← België

Arrest 245347 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 04/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.347 Rolnummer: A. 226892/IX-9470 Zaak: Arrest 245347 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 04/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-06 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-06-28 11:02 Fiche Arrest nr 245.347 van 4 september 2019 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.347 van 4 september 2019 in de zaak A. 226.892/IX-9470 In zake: het INSTITUUT VOOR DE GELIJKHEID VAN VROUWEN EN MANNEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evelyne Maes kantoor houdend te 3000 Leuven Nobelstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 27 januari 2019, strekt tot de schor- sing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 10 oktober 2018 waarbij Rudy Van De Voorde wordt aangewezen als titularis van de manage- mentfunctie „directeur-generaal van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrich- tingen‟ en van de impliciete beslissing om Mathilde Steenbergen niet aan te wijzen als titularis van diezelfde managementfunctie. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9470-1/14 Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evelyne Maes, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. In het voorjaar van 2018 schrijft de verwerende partij een va- cature uit voor de managementfunctie van directeur-generaal Penitentiaire Inrich- tingen. 3.
  6. Na de eerste drie selectiefases acht Selor drie kandidaten ge- schikt voor de functie, namelijk A.D. van de Franstalige taalrol en Mathilde Steenbergen en Rudy Van De Voorde, beide van de Nederlandstalige taalrol. 3.
  7. Bij koninklijk besluit van 10 oktober 2018 wordt Rudy Van De Voorde aangewezen als houder van een managementfunctie N-1 „direc- teur-generaal van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen‟, voor een IX-9470-2/14 periode van zes jaar, in de Federale Overheidsdienst Justitie, bezoldigd volgens de klasse
  8. 3.
  9. Op 6 december 2018 dienen de verzoekende partij en Mathilde Steenbergen een beroep tot nietigverklaring in tegen het koninklijk besluit van 10 oktober 2018 waarbij Rudy Van De Voorde wordt aangewezen als houder van een managementfunctie N-1 „directeur-generaal van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen‟ en tegen de impliciete beslissing om Mathilde Steenbergen niet aan te wijzen als titularis van die managementfunctie. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  10. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver- werende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
  11. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. IX-9470-3/14 VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting
  12. De verzoekende partij motiveert de spoedeisendheid van haar vordering als volgt: “
  13. […] De bestreden besluiten leiden thans reeds tot onherroepelijke schadelijke gevolgen (1.1.). Indien Uw Raad van State niet zou aanvaarden dat er reeds onherroepelijke schadelijke gevolgen zouden bestaan, moet de vordering tot schorsing ontvankelijk en gegrond worden verklaard omdat het recht van de Europese Unie verbiedt dat de voorwaarde van spoedei- sendheid zodanig streng wordt geïnterpreteerd dat moet worden aange- toond dat er onherroepelijke schadelijke gevolgen zijn. In dat geval is er immers geen doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie, nochtans vereist door het recht van de Europese Unie (1.2.). 1.1 De bestreden beslissingen hebben op dit moment reeds onherroepelijk schadelijke gevolgen
  14. De spoedeisendheid wordt vastgesteld wanneer de verzoeker het re- sultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepe- lijke schadelijke gevolgen. Hieronder wordt uiteengezet dat er klaarblijkelijk spoedeisendheid is, omdat - een maatregel van positieve actie uit zichzelf onmiddellijke uitvoering vereist, zodat de schending van deze maatregel zo snel als mogelijk moet worden gesanctioneerd; - de bestreden besluiten thans reeds tot onherroepelijke schadelijke ge- volgen leiden. (1.1.1) Een maatregel van positieve actie vereist onmiddellijke uitvoering
  15. Artikel 53 van het KB Statuut Rijkspersoneel is een maatregel van po- sitieve actie, ter uitvoering van artikel 16 van de Genderwet. Een maatregel van positieve actie is een specifieke maatregel om de nadelen verband houdende met het geslacht te voorkomen of te compenseren, met het oog op het waarborgen van een volledige gelijkheid in de praktijk. Een maat- regel van positieve actie kan slechts onder strenge voorwaarden worden genomen en uitgevoerd (artikel 16, § 2 Genderwet): - er moet een kennelijke ongelijkheid zijn; - het verdwijnen van deze ongelijkheid moet worden aangewezen als een te bevorderen doelstelling; - de maatregel van positieve actie moet van tijdelijke aard zijn en van die aard zijn dat hij verdwijnt zodra de beoogde doelstelling is bereikt; - de maatregel van positieve actie mag andermans rechten niet onnodig beperken. IX-9470-4/14 Een maatregel van positieve actie laat een ongelijke behandeling op grond van geslacht toe, juist om een reële gelijkheid te bereiken. Omdat derge- lijke maatregelen afwijken van de formalistische gelijke behandeling van vrouwen en mannen moeten deze maatregelen van tijdelijke aard zijn. De maatregel moet ophouden te bestaan zodra zijn doelstelling, een even- wichtigere vertegenwoordiging van vrouwen en mannen, wordt bereikt. Het is dus belangrijk dat deze maatregel zijn doelstelling op een zo kort mogelijke termijn bereikt. De bestreden beslissingen schenden de maatregel van positieve actie in artikel 53 KB Statuut Rijkspersoneel. Zolang een schending van een maatregel van positieve actie niet wordt gesanctioneerd, wordt het ver- wezenlijken van de doelstelling van de maatregel van positieve actie uit- gesteld, waardoor de maatregel van positieve actie langer zal gelden. Hierdoor wordt het tijdelijke karakter van de maatregel gefnuikt. Dit is nefast voor het sociaal kapitaal rond het denken over gelijke behandeling. Een snelle sanctionering van de schending ervan is dan ook noodzakelijk.
  16. De overheid, onderworpen aan artikel 53 Statuut Rijkspersoneel, kan de maatregel van positieve actie bij uitstel van sanctioneren verder negeren, tot Uw Raad van State uitspraak op het beroep tot nietigverklaring doet. Het arrest over de nietigverklaring wordt doorgaans twee à drie jaar na het indienen van het beroep tot nietigverklaring uitgesproken, in sommige gevallen duurt het langer. Dat stelt, zoals hierboven uiteengezet, niet alleen de verwezenlijking van de gelijkheid in de praktijk uit. De overheid geeft ook een verkeerd signaal naar andere ondernemingen in de private en pu- blieke sector en diens personeelsleden. De overheid toont dat maatregelen van positieve actie met de voeten kunnen worden getreden. De overheid geeft daarmee het signaal dat nog wel even kan worden gewacht op het bereiken van gelijkheid van vrouwen en mannen. De invloed van dit slechte voorbeeld op andere topfuncties in de samenleving valt dan ook niet te onderschatten. (1.1.2) Er zijn onherroepelijke schadelijke gevolgen in hoofde van de verzoekende partij, de Belgische Staat en de samenleving
  17. De bestreden beslissingen veroorzaken onherroepelijk schadelijke gevolgen, omdat de gelijkheid van vrouwen en mannen niet wordt ge- waarborgd en de ongelijkheid van vrouwen en mannen wordt bestendigd. Deze ongelijkheid van vrouwen en mannen wordt bovendien nog vergroot door het ontslag van het enige vrouwelijke lid in het Directiecomité van de FOD Justitie, de Directeur van de Stafdienst Personeel en Organisatie voor de FOD Justitie. Vanaf 1 februari 2019 zetelt geen enkele vrouw meer in het Directiecomité van de FOD Justitie. De spoedeisendheid kan dan ook niet worden betwist. Doordat geen enkele vrouw of – bij aanwerving van een vrouw als Direc- teur van de Stafdienst Personeel en Organisatie voor de FOD Justitie – hooguit één vrouw in het Directiecomité van de FOD Justitie zal zetelen tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen, bevinden de verzoe- kende partij, de samenleving en de Belgische Staat zelf zich in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen. IX-9470-5/14
  18. De verzoekende partij is bevoegd om, ter behartiging van de belangen van de samenleving, de vordering tot schorsing in te dienen. Het Instituut heeft immers als taak toe te zien op de naleving van de gelijkheid van vrouwen en mannen en elke vorm van discriminatie en ongelijkheid op basis van geslacht te bestrijden. De verzoekende partij en de samenleving bevinden zich in een toestand met onherroepelijk schadelijke gevolgen, waardoor de verzoekende partij genoodzaakt is de vordering tot schorsing in te instellen.
  19. De samenleving ondervindt onherroepelijk schadelijke gevolgen door de bestreden beslissingen, omdat de gelijkheid van vrouwen en mannen niet wordt verwezenlijkt en dit ten nadele van alle leden van de samenle- ving. Het Grondwettelijk Hof heeft erkend dat de gelijkheid van vrouwen en mannen een fundamentele waarde van de samenleving is, waarvan de verwezenlijking ten goede komt aan alle leden van de samenleving. De gelijkheid van vrouwen en mannen is op dit moment nog niet verwe- zenlijkt in de Belgische samenleving, a fortiori niet op het gebied van werk. Vrouwen hebben in de Belgische samenleving geen gelijkwaardige positie als mannen. Het European Institute for Gender Equality meet de gender- gelijkheid in de Europese lidstaten. Voor België stelt het European Institute het volgende vast: „Gender equality has progressed in the domains of work and knowledge, at a slightly faster pace than in the EU-
  20. However, Belgium could improve the participation of women and men in the labour market to boost this sub-domain‟s current spot in the rankings (24th).‟ Vrije vertaling „De gendergelijkheid is vooruitgegaan op het gebied van werk en kennis, in een iets sneller tempo dan in de EU-
  21. België zou echter de participatie van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt kunnen verbeteren om de huidige plek van dit subdomein in de ranglijst te versterken (24ste).‟ België staat aldus slechts op de 24ste plaats voor gendergelijkheid op het gebied van werk. Er is geen gelijkheid van vrouwen en mannen in de topfuncties van de fe- derale overheid. In 2008 waren er slechts 16,2% vrouwen in de topfuncties (mandaatfuncties N, N- 1 en N-2) van de federale overheid. In 2012 waren het er nog minder: 10,8%. Slechts sinds 2015 stijgt het percentage opnieuw de 16,2% van 2008 uit. De bestreden beslissingen bestendigen de ongelijkheid van vrouwen en mannen in het Directiecomité van de FOD Justitie en in de federale over- heid. Hierdoor ontstaan er onherroepelijk schadelijke gevolgen voor de samenleving.
  22. Het is immers uiterst belangrijk dat vrouwen topfuncties bekleden. Ondervertegenwoordiging van vrouwen in overheidsfuncties en beleids- posities heeft tot gevolg dat er geen vertegenwoordiging van de vrouwe- lijke bevolkingsgroep (die toch zo‟n 50% van de bevolking uitmaakt) op dat niveau is. Dat heeft verscheidene onherroepelijke schadelijke gevolgen: - Het is schadelijk voor de samenleving als geheel omwille van het niet naleven van het principe van gendergelijkheid. IX-9470-6/14 - De FOD Justitie voert, als belangrijke overheidsdienst, een beleid met een invloed op de gehele bevolking. Vrouwen zullen vanaf 1 februari 2019 niet langer vertegenwoordigd zijn in het Directiecomité van de FOD Justitie. Indien de wetgeving die net wil stimuleren dat vrouwen wel op voldoende wijze in het Directiecomité vertegenwoordigd zijn, niet wordt nageleefd, kan (kunnen) geen enkele of onvoldoende vrouwelijke stem(men) mee sturing geven aan dit beleid. - De overheid is een werkgever met een aanzienlijk personeelsbestand: geen of ondervertegenwoordiging van vrouwen op het directieniveau en in het directiecomité betekent dat de vrouwelijke personeelsleden geen ver- tegenwoordiging of stem in dat orgaan hebben. - De overheid geeft het verkeerde signaal naar andere ondernemingen in de private en publieke sector en diens personeelsleden dat nog wel even kan worden gewacht op het bereiken van gelijkheid van vrouwen en mannen. Indien de schending van maatregelen die de gelijkheid van vrouwen en mannen willen bevorderen, niet onmiddellijk wordt gesanctioneerd, is dit dan ook zeer schadelijk voor de vertegenwoordiging van vrouwen in top- functies van de overheid, maar ook voor de topfuncties in het privéleven. In randnummer 18 is reeds uiteengezet welk slecht signaal de Belgische Staat aan de ondernemingen stuurt. Dit slechte signaal is een onherroepelijk schadelijk gevolg in hoofde van de verzoekende partij.
  23. De Belgische Staat ondervindt ook zelf onherroepelijke schadelijke gevolgen door de bestreden beslissingen. Het is immers wetenschappelijk aangetoond dat er een positief verband bestaat tussen de aanwezigheid van vrouwen in topfuncties en de bedrijfsprestaties van ondernemingen. De prestaties van een organisatie – het weze een bedrijf, het weze de overheid – worden versterkt door negen leiderschapsgedragingen. Vrouwen beoe- fenen vijf van deze negen gedragingen vaker dan mannen en dragen op die manier meer bij tot sterkere organisatieprestaties. Zo luidt het in deze stu- dies: „Organizational performance is reinforced by nine leadership behaviors. Women apply five of these nine leadership behaviors more frequently then men… and thus contribute to stronger organizational performance.‟ Het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen is één van de meest uitdagende overheidsdepartementen. De Belgische Staat heeft dringend nood aan een Directeur-generaal die met goede managementexpertise het huidige conflictmodel binnen dit departement kan omvormen tot een con- sensusmodel waar iedereen voor dezelfde visie staat. Vrouwen zijn daartoe bij uitstek geschikt. Selor stelde vast dat mevrouw Steenbergen een goede kennis en praktisch inzicht heeft in managementtechnieken en change- management (stuk 8). Selor stelde echter vast dat de heer Van De Voorde minder kennis en begrip van managementtechnieken had (stuk 9). Selor heeft aldus ten aanzien van mevrouw Steenbergen in concreto vastgesteld wat reeds in theorie geldt: de managementtechnieken van vrouwen leiden tot betere bedrijfsresultaten. Gelet op de noden van het Directo- raat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen kan de Belgische Staat het zich dan ook geen dag langer veroorloven dat het Directoraat-generaal niet IX-9470-7/14 wordt geleid door de persoon van wie Selor de managementexpertise het hoogst inschatte: Mathilde Steenbergen.
  24. Besluit. De niet-benoeming van mevrouw Steenbergen heeft dan ook onherroepelijke schadelijke gevolgen voor de samenleving, voor de FOD Justitie en de Belgische Staat. 1.
  25. De ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing is noodzakelijk opdat er een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie zou be- staan
  26. Het recht van de Europese Unie verbiedt dat de voorwaarde van spoedeisendheid zodanig streng wordt geïnterpreteerd dat het bestaan van onherroepelijke schadelijke gevolgen moet worden aangetoond, omdat in voorkomend geval er geen doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie bestaat.
  27. Het recht van de Europese Unie staat uitdrukkelijk toe dat een maat- regel van positieve actie wordt genomen om de volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de praktijk te waarborgen. Zo luidt het in arti- kel 157, § 4 VWEU als volgt: „Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om vol- ledige gelijkheid van mannen en vrouwen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.‟ Krachtens artikel 3 van de Richtlijn 2006/54/EG van 5 juli 2006 van het Europees Parlement en de Raad „betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ar- beid en beroep‟ (hierna „Richtlijn 2006/54/EG‟ genoemd) wordt deze mogelijkheid herbevestigd en wordt benadrukt dat een maatregel van po- sitieve actie noodzakelijk kan zijn om de volledige gelijkheid tussen vrouwen en mannen te waarborgen. Indien een lidstaat vervolgens een maatregel van positieve actie neemt, valt deze maatregel onder het toepassingsgebied van het recht van de Europese Unie. Wie deze maatregel van positieve actie niet naleeft, stelt zich dan ook bloot aan de sancties die door de lidstaten zijn bepaald, in overeenstem- ming met de Richtlijn 2006/54/EG. In artikel 18 van de Richtlijn 2006/54/EG wordt bepaald dat de lidstaten „in hun interne rechtsorde de nodige maatregelen op[nemen] om te zorgen voor reële en effectieve compensatie of reparatie (…) op een wijze die afschrikkend is en evenredig aan de geleden schade‟. Krachtens artikel 25 van de Richtlijn 2006/54/EG moeten de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast.
  28. De reparatie voor de schending van artikel 53 van het KB statuut rijkspersoneel die voldoende afschrikkend en doeltreffend is in de zin van artikel 18 van de Richtlijn 2006/54/EG bestaat erin dat de tenuitvoerleg- ging van de bestreden beslissingen moet kunnen worden geschorst alvorens de bestreden beslissingen worden vernietigd. Artikel 53 van het KB statuut rijkspersoneel is immers erop gericht om de reële gelijkheid van vrouwen IX-9470-8/14 en mannen te bevorderen. De niet-naleving van zo'n maatregel moet op voldoende afschrikkende en doeltreffende wijze worden gesanctioneerd. Zo niet, zal de reële gelijkheid van vrouwen en mannen nog lang niet worden verwezenlijkt, wat strijdig is met de doelstelling van de regelgever. De loutere vernietiging van de bestreden beslissingen is geen afschrik- kende en doeltreffende sanctie in de zin van artikel 18 van de Richtlijn 2006/54/EG. Zij is onvoldoende afschrikkend en doeltreffend, omdat reeds een aanzienlijk deel van de mandaatfunctie zal zijn uitgeoefend op het moment dat de Raad van State over de nietigverklaring uitspraak doet. De mandaatfunctie bedraagt zes jaar, een vernietigingsprocedure bij de Raad van State duurt gemiddeld twee à drie jaar, maar soms ook (veel) langer, en de partijen hebben hierop geen invloed. De helft of reeds meer dan de helft van de mandaatfunctie zal reeds zijn vervuld, op het moment dat de Raad van State uitspraak doet. De uitspraak is op dat moment niet meer vol- doende doeltreffend, afschrikkend en evenredig in de zin van artikelen 18 en 25 van de Richtlijn 2006/54/EG. De impact van de mogelijke sanctie (nietigverklaring) is op dat moment nog dermate klein, dat kan worden gesteld dat de sanctie niet wordt toegepast. Dit zou in strijd zijn met arti- kel 25 van de Richtlijn 2006/54/EG.
  29. Indien Uw Raad van State van oordeel is dat de vordering tot schorsing onontvankelijk en ongegrond is en het arrest op het beroep tot nietigver- klaring moet worden afgewacht, is er duidelijk sprake van een niet-richtlijn conforme interpretatie, die niet strookt met de hoger beschreven verplich- ting van de lidstaten om te voorzien in een vorm van reële reparatie, die voldoende doeltreffend, evenredig of afschrikkend is. Een (str)enge interpretatie van de vereiste van spoedeisendheid door Uw Raad van State waardoor deze vordering tot schorsing zou worden ver- worpen, schendt dan ook artikel 18 van de Richtlijn 2006/54/EG. Dit geldt des te meer daar de wetgever uitdrukkelijk ervoor heeft gekozen om geen spoedeisendheid te vereisen bij de vordering tot staking van de discrimi- natie op grond van artikel 25 van de wet van 10 mei 2007 „ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen‟. Een richtlijnconforme interpretatie van de vereiste van spoedeisendheid houdt in dat de vordering tot schorsing niet omwille van een vermeend gebrek aan spoedeisendheid wordt afgewezen”. Beoordeling
  30. Een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerleg- ging van een bestreden beslissing beoogt te verkrijgen, is ertoe gehouden in haar verzoekschrift een op de omstandigheden van haar zaak betrokken uiteenzetting op te nemen die ziet op de voorwaarde van de spoedeisendheid en waarin zij aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens uitlegt in welke mate zij on- herroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het IX-9470-9/14 beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. De Raad van State mag daarbij alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden on- derbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de be- streden beslissing is.
  31. De verzoekende partij heeft de bestreden beslissingen aanvan- kelijk wel bestreden met een beroep tot nietigverklaring dat zij heeft ingediend op 6 december 2018, maar niet met een vordering tot schorsing van de tenuitvoer- legging. Zij heeft haar vordering slechts ingesteld op 27 januari
  32. Dat brengt met zich mee dat de verzoekende partij moet aanto- nen, welke omstandigheden de zaak thans spoedeisend maken. Bovendien heeft een schorsingsarrest enkel uitwerking voor de toekomst. Dat impliceert, gelet op het ogenblik waarop de verzoekende partij haar huidige vordering heeft ingeleid, dat zij daarenboven inzichtelijk moet maken, niet enkel waarom de zaak ondertussen spoedeisend is geworden, maar ook waarom zij de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring niet kan afwachten. 9.
  33. Als omstandigheid dat de zaak thans spoedeisend is geworden voert de verzoekende partij in essentie aan dat de ongelijkheid van vrouwen en mannen in het directiecomité van de FOD Justitie is vergroot door het ontslag van het enige vrouwelijke lid – de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie, waardoor er vanaf 1 februari 2019 geen enkele vrouw meer zetelt in dit directie- comité. Daardoor zou volgens de verzoekende partij – zelfs bij de aanwerving van een vrouw als directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie – hooguit één vrouw in dit directiecomité zetelen tot de nietigverklaring van de bestreden be- IX-9470-10/14 slissingen, waardoor de verzoekende partij, de samenleving en de Belgische Staat zelf zich in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen bevinden. 9.
  34. Het door de verzoekende partij aangevoerde element van het ontslag van het enige vrouwelijke lid in het directiecomité van de FOD Justitie houdt geen verband met het bestreden benoemingsbesluit en is dus een nadeel dat niet voortvloeit uit de bestreden beslissingen. 9.
  35. Wat de andere elementen betreft die de verzoekende partij aanhaalt, namelijk dat een maatregel van positieve actie zoals verwoord in arti- kel 53 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 „houdende het statuut van het Rijkspersoneel‟ onmiddellijke uitvoering vereist zodat de schending van deze maatregel zo snel als mogelijk moet worden beteugeld en de schorsing noodzake- lijk is opdat er ter uitvoering van richtlijn 2006/54/EG van 5 juli 2006 van het Europees Parlement en de Raad „betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep‟ een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie zou bestaan, ziet de Raad prima facie niet waarom de nietigverklaring en de terugwerkende kracht die daaruit volgt, eventueel daarenboven gepaard met een schadevergoeding, aan de Unierechtelijke vereisten van compensatie en reparatie niet zouden tegemoet ko- men. De verzoekende partij stelt wel dat dit niet het geval is, maar biedt daartoe geen overtuigende argumenten. 9.
  36. In zoverre de verzoekende partij er nog op wijst dat de wetgever uitdrukkelijk ervoor heeft gekozen om geen spoedeisendheid te vereisen bij de vordering tot staking van de discriminatie op grond van artikel 25 van de wet van 10 mei 2007 „ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen‟ kan erop worden gewezen dat in artikel 25, § 5, van diezelfde wet wordt gesteld dat de bepalingen van dit artikel geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de Raad van State zoals bepaald in de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State. IX-9470-11/14
  37. Uit wat voorafgaat blijkt dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een vernietigingsarrest of in het kader van het rechts- herstel na een dergelijk arrest kunnen worden goedgemaakt. 11.
  38. In fine van haar motivering ter staving van de spoedeisendheid stelt de verwerende partij nog dat, mocht de Raad van State nog twijfelen – on- danks de door haar beschreven verplichting inzake richtlijnconforme interpretatie – aan de door de verwerende partij uiteengezette noodzakelijke interpretatie van het vereiste van spoedeisendheid, het past aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Dienen [de] artikel[en] 18 en 25 van de Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 „betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep‟ te worden geïnterpreteerd in die zin dat deze artikelen zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij de Raad van State, die vaststelt dat een overheidsbeslissing een maatregel van positieve actie in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 2006/54/EG in het kader van de arbeidsbetrekkingen schendt, de tenuitvoerlegging van deze overheidsbe- slissing slechts schorst na bewijs van het bestaan van onherroepelijke schadelijke gevolgen, zodat indien daaraan niet is voldaan, de overheids- beslissing slechts na enkele jaren wordt vernietigd en aldus er geen doel- treffende, evenredige en afschrikwekkende sanctie wordt opgelegd?” 11.
  39. In zijn arrest C-407/14 van 17 december 2015 heeft het Hof van Justitie uitgelegd dat de artikelen 18 en 25 van richtlijn 2006/54/EG van het Eu- ropees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 „betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep‟ niet een welbepaalde maatregel voorschrijven om te remediëren aan een schending van het discriminatieverbod, maar de lidstaten de vrije keuze laten tussen de verschillende oplossingen die geschikt zijn om de doelstellingen van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 te bereiken. IX-9470-12/14 De nietigverklaring en de terugwerkende kracht, eventueel daarenboven gepaard met een schadevergoeding, bij een later tussen te komen arrest ten gronde, lijken te volstaan om tegemoet te komen aan de Unierechtelijke vereisten vervat in de artikelen 18 en 25 van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 om te zorgen voor reële en effectieve com- pensatie of reparatie van de schade geleden door een persoon als gevolg van dis- criminatie op grond van geslacht, op een wijze die afschrikkend is en evenredig aan de geleden schade. Ze vormen aldus prima facie een doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sanctie. De vaststelling dat in casu niet voldaan is aan de vereiste van spoedeisendheid waardoor niet voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewe- zen, verhindert prima facie niet dat later bij de behandeling van het beroep ten gronde de doelstellingen vervat in de artikelen 18 en 25 van richtlijn 2006/54/EG kunnen worden bereikt. Uit wat voorafgaat volgt dat de door de verzoekende partij ge- suggereerde prejudiciële vraag dan ook niet hoeft te worden gesteld, in achtge- nomen de door het Hof van Justitie in zijn arrest C-407/14 van 17 december 2015 gegeven uitlegging van de artikelen 18 en 25 van richtlijn 2006/54/EG.
  40. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumula- tief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-9470-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 september 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-9470-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.347 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.