ moet een dergelijke intrekking worden gekwalificeerd ais een beveiligingsmaatregel. Het onderdeel van het algemeen belang dat het koninklijk besluit van 16 januari 2006 ‘beveiligt’ betreft de voedselveiligheid. Artikel 14 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 voorziet in de mogelijkheid tot schorsing van de erkenning en het opleggen van bijzondere voorwaarden; artike115 in de mogelijkheid tot intrekking in 12 gevallen (zie ook het eerste middel). De genomen beslissing moet in een evenredig verband staan met de ernst van de feiten én mag bovendien niet verder gaan dan noodzakelijk is om zijn doel te bereiken, zijnde de bescherming van de voedselveiligheid/volksgezondheid. De intrekking van de toelating welke een bedrijfssluiting voor gevolg heeft (zie verder onder het hoofdstuk ‘spoedeisendheid’) is kennelijk onredelijk met de ernst van de situatie. Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid. Dit werd bevestigd door de Beroepscommissie. Er zijn zware investeringen doorgevoerd, personeel aangeworven, financiële middelen ter beschikking gesteld, externe consultants gecontacteerd, ... Al deze inspanningen zijn erkend door de Beroepscommissie: ‘7. Op basis van de elementen in het dossier zijn de commissieleden van oordeel dat er geen direct en onmiddellijk gevaat bestaat voor de voedselketen. - gelet op het gewijzigd aankoopbeleid (als preventieve maatregel) doe moet garanderen dot de nieuw aangekochte producten beschikken over een conform etiket; - gelet op het feit dat PIT-STOP2 van start is gegaan met het verwijderen van alle niet-conforme producten uit het verkoopsgamma en hiervoor een samenwerkingsovereenkomst heeft met een extern samenwerkingspartner heeft aangegaan; Zijn de commissieleden van oordeel dat exploitant de nodige inspanningen heeft geleverd en nog zal leveren die tegemoet komen aan de door de inspectiediensten vastgestelde inbreuken. Echter willen de commissieleden de garantie dat deze inspanningen niet van tijdelijke aard zijn en stelt zij voor dat er een doorgedreven opvolging gebeurt door de inspectiediensten waarbij exploitant dient aan te tonen dat zijn engagement van continue aard is.’ Er bestaat dan ook geen enkele noodzaak vanuit het algemeen belang om de toelating in te trekken. Een eventueel strafsanctie voor de inbreuken komt niet toe aan het FAVV en de bevoegde minister maar aan de rechter op vervolging van het parket. VII-40.589-13/39 Daarenboven werden de bewuste producten reeds in beslag genomen (zie stuk nr. 1). Er bestaat dan ook een andere en minder verregaande maatregel die hetzelfde doel bereikt. De bedrijfssluiting van de verzoekende partij is evenmin een efficiënt middel om een verbetering van de kwaliteit van de etikettering na te streven. Hiervoor is een beslag bij de groothandelaars een veel efficiënter middel, temeer omdat zij allen leveren aan veel meer halalwinkels dan enkel deze van verzoekende partij. Deze groothandelaars zijn allemaal gekend. Onder stuk nr. 16 worden de facturen toegevoegd. Indien het FAVV maatregelen wenst te nemen met betrekking tot de etikettering van halal-producten is het veel efficiënter om de groothandelaars te controleren en daar de producten die niet voldoen onder beslag te plaatsen. De producten die onder beslag zijn geplaatst, kunnen bovendien nog overal verkregen worden in de buurt (zie stuk nr. 17) Er kon derhalve een minder verregaande maatregel genomen worden die veel minder gevolgen heeft voor de verzoekende partij. Het FAVV heeft met de intrekking van de erkenning een disproportionele beslissing genomen en heeft dan ook het evenredigheidsbeginsel geschonden. Dat in de tweede sluitingsbeslissing helemaal geen rekening wordt gehouden met de overwegingen in het arrest van uw Raad nr. 245.214 van 19 juli 2019 maakt het motiveringsgebrek des te pertinenter. Het eerste onderdeel van het tweede middel is ernstig en gegrond. 24. De bestreden beslissing bevat geen deugdelijk motief over de noodzaak om dergelijke verregaande maatregel op te leggen. De bestreden beslissing stelt weliswaar het volgende: ‘Echter is bij de controle van 12 juli 2019 gebleken dat bij de controle van het tweede hierboven vermelde punt de etikettering nog steeds niet in orde is. Tijdens een steekproefsgewijze controle werden opnieuw tal van non-conformiteiten vastgesteld inzake de taal van de etikettering, het niet correct weergeven van de allergeneninformatie en het ontbreken van tal van verplichte vermeldingen. Het belang van voedingslabels mag nochtans niet onderschat worden, vooral ais het gaat om allergieën en voedselintoleranties. Consumenten moeten precies weten wat een voedingsproduct bevat om een weloverwogen aankoopbeslissing te kunnen nemen. En deze nieuwe vaststellingen tonen nogmaals aan dat u deze materie niet beheerst en ons dus onmogelijk een garantie kan bieden over de exacte inhoud en samenstelling van alle door u verkochte producten in gons uw inrichting en dit was nochtans een essentiële eis van de Minister. Dit zorgt voor een reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid van al uw klanten, die zich onmogelijk kunnen baseren op de door u aangeleverde etiketten. Vanuit Europees niveau wordt enorm veel belang gehecht aan de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming. Het vrije verkeer van veilig en gezond voedsel is immers een wezenlijk aspect van de interne markt en levert een aanzienlijke bijdrage tot de gezondheid en het welzijn van de burgers en hun sociale en economische belangen. Dm een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de consumenten te bereiken en VII-40.589-14/39 hun recht op informatie te waarborgen, moet ervoor worden gezorgd dat de consumenten de nodige informatie krijgen over de levensmiddelen die zij consumeren’. Dergelijke motivering is veel te algemeen en houdt geen verband met de concrete vaststellingen in het proces-verbaal van 12 juli 2019 en de reële effecten van deze vaststellingen op de volksgezondheid. Zij negeert ook de inspanningen die door verzoekende partij werden genomen en laat de eigen verantwoordelijkheden van het FAVV tegenover de producenten en de leveranciers van de halalproducten onverlet. De verwerende partij kan niet in redelijkheid plots voorhouden dat er een gevaar is voor de voedselveiligheid terwijl de Beroepscommissie duidelijk heeft vastgesteld dat er geen risico is voor de voedselveiligheid. Ook tijdens de behandeling van de zaak arrest nr. 245.214 van 19 juli 2019 kon nooit aangetoond worden dat er een gevaar was voor de voedselveiligheid. Verzoekende partij doet aan stemmingsmakerij waar zij stelt dat Europa deze strikte houden zou opleggen. Niets is minder waar. Alle producten waar we het vandaag over hebben, zijn allemaal conform de Verordening 1169/2011. Deze producten zijn vanuit buiten de EU ingevoerd in de EU en hebben de toetst aan de invoering doorstaan. Al deze producten bevatten de informatie die de Verordening oplegt. Verzoekende partij koopt die producten ook niet buiten de EU maar bij groothandelaars in Brussel (80%) en Frankrijk (20%). De producten mogen in gans de unie verkocht worden. De meertaligheid van het etiket in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is een Belgische verplichting opgelegd door artikel 8 van de wet van 24 januari 1977. Artikel 15 van de Verordening 1169/2011 stelt immers het volgende: Artikel 15 Taalvoorschriften 1. Onverminderd artikel 9, lid 3, wordt de verplichte voedselinformatie aangebracht in een taal die gemakkelijk te begrijpen is voor de consumenten van de lidstaten waar het levensmiddel in kwestie in de handel wordt gebracht. Europa legt enkel op dat de voedselinformatie in een begrijpbare taal moeten worden vermeld. Hieraan voldoen al deze producten. Uw Raad heeft dit zelf vastgesteld in het arrest van 19 juli 2019. Het product dat niet de nodige vermeldingen inzake allergenen bevatte, is onmiddellijk aangepast en vrij gegeven. Dit product is zelfs niet onder beslag geplaatst. Dit product kan dan ook geen sluiting van de winkel verantwoorden. Het is duidelijk dat de verwerende partij enkel revanche wenst te nemen naar aanleiding van het arrest van 19 juli 2019 en enkele onjuiste en nietszeggende zinnen in de bestreden bestreden beslissing heeft opgenomen. Het tweede onderdeel is eveneens ernstig. 25. Verzoekende partij heeft ter gelegenheid van de beslissing van 3 april 2019 haar gehele winkel op verkeerde etiketten laten triëren door voedselspecialist AS4, tegen een buitengewoon hoge – eigenlijk voor een gewone supermarkt ondraaglijke – kost (stuk nr. 11). Zij heeft alle leveranciers gesommeerd om de Belgische etiketteringsreglementering te respecteren (stuk nr. 12). VII-40.589-15/39 Desondanks heeft verwerende partij vaststellingen gedaan bij ‘droge’ halalproducten die allen werden geleverd na de triage en die andere producten zijn dan diegene waarvan sprake in de controle van 28 maart 2019. Verzoekende partij voelt zich machteloos. Zij kan niet wettig halalproducten aankopen dan tenzij via groothandelaars die ook verkopen aan talrijke andere halalwinkels. Waar haar cliënteel quasi-uitsluitend allochtonen betreft, kan zij het commercieel niet maken géén halalproducten te verkopen. Dat is alsof aan autochtonen geen spaghetti meer verkocht zou kunnen worden. Het blijkt voor een winkel onmogelijk (het experiment met eigen mensen is mislukt) dan wel onbetaalbaar (AS4) om alle etiketten van de zowat 6000 halalproducten zelf te controleren. Het sommeren van de leveranciers lijkt vooralsnog geen resultaat te hebben opgeleverd. Als het verwerende partij menens is om het etiketteringsprobleem van halalproducten aan te pakken, moet ze terecht bij de leveranciers, niet bij één enkele winkel. Verzoekende partij heeft geen kennis van andere winkels die worden geconfronteerd met een even drastische beslissing ais de bestreden beslissing, enkele maar omwille van etikettering van droge halalproducten. Een vervolgingsbeleid moet redelijk, evenwichtig en doelmatig zijn, met inachtname van het gelijkheidsbeginsel. Het sluiten van één enkele halalsupermarkt omwille van een probleem dat kennelijk zit bij de leveranciers, die ook en veel nuttiger kunnen aangepakt worden door het FAVV, is kennelijk onredelijk. Als alle halalwinkels moeten sluiten omwille van het etiketteringsprobleem, dan verschuift het probleem ongetwijfeld zich naar de ‘zwarte markt’. De oplossing ligt dus bij de leveranciers, de producenten maar vooral de groothandelaars, niet bij de kleinhandelaars. Het middelonderdeel is ernstig. 26. De bestreden beslissing is in elk geval niet proportioneel ten aanzien van de slagerij en bij uitbreiding de gehele versafdeling aangezien de inbreuken enkel betrekking hebben op de voorverpakte producten.” 10. De verwerende partij beantwoordt deze middelen als volgt: Wat betreft het eerste middel : “Vooreerst met betrekking tot het nemen van een nieuwe beslissing na een schorsingsarrest: intussen werden door Uw Raad daaromtrent in eerdere arresten van Uw Raad een aantal criteria vastgelegd daaromtrent. a. l Betreffende criteria bij nemen nieuwe beslissing na schorsingsarrest. Bij Arrest nr. 225. 614 van 26 november 2013 werd eerder geoordeeld dat: ‘8 De schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing door de Raad van State belet de overheid echter niet de aangelegenheid opnieuw te onderzoeken en een nieuwe beslissing te nemen vooraleer een uitspraak VII-40.589-16/39 over de grond van de zaak is tussengekomen. Het gezag van gewijsde van een schorsingsarrest verplicht er haar wel toe bij het heroverwegen van de zaak acht te slaan op de motieven die de Raad van State tot het schorsingsbesluit hebben geleid.’ Dus: o Een schorsingsarrest belet de overheid niet de aangelegenheid opnieuw te onderzoeken en een nieuwe beslissing te nemen o De overheid is er enkel toe verplicht bij het heroverwegen van de zaak acht te slaan op de motieven die uw Raad tot het schorsingsbesluit hebben geleid a. 2. Wat betreft het niet intrekken van de geschorste beslissing van 12 juli 2019 De verwerende partij mag opwerpen dat in het korte tijdsbestek dat haar wordt gelaten om te repliceren op het verzoekschrift (het verzoekschrift werd neergelegd op 23 juli 2019, om 19 u 11 ‘met verzoek de zaak vandaag nog te kunnen pleiten voor de Raad van State’, wat meer dan twee uur later, om 21 u 30 werd reeds aangedrongen : ‘is er al iets bekend over de zitting ? ) zij er het raden naar heeft welk rechtsmiddel verzoekende partij meent te moeten opwerpen met de opmerking: ‘Het zal Uw raad opvallen dat de geschorste beslissing van 12 juli niet wordt ingetrokken.’ Prima facie en dit alles binnen het korte tijdsbestek dat werd gelaten, mag verwerende partij er op wijzen dat zij gerechtigd is om een nieuwe beslissing te nemen terwijl een eerdere beslissing is geschorst. Het supra geciteerde arrest van Uw Raad is duidelijk: ‘De schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing door de Raad van State belet de overheid echter niet de aangelegenheid opnieuw te onderzoeken en een nieuwe beslissing te nemen.’ a 3 Wat betreft het feit dat de bestreden beslissing gesteund zou zijn op exact dezelfde documenten als de eerste geschorste sluitingsbeslissing Ook hier kan verwerende partij vaststellen dat verzoekende partij wel een eerste middel opwerpt doch zij in geen enkele mate uiteenzet welk ernstig middel zij put uit dit onderdeel van haar eerste middel. Zij stelt weliswaar dat het feit dat de bestreden beslissing gesteund zou zijn op exact dezelfde documenten als de eerste geschorste sluitingsbeslissing het gezag van gewijsde van Uw eerder schorsingsarrest schendt, er dient evenwel vastgesteld te worden dat: - Verzoekende partij nergens opwerpt waarom de thans bestreden beslissing niet zou mogen gesteund zijn op dezelfde documenten (in feite bedoelt zij vaststellingen in processen-verbaal die geacht worden de waarheid te zijn tot het tegendeel is bewezen) - Verzoekende partij op geen enkele wijze aannemelijk maakt waarom dit een schending zou kunnen uitmaken van het gezag van gewijsde van Uw eerder schorsingsarrest. Indien verzoekende partij Uw Raad en verwerende partij wil verrassen met een schorsingsverzoek om nog diezelfde dag de zaak te pleiten dan dient zij haar middelen voldoende te ontwikkelen. Een loutere vaststelling van een feit is geen middel. - Verzoekende partij miskent blijkbaar het hierboven geciteerde Arrest van Uw raad dat uitdrukkelijk stelt dat: ‘De schorsing van de VII-40.589-17/39 tenuitvoerlegging van een beslissing door de Raad van State belet de overheid echter niet de aangelegenheid opnieuw te onderzoeken en een nieuwe beslissing te nemen vooraleer een uitspraak over de grond van de zaak is tussengekomen. Het gezag van gewijsde van een schorsingsarrest verplicht er haar wel toe bij het heroverwegen van de zaak acht te slaan op de motieven die de Raad van State tot het schorsingsbesluit hebben geleid.’ Nergens in dit Arrest is sprake van het feit dat dit niet zou kunnen gebeuren op basis van de eerdere ( wat verzoekende partij noemt) ‘documenten’, doch die vaststellingen betreffen de die geacht worden de waarheid te zijn tot het tegendeel is bewezen waar het processen-verbaal betreffen. a. 4 er wordt geen enkel kruis verwijzing gemaakt naar Uw arrest nr. 245.214 van 19 juli 2019... Aangezien verwerende partij zich in het korte tijdsbestek dat haar wordt gelaten voor haar verdediging, dient te weten waarop zij zich dient te verdedigen; Aangezien dient vastgesteld dat verwerende partij in geen enkele mate kan raden waarom het gezag van gewijsde van Uw eerder Arrest van 12 juli 2019 zou geschonden zijn omdat er geen enkele kruisverwijzing naar wordt gemaakt. Aangezien zowel verzoekende partij als verwerende partij weten dat de thans bestreden beslissing er is gekomen na het eerdere schorsingsarrest van Uw Raad en de niet vermelding van dit Arrest hoe dan ook nooit ene miskenning van gezag van gewijsde kan uitmaken. Dat derhalve ook dit onderdeel niet ernstig is. a. 5 er wordt niet ingegaan op de kritische bedenkingen van Uw Raad over de ernst van de in het proces verbaal van 12 juli vastgestelde inbreuken... Verwerende partij, het FAVV, dient zich te gedragen naar de Ministeriële beslissing van 09 mei 2019 die uitdrukkelijk stelde: ‘Op 12 juli 2019 werd een controle uitgevoerd in uw inrichting naar aanleiding van de beslissing van ‘Op grond van al het voorgaande en gelet op artikel 16 §5 van het bovenvermelde Koninklijk besluit van 16 januari 2006 beslis ik om de toelating 1. 1. Detailhandel in levensmiddel en de toelating 2.1 Vleeswinkel verkregen met nummer AER/BRU/028577 voor de activiteiten Detailhandelaar - productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL29 AC96 PR52) en Slagerij - productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (PL9 AC96 PR168) van Pit-Stop 2 met ondernemingsnummer 0543. 317. 388 en vestigingseenheidsnummer 2.235.990.253 gelegen in Vier-Windenstraat 7 te 1080 Sint-Jans- Molenbeek te behouden onder volgende voorwaarden: 1/ Dat naast eventuele geplande inspecties voorzien in het regulier inspectieplan van het FAVV voor uw vestiging, tevens een door u te betalen onaangekondigde inspectie van het FAVV wordt uitgevoerd, telkens in het derde en vierde kwartaal van 2019 en in het eerste kwartaal van 2020. 2/ Tijdens deze extra inspecties worden telkens: VII-40.589-18/39 2.1. Voor drie willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket volledig gecontroleerd aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3352 Levensmiddelen: VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN); 2.2. Voor zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten (andere producten dan de in punt 2.1 vermelde levensmiddelen) het etiket gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum, het lotnummer zonder gebruik te maken van de checklist DJS 3352; 2.3. Een controle uitgevoerd van de infrastructuur en hygiëne aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3309 detailhandel met toelating (zonder verwerking): INFRASTRUCTUUR, INRICHTING EN HYGIËNE. 3. Zodra enig resultaat van de inspecties bedoeld onder l/de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 opgenomen checklist gestuurde controle of indien voor minstens l van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1. en 2.1 onder nummer AER/BRU/028577 als detailhandel en vleeswinkel definitief. Indien voor of tijdens de voorziene periodes de versies van checklisten aangepast worden, zijn het de nieuwe versies die zullen gehanteerd worden en van tel zijn tijdens deze inspectie. Indien de resultaten van alle inspecties bedoeld onder l/ voor alle checklisten hernomen onder 2.1 en 2.3 en de onder 2.2 genoemde producten ‘gunstig’ of ‘gunstig met opmerkingen’ beoordeeld worden en al deze controles dus als conform kunnen worden beschouwd, wordt de procedure tot intrekking van de toelating zonder voorwerp per 31 maart 2020.’ Aldus de verzoekende partij zou verwerende partij niet ingegaan zijn op de kritische bedenkingen van Uw Raad over de ernst van de vastgestelde inbreuken. Verwerende partij die een erkenningsverstekkende overheid is dient zich bij haar vaststellingen en de gevolgen van haar vaststellingen te beperken tot het doen van vaststellingen zonder dat zij daar enige appreciatiemogelijkheid over heeft: indien inbreuken worden vastgesteld en deze vallen binnen de voorwaarden van de Ministeriële beslissing dan kan zij enkel vaststellen dat aan de voorwaarden is voldaan om de beslissing in te trekken. 23. Nu, in dit licht van het schorsingsarrest werd door het FAVV de feiten en vaststellingen herbekeken en werd de thans bestreden beslissing van 23.07.09 genomen. Deze motiveert thans als volgt de intrekking: Uit het missierapport van 12 juli 2019 en het proces-verbaal 2754/19/0074/BRU, waarvan u een kopie ontving, blijkt duidelijk dat uw inrichting de door de Minister opgelegde voorwaarden niet heeft nageleefd. Er werden naast inbreuken inzake hygiëne en autocontrole opnieuw tal van inbreuken inzake etikettering vastgesteld. Al sinds de opstart werd uw inrichting meermaals gecontroleerd waarbij meermaals quasi identieke inbreuken werden vastgesteld. Het probleem situeert zich hoofdzakelijk op het vlak van een niet conforme etikettering en VII-40.589-19/39 het onjuist en/of onvolledig verschaffen van de allergeneninformatie. U heeft hiervoor al tal van processen-verbaal ontvangen en u hierover reeds meermaals gehoord. De Minister heeft de intrekking van de toelatingen geschorst onder voorwaarden omwille van het feit dat u tijdens de beroepscommissie volgende argumenten had: - gelet op het gewijzigd aankoopbeleid (als preventieve maatregel) die moet garanderen dat de nieuw aangekochte producten beschikken over een conform etiket; - gelet het feit dat uw inrichting van start is gegaan met het verwijderen van alle niet-conforme producten uit het verkoopgamma en hiervoor een samenwerkingsovereenkomst met een extern samenwerkingspartner is aangegaan; Echter wilde de Minister eveneens de garantie dat deze inspanningen niet van tijdelijke aard zijn en wenste hij dat het Agentschap diende te zorgen voor een doorgedreven opvolging waarbij u diende aan te tonen dat uw engagement van continue aard is. Deze controles bestonden uit het nagaan van: * Voor drie willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket volledig gecontroleerd aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3352 Levensmiddelen: VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN); * Voor zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten (andere producten dan de in punt 2.1 vermelde levensmiddelen) het etiket gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum, het lotnummer zonder gebruik te maken van de checklist DIS 3352; * Een controle uitgevoerd van de infrastructuur en hygiëne aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3309 detailhandel met toelating (zonder verwerking): INFRASTRUCTUUR, INRICHTING EN HYGIËNE. Echter is bij de controle van 12 juli 2019 gebleken dat bij de controle van het tweede hierboven vermelde punt de etikettering nog steeds niet in orde is. Tijdens een steekproefsgewijze controle werden opnieuw tal van non-conformiteiten vastgesteld inzake de taal van de etikettering, het niet correct weergeven van de allergeneninformatie en het ontbreken van tal van verplichte vermeldingen. Het belang van voedingslabels mag nochtans niet onderschat worden, vooral als het gaat om allergieën en voedselintoleranties. Consumenten moeten precies weten wat een voedingsproduct bevat om een weloverwogen aankoopbeslissing te kunnen nemen. En deze nieuwe vaststellingen tonen nogmaals aan dat u deze materie niet beheerst en ons dus onmogelijk een garantie kan bieden over de exacte inhoud en samenstelling van alle door u verkochte producten in gans uw inrichting en dit was nochtans een essentiële eis van de Minister. Dit zorgt voor een reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid van al uw klanten, die zich onmogelijk kunnen baseren op de door u aangeleverde etiketten. Vanuit Europees niveau wordt enorm veel belang gehecht aan de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming. Het vrije verkeer van veilig en gezond voedsel is immers een wezenlijk aspect van de interne markt en levert een aanzienlijke bijdrage tot de gezondheid VII-40.589-20/39 en het welzijn van de burgers en hun sociale en economische belangen. Om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de consumenten te bereiken en hun recht op informatie te waarborgen, moet ervoor worden gezorgd dat de consumenten de nodige informatie krijgen over de levensmiddelen die zij consumeren. Het FAVV komt aldus thans wel degelijk tegemoet aan de opmerkingen van Uw Raad per schorsingsarrest en motiveert thans waarom de overtredingen, dewelke in wezen niet betwist worden door Uw Raad en verzoekende partij, dienen te leiden tot de intrekking. Verwezen wordt wat dat betreft naar de voorgaanden, naar uiteraard de beslissing van de Minister en de hierin gestelde voorwaarden en bijkomend wordt een motivering verschaft – zoals geëist door Uw Raad – waarom de vastgestelde overtredingen dienen te nopen tot de intrekking. Volgens verzoekende partij zou deze motivering te ‘algemeen’ zijn en geen verband houden met de concrete vaststellingen van 12. 07. 2019 en de reële effecten op de volksgezondheid... Zij zou ook de inspanningen van verzoekende partij negeren en de verantwoordelijkheden tegenover de producenten en de leveranciers onverlet laten... Betreffende deze motivering. Verwerende partij ziet werkelijk niet in hoe en op welke wijze deze motivering dan te ‘algemeen’ zou zijn. De verzuchtingen van Uw raad betroffen het feit dat het FAVV niet zou aanduiden waarom de beslissing tot intrekking diende genomen te worden. Welnu, dit wordt thans formeel gemotiveerd waarom de vaststellingen en overtreding nopen tot de intrekking. Er is vooreerst de beslissing van de Minister dewelke een ‘zero tolerantie’ aangaande overtredingen bepaalde en er wordt thans wel degelijk uiteengezet waarom de overtredingen inbreuken betreffen op de volksgezondheid en welke het belang is van de etikettering en voedingslabels. Verder verwijst zij nogmaals naar het belang van correcte etikettering. Mag verwerende partij nogmaals duidelijk stellen dat het niet alleen de op 12.07.2019 vast gestelde inbreuken zijn die de intrekking verantwoorden doch het geheel van overtreding en over een tijdspanne van meer dan twee jaar? Verwerende partij is niet in staat haar etiketteringssysteem op punt te krijgen. Wanneer bijvoorbeeld bepaalde allergeneninformatie niet of niet correct is vermeld op het etiket – of niet in de juiste taal is vermeld – kan dit voor sommige consumenten uiterst zware gevolgen hebben. Verwerende partij kan niet alle producten in de winkel van verzoekster controleren. De op 12. 07. 2019 vastgestelde inbreuken zijn symptomatisch voor de situatie van verzoekster. Zij dient correct te etiketteren. De gevolgen kunnen immers ernstig zijn voor bepaalde consumenten indien zij blijft de wetgeving miskennen.” Wat betreft het derde en het vierde middel : VII-40.589-21/39 “Verzoekster verdeelt het tweede middel in twee onderdelen. Verwerende partij kan als volgt repliceren wat betreft het eerste middelonderdeel: Voorafgaandelijk, wat de opgeworpen schendingen betreft van de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht. Het behoort uiteraard niet aan Uw Raad van State om dienaangaande zich in de plaats te gaan stellen van het FAVV en een nieuw onderzoek en beoordeling te gaan uitvoeren. Verzoekende partij stelt dat de vastgestelde non-conformiteiten deels onterecht als niet conform, zijn aangeduid. Daarenboven stelt zij dat deze non-conformiteiten niet tot een ongunstig resultaat kunnen leiden. Verwerende partij mag allereerst opmerken dat verzoekster het debat tracht te verengen tot de vaststellingen en non-conformiteiten in het laatste missierapport dd. 12.07.2019. De ‘gescande’ producten betreffen slechts willekeurig gekozen producten uit het zeer ruime assortiment (duizenden producten) van verzoekster. Het steeds opnieuw vaststellen van non-conformiteiten inzake etikettering is een symptoom van een diepgaand, structureel probleem. Verzoekster is immers niet in staat om op lange termijn haar etiketteringssysteem op punt te krijgen. Het is net dit probleem dat de beroepscommissie en navolgend de Minister heeft willen aankaarten. Teneinde wat dit betreft garanties te hebben werd dan ook de beslissing genomen om de toelating van verzoekster te behouden, doch onder bepaalde voorwaarden. De beslissing van de Minister dd. 09. 05. 2019 is duidelijk: 3/ Zodra enig resultaat van de inspecties bedoeld onder l/ de beoordeling ‘ongunstig’ wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 opgenomen checklist gestuurde controle of indien minstens l van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1. en 2.1 onder nummer AER/BRU/028577 als detailhandel en vleeswinkel definitief. Het gaat hierbij aldus niet om ‘ongunstige scores’ zoals verzoekster stelt, doch één non-conformiteit is voldoende om de intrekking definitief te laten worden. Verzoekster geeft in haar verzoekschrift zelf toe dat er sprake is van 4 non-conformiteiten. Aangezien er minstens van één non-conformiteit sprake is, is het middelonderdeel alleen al om die reden niet ernstig. Verwerende partij mag er andermaal op wijzen dat verzoekster geen beroep bij Uw Raad heeft ingesteld tegen de beslissing van de Minister en dat de termijn om dit te doen inmiddels verstreken is. Deze beslissing is aldus definitief en verzoekster wordt geacht hiermee akkoord te zijn gegaan. Het is uiteraard in geen geval die beslissing die thans aan de toetsing van Uw Raad wordt onderworpen. Samengevat, vergist verzoekster zich wanneer zij stelt dat de vastgestelde non-conformiteiten niet tot een ongunstige score kunnen leiden. Deze opmerking is niet pertinent. Nogmaals de Minister legde drie controles op waaronder de controle van de etiketten op 17 willekeurig gekozen voorverpakte producten op taal, vermelding allergenen, houdbaarheidsdatum enz... VII-40.589-22/39 De Minister bepaalde hierbij uitdrukkelijk dat indien er één niet conform resultaat was de intrekking definitief werd.. . Welnu, verzoekster erkent zelve meerdere inbreuken, ook thans wederom per verzoekschrift... Wat dient het FAVV alsdan te doen ? De beslissing van de Minister naast zich neerleggen en aan verzoekster nog eens een kans geven ? Dan miskent zij de beslissing van de Minister... Men zou nog kunnen stellen dat de beslissing van het FAVV als onzorgvuldig, dan wel onredelijk zou zijn indien zij deze zou nemen op basis van één twijfelachtige overtreding.. . (dan nog uiteraard zou de beslissing terecht zijn) Doch, deze situatie stelt zich op heden niet waar verzoekster zelve erkent meerdere overtreding WEDEROM en OPNIEUW begaan te hebben... Aldus, over of er sprake is van een overtreding is er zelfs geen discussie... Dienvolgens kan het FAVV dan ook niet anders dan beslissen tot intrekking. Zij heeft hieromtrent, wat dit punt betreft, geen enkele beoordelingsmarge waar dit nu éénmaal de beslissing van de Minister is. Beslissing waarmee verzoekster ingestemd heeft... 30. Verwerende partij dient volledigheidshalve, waar in wezen geen belang meer, tevens te repliceren wat betreft de opmerkingen van verzoekster op de specifieke non-conformiteiten. Dat een etiket onmiddellijk door de zaakvoerder werd aangepast en dat hierdoor twee non-conformiteiten wegvallen, is uiteraard irrelevant. De bedoeling is net dat er géén non-conformiteiten worden vastgesteld en dat verzoekster zelf een systeem heeft om dit te voorkomen. Het reactief optreden doet de vaststellingen uiteraard niet verdwijnen... Wat de specifieke producten betreft: - Superfresh Puff Pastry: deze bewoordingen zijn niet in overeenstemming met de bijlage X bij de Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 (hierna Vo. 1169/2011); de handelsbenaming staat inderdaad in beide talen vermeld; - Marrakesh Milfe Hosfim: de non-conformiteiten zijn vastgesteld en worden niet betwist – rechtzetting achteraf is niet pertinent: - Mekkafood diepgevroren schijf van fijngesneden kippenseparatorvlees: artikel 9, l,
- l)van de Vo. 1169/2011 schrijft voor dat de voedingswaarde verplicht op het etiket moet worden vermeld. - Konouz spliterwten: er ligt geen bewijs voor van de beweringen van verzoekster – vaststellingen door een controleur van het FAVV, die wat betreft hun bevoegdheden de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie hebben, gelden tot bewijs van het tegendeel. Art. 9, l,
- l)Vo. 1169/2011 schrijft voor dat de voedingswaarde op het etiket vermeld staat; ten slotte is het verplicht de verantwoordelijke operator op het etiket te vermelden – een merknaam is niet voldoende. VII-40.589-23/39 - Bizim Mutfak: de vermeldingen moeten correct en volledig vertaald zijn, dit is niet het geval. De overige vaststellingen worden niet betwist wat dit product betreft; - Laayoune China groene thee: deze bewoordingen zijn niet in overeenstemming met de bijlage X bij de Vo. 1169/2011; - Alyna cashewnoten: verzoekster geeft toe dat de vertaling onvolledig is; de vermelding inzake houdbaarheid is niet in overeenstemming met de bijlage X bij deVo. 1169/2011. Bovenstaande toont aan dat de opmerkingen van verzoekster niet correct zijn. De non-conformiteiten zijn allemaal terecht. Bijgevolg is ook geen sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door (de controleur van) de verzoekende partij. 31. Wat het tweede middelonderdeel van het derde middel betreft: Dit onderdeel is niet pertinent wat de thans bestreden beslissing betreft. Het onderdeel heeft betrekking op de niet aangevochten beslissing van de Minister dd. 09. 05. 2019. Nogmaals, verwerende partij heeft thans enkel vaststellingen gedaan – die correct zijn – en hieraan het rechtsgevolg gegeven zoals door de Minister vooropgesteld. Het derde middel is niet ernstig. 32. Betreffende het vierde middel en betreffende de zogenaamde schending van het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en de formele motiveringsplicht Dit middel wordt door verzoekende partij uiteengezet aan de hand van verschillende onderdelen: 19. In een eerste onderdeel wordt uiteengezet dat het FAVV met zijn beslissing tot intrekking het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. De Beroepscommissie heeft vastgesteld dat er grote vooruitgang is gemaakt. Ook tijdens de laatste controle waren twee van de drie beoordelingen gunstig. Het aantal inbreuken op de etikettering is ook beperkt (Supra). Daarenboven is er geen gevaar voor de voedselveiligheid. De maatregel tot intrekking is dan ook disproportioneel gelet op de zware gevolgen, zijnde de bedrijfssluiting. In een tweede onderdeel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing minsten formeel had moeten motiveren in het licht van de vastgestelde inbreuken waarom een dergelijke verregaande maatregel als een intrekking van de erkenning noodzakelijk is mede gelet op de afwezigheid van een gevaar voor de voedselveiligheid en de volksgezondheid. In een derde onderdeel wordt aangegeven dat de etiketteringsproblematiek in feite deze is van de leveranciers en dat het aanpakken van een enkele halalwinkel kennelijk onredelijk en onevenwichtig is. In het vierde onderdeel wordt uiteengezet dat de bestreden beslissing in elk geval disproportioneel is ten aanzien van de intrekking van de toelating voor de slagerij/ versafdeling. Dat er van een schending van het evenredigheidsbeginsel, noch van de formele motiveringsplicht geen sprake kan zijn. VII-40.589-24/39 Verwerende partij mag zich nader verklaren. 33. Opnieuw dient verwerende partij te benadrukken dat het evenredigheidsbeginsel en de formele motiveringsplicht terzake niet van toepassing zijn; Verzoekende partij mag dienaangaande verwijzen naar haar argumentatie onder het tweede middel waaruit blijkt dat verwerende partij in casu geen beslissingsmacht had en louter voorzag m de uitvoering van een eerder genomen, en niet bestreden beslissing, van minister Ducarme. Inderdaad, het FAVV had en heeft dan ook geen appreciatiemarge meer betreffende de te nemen maatregel !! Zij heeft in wezen enkel nog appreciatie betreffende het al dan niet bestaan van een eventuele overtreding doch deze worden in dezer tevens niet meer betwist door verzoekende partij. Van zodra er dan ook een overtreding vaststaat dient het FAVV de erkenningen in te trekken. Anders schendt zij zelve de beslissing van de Minister !! De beginselen van behoorlijk bestuur zijn aldus enkel van toepassing op de beslissing van minister Ducarme die aan verzoekende partij werd betekend in datum van 9.05.2019, doch die m het kader van huidig beroep niet ter discussie kunnen worden gesteld. In het licht van deze zienswijze diende en kòn verwerende partij, bij haar vaststelling dat de intrekking van de erkenning definitief was geworden, dan ook geen afweging meer maken op vlak van evenredigheid. Verwerende partij maakt terzake eenvoudigweg geen beoordeling of de vaststelling van verschillende non-conformiteiten op vlak van etikettering en de mededeling van allergeneninformatie in proportie is tot de sluiting van de inrichting. Verwerende partij kon enkel de vastgestelde procedure, zoals uiteengezet in de beslissing van minister Ducarme, volgen en diende dan ook in geval van enige non-conformiteit de definitieve intrekking van de toelating als detailhandel en vleeswinkel vast te stellen. De beslissing van minister Ducarme vermeldde dienaangaande als volgt: ‘Zodra enige resultaat van de inspecties bedoeld onder l/de beoordeling ongunstig wordt vastgesteld bij toepassing van enige onder 2.1 en 2.3 opgenomen checklist gestuurde controle of indien voor minstens l van de onder 2.2 genoemde producten het resultaat niet conform is, wordt de intrekking van de toelatingen 1.1 en 2.1 onder nummer AER/BRU/028577 als detailhandel en vleeswinkel definitief’ De niet conforme resultaten zijn er, de beslissing dient dan ook gevolgd te worden ! Van een schending van het evenredigheidsbeginsel is dan ook geen sprake, noch kan er sprake zijn van een schending van de formele motiveringsplicht waar in wezen een louter verwijzen naar de eerder genomen beslissing van minister Ducarme dd. 9. 05. 2019 en de vastgestelde overtredingen hierop volstaat ter motivering. Wanneer dan ook verzoekende partij opnieuw de formele motivering ter discussie stelt waarbij volgens haar uitdrukkelijk diende te worden gemotiveerd waarom een dergelijke verregaande maatregel in het licht van de vastgestelde inbreuken verantwoord is, stelt zij opnieuw enkel en alleen VII-40.589-25/39 de beslissing van minister Ducarme dd. 9. 05. 2019 aan de kaak, dewelke niet de thans bestreden beslissing is... 34. In Uw arrest van 19. 07.2019 mocht zoals reeds gesteld Uw Raad dit derde en vierde middel, toen in de procedure tweede en derde middel, dat deze in de volgende mate ernstig waren: Beoordeling 15. Aangaande het verweer geput uit het definitief geworden zijn van de beslissing van 9 mei 2019 en uit het verband tussen die beslissing en deze die thans wordt bestreden, dient op de eerste plaats verwezen te worden naar hetgeen hierboven werd geoordeeld met betrekking tot het belang van de verzoekende partij bij de voorliggende vordering. 16. Het wordt niet betwist dat op het vlak van de etikettering in de zgn. quickscan van 17 producten, bij de controle van 12 juli 2019 een aantal onvolkomenheden werden vastgesteld. Hierover ter terechtzitting ondervraagd bevestigt de verwerende partij de vaststelling door de verzoekende partij, die ook prima facie blijkt uit de bestreden beslissing, dat deze onvolkomenheden in wezen uitsluitend betrekking hebben op een gebrekkige vertaling, soms in het Nederlands, vaker in het Frans, van een aantal vermeldingen die in de andere taal wel op het desbetreffende etiket voorkomen. Bovendien bevestigt de verwerende partij, ook in haar nota, dat de controle van 12 juli 2019 ‘inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne’ als ‘gunstig met opmerkingen’ werd beschouwd. Bovendien wordt zelfs vastgesteld dat de ‘uitgebreide controle inzake etikettering, die l... ] moet worden uitgevoerd op drie producten’ ook resulteerde in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen’. 17. Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat, naar de letter, één van de in de ‘quickscan van zeventien producten’ weerhouden onvolkomenheden op het vlak van de etikettering, zelfs wanneer die enkel betrekking heeft op ‘de taal’, blijkens de libellering van de beslissing van 9 mei 2019, volstaat om de erkenning definitief in te trekken zowel voor de detailhandel als voor de ‘vleeswinkel’. 18. In redelijkheid kan evenwel niet worden aangenomen dat eender welke dergelijke onvolkomenheid, ongeacht de ernst of de mogelijke gevolgen ervan, blindweg, automatisch, moet aanleiding geven tot de gevolgen die de bestreden beslissing met zich meebrengt. De beslissing van 9 mei 2019 kan in rechte dan ook niet in die zin worden begrepen dat de minste – eventueel zelfs futiele – tekortkoming, bijvoorbeeld op het vlak van vertaling van de vereiste gegevens op een etiket, automatisch tot de definitieve volledige intrekking van de toelatingen voor de detailhandel én de vleeswinkel moet aanleiding geven. Er wordt in dit verband zelfs niet aangevoerd door de verwerende partij dat de weerhouden onvolkomenheden slaan op de inhoud zelf van de vermelding. Toegegeven wordt dat het in casu steeds gaat om onvolledige of gebrekkige vertalingen. 19. Het valt dan ook nauwelijks in te zien, en minstens had de verwerende partij derhalve formeel moeten motiveren, waarom de weerhouden tekortkomingen in redelijkheid tot dergelijke zware gevolgen VII-40.589-26/39 moesten leiden, nu de verwerende partij tegelijk ook vaststelt dat de - onverwachte – controle van 12 juli 2019 ‘inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne ... als ‘gunstig met opmerkingen’ (werd) beschouwd’, en zelfs dat ‘de uitgebreide controle inzake etikettering die ... moet worden uitgevoerd op drie producten, (ook) resulteerde ... in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen’. 20. De middelen zijn in de hierboven besproken mate dan ook ernstig Uw Raad stelde dan ook in wezen dat er wel degelijk sprake was van overtredingen op de (niet bestreden) beslissing van de Minister doch, met de verzoekende partij, werden deze overtredingen gerelativeerd naar overtredingen op de regelgeving inzake vertaling en werd hieromtrent gesteld dat de beslissing van de Minister van 09.05.2019 niet kan worden begrepen dat de minste tekortkoming, bijv. op het vlak van vertaling, leidt tot de automatische intrekking en dan ook verwerende partij moest formeel motiveren waarom de weerhouden tekortkomingen tot deze zware gevolgen moest leiden. Uw Raad stelde dan ook in wezen louter een probleem van formele motivering vast van de aldaar bestreden beslissing. Inderdaad, de overtreding op de beslissing van de Minister werden erkend en betreffende de evenredigheid en redelijkheid werd enkel gesteld dat het FAVV moest motiveren waarom de overtredingen de intrekking verantwoorden. Betreffende dit laatste, waar het FAVV in wezen niet volledig akkoord mee kan gaan. Uw Raad stelt in wezen dus – prime facie uiteraard – dat het FAVV wel degelijk nog alsdan appreciatiemarge heeft om te oordelen welke gevolg zij heeft aan de vastgestelde overtredingen hetwelk het FAVV wel betwist. Immers en nogmaals, men dient de beslissing van de Minister van 09.05.2019 en de beslissing van het FAVV uiteraard te bekijken in het licht van de vele voorgaanden in dezer waar reeds jaar en dag in wezen dergelijke overtredingen vastgesteld zijn geweest bij verzoekende partij. En dewelke door verzoekende partij erkend zijn geweest en waaromtrent zij steeds stelde deze te kunnen remediëren hetwelk niet het geval bleek te zijn. Verzoekende partij heeft dan ook reeds diverse kansen gekregen om zich, net zoals iedere andere operator, te conformeren aan de regelgeving doch slaagt hier kennelijk niet in... Het zijn dan ook geen ‘futiele’ tekortkomingen dewelke vastgesteld zijn geweest, het betreffen tekortkomingen dewelke voor de zoveelste keer wederom vastgesteld worden en dewelke door de Minister als ultieme en laatste voorwaarde gesteld werden teneinde aan verzoekster alsnog de kans te geven haar erkenningen te behouden. Merk overigens op dat tegen deze voorwaarden, dewelke in wezen tevens voorgesteld werden, door de Beroepscommissie in wezen nimmer bezwaar werd aangetekend door verzoekster. Verzoekster weet en wist dus dat zij aan deze voorwaarde onderworpen was. Nu, in dit licht van het schorsingsarrest werd door het FAVV de feiten en vaststellingen herbekeken en werd de thans bestreden beslissing van 23.07.19 genomen. VII-40.589-27/39 Deze motiveert thans als volgt de intrekking: Uit het missierapport van 12 juli 2019 en het proces-verbaal 2754/19/0074/BRU, waarvan u een kopie ontving, blijkt duidelijk dat uw inrichting de door de Minister opgelegde voorwaarden niet heeft nageleefd. Er werden naast inbreuken inzake hygiëne en autocontrole opnieuw tal van inbreuken inzake etikettering vastgesteld. Al sinds de opstart werd uw inrichting meermaals gecontroleerd waarbij meermaals quasi identieke inbreuken werden vastgesteld. Het probleem situeert zich ‘hoofdzakelijk op het vlak van een niet conforme etikettering en het onjuist en/of onvolledig verschaffen van de allergeneninformatie. U heeft hiervoor al tal van processen-verbaal ontvangen en u hierover reeds meermaals gehoord. De Minister heeft de intrekking van de toelatingen geschorst onder voorwaarden omwille van het feit dat u tijdens de beroepscommissie volgende argumenten had: - gelet op het gewijzigd aankoopbeleid (als preventieve maatregel) die moet garanderen dat de nieuw aangekochte producten beschikken over een conform etiket; - gelet het feit dat uw inrichting van start is gegaan met het verwijderen van alle niet-conforme producten uit het verkoopgamma en hiervoor een samenwerkingsovereenkomst met een extern samenwerkingspartner is aangegaan; Echter wilde de Minister eveneens de garantie dat deze inspanningen niet van tijdelijke aard zijn en wenste hij dat het Agentschap diende te zorgen voor een doorgedreven opvolging waarbij u diende aan te tonen dat uw engagement van continue aard is. Deze controles bestonden uit het nagaan van: * Voor drie willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket volledig gecontroleerd aan de hand van de TAVV-checklist DIS 3352 Levensmiddelen: VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN); * Voor zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten (andere producten dan de in punt 2.1 vermelde levensmiddelen) het etiket gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum, het lotnummer zonder gebruik te maken van de checklist DIS 3352; * Een controle uitgevoerd van de infrastructuur en hygiëne aan de hand van de FAVV-checklist DIS 3309 detailhandel met toelating (zonder verwerking): INFRASTRUCTUUR, INRICHTING EN HYGIËNE. Echter is bij de controle van 12 juli 2019 gebleken dat bij de controle van het tweede hierboven vermelde punt de etikettering nog steeds niet in orde is. Tijdens een steekproefsgewijze controle werden opnieuw tal van non-conformiteiten vastgesteld inzake de taal van de etikettering, het niet correct weergeven van de allergeneninformatie en het ontbreken van tal van verplichte vermeldingen. Het belang van voedingslabels mag nochtans niet onderschat worden, vooral als het gaat om allergieën en voedselintoleranties. Consumenten moeten precies weten wat een voedingsproduct bevat om een weloverwogen aankoopbeslissing te kunnen nemen. En deze nieuwe vaststellingen tonen nogmaals aan dat u deze VII-40.589-28/39 materie niet beheerst en ons dus onmogelijk een garantie kan bieden over de exacte inhoud en samenstelling van alle door u verkochte producten in gans uw inrichting en dit was nochtans een essentiële eis van de Minister. Dit zorgt voor een reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid van al uw klanten, die zich onmogelijk kunnen baseren op de door u aangeleverde etiketten. Vanuit Europees niveau wordt enorm veel belang gehecht aan de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming. tiet vrije verkeer van veilig en gezond voedsel is immers een wezenlijk aspect van de interne markt en levert een aanzienlijke bijdrage tot de gezondheid en het welzijn van de burgers en hun sociale en economische belangen. Om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de consumenten te bereiken en hun recht op informatie te waarborgen, moet ervoor worden gezorgd dat de consumenten de nodige informatie krijgen over de levensmiddelen die zij consumeren. Het FAVV komt aldus thans wel degelijk tegemoet aan de opmerkingen van Uw Raad per schorsingsarrest en motiveert thans waarom de overtredingen, dewelke in wezen niet betwist worden door Uw Raad en verzoekende partij, dienen te leiden tot de intrekking. Verwezen wordt wat dat betreft naar de voorgaanden, naar uiteraard de beslissing van de Minister en de hierin gestelde voorwaarden én bijkomend wordt een motivering verschaft – zoals geëist door Uw Raad – waarom de vastgestelde overtredingen dienen te nopen tot de intrekking. Volgens verzoekende partij zou deze motivering te ‘algemeen’ zijn en geen verband houden met de concrete vaststellingen van 12.07.2019 en de reële effecten op de volksgezondheid... Zij zou ook de inspanningen van verzoekende partij negeren en de verantwoordelijkheden tegenover de producenten en de leveranciers onverlet laten... Betreffende deze motivering. Verwerende partij ziet werkelijk niet in hoe en op welke wijze deze motivering dan te ‘algemeen’ zou zijn. De verzuchtingen van Uw raad betroffen het feit dat het FAVV niet zou aanduiden waarom de beslissing tot intrekking diende genomen te worden. Welnu, dit wordt thans formeel gemotiveerd waarom de vaststellingen en overtreding nopen tot de intrekking. Er is vooreerst de beslissing van de Minister dewelke een ‘zero tolerantie’ aangaande overtredingen bepaalde en er wordt thans wel degelijk uiteengezet waarom de overtredingen inbreuken betreffen op de volksgezondheid en welke het belang is van de etikettering en voedingslabels. Uiteraard betreft dit een reden tot intrekking, hetgeen ook nimmer door verzoekster betwist is geweest en zoals uiteengezet tevens bij tweede middel. Het FAVV moet dan ook geen rekening meer houden met de inspanningen van verzoekster, de Minister had hiermede reeds rekening gehouden, precies daarom werd de beslissing onder voorwaarden genomen. Zij dient tevens geen rekening te houden met de verantwoordelijkheden van andere producenten en leveranciers. VII-40.589-29/39 Immers, verzoekster is uiteraard verantwoordelijk voor de zaken dewelke zij aanbiedt en dient ervoor te zorgen dat deze zaken conform zijn op alle gebieden. Verwerende partij mag wat dat betreft terug verwijzen naar artikel l, punt 3 van de Europese Verordening nr. nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten alle criteria vast op vlak van etikettering, het volgende bepaalt: l. Deze verordening is van toepassing o exploitanten van levensmiddelenbedrijven in alle schakels van de voedselketen wier activiteiten de verstrekkin van voedselinformatie aan de consumenten betreffen. Zij is van toepassing op alle voor de eindverbruiker bestemde levensmiddelen, inclusief door grote cateraars geleverde levensmiddelen, en op voor levering aan grote cateraars bestemde levensmiddelen. De redenering als zou de sluiting van een enkele halalwinkel niet zijn verantwoord zonder dat ook de leverancier wordt houdt helemaal geen steek. Daarenboven worden door verwerende partij stelselmatig controles verricht naar de conformiteit met de regelgeving inzake voedselveiligheid m alle inrichtingen die aan haar controle zijn onderworpen. Indien zich non-conformiteiten voordoen bij leveranciers van verzoekende partij zullen door verwerende partij ook ten aanzien van deze inrichtingen gepaste maatregelen worden getroffen. Laat het duidelijk zijn dat dit gegeven geen verschoning kan betekenen in hoofde van verzoekende partij die evident zelf verantwoordelijk is voor de producten die aan de consument aanbiedt. Overigens, betreffende het feit als zou verwerende partij thans wel voorhouden dat er sprake is van een gevaar voor de volksgezondheid terwijl zij dit per advies van de beroepscommissie niet stelde... Verzoekster dient het verslag en advies van de beroepscommissie correct te lezen. De beroepscommissie stelt dat er geen direct en onmiddellijk gevaar is gezien de inspanningen van verzoekster, gezien het gewijzigde aankoopbeleid en gezien het feit dat men van start was gegaan met het verwijderen van de niet conforme producten. Doch tezelfdertijd mocht de Commissie tevens verzoekster waarschuwen dat deze aldus ‘continue’ van aard moet zijn en er aldus geen overtredingen meer vast te stellen zijn... Dewelke dus niet het geval bleek te zijn!! 35. Verzoekende partij werpt ten andere op dat de niet-conforme producten toch perfect in overeenstemming zouden zijn met de etiketteringsvoorschriften gesteld door Vo. 1169/2011. Dit is nochtans niet het geval. In de eerste plaats kan verwerende partij verwijzen naar hetgeen uiteengezet is onder randnummer 30, waar verwerende partij’ repliceert op de feitelijke kritiek van verzoekster en zij tevens verwijst naar artikel 9/1/1) Vo. 1169/2011. VII-40.589-30/39 Verder dient verwerende partij te wijzen op artikel 15 Vo. 1169/2011, dat in haar eerste lid inderdaad stelt dat de verplichte vermeldingen op het etiket in een voor de consument begrijpbare taal moeten worden opgesteld. Echter, het is nogal logisch dat in het tweetalig gebied Brussel de vermeldingen zowel in het Nederlands als in het Frans dienen te staan. Het tweede lid van artikel 15 Vo. 1169/2011 bepaalt immers: 2. De lidstaten waar een levensmiddel in de handel wordt gebracht, kunnen eisen dat op hun grondgebied voor de vermeldingen op de etikettering gebruik wordt gemaakt van één of meer talen die tot de officiële talen van de Unie behoren. Verder bepaalt het laatste lid van voormeld artikel nog dat de leden l en 2 geen beletstel vormen voor het aanbrengen van vermeldingen in meer dan één taal. Wat dit betreft vereist in België artikel 8, §1 van de Wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten: ‘De gegevens die op het etiket voorkomen en die dwingend zijn voorgeschreven in uitvoering van deze wet, zijn minstens gesteld in de taal of de talen van het taalgebied waar de produkten op de markt worden aangeboden.’ Uiteraard worden de dwingende voorschriften inzake etikettering thans opgelegd doorVo. 1169/2011. Bijgevolg zijn de producten niet in overeenstemming met voornoemde Europese verordening. Ten slofte betreft deze kritiek in wezen opnieuw kritiek op de beslissing van de Minister dd. 09.05.2019. Lopende de intrekkingsprocedure heeft verzoekende partij nooit opgeworpen als zouden dergelijke taalvoorschriften in feite niet nodig zijn. 36. Volgens het vierde onderdeel van het vierde middel zou in elk geval de intrekking van de toelating van de slagerij/versafdeling als disproportioneel zijn aan te merken ten aanzien van de vastgestelde inbreuken. Verwerende partij kan terzake enkel verwijzen naar randnummer 22 waar het de beslissing van de minister betrof opdat de intrekking van de toelating als detailhandel en als vleeswinkel definitief bij vaststelling van ‘enige’ onregelmatigheid. Ook op dit vlak had verwerende partij terzake geen enkele beoordelingsbevoegdheid. Het derde en vierde middel dienen dan ook m hun totaliteit te worden verworpen als ongegrond.” Beoordeling 11. Prima facie dient te worden vastgesteld dat de in deze zaak bestreden beslissing terug volledig gesteund is op de vaststellingen die tot de met het arrest nr. 245.214 in zijn uitvoering geschorste beslissing van 12 juli 2019 hebben geleid. VII-40.589-31/39 Evenwel wordt in de thans bestreden beslissing ook nog het volgende vermeld : “Echter is bij de controle van 12 juli 2019 gebleken dat bij de controle van het tweede hierboven vermelde punt de etikettering nog steeds niet in orde is. Tijdens een steekproefsgewijze controle werden opnieuw tal van non-conformiteiten vastgesteld inzake de taal van de etikettering, het niet correct weergeven van de allergeneninformatie en het ontbreken van tal van verplichte vermeldingen. Het belang van voedingslabels mag nochtans niet onderschat worden, vooral als het gaat om allergieën en voedsel- intoleranties. Consumenten moeten precies weten wat een voedingsproduct bevat om een weloverwogen aankoopbeslissing te kunnen nemen. En deze nieuwe vaststellingen tonen nogmaals aan dat u deze materie niet beheerst en ons dus onmogelijk een garantie kan bieden over de exacte inhoud en samenstelling van alle door u verkochte producten in gans uw inrichting en dit was nochtans een essentiële eis van de Minister. Dit zorgt voor een reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid van al uw klanten, die zich onmogelijk kunnen baseren op de door u aangeleverde etiketten. Vanuit Europees niveau wordt enorm veel belang gehecht aan de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming. Het vrije verkeer van veilig en gezond voedsel is immers een wezenlijk aspect van de interne markt en levert een aanzienlijke bijdrage tot de gezondheid en het welzijn van de burgers en hun sociale en economische belangen. Om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de consumenten te bereiken en hun recht op informatie te waarborgen, moet ervoor worden gezorgd dat de consumenten de nodige informatie krijgen over de levensmiddelen die zij consumeren.” 12. In het arrest nr. 245.214 werd het volgende gewezen : “16. Het wordt niet betwist dat op het vlak van de etikettering in de zgn. quickscan van 17 producten, bij de controle van 12 juli 2019 een aantal onvolkomenheden werden vastgesteld. Hierover ter terechtzitting ondervraagd bevestigt de verwerende partij de vaststelling door de verzoekende partij, die ook prima facie blijkt uit de bestreden beslissing, dat deze onvolkomenheden in wezen uitsluitend betrekking hebben op een gebrekkige vertaling, soms in het Nederlands, vaker in het Frans, van een aantal vermeldingen die in de andere taal wel op het desbetreffende etiket voorkomen. Bovendien bevestigt de verwerende partij, ook in haar nota, dat de controle van 12 juli 2019 ‘inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne’ als ‘gunstig met opmerkingen’ werd beschouwd. Bovendien wordt zelfs vastgesteld dat de ‘uitgebreide controle inzake etikettering, die […] moet worden uitgevoerd op drie producten’ ook resulteerde in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen’. Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat, naar de letter, één van de in de ‘quickscan van zeventien producten’ weerhouden VII-40.589-32/39 onvolkomenheden op het vlak van de etikettering, zelfs wanneer die enkel betrekking heeft op ‘de taal’, blijkens de libellering van de beslissing van 9 mei 2019, volstaat om de erkenning definitief in te trekken zowel voor de detailhandel als voor de ‘vleeswinkel’. 18. In redelijkheid kan evenwel niet worden aangenomen dat eender welke dergelijke onvolkomenheid, ongeacht de ernst of de mogelijke gevolgen ervan, blindweg, automatisch, moet aanleiding geven tot de gevolgen die de bestreden beslissing met zich meebrengt. De beslissing van 9 mei 2019 kan in rechte dan ook niet in die zin worden begrepen dat de minste – eventueel zelfs futiele – tekortkoming, bijvoorbeeld op het vlak van vertaling van de vereiste gegevens op een etiket, automatisch tot de definitieve volledige intrekking van de toelatingen voor de detailhandel én de vleeswinkel moet aanleiding geven. Er wordt in dit verband zelfs niet aangevoerd door de verwerende partij dat de weerhouden onvolkomenheden slaan op de inhoud zelf van de vermelding. Toegegeven wordt dat het in casu steeds gaat om onvolledige of gebrekkige vertalingen. 19. Het valt dan ook nauwelijks in te zien, en minstens had de verwerende partij derhalve formeel moeten motiveren, waarom de weerhouden tekortkomingen in redelijkheid tot dergelijke zware gevolgen moesten leiden, nu de verwerende partij tegelijk ook vaststelt dat de – onverwachte – controle van 12 juli 2019 ‘inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne … als ‘gunstig met opmerkingen’ (werd) beschouwd’, en zelfs dat “de uitgebreide controle inzake etikettering die … moet worden uitgevoerd op drie producten, (ook) resulteerde … in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen”. 20. De middelen zijn in de hierboven besproken mate dan ook ernstig.”. 13. De thans bestreden beslissing beoogt blijkbaar tegemoet te komen aan de kritiek die in het arrest 245.214 werd geuit ten aanzien van de formele motivering van de opgelegde maatregel. Met de verzoekende partij dient echter te worden vastgesteld dat de hierboven geciteerde passages uit de bestreden beslissing niet meer dan een zeer algemene herinnering bevatten aan de ratio legis van de bestaande regelgeving op het vlak van de etikettering. Inhoudelijk wordt in deze motivering nergens ingegaan op de op dat vlak concreet vastgestelde inbreuken en met name op de ernst ervan. Die bijkomende motivering blijft uitgaan van de stelling dat, gelet op de eerdere beslissing van 9 mei 2019, eender welke inbreuk met VII-40.589-33/39 betrekking tot de etikettering, hoe miniem ook, noodzakelijkerwijze tot de sluiting van de hele inrichting van de verzoekende partij moet leiden. Dit werd in het arrest 245.214 als een onredelijke interpretatie van die beslissing beschouwd. Bovendien staat het thans geformuleerde motief dat de vastgestelde inbreuken zorgen “voor een reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid van al uw klanten, die zich onmogelijk kunnen baseren op de door u aangeleverde etiketten” op zeer gespannen voet met de overige vaststellingen naar aanleiding van de controle van 12 juli 2019 waar “inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne” de inrichting van de verzoekende partij als ‘gunstig met opmerkingen’ werd beschouwd, en zelfs, op het vlak van de labels, dat “de uitgebreide controle inzake etikettering die … moet worden uitgevoerd op drie producten, (ook) resulteerde … in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen”. Een en ander klemt nog meer nu zich wat allergenen betreft, waarvan in de bijkomende motivering ook gewag wordt gemaakt, prima facie geen problemen stellen in de inrichting van de verzoekende partij. De enige non-conformiteit die daaromtrent werd vastgesteld bij de controle van 12 juli 2019 had betrekking op de zogenaamde ‘Marakesh’- gebakjes. Maar daarvan stelt de verwerende partij zelf wat volgt: “Op moment van controle heeft de operator de etiketten aangepast. Dit product is op 12/07/2019 vrijgegeven.” Ook uit dit oogpunt lijkt het “reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid” van de klanten van de supermarkt van de verzoekende partij allerminst aangetoond. Een en ander lijkt nog te worden bevestigd door de beroepscommissie ingericht bij de verwerende partij, in haar advies van 29 april 2019, én door de bevoegde minister in zijn beslissing van 9 mei 2019 welke VII-40.589-34/39 aangeven “op basis van de elementen in het dossier” van oordeel te zijn “dat er geen direct en onmiddellijk gevaar bestaat voor de voedselketen”. Voor het overige beogen de argumenten van de verwerende partij in wezen kritiek op ’s Raads arrest nr. 245.214, dat evenwel gezag van gewijsde heeft wat de ernst van de er in behandelde middelen betreft. De middelen zijn in de hierboven besproken mate ernstig. 14. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VII. Voorlopige maatregel en dwangsom Standpunten 15. De verzoekende partij stelt dienaangaande : 33. Verzoekende partij vordert bij wege van voorlopige maatregel dat aan verzoekende partij verbod wordt opgelegd om nog uitvoering te geven aan de intrekkingsprocedure die werd opgestart met de intentiebeslissing van 1 maart 2019 en om de winkel van verzoekende partij te sluiten op basis van deze procedure met inbegrip van een verbod op verzegeling onder verbeurte van een dwangsom van 100.000 euro per inbreuk. Deze voorlopige maatregel met inbegrip van de dwangsom wordt gemotiveerd door de manifeste onwil van het FAVV om zich neer te leggen bij het arrest van uw Raad van 19 juli 2019. Flet bedrag van 100.000 euro per inbreuk wordt gemotiveerd door de grote zakelijke belangen van de verzoekende partij zoals eerder uiteengezet in dit verzoekschrift onder het hoofdstuk over de spoedeisendheid.” 16. De verwerende partij repliceert : “Verzoekende partij vordert bij voorlopige maatregel aan het FAVV het verbod op te leggen nog uitvoering te geven aan de lopende intrekkingsbeslissing en om de inrichting van verzoekende partij geheel of gedeeltelijk te sluiten met inbegrip van verzegeling... VII-40.589-35/39 Aldus vordert verzoekende partij niet meer en minder dan dat het FAVV geen controles meer uitvoert in haar inrichting conform de beslissing van de Minister... Welke is dan nog de bestaansreden van deze beslissing ? Indien het FAVV dan toch niet kan en mag controleren of eiseres wel voldoet aan de voorwaarden... Uiteraard kan dan ook deze vordering niet toegestaan worden waar zij én een manifeste miskenning zou inhouden van de beslissing van de Minister, daarnaast tevens een manifeste schending zou inhouden van de scheiding der machten en de beslissingsbevoegdheid van de Minister en controlebevoegdheden van het FAVV. Nogmaals/ indien verzoekster niet kon akkoord gaan met de beslissing van de Minister had zij hiertegen kunnen handelen en armulatieberoep instellen. Zij heeft dit niet gedaan doch thans poogt zij wel, via de gevorderde voorlopige maatregel, de beslissing volledig zinloos te maken... Zonder controles van het FAW kan er immers nooit nagegaan worden of eiseres wel voldoet aan de door de Minister gestelde voorwaarden... Een andere instantie heeft immers niet de bevoegdheid deze te controleren... Deze vordering dient dan ook verworpen te worden. Daarenboven, ook de formulering van de gevorderde maatregel laat ruimte voor misbruiken. Immers, zij vordert dat het FAVV verbod wordt opgelegd om de inrichting van eiseres geheel of gedeeltelijk te sluiten met inbegrip van verzegeling. Wat indien er, naast de gekende problemen, manifeste nog andere ernstige problemen opduiken ? Mag het FAVV dan niet meer optreden ? De vordering tot voorlopige maatregel dient dan ook verworpen te worden.” Beoordeling 17. Uit voorliggend arrest vloeit in hoofde van de verwerende partij de rechtsplicht voort om de verzoekende partij onmiddellijk na kennisgeving per fax van het arrest toe te laten haar inrichting opnieuw uit te baten en om eventueel genomen dwangmaatregelen onmiddellijk op te heffen. De Raad van State ziet geen elementen waaruit zou kunnen blijken dat de verwerende partij deze rechtsplicht niet zal nakomen. 18. In onderhavig arrest, evenals in het arrest nr. 245.214, werd, en wordt, geen oordeel geveld over “de intrekkingsprocedure die werd opgestart met de intentiebeslissing van 1 maart 2019”, doch enkel over de wijze waarop de VII-40.589-36/39 meer vermelde beslissing van 9 mei 2019 wordt betrokken op de vaststellingen naar aanleiding van de controle van 12 juli 2019. Die beslissing van 9 mei 2019 werd trouwens als dusdanig niet aangevochten door de verzoekende partij. Bijgevolg kan geen dwangmaatregel worden opgelegd die zo ver reikt als hetgeen de verzoekende partij vraagt. 19. Wel kan worden gevreesd, gelet op de houding die de verwerende partij heeft aangenomen na het schorsingsarrest nr. 245.214, dat die partij een nieuwe beslissing zou nemen met dezelfde strekking als de thans en de eerder bestredene, uitgaande van de vaststellingen gedaan tijdens de controle van 12 juli 2019. Deze vrees wordt gevoed door het gegeven dat vrijwel onmiddellijk na het meermaals vermeld schorsingsarrest dd. 19 juli 2019 de verwerende partij terug op grond van dezelfde feitelijke vaststellingen vervat in de beslissing van 12 juli 2019 tot een maatregel met dezelfde gevolgen is overgegaan, weliswaar mits het nemen van een formeel ietwat aangevulde motivering, welke in rechte, prima facie, niet afdoende is gebleken. Uit onderhavig arrest, samen gelezen met het arrest nr. 245.214 moet worden afgeleid dat niet dient te worden gevreesd “voor een reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid van de klanten” louter op basis van de op 12 juli 2019 door de verwerende partij vastgestelde inbreuken. Rekening houdend met deze vaststelling, evenals met de vaststelling dat uit beide betrokken schorsingsarresten blijkt dat de prima facie vastgestelde onwettigheid verder reikt dat een puur gebrek in de formele motivering, en ook prima facie een schending van het redelijkheidsbeginsel behelst, en teneinde een opeenvolging van nieuwe dergelijke beslissingen met telkens een andere formele motivering te voorkomen, bestaat er aanleiding toe VII-40.589-37/39 om een dwangmaatregel op te leggen die de verwerende partij verbod oplegt de beslissing van 9 mei 2019 nogmaals te implementeren door een sluiting van de inrichting van de verzoekende partij op te leggen op grond van de op 12 juli 2019 vastgestelde en weerhouden inbreuken op het vlak van etikettering. Het gevorderde bedrag kan worden toegekend, gelet op de redenen die ook aan de basis liggen van het aanvaarden van de spoedeisendheid, en op het feit dat het respecteren van de opgelegde voorlopige maatregel de verwerende partij niet voor grote moeilijkheden plaatst wat de uitvoering van deze onthoudingsverplichting betreft. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de beslissing van het Federaal Agentschap van de Veiligheid van de Voedselketen dd. 23 juli 2019 ‘conform de beslissing van Minister Ducarme van 9 mei 2019 de toelating 1.1. Detailhandel in levensmiddel en de toelating 2.1 Vleeswinkel verkregen met nummer AER/BRU/028577 voor de activiteiten Detailhandelaar — productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen (P129 AC96 PR52) en Slagerij - productie en niet-ambulante detailhandel in levensmiddelen