id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.344 Rolnummer: A. 227378/XIV-37942 Zaak: Arrest 245344 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 03/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-09 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 22:59 Fiche Arrest nr 245.344 van 3 september 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 245.344 van 3 september 2019 in de zaak A. 227.378/XIV-37.942 In zake : de VZW HET NEUTRAAL SYNDICAAT VOOR ZELFSTANDIGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Helga Van Peer kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 268 A bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christian Bayart kantoor houdende te 2600 Antwerpen Uitbreidingstraat 72/b3 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ivan Ficher kantoor houdend te 1030 Brussel Wijnheuvelenstraat 227 bij wie woonplaats wordt gekozen Verzoekende partijen in tussenkomst:
- de VZW UNIE VAN ZELFSTANDIGEONDERNEMERS (UNIZO), bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Véronique Pertry en Bart Martel kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de ASBL U.C.M. NATIONAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Joassart kantoor houdend te 1000 Brussel Regentlaan 37-40 bij wie woonplaats wordt gekozen XIV-37.942-1/24
- de HOGE RAAD VOOR DE ZELFSTANDIGEN EN DE KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van Eeckhoutte kantoor houdend te 9051 Gent Driekoningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 8 februari 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het “Koninklijk Besluit van 18 november 2018 tot benoeming van de leden van de Nationale Arbeidsraad”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 juni
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaten Christian Bayart en Helga Van Peer, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Pauline De Decker, die loco advocaat Ivan Ficher verschijnt voor de verwerende partij en advocaten Francois-Xavier Gaudissart en Bart Martel, die verschijnen voor de eerste tussenkomende partij, advocaat Catherine Coomans, die loco advocaat Pierre Joassart verschijnt voor de tweede tussenkomende partij en advocaat Hannes Delagrange, loco advocaat XIV-37.942-2/24 Willy Van Eeckhoutte verschijnt voor de derde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen (hierna: de Hoge Raad) is een federale instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid. Haar opdrachten worden omschreven in de wet van 24 april 2014 „betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de kmo‟s‟ (verder: de organieke wet van 24 april 2014). Overeenkomstig artikel 10 van die wet heeft de Hoge Raad een drievoudige opdracht: overleggen, adviseren en vertegenwoordigen. Als overlegorgaan telt de Hoge Raad ongeveer 170 erkende beroeps- en interprofessionele organisaties. 3.
- Eén van de organen waarin de Hoge Raad de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de kmo‟s verzekert, is de Nationale Arbeidsraad (hierna: de NAR). Met toepassing van artikel 2, § 3, van de wet van 29 mei 1952 „tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad‟ (verder: de NAR-wet) dient de Hoge Raad daartoe drie dubbele lijsten van kandidaat-werkende en kandidaat-plaatsvervangende leden aan de Koning voor te dragen. De Koning gaat XIV-37.942-3/24 over tot benoeming van drie van de door de Hoge Raad voorgedragen werkende en plaatsvervangende leden, die de Koning op de voorgedragen dubbele lijsten kiest. 3.
- Het hoogste besluitvormingsorgaan van de Hoge Raad is de algemene vergadering. De algemene vergadering is samengesteld uit zestig werkende en zestig plaatsvervangende leden, waarvan telkens dertig leden van beroepsorganisaties en dertig leden van interprofessionele organisaties (cfr. artikel 15 van het koninklijk besluit van 12 november 2015 „tot uitvoering van de wet van 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de kmo‟s‟ (hierna: het koninklijk besluit van 12 november 2015). Het is dan ook in dit orgaan dat over de voordracht van de dubbele lijsten van kandidaat-werkende en kandidaat-plaatsvervangende leden wordt beslist. 3.
- De Hoge Raad bezorgt de Minister van Werk met een brief van 30 maart 2018 de lijst van kandidaten die zij, volgend op haar vergadering van 27 maart 2018, wenst voor te dragen. Na een verzoek om kandidaten voor te stellen met het oog op de voordracht voor benoeming in de Nationale Arbeidsraad, heeft op 27 maart 2018 binnen de schoot van de algemene vergadering een verkiezing plaats met het oog op die voordracht door de Hoge Raad van kandidaten voor benoeming in de Nationale Arbeidsraad. Acht kandidatenlijsten werden ingediend: 1-4 zijn de voordrachten voor de drie mandaten van werkend lid, 5-8 die voor de drie mandaten van plaatsvervangend lid:
- Cabooter Koen/Gillis Mien (UNIZO)
- Deiteren Caroline/Cloots Lieven (UNIZO)
- Dewevre Matthieu/Deplae Arnaud (UCM)
- Rauws Margot/Delwiche Tom (NSZ)
- Wyverkens Mona/Renard Joris (UNIZO)
- Warlop Louis/Vancompernolle Mia (UNIZO)
- Ramekers Clarisse/Delbrouck Brigitte (UCM) XIV-37.942-4/24
- Ruelens Philippe/Meytap Pala (NSZ) De uitslag van de stemming is als volgt: Effectieve leden Kandidaten Aantal stemmen UNIZO Cabooter Koen/Gillis Mien 39 UCM Dewevre Matthieu/Deplae Arnaud 35 UNIZO Deiteren Caroline/Cloots Lieven 33 NSZ Rauws Margot/Delwiche Tom 13 Plaatsvervangende leden Kandidaten Aantal stemmen UNIZO Wyverkens Mona/Renard Joris 40 UNIZO Warlop Louis/Vancompernolle Mia 37 UCM Ramakers Clarisse/Delbrouck Brigitte 36 NSZ Ruelens Philippe/Meytap Pala 12 De zes kandidatenduo‟s die meer dan de helft van de geldige stemmen behaalden (namelijk 25 of meer van de 49 geldige stembrieven), werden verkozen om aan de Koning te worden voorgedragen als kandidaat voor een mandaat in de Nationale Arbeidsraad. De kandidatenduo‟s van de verzoekende partij kregen onvoldoende stemmen achter zich. 3.
- In de zaak bij de Raad van State gekend onder het rolnummer A. 225.297/XIV-37.729 wordt de voordracht van de kandidaten, waartoe op 27 maart 2018 door de algemene vergadering van de Hoge Raad is beslist, aangevochten met een schorsings- en annulatieberoep. Bij zijn arrest nr. 242.935 van 14 november 2018 heeft de Raad van State de vordering tot schorsing in die zaak verworpen. XIV-37.942-5/24 De annulatieprocedure in die zaak is hangende. 3.
- Bij koninklijk besluit van 18 november 2018 worden de leden van de Nationale Arbeidsraad benoemd. Wat de door de Hoge Raad met zijn beslissing van 27 maart 2018 voorgedragen kandidaten betreft, heeft de Koning Koen Cabooter, Mathieu Dewevre en Caroline Deiteren benoemd tot werkende leden en Mona Wyverkens, Louis Warlop en Clarisse Ramakers tot plaatsvervangende leden. Dit is het bestreden besluit. Het bestreden besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 december
- IV. Tussenkomsten
- Bij nazicht van het dossier is gebleken dat zowel de vzw UNIZO als de ASBL U.C.M. met op 28 februari 2019 ter post aangetekende brieven door de hoofdgriffier worden aangeschreven om in de zaak tussen te komen. Deze brieven worden op 1 maart 2019 voor ontvangst ondertekend door een gemachtigde van de vzw UNIZO respectievelijk een gemachtigde van de ASBL A.M.C.. Met een op 20 maart 2019 ter post aangetekende brief ingediend verzoekschrift vraagt de eerste verzoekende partij tot tussenkomst om in het geding te mogen tussenkomen, wat buiten de termijn van vijftien dagen is zoals bepaald in artikel 9, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ (hierna: het koninklijk besluit van 5 december 1991). XIV-37.942-6/24 Met een op 19 maart 2019 elektronisch ingediend verzoekschrift vraagt de tweede verzoekende partij tot tussenkomst om in het geding te mogen tussenkomen. Daarover ter terechtzitting ondervraagd, kan de eerste verzoekende partij tot tussenkomst noch de tweede verzoekende partij tot tussenkomst enige toelichting verstrekken. De Raad van State stelt ambtshalve de laattijdigheid vast van de verzoeken tot tussenkomst in de schorsingsprocedure van de eerste respectievelijk de tweede verzoekende partij tot tussenkomst.
- Het door de eerste respectievelijk de tweede verzoekende partij tot tussenkomst ingediende verzoek om in de schorsingsprocedure tussen te komen, is niet ontvankelijk.
- Met een op 4 april 2019 ter post aangetekende brief ingediend verzoekschrift vraagt ook de derde verzoekende partij tot tussenkomst om in het geding te mogen tussenkomen. In het auditoraatsverslag heeft de derde verzoekende partij tot tussenkomst kunnen lezen dat haar verzoek tot tussenkomst laattijdig is om de volgende reden. Artikel 9, laatste lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 bepaalt dat “[i]n het geval bedoeld in artikel 7 […] door een persoon die door de hoofdgriffier niet op de hoogte is gebracht, alleen binnen vijftien dagen na de bekendmaking een vordering tot tussenkomst [kan] worden ingesteld”. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 verklaart artikel 3quater van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: de algemene procedureregeling) van overeenkomstige toepassing op de vordering tot schorsing. De vordering tot schorsing is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 maart 2019 zodat het op 4 april 2019 ingediende verzoek tot tussenkomst laattijdig is. XIV-37.942-7/24 De derde verzoekende partij tot tussenkomst heeft ter terechtzitting de laattijdigheid van haar verzoek tot tussenkomst in de schorsingsprocedure erkent en verklaart dat zij wenst tussen te komen in de “nietigverklaring”. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit aldus dat ook het derde verzoekschrift tot tussenkomst laattijdig is. De in het auditoraatsverslag ambtshalve opgeworpen, exceptie is gegrond.
- Het door de derde verzoekende partij ingediende verzoek om in de schorsingsprocedure tussen te komen, is niet ontvankelijk. V. Rechtsmacht van de Raad van State Exceptie
- De verwerende partij roept een exceptie in gesteund op gebrek aan rechtsmacht. Zij stelt dat vooraleer kennis te nemen van een beroep tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratief besluit, de Raad van State zijn rechtsmacht dient te onderzoeken. De verwerende partij betoogt namelijk dat op grond van artikel 2, § 3, van de wet NAR-wet de Koning enkel de leden die de kleine en de middelgrote ondernemingen alsmede de familiebedrijven vertegenwoordigen, mag benoemen die door de Hoge Raad worden voorgedragen. De Koning mag derhalve geen leden benoemen die niet door de Hoge Raad werden voorgedragen. In die zin, aldus de verwerende partij “is de bevoegdheid van de Koning dus gebonden”. Het bestreden besluit is dan ook het gevolg van de uitoefening van een bevoegdheid die “louter gebonden” is. In zoverre de uitoefening van die gebonden bevoegdheid door de verzoekende partij in strijd wordt geacht met een aantal sociale grondrechten, is de bevoegdheid van de Raad XIV-37.942-8/24 van State ter beslechting van dergelijk geschil uitgesloten op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet en is hij dus “zonder rechtsmacht”. Onder het verweer bij het tweede middel betoogt de verwerende partij nog volgt dat de Koning de benoeming van de aan Hem voorgedragen kandidaten slechts mag weigeren indien de kandidaat
(1)niet Belg zou zijn of
(2)zijn burgerlijke en politieke rechten verloren zou hebben (artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 juni 1952 „tot bepaling van de modaliteiten van de voordracht van de leden van de Nationale Arbeidsraad‟). “Buiten die perken is de Koning niet toegelaten om te weigeren de voorgedragen kandidaten te benoemen”. Beoordeling
- Het mag dan al zo zijn dat de Koning geen kandidaten kan benoemen die niet door de Hoge Raad zijn voorgedragen, het valt niet in te zien waarom de Koning de benoeming van de voorgedragen kandidaten niet zou kunnen weigeren en de Hoge Raad vragen tot een nieuwe voordracht van kandidaten over te gaan indien Hij van mening zou zijn dat zich bij de voordracht van 27 maart 2018 een probleem van wettigheid van de voordracht zou hebben gesteld. Het blijkt niet dat die mogelijkheid zou zijn beperkt tot de redenen opgegeven in artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 juni 1952 „tot bepaling van de modaliteiten van de voordracht van de leden van de Nationale Arbeidsraad‟. De verwerende partij maakt in deze fase van het geding niet redelijkerwijze aannemelijk dat te dezen een geschil over een subjectief recht zou voorliggen waarvan de beslechting door of krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet is voorbehouden aan de justitiële rechter of, in de mate het een politiek recht betreft, aan een andere administratieve rechter dan de Raad van State zou zijn toevertrouwd.
- De exceptie wordt niet aangenomen. XIV-37.942-9/24 V. Ontvankelijkheid van het beroep
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Een eerste middel is genomen uit de schending van artikel 2, §§ 2, 3 en 7 van de NAR-wet. De verzoekende partij betoogt dat per effectief mandaat en per plaatsvervangend mandaat met toepassing van artikel 27, § 1, van het koninklijk besluit van 12 november 2015 een afzonderlijke verkiezing diende te worden georganiseerd. Zij verwijst daartoe naar (het door haar niet geschonden geachte) artikel 40, § 3, van het koninklijk besluit van 12 november 2015 dat de voordracht door de Hoge Raad van kandidaten voor externe functies (zoals mandaten in de NAR) regelt en dat verwijst naar het genoemde artikel 27, §
- De verzoekende partij is van oordeel dat “[i]mmers, als een afzonderlijke verkiezing per functie vereist is wanneer het aantal kandidaten overeenstemt [met] het aantal XIV-37.942-10/24 te begeven functies, dan moet die regel a fortiori ook gelden wanneer er meer kandidaten zijn dan te begeven functies”, zo stelt de verzoekende partij. Overigens zou artikel 27, § 1, van het koninklijk besluit van 12 november 2015 nadrukkelijk verwijzen naar de verkiezing van de “kandidaat” (enkelvoud) hetgeen een afzonderlijke verkiezing per functie veronderstelt. Gezien het aantal voor te dragen dubbele kandidatenlijsten, dienden dan ook tenminste zes afzonderlijke stemmingen te worden georganiseerd. Tijdens de vergadering van de algemene vergadering van 27 maart 2018 zijn slechts twee verkiezingen georganiseerd. De interpretatie die de Raad van State aan de geschonden bepalingen geeft in het arrest van 14 november 2018 zou resulteren in een “lacuneuze verkiezingsprocedure” in geval het aantal te begeven functies niet overeenstemt met het aantal kandidaten. De verzoekende verduidelijkt aan de hand van een voorbeeld. Beoordeling
- De aanduiding van kandidaten voor externe functies - dit zijn functies buiten de Hoge Raad zoals het mandaat in de NAR -, wordt geregeld door artikel 40, § 3, van het koninklijk besluit van 12 november 2015 dat luidt: “§
- Indien de beslissing betrekking heeft op de aanwijzing, voordracht of benoeming van personen in andere functies dan deze bedoeld in artikel 24, en er geen consensus inzake de beslissing bestaat, geldt de procedure zoals voorzien in artikel 27, § 1, eerste en tweede lid. Bij staking van stemmen tijdens de tweede ronde is de stem van de voorzitter beslissend. Indien het aantal kandidaten overeenstemt met het aantal te begeven functies, geldt de procedure zoals voorzien in artikel 27, § 2, eerste en tweede lid. Indien het voorstel het in artikel 27, § 2, tweede lid bedoelde minimum niet behaalt of indien er geen consensus is om over één globaal voorstel te stemmen, wordt voor elke functie een afzonderlijke verkiezing georganiseerd overeenkomstig het eerste lid.” Artikel 27, §§ 1 en 2 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt: “Art.
- §
- De kandidaat die minstens de helft plus een van de geldige stemmen, zonder rekening te houden met de blanco stemmen en de onthoudingen, behaalt, is verkozen. Indien de helft plus een van de geldige stemmen een decimaal getal oplevert, wordt het afgerond naar de lagere eenheid die dan aanzien wordt als dit minimum. Indien geen enkele kandidaat het in het eerste lid bedoelde minimum behaalt, volgt een tweede stemronde waarbij de kandidaat met de meeste geldige stemmen, XIV-37.942-11/24 zonder rekening te houden met de blanco stemmen en de onthoudingen, verkozen is. Bij staking van stemmen tijdens de tweede ronde is de oudste van de kandidaten verkozen. §
- Indien het aantal kandidaten overeenstemt met het aantal te begeven functies kan de vergadering bij consensus beslissen om over één globaal voorstel ter invulling van de verschillende te begeven functies te stemmen. Indien dat voorstel het minimum, zoals bepaald in paragraaf 1, eerste lid, behaalt, zijn de verschillende kandidaten verkozen. Indien dat voorstel dat minimum niet behaalt of indien er geen consensus is om over één globaal voorstel te stemmen, wordt voor elke functie een afzonderlijke verkiezing georganiseerd overeenkomstig paragraaf
- §
- De stemming is geheim.” Uit de lezing van de geciteerde bepalingen vloeit op het eerste gezicht voort dat de afwijkende stemprocedure voorzien door artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit van 12 november 2015 vooronderstelt dat het aantal kandidaten overeenstemt met het aantal te begeven functies. Te dezen stemde het aantal kandidaten evenwel niet overeen met het aantal te begeven functies. Voor de voordracht door de verwerende partij van zes dubbele lijsten van kandidaten voor een benoeming tot werkend/plaatsvervangend lid van de NAR, hebben acht duo‟s zich kandidaat gesteld. Aan de eerste toepassingsvoorwaarde voor artikel 40, § 3, tweede lid, iuncto artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit van 12 november 2015 is derhalve niet voldaan. Er is dan ook niet gestemd over één globaal voorstel dat de helft plus één van de geldige stemmen diende te behalen, bij gebrek waarvan in dat specifieke geval een afzonderlijke verkiezing voor elke functie moet worden georganiseerd. De stelling van de verzoekende partij dat de Hoge Raad a fortiori verplicht zou zijn geweest tot de organisatie van een afzonderlijke verkiezing voor elke functie wanneer het aantal kandidaten niet overeenstemt met het aantal te begeven functies, vindt op het eerste gezicht geen steun in de lezing van artikel 40, § 3, tweede lid, iuncto artikel 27, § 1, van het koninklijk besluit van 12 november
- XIV-37.942-12/24 Overigens valt niet goed in te zien waarom de in het voorbeeld van de verzoekende partij aangegeven wijze waarop de verkiezingen te dezen zouden zijn georganiseerd – d.i. verdeling van één enkele stembrief met daarop aangebracht de vier kandidatenlijsten, met instructie om voor (maximaal) drie lijsten “ja” te stemmen -, niet eenzelfde resultaat zou opleveren als een afzonderlijke (op drie verschillende stembrieven) verkiezing voor elke functie. Alle leden van de algemene vergadering van de Hoge Raad hebben immers voor elke functie een stem uitgebracht, met als enige verschil het gebruik van één enkele stembrief.
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending van “artikel 2, §§ 2, 3 en 7 van de NAR-wet, de artikelen 27 en 23, derde lid, 1° van de Grondwet (in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, de artikelen 5 en 6 van het Europees Sociaal Handvest, artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, Verdrag nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie en Verdrag nr. 98 van de Internationale Arbeidsorganisatie), afzonderlijk, en in samenhang gelezen met het gelijkheidsbeginsel zoals onder meer vervat in de beginselen van behoorlijk bestuur en zoals gewaarborgd door artikelen 10 en 11 van de Grondwet (in samenhang met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens).” In essentie stelt de verzoekende partij dat het bestreden besluit de NAR-wet en de vrijheid van vereniging en het recht op collectief onderhandelen waarop zij aanspraak kan maken, al dan niet in samenhang met het gelijkheidsbeginsel, schendt. XIV-37.942-13/24 De verzoekende partij licht toe dat zij zich als werkgeversorganisatie rechtstreeks kan beroepen op de vrijheid van (vak)vereniging en daarmee het afgeleid recht op collectief onderhandelen. De verzoekende partij vervolgt dat het recht op het collectief onderhandelen kan worden voorbehouden aan representatieve organisaties, op voorwaarde dat dergelijke bevoorrechting in het kader van het representativiteitsstelsel wordt bepaald op grond van objectieve criteria die vooraf bepaald en gedetailleerd zijn en aan de hand van een proces dat partijdigheid en misbruik uitsluit en voor gerechtelijke controle vatbaar is. Daarbij moet volgens de verzoekende partij steeds rekening worden gehouden met de relatieve representativiteit van de verschillende organisaties en moet het gelijkheidsbeginsel worden gerespecteerd. De voordracht op grond van een verkiezingsprocedure zou volgens de verzoekende partij “niet onpartijdig zijn” en dit proces kan voor de Koning nooit een rechtsgeldige basis vormen voor de benoeming van de leden van de NAR. “Een loutere verkiezing binnen de Hoge Raad met het oog op de aanduiding van kandidaten die de „meest representatieve‟ organisaties binnen de NAR moeten vertegenwoordigen, kan inderdaad bezwaarlijk als onpartijdig worden beschouwd. Dergelijke verkiezing biedt bovendien ook onvoldoende garantie tegen misbruiken, waarbij een groep van organisaties binnen de Hoge Raad collusie zou plegen om, ten nadele van haar concurrenten, kandidaten voor te dragen zonder daarbij rekening te houden met de vereiste dat deze kandidaten de „meest representatieve‟ organisaties van zelfstandigen en KMO‟s moeten vertegenwoordigen”. De verzoekende partij verzoekt in ondergeschikte orde de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 2, § 3, tweede lid, tweede gedachtestreepje van de Wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad de vrijheid van (vak)vereniging (zoals gewaarborgd door artikel 27 van de Grondwet) en/of het recht op collectief onderhandelen (zoals gewaarborgd door artikel 23, derde lid, 1° van de Grondwet) (in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, artikelen 5 en 6 van het Europees Sociaal Handvest, artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten en Verdragen nrs. 87 en 98 van de Internationale XIV-37.942-14/24 Arbeidsorganisatie), doordat het proces dat voorafgaat aan de aanduiding van de leden in de Nationale Arbeidsraad die de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen vertegenwoordigen, gesteund is op een voordracht van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO, waarbij die voordracht wordt gedaan op basis van een loutere verkiezing door de vertegenwoordigers van met elkaar concurrerende organisaties die vertegenwoordigd zijn binnen diezelfde Hoge Raad en als dusdanig geen garantie op een onpartijdige voordracht verzekert?” De verzoekende partij vervolgt dat de Koning, wanneer meerdere organisaties verzoeken om als “(meest) representatief” te worden erkend, op straffe van schending van het gelijkheidsbeginsel niet mag beslissen om een objectief mindere representatieve organisatie als dusdanig te erkennen ten nadele van een meer representatieve organisatie. De verzoekende partij argumenteert steun voor haar betoog te vinden in artikel 2, § 2, van de NAR-wet luidens welk de “meest representatieve werkgeversorganisaties en de meest representatieve werknemersorganisaties […] onder hen in gelijken getale [worden] vertegenwoordigd” in de Nationale Arbeidsraad. Dit betekent volgens de verzoekende partij opnieuw dat de Koning, wanneer Hij de leden van de NAR benoemt die de zelfstandigen en KMO‟s dienen te vertegenwoordigen, zich ervan moet vergewissen of de kandidaten die de Hoge Raad heeft voorgedragen “effectief door die organisaties zijn voorgedragen die „meest representatief‟ zijn voor de zelfstandigen en de KMO‟s”, door “in het bijzonder” rekening te houden met de relatieve feitelijke representativiteit van de verschillende organisaties. Desgevallend zal de Koning moeten weigeren een benoeming te doen op grond van een voordracht die manifest in strijd is met de regel dat de “meest representatieve werkgeversorganisaties” moeten worden vertegenwoordigd. In ondergeschikte orde verzoekt de verzoekende partij de Raad van State de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden artikel 2, § 2 van de Wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad, artikel 2, § 3, tweede lid, tweede gedachtestreepje van diezelfde Wet en artikel 2, § 7 van diezelfde Wet, zo geïnterpreteerd dat voormelde bepalingen zouden toelaten dat de Koning op voordracht van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen werkende en plaatsvervangende leden in de Nationale Arbeidsraad zou benoemen zonder rekening te houden met de relatieve feitelijke representativiteit van de organisaties die binnen die Hoge Raad vertegenwoordigd zijn, zoals blijkt uit de vaststelling van die relatieve feitelijke representativiteit door de minister bevoegd voor de XIV-37.942-15/24 zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen met het oog van de samenstelling van de interprofessionele afdeling van die Hoge Raad, artikelen 27 en 23, derde lid, 10 van de Grondwet (in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, artikelen 5 en 6 van het Europees Sociaal Handvest, artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, Verdrag nr. 87 van de IA0 en Verdrag nr. 98 van de Internationale Arbeidsorganisatie), afzonderlijk en in samenhang met het gelijkheidsbeginsel (zoals gewaarborgd door, onder meer, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens)?” Overigens is het volgens de verzoekende partij nog maar de vraag of de Koning zich wel überhaupt kan steunen op de voordracht van de Hoge Raad nu de NAR-wet, anders dan voor de werknemersorganisaties en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, geen objectieve en meetbare criteria bevat om de relatieve feitelijke representativiteit van de verschillende werkgeversorganisaties te toetsen, in elk geval wat betreft de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de KMO‟s. Ook in dit verband, verzoekt de verzoekende partij de Raad van State in “uiterst” ondergeschikte orde het Grondwettelijk Hof als volgt prejudicieel te bevragen: “Schendt artikel 2, § 3, tweede lid, tweede gedachtestreepje van de Wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad het gelijkheidsbeginsel (zoals gewaarborgd door, onder meer, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens), doordat in de eerst genoemde bepaling met het oog op de aanduiding van de leden in de NAR die de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen vertegenwoordigen geen representativiteitscriteria op basis van ledenaantal en geografische activiteit zijn opgenomen terwijI in artikel 2, § 4 van diezelfde Wet wel dergelijke representativiteitscriteria zijn opgenomen met het oog op de aanduiding van de leden in de Nationale Arbeidsraad die de werknemersorganisaties vertegenwoordigen?” De verzoekende partij leidt uit wat voorafgaat af dat het bestreden besluit, door haar als tweede meest representatieve werkgeversorganisatie uit te sluiten van vertegenwoordiging in de NAR ten voordele van de derde meest representatieve werkgeversorganisatie U.C.M., de in de aanhef vermelde grondrechten, bepalingen en beginselen schendt. In de mate dat U.C.M. ook als een “meest representatieve” werkgeversorganisatie van XIV-37.942-16/24 zelfstandigen en KMO‟s zou moeten worden beschouwd, was een wettige benoeming mogelijk door aan elk van de in die hypothese “meest representatieve” organisaties (UNIZO, NSZ en U.C.M.) één werkend mandaat en één plaatsvervangend mandaat toe te kennen. Beoordeling
- Artikel 2, §§ 2, 3 en 7, van de NAR-wet bepalen: “§
- De werkende leden worden door de Koning benoemd. De meest representatieve werkgeversorganisaties en de meest representatieve werknemersorganisaties zijn onder hen in gelijken getale vertegenwoordigd. §
- De leden die de meest representatieve werkgeversorganisaties uit de nijverheid, de diensten, de landbouw, de handel, het ambachtswezen en de niet-commerciële sector vertegenwoordigen, worden gekozen op een door die organisaties voorgedragen dubbele lijst van kandidaten, van wie een bepaald aantal de kleine en de middelgrote ondernemingen alsmede de familiebedrijven vertegenwoordigen. De dertien mandaten voor de meest representatieve werkgeversorganisaties worden als volgt verdeeld : - acht mandaten voor de meest representatieve werkgeversorganisatie die voor het gehele land is opgericht en die de werkgevers uit de absolute meerderheid der sectoren uit de nijverheid, de handel en de diensten vertegenwoordigt voor zover tevens de meerderheid van de werkgevers vertegenwoordigd is. - drie mandaten op voordracht van de Hoge Raad voor de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen; - één mandaat voor de meest representatieve werkgeversorganisaties die de werkgevers uit de landbouw vertegenwoordigen; - één mandaat voor de meest representatieve werkgeversorganisatie die voor het gehele land is opgericht en die de werkgevers uit de niet-commerciële sector vertegenwoordigt. […] §
- De Koning benoemt evenveel plaatsvervangende leden als de Raad werkende leden telt. Voordracht en benoeming geschieden voor hen op dezelfde wijze als voor de werkende leden.” In de memorie van toelichting (Parl. St. Kamer, 2009-2010, nr. 52-2299/001) bij het ontwerp van wet dat de wet van 30 december 2009 „houdende diverse bepalingen‟ is geworden en waarbij artikel 2 van de NAR-wet is vervangen, valt het volgende te lezen: “In tegenstelling tot de opmerking van de Raad van State bevat de wet niet alleen criteria voor de meest representatieve werknemersorganisaties (zie § 4), maar ook voor de meest representatieve werkgeversorganisaties. Wat de sectoren van de nijverheid, de handel en de diensten betreft, is vereist dat XIV-37.942-17/24 de organisaties voor het gehele land zijn opgericht, de 3 betrokken sectoren vertegenwoordigen en hierbinnen de grote meerderheid vertegenwoordigen. Wat de kleine en middelgrote ondernemingen betreft, worden criteria opgelegd door de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979 en het koninklijk besluit tot regeling van de toepassing van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand.” Die wetten betreffende de organisatie van de Middenstand en het daaraan verbonden koninklijk besluit zijn opgeheven en vervangen door de organieke wet van 24 april 2014 en het reeds eerder vermelde koninklijk besluit van 12 november
- Niet in de NAR-wet zelf maar in de organieke wet van 24 april 2014 en het daaraan verbonden koninklijk besluit van 12 november 2015 zijn criteria opgenomen die bepalen wanneer beroepsorganisaties en interprofessionele organisaties erkend kunnen worden. Met betrekking tot de interprofessionele organisaties, zoals de verzoekende partij, zijn die criteria opgenomen in artikel 4, 7° (dit zijn de door de Koning bepaalde “criteria inzake de representativiteit”), van de organieke wet van 24 april 2014, gelezen in samenhang met artikel 2 van het koninklijk (uitvoerings)besluit van 12 november
- Deze criteria lijken objectief en op voorhand bepaald. Artikel 9 van de organieke wet van 24 april 2014 bepaalt voorts dat “door de erkenning toegekend in het kader van deze wet […, ] de organisatie het statuut van erkende organisatie [verkrijgt] wat een waarborg van haar representativiteit inhoudt”. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat de organieke wet van 24 april 2014 is geworden (Parl. St. Kamer, 2013-2014, nr. 53-3323/001), kan worden gelezen: “Door de erkenning van de representatieve beroeps- en interprofessionele organisaties weten de beleidsverantwoordelijken met welke gesprekspartners zij daartoe best in overleg treden. Momenteel zijn er zo ongeveer 170 organisaties erkend. De Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen groepeert in zijn midden al die erkende beroeps- en interprofessionele organisaties en kan daarom naar de beleidsverantwoordelijken toe als spreekbuis optreden voor alle zelfstandigen en kmo‟s”. XIV-37.942-18/24 Artikel 15 van de organieke wet van 24 april 2014 bevestigt dat de leden van de Hoge Raad vertegenwoordigers zijn van de erkende organisaties. Uit het aangehaalde artikel 9 van dezelfde wet volgt derhalve dat de Hoge Raad is samengesteld uit representatieve organisaties. Diezelfde organieke wet lijkt geen verder onderscheid te maken tussen haar leden, in die zin dat de ene in de Hoge Raad vertegenwoordigde (en dus erkende en representatieve) organisatie minder of meer representatief zou zijn dan de andere. Wel integendeel, lijkt de wetgever met de organieke wet van 24 april 2014 een eigen mechanisme te hebben ontwikkeld dat precies moet toelaten, rekening houdende met de specificiteit van die sector (cfr. infra punten 17 en 19), aan het vereiste van de “meest representatieve werkgeversorganisaties” overeenkomstig artikel 2, § 3, van de NAR-wet, invulling te geven, namelijk een verkiezing waaraan alle (erkende en derhalve representatieve) leden van de Hoge Raad kunnen deelnemen met het oog op de vertegenwoordiging in de NAR. Zo bepaalt artikel 26 van de organieke wet van 24 april 2014: “§
- Indien de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de kmo‟s in andere federale organen wordt vastgelegd, worden deze vertegenwoordigers door de Hoge Raad voorgedragen wanneer er geen specifieke bepalingen inzake die aanwijzing of voordracht bij wet of koninklijk besluit genomen zijn. §
- De Hoge Raad maakt een dubbele lijst op van de kandidaten onder wie de gewone en plaatsvervangende leden worden aangewezen die tot taak hebben in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven alsmede in de Nationale Arbeidsraad de activiteitssectoren te vertegenwoordigen welke in zijn midden en bij die raden zijn vertegenwoordigd.” Artikel 27 van het koninklijk besluit van 12 november 2015 bepaalt de verkiezingsprocedure: “De kandidaat die minstens de helft plus een van de geldige stemmen, zonder rekening te houden met de blanco stemmen en de onthoudingen, behaalt, is verkozen.[…]”
- Het standpunt van de verzoekende partij lijkt er in wezen op neer te komen dat dit door de regelgever uitgewerkte mechanisme als zodanig niet zou kunnen waarborgen dat de meest representatieve werkgeversorganisaties XIV-37.942-19/24 worden voorgedragen als toekomstig leden van de NAR. De relatieve representativiteit van de kandiderende werkgeversorganisaties volgens ledenaantal en geografische activiteit is volgens haar determinerend. De verzoekende partij formuleert in dat verband in het kader van de voorliggende schorsingsprocedure drie prejudiciële vragen. Overeenkomstig artikel 26, § 3, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is de Raad van State niet verplicht om in schorsingszaken een prejudiciële vraag te stellen, tenzij er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de wet met de grondwettelijke bepalingen waarop het Grondwettelijk Hof toezicht uitoefent. Het komt de verzoekende partij toe argumenten aan te brengen die de Raad van State ernstig kunnen doen twijfelen aan de grondwettigheid van de wettelijke bepaling die zij in de zaak betrekt. De verzoekende partijen brengen geen dergelijke gegevens aan die de Raad van State tot die ernstige twijfel brengen . De sociale grondrechten waarop de verzoekende partij zich beroept, impliceren weliswaar dat zij niet mag worden uitgesloten van de mogelijkheid kandidaten voor te stellen met het oog op lidmaatschap van externe organen en van de stemming, maar lijken niet ook te waarborgen dat de door haar voorgedragen kandidaten ook effectief moeten worden voorgedragen door de Hoge Raad. Voorts lijken de partijen het er over eens dat er niet één enkel representativiteitsstelsel toelaatbaar zou zijn onder de internationale rechtsregels. De wetgever beschikt dus over een zekere appreciatiemarge om de vrijheid van vakvereniging te waarborgen. De aanduiding van de “meest representatieve” werkgeversorganisatie voor het segment van de zelfstandigen en KMO‟s waarbij de feitelijke representativiteit slechts een schakel is in het proces, lijkt dan ook niet onmogelijk. In het licht van het aangehaalde artikel 26 van de organieke wet van 24 april 2014 bedenkt de Raad van State dat onder relatieve representativiteit meer moeten worden verstaan dan een loutere rekenkundige spreiding naar ledenaantallen en geografisch spreiding maar ook moet worden gekeken naar het relatieve belang van de activiteitssectoren in functie van hun werkgelegenheid. XIV-37.942-20/24 Te dezen heeft de wetgever gekozen voor een getrapt systeem waarbij in een eerste laag beroepsorganisaties en interprofessionele organisaties die in deze sector bijzonder talrijk zijn, worden getoetst op objectieve representativiteitscriteria om erkend te worden (en vertegenwoordigd te zijn in de Hoge Raad), om, vervolgens, in een tweede laag alle aldus erkende organisaties toe te laten deel te nemen - te dezen om te zetelen in de NAR - aan een verkiezing van “meest representatieve werkgeversorganisaties”. Noch de NAR-wet, noch de organieke wet van 24 april 2014 bevatten in deze tweede fase verdere vaste criteria, behoudens een democratische verkiezing, om de “meest representatieve werkgeversorganisaties” te bepalen. Het valt niet prima facie in te zien waarom binnen het bijzonder segment van de zelfstandigen en kmo‟s en de veelheid van werkgeversorganisaties daarbinnen (meer dan 170), deze combinatie van, enerzijds, objectief verifieerbare representativiteitscriteria om te leiden tot erkenning en vertegenwoordiging in de Hoge Raad en, anderzijds, de verkiezing van de meest geschikte leden van de Hoge Raad met het oog op vertegenwoordiging (in externe functies zoals) in de NAR ten gevolge van een democratische stemming, de toets van de sociale grondrechten niet zou kunnen doorstaan. Zoals de (representativiteits)criteria met oog op erkenning is ook de verkiezing en het verkiezingsproces vooraf bepaald, objectief en vatbaar door toetsing in rechte. De door de verzoekende partij uitgesproken - vooralsnog overigens louter hypothetische - vrees voor collusie van een groep van organisaties binnen de Hoge Raad waarvan geen enkel concreet bewijs wordt aangebracht, kan de Raad van State er in deze fase van de procedure niet toe brengen om de grondwettigheid van artikel 2, § 3, van de NAR-wet ernstig in twijfel te trekken.
- In aansluiting bij het voorgaande kan de verzoekende partij niet ernstig doen twijfelen aan de grondwettigheid van dezelfde bepaling van artikel 2, § 3, van de NAR-wet in zoverre deze de Koning toelaat de leden van de NAR te benoemen op voordracht van de Hoge Raad na het doorlopen van het getrapt systeem en zonder daarbij te mogen terugkeren naar de eerste laag van dat getrapt systeem, namelijk de (bewezen) relatieve feitelijke representativiteit van de XIV-37.942-21/24 organisaties die namelijk bepalend is voor de samenstelling van de interprofessionele afdeling van die Hoge Raad zelf. In overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel heeft de verzoekende partij voorts op gelijke wijze als de andere leden van de Hoge Raad kunnen deelnemen aan de verkiezingen. Het gegeven dat de verkiezingen een voor de verzoekende partij nadelig resultaat hebben opgeleverd, is niet van aard alsnog de grondwettigheid van artikel 2, § 3 van de NAR-wet ernstig in twijfel te trekken.
- De verzoekende partij ontwaart tot slot een verschil in behandeling tussen de werkgeversorganisaties en de werknemersorganisaties, wat betreft het aanduiden van de “meest representatieve” organisatie. Enkel voor de laatste groep van organisaties, zijnde de werknemersorganisaties, zou de NAR-wet representativiteitscriteria op basis van ledenaantal en geografische activiteit opnemen. In de memorie van toelichting (Parl. St. Kamer, 2009-2010, nr. 52-2299/001) bij het ontwerp van wet dat de wet van 30 december 2009 „houdende diverse bepalingen‟ is geworden en waarbij artikel 2 van de NAR-wet is vervangen, valt daarover het volgende te lezen: “In tegenstelling tot de opmerking van de Raad van State bevat de wet niet alleen criteria voor de meest representatieve werknemersorganisaties (zie § 4), maar ook voor de meest representatieve werkgeversorganisaties. Wat de sectoren van de nijverheid, de handel en de diensten betreft, is vereist dat de organisaties voor het gehele land zijn opgericht, de 3 betrokken sectoren vertegenwoordigen en hierbinnen de grote meerderheid vertegenwoordigen. Wat de kleine en middelgrote ondernemingen betreft, worden criteria opgelegd door de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979 en het koninklijk besluit tot regeling van de toepassing van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand. Wat de sector van de landbouw betreft wordt, gezien de relatieve belangrijkheid van deze sector t.o.v. de andere sectoren, het stelsel van de discretionaire bevoegdheid van de Koning om tussen de meest representatieve organisaties een mandaat van werkend en plaatsvervangend lid te verdelen, behouden. Wat de niet-commerciële sector betreft, wordt vooreerst al vereist dat de organisatie voor het gehele land is opgericht. Vervolgens kan gewezen worden op de grote heterogeniteit van subsectoren binnen deze sector zodat het niet evident is om een gesprekspartner te kiezen. Uit wetenschappelijk onderzoek (Koning Boudewijnstichting, „De non-profitsector in België – socio-economisch overzicht‟ (Synthese van het onderzoek gerealiseerd in het kader van het interuniversitair project over de non-profitsector in België), Brussel, 2001) blijkt dat de werkgevers uit de niet-commerciële sector federaal en interprofessioneel zijn gestructureerd waardoor de Koning, op basis van zijn XIV-37.942-22/24 discretionaire bevoegdheid, met één mandaat van werkend en plaatsvervangend lid een vertegenwoordiger van de meest representatieve werkgeversorganisaties kan aanduiden.” Zoals de verzoekende partij onder haar tweede prejudiciële vraag erkent, is de relatieve feitelijke representativiteit langs werkgeverszijde van de organisaties overeenkomstig artikel 4, 7°, van de organieke wet van 24 april 2014, iuncto artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 november 2015 determinerend voor de samenstelling van de interprofessionele afdeling van die Hoge Raad en aldus betrokken in de eerste laag van het getrapt systeem met het oog op aanduiding van de “meest representatieve” werkgeversorganisaties. De derde prejudiciële vraag die het betrekken van de feitelijke representativiteit in het aanduidingsproces van de “meest representatieve” organisatie enkel relateert aan de werknemersorganisaties, gaat uit van een onjuiste premisse. In conclusie en nog daargelaten de vraag welke waarde moet worden gehecht aan de ledenaantallen en geografische activiteit naar representativiteit toe van de verzoekende partij, volgt uit de voorgaanden op het eerste gezicht dat het bestreden besluit, dat steunt op de voordracht van de Hoge Raad die zelf het resultaat is van een verkiezing waaraan alle erkende organisaties die de Hoge Raad in zijn midden heeft, hebben kunnen deelnemen, en waarbij die kandidaten worden gekozen die het meest geschikt worden geacht om de activiteitssectoren in de schoot van de Hoge Raad in de NAR te vertegenwoordigen, niet onverenigbaar is met de in de aanhef van dit tweede middel genoemde rechtsbepalingen en -beginselen.
- Het tweede middel is dan ook niet ernstig.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XIV-37.942-23/24 VIII. Kosten
- Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
- De verzoeken van de eerste, de tweede en de derde verzoekende partij tot tussenkomst in het administratief kort geding worden afgewezen.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten in het administratief kort geding, begroot op 450 euro, elk voor een derde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie september tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Kaat Leus XIV-37.942-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.344 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.370 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div