id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.339 Rolnummer: A. 227680/IX-9514 Zaak: Arrest 245339 - Tucht (openbaar ambt) - 02/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-12 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 06:52 Fiche Arrest nr 245.339 van 2 september 2019 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.339 van 2 september 2019 in de zaak A. 227.680/IX-9514 In zake : Joris VAN BAEKEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat R af Sterken kantoor houdend te 3500 Hasselt Kolonel Dusartplein 34 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 maart 2019, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Justitie, waarbij de heer Van Baekel Joris, […], penitentiair bewakingsassistent bij de gevangenis te Turnhout bij tuchtmaatregel een ontslag van ambtswege wordt opgelegd”. II. Verloop van de rechtspleging
- Op 9 mei 2019 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. IX-9514-1/4 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 juni
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Raf Sterken, die verschijnt voor de verzoekende partij en Brecht Vandenberghe, attaché, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- Naar luid van artikel 71, vierde lid, van voormeld besluit van de Regent zal, indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvings- formulier, het ingestelde beroep van de rol worden geschrapt. In het schrijven waarbij aan verzoeker de voor het over- schrijven van de verschuldigde kosten vereiste gegevens werden meegedeeld, heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 71, vierde lid. Verzoeker heeft de betrokken rekening niet gecrediteerd binnen de voormelde termijn van dertig dagen. 4.
- In een brief van 16 mei 2019 en ter terechtzitting voert de raadsman van verzoeker aan dat zijn kantoor in de maanden maart en april 2019 IX-9514-2/4 meermaals te kampen heeft gehad met stroomuitval, aanvankelijk mogelijk ten gevolge van de aanleg van nieuwe leidingen voor nutsvoorzieningen waardoor er regelmatig stroomonderbrekingen waren en later ten gevolge van lekstroom in zijn kantoor. Daardoor is hij “[m]eermaals […] geconfronteerd geweest met briefwisseling waarvoor opdracht werd gegeven om te verzenden maar die uiteindelijk niet [is] terecht gekomen” en daarom is in casu het “één en ander mis […] gegaan bij het overmaken van het verzoek tot betalen van cliënt”. Het verschuldigde rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 20 euro zouden slechts – buiten termijn – door verzoeker op 9 mei 2019 zijn betaald. Volgens de raadsman van verzoeker vormt deze stroomuitval een “uitzonderlijke omstandigheid” waardoor hij zich in casu kan “beroepen op een situatie van overmacht aangezien het niet betalen van het rolrecht voortvloeit uit een gebeurtenis buiten de wil die niet kon worden voorzien, noch vermeden”. 4.
- Verzoeker betwist niet dat het verschuldigde rolrecht en de bijdrage niet tijdig zijn betaald. In zoverre dat de raadsman van verzoeker zich beroept op overmacht, kan in dit verband worden gesteld dat de stroomuitval als feit op zich dan wel een gebeurtenis buiten de wil van verzoekers raadsman is, maar niet de gevolgen ervan. Wetende dat er “regelmatig” stroomonderbrekingen waren, had de raadsman van verzoeker, als een goede huisvader, zijn kantoor op zodanige wijze moeten organiseren dat de werking ervan gevrijwaard bleef. In casu had hij bij het geven van de opdracht om verzoeker uit te nodigen tot het betalen van het verschuldigde rolrecht en de bijdrage, nadien moeten nagaan of laten nagaan dat die opdracht daadwerkelijk was uitgevoerd, zodat bij gebrek hieraan nog tijdig een nieuw verzoek aan verzoeker had kunnen worden gericht. De raadsman van verzoeker toont niet aan dat het onmogelijk was om zijn opdrachten door te geven op een manier die wat nu is voorgevallen kon vermijden. IX-9514-3/4 In casu zijn dan ook geen omstandigheden aanwezig die hebben verhinderd om tijdig gevolg te geven aan het verzoek tot het betalen van het verschuldigde rolrecht en de bijdrage. Uit wat voorafgaat volgt dat het beroep van de rol dient te worden geschrapt. BESLISSING
- Het beroep wordt van de rol geschrapt.
- Het door de verzoekende partij te laat betaalde rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 20 euro worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 2 september 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9514-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.339 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div