id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 augustus 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.333 Rolnummer: A. 228909/VII-40617 Zaak: Arrest 245333 - Voedselveiligheid (FAVV) - 29/08/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-08-30 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-24 01:05 Fiche Arrest nr 245.333 van 29 augustus 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 245.333 van 29 augustus 2019 in de zaak A. 228.909/VII-40.
- In zake : de BVBA PLUIMVEESLACHTERIJ DECLERCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Deborah Smets kantoor houdend te 2600 Berchem Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s, Landbouw en Maatschappelijke Integratie
- het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge - Sint-Kruis Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 23 augustus 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het ministerieel besluit van 20 augustus 2019 tot intrekking van de erkenning 1.1.2 van de BVBA Pluimveeslachterij Declerck als uitsnijderij met als activiteit uitsnijderij pluimvee (PL5 AC24 PR180) onder het nummer E1021 voor de vestiging gelegen te Ingelmunstersteenweg 142 te Oostrozebeke. VII-40.617-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2019 om 10.00 uur. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Frédérick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De bestreden beslissing luidt als volgt: “In toepassing van het Koninklijk Besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen werd uw inrichting Pluimveeslachterij Declerck met ondernemingsnummer 0464.205.178 en vestigingseenheidnummer 2.088.995.661, gelegen te Ingelmunstersteenweg 142 te 8780 Oostrozebeke, erkend als uitsnijderij (erkenning 1.1.2) met als activiteit uitsnijderij pluimvee (PL15 AC24 FR180) onder het nummer E
- In de periode tussen januari 2010 en mei 2019 werden in uw inrichting verschillende inbreuken vastgesteld inzake producten met overschreden TGT datum, traceerbaarheid, gebrekkige hygiëne en infrastructuur, GMP beheersing, contaminatie van levensmiddelen, persoonlijke hygiëne van werknemers en autocontrole. VII-40.617-2/15 Op grond van de vastgestelde inbreuken tijdens de inspectie van 29 april 2019 werd u bij wijze van aangetekende brief op 22 mei 2019 in kennis gesteld van het voornemen van het FAVV om uw erkenningen en toelating in te trekken, gebaseerd op artikel 15 § 1, punten 1 en 2 van het Koninklijk besluit van 16 januari
- Op 6 juni 2019 heeft u, in toepassing van artikel 16 §2 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006, tegen dit voornemen tot intrekking van uw erkenningen en toelating bezwaar ingediend bij het FAVV. Bij de inspectie op 18 juni 2019 werden echter nog tal van inbreuken inzake hygiëne en infrastructuur en traceerbaarheid vastgesteld. Het Agentschap was hierdoor van oordeel dat er niet werd voldaan aan de vereisten met betrekking, tot: - de exploitatievoorwaarden die van toepassing zijn op de inrichting; - de inrichting niet langer beantwoordt aan de vereisten inzake infrastructuur en uitrusting en waaraan niet binnen een redelijke termijn kunnen worden tegemoet gekomen; U werd hiervan in kennis gesteld via een aangetekend schrijven van 4 juli
- In toepassing van artikel 16 §5 van het Koninklijk besluit van 16 januari 2006 tekende u beroep aan tegen deze beslissing op 8 juli
- Een beroepscommissie werd samengesteld en vond plaats op 2 augustus
- Tijdens deze beroepscommissie kreeg u de gelegenheid om uw bezwaren uiteen te zetten en de nodige stukken neer te leggen. De beroepscommissie heeft vervolgens het ganse dossier onderzocht en heeft nog bijkomende verificatie van een aantal punten gevraagd aan de LCE West-Vlaanderen. De LCE West- Vlaanderen heeft uw inrichting bezocht op 7 augustus
- Vervolgens is de beroepscommissie overgegaan tot beraadslaging op 8 augustus
- Ik ben net zoals de beroepscommissie van oordeel dat : Op basis van de elementen aanwezig in het dossier de controles en de hercontroles door het FAVV correct uitgevoerd werden. De procedure voor de kennisgeving van de intentie tot intrekking van de toelating en de bevestiging ervan door het bestuur Controle van het FAVV werd conform de bepalingen van het KB van 16 januari 2006 gevolgd, maar net zoals de beroepscommissie stel ik wel het volgende vast: a. Zo werd er bijvoorbeeld geen gevolg gegeven aan uw vraag om in het kader van de intentie tot intrekking gehoord te worden (zie brief van 3 juni 2019). Gezien u op 2 augustus 2019 gehoord werd in het kader van de beroepscommissie en hierbij de mogelijkheid werd geboden om op alle elementen aanwezig in het dossier (dus ook op de elementen opgenomen in de intentie tot intrekking) uw verweer in te dienen, ben ik net zoals de beroepscommissie van oordeel dat de rechten van verdediging in dit dossier niet geschonden zijn. U werd namelijk reeds in 2015 en 2017 diverse malen gehoord over deze inbreuken in uw inrichting en werd naar aanleiding van de intentie van de LCE WVL om een P15-procedure op te starten ook in de gebouwen van de LCE WVL te Brugge gehoord op 7 mei
- U kreeg na de intentie tot intrekking ook conform artikel 16, paragraaf 2 van het KB van 16 januari 2006 de kans om een schriftelijk verweer in te dienen, wat u ook gedaan hebt. De VII-40.617-3/15 LCE WVL en de centrale administratie van DG Controle hebben de argumenten uit uw verweerschrift en uw ingediende actieplan bestudeerd conform artikel 16, paragraaf 3 van het KB van 16 januari
- Bij de controle van 18 juni 2019, waar al deze argumenten en het actieplan conform artikel 16, paragraaf 3 van het KB van 16 januari 2006 werden geverifieerd, werden tal van niet-conformiteiten vastgesteld waardoor de inspectiediensten van oordeel waren dat de argumenten uit het schriftelijk verweer en het ingediende actieplan voor haar onvoldoende waren. Het betrof hier geen definitieve administratieve beslissing, maar wel een intentie tot het nemen van een administratieve maatregel. Bij het nemen van de definitieve administratieve maatregel werd wel degelijk rekening gehouden met de argumenten uit het schriftelijk verweer en het actieplan. U werd na de beslissing tot intrekking van de erkenning gehoord door de beroepscommissie. De beroepscommissie heeft eveneens uw schriftelijke argumenten van 3 juni 2019 alsook het daar bijhorende actieplan bestudeerd en stelt vast in het missierapport van 18 juni 2019 dat DG Controle hier wel degelijk rekening mee heeft gehouden. De LCE WVL heeft alle punten van het door u ingediende actieplan langs de niet-conformiteiten gelegd en zijn dan ter plaatse gegaan om dit punt per punt af te toetsen. Uw rechten van verdediging werden gelet op al het voorgaande volgens mij en de beroepscommissie dan ook niet geschonden. Na de hoorzitting van de beroepscommissie heeft de commissie alle aangehaalde punten tijdens deze hoorzitting alsook alle aangehaalde punten in het schriftelijk verweer aan een grondig onderzoek onderworpen om een correct beeld te krijgen van de huidige situatie ter plaatse. De beroepscommissie achtte het opportuun om een extra verificatie ter plaatse te laten uitvoeren (7 augustus 2019) om uw verklaringen te verifiëren, juist om de rechten op verdediging te garanderen. Vervolgens heeft de beroepscommissie tijdens haar beraadslaging op 8 augustus 2019 het ganse administratief dossier, de door u nog nagestuurde stukken en het door haar bevolen verificatie ter plaatse grondig bestudeerd. In ondergeschikt belang wensten de commissieleden hier aan toe te voegen dat u hierdoor ook geen financieel of economische schade heeft geleden. U heeft uw activiteiten gewoon kunnen verder uitoefenen; b. In de beslissing tot intrekking werd, zoals u terecht aangaf, verwezen naar processen-verbaal en waarschuwingen lastens uw slachthuis. Naar aanleiding hiervan had de beroepscommissie elk stuk afzonderlijk onderzocht. Er werd door de beroepscommissie beslist om de volgende stukken uit het beroepsdossier te halen en de beroepscommissie heeft er verder geen rekening mee gehouden bij het formuleren van haar advies. Ook ik heb geen rekening gehouden met de hieronder vermelde stukken bij het nemen van mijn beslissing. Het betreft de volgende stukken: • Waarschuwing nr 2204/2011/0079/WVL • Waarschuwing nr 2572/13/0089/WVL • Waarschuwing nr 2569/20150526/2088995661 (Missierapport 2569/15/050088) • PV overtreding nr é3/18/059/WVL (Missierapport nr é3/18/058835) • Waarschuwing nr 2560/20150915/2088995661 • Waarschuwing nr é3/20160926/2088995661 VII-40.617-4/15 • Waarschuwing nr é3/20180626/2088995661 • PV overtreding nr é3/18/105/WVL Er zijn ook een aantal processen-verbaal die zowel feiten lastens het slachthuis als lastens de uitsnijderij bevatten. Het betreft de processen-verbaal 2569/15/0010/WVL, 2569/15/0012/WVL en 2569/17/0025/WVL. De beroepscommissie heeft net zoals ik uiteraard enkel rekening gehouden met de vastgestelde feiten lastens de uitsnijderij. Voor wat betreft de erkenning van de uitsnijderij werd in het verleden nog geen enkele administratieve maatregel genomen, zodat ik noch de beroepscommissie u volgt als zou het non bis in idem-beginsel in dit dossier geschonden zijn. Hierbij aansluitend hebben ik noch de beroepscommissie rekening gehouden met het missierapport van 29 juli 2019 dat na de brief tot intrekking van de erkenning door de controlediensten aan de beroepscommissie werd overhandigd. Dit werd in eerste instantie gevoegd aan het dossier van de beroepscommissie maar naderhand uit het dossier gehaald. Op basis van het administratief dossier, de hoorzitting van 2 augustus en de op deze hoorzitting neergelegde stukken, heeft de beroepscommissie na een eerste grondig onderzoek aan de LCE WVL gevraagd om bij u een extra verificatie uit te voeren. Het betrof geen nieuwe controle maar een loutere verificatie (aan de hand van enkele specifieke vragen) die de commissieleden in staat moesten stellen om na te gaan op welke manier de door u aangebrachte verweermiddelen werden geïmplementeerd en om een beeld te hebben van de actuele situatie. De inspectiediensten hebben geantwoord op de vragen zonder hierbij een oordeel uit te spreken over het resultaat van de controle (gunstig - gunstig met opmerking - ongunstig). Ik heb het rapport van deze verificatie van 7 augustus 2019 alsook de genomen foto's grondig bestudeerd. Op datum van 27 november 2018 werd in het kader van de procedure intrekking van de erkenning van het slachthuis een actieplan door u aan de controlediensten overhandigd. In dit actieplan beschrijft u de te ondernemen corrigerende maatregelen die tevens betrekking hebben op de niet-conformiteiten vastgesteld in de uitsnijderij. Het betreft onder meer condensvorming, roestvorming aan plinten en bevuiling van de drukknoppen. U gaf zelf aan deze maatregelen uitgevoerd te hebben tegen december
- Dezelfde type inbreuken werden vastgesteld tijdens de controle van 29 april 2019, de hercontrole van 18 juni 2019 en de extra verificatie van 7 augustus
- Niettegenstaande dat een aantal andere inbreuken tijdens de hercontrole van 18 juni 2019 en de verificatie van 7 augustus 2019 niet meer werden vastgesteld (bv omkadering verlichtingspunt, aanwezigheid droogmiddel, aanwezigheid vuilnisbak) toont dit volgens mij en de commissieleden aan dat u niet in staat bent om binnen een redelijke termijn tegemoet te komen aan de infrastructuur- en uitrustingsvoorwaarden. U haalt in uw laatste verweerschrift en tijdens de hoorzitting van de beroepscommissie aan dat de beslissing tot intrekking op basis van een beperkt aantal inbreuken kennelijk onredelijk is. U toonde tijdens de hoorzitting en ook bij de verificatie aan dat er effectief een positieve evolutie is. Ikzelf en de commissie wensen echter te benadrukken dat de aard van de inbreuken belangrijker is dan het aantal inbreuken. Concreet gaat het om de contaminatie VII-40.617-5/15 van levensmiddelen (geen correcte werking van de mesontsmetter, geen scheiding verpakte en onverpakte producten), de niet-naleving van de wettelijke temperaturen die de vermeerdering van ziektekiemen bevordert, geen interne traceerbaarheid. Daarnaast stellen we vast dat voor een aantal zaken die op het moment van de herontrole van 18 juni 2019 als conform werden bevonden tijdens de verificatie van 7 augustus 2019 echter opnieuw niet in orde zijn. Dit toont aan dat u uw processen onvoldoende beheerst. U gaf aan dat er drastische maatregelen genomen werden naar het personeel toe (diverse ontslagen en het plaatsen van een camera op de werkvloer). Bovendien werden door de externe consultant opleidingen voorzien. Op basis van de elementen in het dossier en in het bijzonder de verificatie van 7 augustus 2019 komen de commissieleden en ik tot de conclusie dat het aanwezige personeel nog niet over de juiste ingesteldheid beschikt : niet identificeren van de bakken kippenvlees, achterlaten van verschillende partijen vlees zonder enige bescherming tegen contaminatie tijdens de pauze en waardoor de temperatuur ruim boven de wettelijke norm van 4°C komt. In de hoorzitting verklaarde u dat de interne werkwijze werd gewijzigd om te voorkomen dat halfafgewerkte bakjes met goederen zo weinig mogelijk voorkomen. De verificatie van 7 augustus 2019 toont aan dat deze interne werkwijze niet door uw personeel wordt toegepast. De niet- naleving van de wettelijke temperaturen bevordert de vermeerdering van ziektekiemen, versnelt het bederf van producten en vormt bijgevolg een risico voor de veiligheid van de consument. Als gevolg van de vastgestelde niet-conformiteiten betreffende de interne tracering, heeft u uw interne werkinstructie aangepast. Het feit dat op 7 augustus 2019 de interne tracering niet kon worden aangetoond, toont aan dat u niet in staat bent om de interne procedure van het autocontrolesysteem correct te implementeren. De commissieleden en ik concluderen dat er op het vlak van de (interne) tracering de vastgestelde inbreuken nog niet zijn opgelost. De traceerbaarheid van producten is vereist om operatoren en de bevoegde overheden in staat te stellen snel te handelen indien er verderop in de voedselketen problemen worden vastgesteld met deze producten. Tijdens de hoorzitting van de beroepscommissie heeft u verklaard dat de mesontsmetter werd vernieuwd. De verificatie op 7 augustus 2019 toont echter aan dat de mesontsmetter in de snijzaal niet behoorlijk functioneert. De temperatuur bedraagt 72,2°C in plaats van de wettelijk voorgeschreven 82°C. Een correcte werkende mesontsmetting is van essentieel belang om contaminatie tegen te gaan. Wat betreft de scheiding tussen onverpakte en verpakte goederen haalde u tijdens de hoorzitting aan dat open verpakkingen zo goed mogelijk opnieuw te sluiten en dat hiervoor opleiding is gegeven aan het personeel. De controlediensten stellen tijdens de verificatie op 7 augustus 2019 vast dat er tal van open verpakkingen aanwezig zijn in de diepvriezer-, bakken onafgeschermd onder de snijtafel staan (met onderaan condensvorming) en er geen duidelijke scheiding is tussen de onverpakte en verpakte goederen in de koelcel. U toonde tijdens de hercontrole van 18 juni, de hoorzitting van 2 augustus en de verificatie van 7 augustus 2019 aan dat er effectief een positieve evolutie is vast te stellen. Echter duiden de vastgestelde feiten opgenomen in de intentie tot VII-40.617-6/15 intrekking, de definitieve beslissing tot intrekking en de verificatie uitgevoerd op vraag van de commissie, duidelijk aan dat u nog niet in staat bent om uw processen te beheersen. In het bijzonder: • het niet respecteren van de hygiënevoorwaarden; • het niet respecteren van de temperatuurvoorschriften; • het niet correct functioneren van het mesontsmettingssysteem; • inbreuken op het vlak van etikettering en (interne) traceerbaarheid; • onvoldoende implementatie van de voorgestelde corrigerende maatregelen. Gelet op al het voorgaande en op basis van het volledige administratieve dossier, de hoorzitting van 2 augustus en de bijkomende verificatie van 7 augustus 2019 concludeer ik net zoals de beroepscommissie dat u niet beantwoordt aan de infrastructuur- en uitrustingsvoorwaarden en dat de exploitatievoorwaarden niet worden nageleefd. Op basis hiervan adviseerde de beroepscommissie dan ook het volgende : “De beroepscommissie adviseert om de beslissing van DG Controle tot het intrekken van de erkenning 1.1.2 als Uitsnijderij met als activiteit Uitsnijderij Pluimvee (PL5, AC24, PR180) onder het nummer E1021 van de onderneming Declerck Pluimveeslachterij met ondernemingsnummer 0464.205.178 en vestigingseenheidsnummer 2.088.995.661 gelegen te Ingelmunstersteenweg 142 te 8780 Oostrozebeke te bevestigen.” Na controle van het administratief dossier, uw verweerschrift, de door u neergelegde stukken en het rapport van de verificatie van 7 augustus 2019 besluit ik het advies en de motieven van de beroepscommissie te volgen. Het betrokken advies wordt als bijlage van deze brief gevoegd. Op grond van al het voorgaande en gelet op artikel 16 §5 van het bovenvermelde Koninklijk besluit van 16 januari 2006 beslis ik om de erkenning 1.1.2 als uitsnijderij met als activiteit uitsnijderij pluimvee (PL5 AC24 PR180) onder het nummer E1021 voor de vestiging gelegen te Ingelmunstersteenweg 142 te 8780 Oostrozebeke (van de onderneming Declerck Pluimveeslachterij BVBA met nummer 0464.205.178 en vestigingseenheidsnummer 2.088.995.661) in te trekken”. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-40.617-7/15 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 16 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna : koninklijk besluit van 16 januari 2006) en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Voorts wordt machtsoverschrijding aangevoerd. In een eerste onderdeel betoogt de verzoekende partij dat zij niet werd gehoord alvorens het FAVV tot het controlebezoek van 18 juni 2019 en tot onmiddellijke intrekking van de erkenning is overgegaan. Nu de verzoekende partij alleen gehoord werd door de beroepscommissie verloor zij de mogelijkheid om een “overeenkomst” te sluiten inzake de voorgenomen maatregelen tot verbetering. In een tweede onderdeel wordt de schending aangevoerd van artikel 16, § 5, eerste lid, laatste volzin, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006: “[…] Deze beroepscommissie onderzoekt de ontvangen bezwaren, de voorgestelde verbeteringen, het verslag van de PCE en hoort, in voorkomend geval, de betrokkene”. De verzoekende partij stelt dat deze bevoegdheid limitatief is en dat de beroepscommissie, door na de hoorzitting een bijkomende onaangekondigde controle te laten uitvoeren, zich schuldig heeft gemaakt aan machtsoverschrijding. Een en ander klemt volgens de verzoekende partij des te meer nu de verwerende partij zelf aangeeft dat met het missierapport van 29 juli 2019 geen rekening kan worden gehouden aangezien dit dateert van na de intentie tot VII-40.617-8/15 intrekking. Het gaat dan uiteraard ook niet op om nadien zelf nog de opdracht te geven tot controle, hoewel hiertoe geen bevoegdheid bestaat en dit dan ook mee als doorslaggevend element in rekening te brengen. Dit getuigt, volgens de verzoekende partij, van een kennelijk onzorgvuldig handelen. Beoordeling
- Uit het administratief dossier en uit de bestreden beslissing blijkt op het eerste gezicht dat de verzoekende partij vooraleer de beslissing tot intrekking van de erkenning werd genomen, wel degelijk de kans heeft gekregen om haar standpunt naar voren te brengen en om maatregelen voor te stellen die de toestand moesten verbeteren. Het horen hoeft niet noodzakelijk mondeling te gebeuren, het volstaat dat de betrokkene -zoals te dezen- schriftelijk zijn standpunt kan laten kennen. De verzoekende partij diende per aangetekende brief van 3 juni 2019 een gemotiveerd bezwaar in tegen het voornemen tot intrekking van de erkenning en voegde daarbij een actieplan. Uit een controle van 18 juni 2019 is, in eerste administratieve aanleg, prima facie gebleken dat de voorstellen onvoldoende waren, en dat er dus ook geen “overeenkomst” diende te worden afgesloten. De hoorplicht lijkt te dezen niet te zijn geschonden.
- Op het eerste gezicht staat artikel 16, § 5, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 er niet aan in de weg dat de beroepscommissie een bijkomende controle ter plaatse laat verrichten over de gegrondheid van de door de operator ingediende bezwaren en de haalbaarheid van de voorgestelde verbeteringen. Zo’n onderzoek lijkt veeleer te getuigen van de vereiste zorgvuldigheid. Er lijkt op het eerste gezicht geen sprake van machtsoverschrijding. Het eerste middel is niet ernstig. VII-40.617-9/15 B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij
- Het middel is geput uit de schending van de artikelen 14, 15 en 16 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006, een “schending van schending” (sic) van het proportionaliteits- en redelijkheidsbeginsel, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiveringsbeginsel. In een eerste onderdeel betoogt de verzoekende partij dat het bestreden besluit enkel is gemotiveerd vanuit de intentie tot intrekking en dat er niet wordt uiteengezet waarom enkel voor de zwaarst mogelijke maatregel wordt gekozen en niet voor een minder zware maatregel, zoals de schorsing van de erkenning of het onderwerpen van de erkenning aan bepaalde voorwaarden. In een tweede onderdeel stelt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing geen deugdelijk motief bevat over de noodzaak om de meest verregaande maatregel op te leggen. Voorts wordt niet gemotiveerd waarom de verzoekende partij niet binnen een redelijke termijn zou kunnen tegemoet komen aan de vereisten inzake infrastructuur en uitrusting. De verwerende partij voert in de bestreden beslissing enkel een toets uit ten opzichte van het actieplan van 27 november 2018, dat te dezen echter niet relevant is. Het derde onderdeel heeft betrekking op het ontbreken van een evenredig verband tussen de genomen maatregel en de ernst van de feiten. Een drastische maatregel als de intrekking van de erkenning kan volgens de verzoekende partij alleen bij herhaalde, ernstige inbreuken die niet binnen een redelijke termijn kunnen worden opgelost. De sanctie mag niet verder gaan dan noodzakelijk is om het doel te bereiken, zijnde de bescherming van de volksgezondheid. De opgelegde maatregel staat niet in verhouding tot de gedane vaststellingen en de hierop volgende maatregelen ter verbetering. De verwerende VII-40.617-10/15 partij heeft voorts geen rekening gehouden met de voor de operator gunstige elementen van het dossier. In een vierde onderdeel wordt uiteengezet dat de verwerende partij getuigt van een onzorgvuldig handelen vermits zij rekening houdt met een verouderd actieplan en niet met het actueel bij het dossier gevoegde document. De bestreden beslissing steunt derhalve op onjuiste feitelijke elementen terwijl uit de feiten blijkt dat weldegelijk maatregelen konden worden genomen binnen een redelijke termijn. Beoordeling
- De artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 luiden als volgt: “Art. 14.§
- Het Agentschap kan de voor de uitoefening van een activiteit in of van uit een inrichting afgeleverde erkenning of toelating schorsen of aan bijzondere beperkingen onderwerpen wanneer het onregelmatigheden vaststelt die binnen een redelijke termijn kunnen worden opgelost. Het Agentschap kan de erkenning of toelating op vraag van de exploitant schorsen, gedurende maximaal 12 maanden. §
- Vanaf de datum van de schorsing van de erkenning of de toelating mag geen enkele operator de betreffende activiteit meer uitoefenen in of vanuit deze inrichting. Evenwel kan het Agentschap gedurende de duur van de schorsing van de erkenning of de toelating de voortzetting toestaan van andere activiteiten of van de desbetreffende activiteit uitgeoefend door andere operatoren, in of vanuit de inrichting, voor zover deze geen gevaar inhouden voor de volksgezondheid, de dierengezondheid, het dierenwelzijn of de plantenbescherming, en volgens de voorwaarden en voorschriften die het vaststelt. In voorkomend geval kan een controle worden opgelegd waarvan de kosten ten laste van de exploitant worden gelegd. §
- Aan de schorsing bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, kan een einde gesteld worden indien de exploitant hiertoe een aanvraag indient uiterlijk 30 dagen voor het verstrijken van de schorsing, en na gunstig onderzoek door het Agentschap. Indien de operator geen aanvraag heeft ingediend tot beëindiging van de schorsing, vervalt de toelating of de erkenning van rechtswege. Indien het onderzoek niet gunstig is, wordt de schorsing niet beëindigd. Art. 15.§
- Het Agentschap kan de al dan niet voorwaardelijke erkenning of toelating, afgeleverd voor de uitoefening van een activiteit in of vanuit een inrichting, intrekken wanneer : VII-40.617-11/15 1° de inrichting niet langer beantwoordt aan de vereisten inzake infrastructuur en uitrusting en waaraan niet binnen een redelijke termijn kunnen worden tegemoet gekomen; 2° de exploitatievoorwaarden die van toepassing zijn op de inrichting niet meer worden nageleefd; 3° in de inrichting andere activiteiten uitgeoefend worden dan deze waarvoor de erkenning of de toelating geldt, terwijl deze andere activiteiten een erkenning of een toelating door het Agentschap behoeven; 4° een adequate keuring of controle wordt belemmerd, verhinderd of geweigerd; 5° de veiligheid of de integriteit van de personeelsleden van het Agentschap bedreigd of geschonden worden; 6° vanuit de inrichting producten werden verhandeld die een ernstig gevaar betekenen voor de volksgezondheid, de dierengezondheid of de plantenbescherming of die niet werden onderworpen aan een keuring conform de toepasselijke reglementering; 7° de productie herhaaldelijk moest worden stopgezet in de loop van de twee laatste jaren en dat de operator nog steeds niet de passende waarborgen kan geven betreffende toekomstige producties; 8° een fraude wordt vastgesteld (in de inrichting) met betrekking tot de geschiktheid voor de menselijke of dierlijke consumptie, de oorsprong of de herkomst van het product, vermeld op de documenten, of de gezondheids- of identificatiemerktekens; 9° certificaten worden gebruikt waarvan de inhoud niet overeenstemt met de werkelijke toestand, met de oorsprong of de herkomst van de producten; 10° inbreuken worden vastgesteld in het kader van de verplichtingen [...] in uitvoering van het koninklijk besluit van 14 november 2003; 11° de exploitant het voorwerp heeft uitgemaakt van een gerechtelijke uitspraak tot verbod tot het uitoefenen van de activiteit of die beroep heeft gedaan op een operator die zelf het voorwerp heeft uitgemaakt van een dergelijke maatregel; 12° de voorwaarden van de schorsing van de erkenning of de toelating niet worden nageleefd. §
- Vanaf de datum van de intrekking van de erkenning of de toelating mag geen enkele operator de betreffende activiteit nog uitoefenen in of vanuit deze inrichting. Evenwel kan het Agentschap de voortzetting toestaan van andere activiteiten of de desbetreffende activiteit uitgeoefend door andere operatoren, in of vanuit de inrichting, inzonderheid het in de handel brengen van voorraden, voor zover deze geen gevaar inhouden voor de volksgezondheid, de dierengezondheid of de plantenbescherming, en volgens de voorwaarden en voorschriften die het vaststelt. In voorkomend geval kan een controle worden opgelegd waarvan de kosten ten laste van de operator worden gelegd”.
- De bestreden beslissing bevat wel degelijk een uitgebreide formele redengeving. Daaruit kan duidelijk worden afgeleid waarom de VII-40.617-12/15 verwerende partij, na advies van de beroepscommissie, is overgegaan tot het opleggen van de gewraakte maatregel. De beslissing is formeel met redenen omkleed. De formelemotiveringsplicht beoogt de betrokkene in staat te stellen te oordelen of hij zich op het stuk der motieven zinvol in rechte kan verweren. In de regel betekent dit dat een verzoekende partij over de motieven van de beslissing moet kunnen beschikken, vooraleer zich in rechte te voorzien. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek heeft onderworpen. Bijgevolg lijkt aan de formelemotiveringsplicht te zijn tegemoetgekomen. De toetsing van de formele motivering brengt in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich.
- De verwerende partij laat terecht opmerken dat de intrekking van de erkenning steunt op zowel artikel 15, § 1, 1° als 2°, van het koninklijk besluit van 16 januari
- De vaststelling dat de exploitatievoorwaarden niet werden nageleefd volstond te deze, om de erkenning in te trekken. Bijgevolg lijkt de gebeurlijke motivering van de redelijke termijn om tegemoet te komen aan de vastgestelde gebreken niet relevant.
- Uit de nota van de verwerende partij en de door haar neergelegde stukken blijkt dat de inbreuken die in de bestreden beslissing worden opgesomd niet de eerste zijn. De verwerende partij geeft een opsomming van eerder vastgestelde inbreuken en legt de desbetreffende processen-verbaal neer. De bewering dat er geen herhaalde inbreuken zouden zijn mist dan ook feitelijke grondslag. Uit de bestreden beslissing blijkt ook dat de verwerende partij van oordeel is dat de vastgestelde inbreuken een gevaar vormen voor de volksgezondheid: VII-40.617-13/15 “De niet- naleving van de wettelijke temperaturen bevordert de vermeerdering van ziektekiemen, versnelt het bederf van producten en vormt bijgevolg een risico voor de veiligheid van de consument. […] De traceerbaarheid van producten is vereist om operatoren en de bevoegde overheden in staat te stellen snel te handelen indien er verderop in de voedselketen problemen worden vastgesteld met deze producten. […] De verificatie op 7 augustus 2019 toont echter aan dat de mesontsmetter in de snijzaal niet behoorlijk functioneert. De temperatuur bedraagt 72,2°C in plaats van de wettelijk voorgeschreven 82°C. Een correcte werkende mesontsmetting is van essentieel belang om contaminatie tegen te gaan”.
- De inbreuken en tekortkomingen die aanleiding gaven tot de intrekking van de erkenning werden vastgesteld tijdens het controlebezoek van 18 juni
- Voorts blijken zij uit de stukken van het administratief dossier. De verzoekende partij slaagt er niet in aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de verwerende partij niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, de grenzen van de redelijkheid te buiten gaan. Een verder onderzoek van het middel zou de Raad van State verplichten de feitelijke toedracht van de zaak te appreciëren, wat toekomt aan de tot beslissen bevoegde overheid. De Raad van State onderzoekt enkel of de overheid op wettige wijze en in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn. De verzoekende partij maakt, in het primafacieonderzoek dat eigen is aan de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, niet aannemelijk dat de bestreden beslissing steunt op onjuiste motieven noch dat de gevolgtrekkingen die de verwerende partij daaruit afleidt onwettig of onredelijk zijn. De loutere omstandigheid dat de verzoekende partij het niet eens is met de motivering en de strekking van de bestreden beslissing maakt deze niet onwettig. Het tweede middel is niet ernstig. VII-40.617-14/15
- Er is niet voldaan aan de eerste door artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, verschuldigd aan de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig augustus tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.617-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.333 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.