← België

Arrest 245368 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 05/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.368 Rolnummer: A. 221458/XIV-37318 Zaak: Arrest 245368 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 05/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-10 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 07:15 Fiche Arrest nr 245.368 van 5 september 2019 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.368 van 5 september 2019 in de zaak A. 221.458/XIV-37.318 In zake : Saskia BUYSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 10 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de commissaris-generaal van de Federale Politie van 13 december 2016 waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van inhouding van wedde van tien procent gedurende twee maanden wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. XIV-37.318-1/17 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een, behoudens wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoekster is inspecteur van politie bij de federale politie. 3.
  6. Met het inleidend verslag van 7 juni 2016 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoekster de zware straf van inhouding van wedde van tien procent gedurende twee maanden op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, van de datum van kennisneming van de feiten, van het bewijs en de toerekening ervan en de kwalificatie en ernst van het tuchtvergrijp. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. XIV-37.318-2/17 Op 11 juli 2016 wordt verzoekster gehoord. 3.
  7. Op 18 juli 2016 stelt de hogere tuchtoverheid voor om aan verzoekster de zware tuchtstraf van inhouding van wedde van tien procent gedurende twee maanden, op te leggen. Tegen dit voorstel dient verzoekster een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  8. Op 16 november 2016 adviseert de Tuchtraad in zijn definitief advies “dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.2.1., 5.2.2 en 5.2.3 in zoverre betrekking op de uitlating ten aanzien van de journalist, bewezen zijn en aan verzoekster dienen te worden toegerekend; dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten [en] dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de inhouding van de wedde van 10% gedurende twee maanden een gepaste straf is.” 3.
  9. De hogere tuchtoverheid legt op 13 december 2016 aan verzoekster de inhouding van de wedde op ten belope van tien procent gedurende twee maanden. Tevens wordt aan verzoekster de gunst verleend om de voorgestelde tuchtsanctie uit te voeren in het presteren van onbezoldigde prestaties, zijnde dertig uren. Dit is de bestreden beslissing. XIV-37.318-3/17 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. Verzoekster voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel 54 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) en van het recht van verdediging. Zij doet gelden dat de hogere tuchtoverheid is afgeweken van het advies van de Tuchtraad zonder evenwel toepassing te maken van artikel 54 van de tuchtwet. Verzoekster stelt vast dat er volgens haar geen twijfel over bestaat dat de Tuchtraad adviseerde dat de sms gericht aan haar broer geen tuchtrechtelijk laakbaar feit betreft en dat zij hiervoor niet kan worden gestraft. Nochtans deed de hogere tuchtoverheid dit wel zoals volgens haar onomstotelijk blijkt uit de volgende elementen uit de bestreden beslissing: - Onder punt “
  11. Uiteenzetting van de feiten” haalt de tuchtoverheid de sms-communicatie met haar broer nog steeds volledig aan; - Onder punt “
  12. Ten laste gelegde feiten” omschrijft de tuchtoverheid de feiten expliciet als zijnde berichtgeving naar burgers in de meervoudsvorm; - Onder punt “
  13. Verdediging” stelt de tuchtoverheid letterlijk dat ook het bericht aan haar broer wel degelijk de waardigheid van het ambt schendt; - Onder punt “
  14. Voorstel tot tuchtstraf” verwijst de tuchtoverheid nogmaals expliciet naar de berichtgeving naar burgers in de meervoudsvorm; - Onder punt “
  15. Voorstel tot tuchtstraf” verwijst de tuchtoverheid in de aanvang naar de in punt 5 omschreven feiten (waarbij verwezen wordt naar burgers in de meervoudsvorm), waardoor zij aldus expliciet bevestigt dat zij aan verzoekster het sms-verkeer naar beide personen (naar journalist F.O. én naar haar broer) toerekent en als een tuchtinbreuk beschouwt. Verzoekster leidt hieruit af dat niettegenstaande in de bestreden beslissing is te lezen dat de tuchtoverheid zich ten volle aansluit bij het advies van de Tuchtraad, zij dat niet doet en verzoekster straft voor de sms aan haar broer. Door zo te XIV-37.318-4/17 handelen, wijkt de tuchtoverheid af van het advies van de Tuchtraad. In dat geval moet toepassing worden gemaakt van artikel 54 van de tuchtwet wat niet is gebeurd. Die bepaling voorziet in een bijzondere verweermogelijkheid zodat door toedoen van de tuchtoverheid haar recht van verdediging is geschonden. In de memorie van wederantwoord blijft verzoekster bij haar standpunt dat zij wel degelijk mede is gestraft voor de sms verzonden aan haar broer, waarbij zij haar in het verzoekschrift aangehaalde argumenten afgeleid uit de bestreden beslissing, her-expliceert. Zij voegt eraan toe dat, indien met het woord “burgers” in punt 5 zou worden verwezen naar burgers in het algemeen, dan zou zulks volgens haar verduidelijkt zijn geweest en/of zou een ander woordgebruik gehanteerd zijn geweest: dan zou zijn vermeld geweest “de burger” in plaats van “burgers”. In de laatste memorie benadrukt verzoekster dat het weliswaar correct is dat in de bestreden beslissing onder punt 11 met geen woord is gerept over de sms met haar broer, maar dat punt identificeert zich volgens verzoekster met punt 10 van het inleidend verslag en punt 10 van het voorstel tot tuchtstraf waarin evenmin expliciet sprake is van de sms aan haar broer, terwijl “allen [het er] over eens [zijn] dat zeker en vast in deze beide fases van de procedure de sms naar de broer ten laste werd gelegd.” Ook is er sprake van de meervoudsvorm “burgers” net zoals dat nog steeds het geval is in punt 11 van de bestreden beslissing en waarmee volgens verzoekster wel degelijk verwezen is naar de sms communicatie met enerzijds de journalist en anderzijds haar broer. Ook betwist zij dat de uiteenzetting van de feiten onder punt 4 van de bestreden beslissing een loutere weergave is van de feiten zoals die initieel zijn uiteengezet omdat de bestreden beslissing op zich staat en de feitelijke uiteenzetting die erin is vervat, zich enkel uitstrekt tot het geheel van die beslissing. In het andere geval zou de bestreden beslissing niet correct formeel zijn gemotiveerd en de verwerende partij beroept zich niet op een eigen gebrekkige formele motivering. Wat het argument betreft dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk stelt dat ze zich aansluit bij het advies van de Tuchtraad, doet verzoekster gelden dat de tuchtoverheid de punten opsomt uit het XIV-37.318-5/17 advies waarbij zij zich ten volle aansluit en daarbij is niets vermeld inzake het advies dat de sms aan haar broer geen tuchtfeit betreft. Integendeel is ook daar verwezen naar de omschrijving van de feiten onder punt 5 en daar is expliciet de meervoudsvorm gebruikt voor de zinsnede: “de opdrachten die door uw hiërarachie worden gegeven”. Volgens verzoekster slaat die zinsnede onmiskenbaar op de sms naar haar broer hetgeen zij verder detailleert. Beoordeling De schending van artikel 54 van de tuchtwet
  16. Luidens artikel 54 van de tuchtwet moet de hogere tuchtoverheid, wanneer zij beoogt af te wijken van het advies van de Tuchtraad, de redenen hiertoe aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis brengen van de betrokkene. Die kan een schriftelijk verweer indienen binnen de tien dagen na de kennisgeving, op straffe van verval. Opdat deze bepaling toepassing dient te vinden, moet vaststaan dat de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing is afgeweken van het advies van de Tuchtraad.
  17. In het voorstel van tuchtstraf nam de hogere tuchtoverheid twee feiten in aanmerking ten laste van verzoekster: enerzijds haar sms aan haar broer en anderzijds een sms-conversatie met journalist F.O. ten tijde van verhoogd terreurniveau. Voor deze feiten stelt de hogere tuchtoverheid voor verzoekster de zware tuchtstraf van de inhouding van tien procent van de wedde gedurende twee maanden op te leggen. Naar aanleiding van het verzoek tot heroverweging dat verzoekster bij de Tuchtraad indiende tegen dit voorstel, adviseerde de Tuchtraad dat de ten laste gelegde feiten, in zoverre betrekking op de uitlating ten aanzien van een journalist, bewezen zijn en aan verzoekster dienen te worden toegerekend. De Tuchtraad oordeelde meer bepaald als volgt: XIV-37.318-6/17 “[…]. 5.
  18. Tenlastelegging. Op basis van het dossier blijkt dat aan verzoekster door de tuchtoverheid de volgende tuchtvergrijpen worden ten laste gelegd: - U als politieambtenaar, in tijden van ernstige terreurdreiging, bereid te verklaren en op te stellen om informatie over posities en positiewijzigingen m.b.t. een op terrein aanwezig politiedispositief door te geven aan een journalist. - Verschillende malen de (mogelijke) positie van politiemachten ook effectief te hebben doorgegeven aan een journalist. - U, in uw berichtgeving naar burgers, negatief en deloyaal uit te laten over de opdrachten die door uw hiërarchie worden gegeven. Het komt gepast voor, teneinde verwarring nopens de ten laste gelegde feiten te voorkomen, hier eveneens de respectievelijke data van de feiten toe te voegen meer bepaald op 19 en 21 november 2015 en de tweede groep van feiten te libelleren als een inbreuk op het beroepsgeheim en/of discretieplicht zodat de drie groepen van tenlasteleggingen als volgt kunnen omschreven worden: Op 19 en 21 november 2015
  19. Zich als politieambtenaar, in tijden van ernstige terreurdreiging, bereid te verklaren en op te stellen om informatie over posities en positiewijzigingen m.b.t. een op terrein aanwezig politiedispositief door te geven aan een journalist en
  20. verschillende malen de (mogelijke) positie van politiemachten ook effectief te hebben doorgegeven aan een journalist waardoor ook het beroepsgeheim en/of de discretieplicht geschonden werden.
  21. Zich deloyaal te hebben uitgelaten ten aanzien van burgers over de aan verzoekster toevertrouwde opdrachten. 5.
  22. Bewijs van de feiten en toerekening ervan […]
  23. Het uiten van deloyale opmerkingen Vervolgens wordt haar verweten dat ze zich in haar berichtgeving naar burgers, duidelijk negatief en deloyaal uitgelaten heeft over de opdrachten die door haar hiërarchie werden gegeven, de informatiedoorstroming en de omstandigheden waarin door de politiemachten diende gewerkt te worden. Het is duidelijk inzake dat het hier over de volgende opmerkingen gaat: - “Wij zijn gewoon een schietschijf!” (aan journalist) - “Wanneer gaan ze stoppen met ons voor dwaze apen te houden?” (aan broer). De Tuchtraad is van oordeel dat in zoverre dergelijke opmerkingen gemaakt werden ten aanzien van een journalist, ook al kende ze die reeds langere tijd, dit weliswaar terecht als deloyaal wordt aangeduid door de tuchtoverheid, ongeacht het recht van meningsvrijheid voorzien in punt 33 en 34 van de deontologische code. […]. De mededeling aan een journalist door een politieagente dat ze een “schietschijf” is, wijst op een gebrek aan eerbied voor de overheidsinstelling waaruit duidelijk een deloyale houding blijkt. Deze mededeling werd niet overgemaakt als onbezonnen opmerking tijdens een gezellig babbeltje, maar weliswaar in het kader van een informatiegaring door de journalist van een politieagente in het kader van de terreurdreiging. In tegenstelling met het voorgaande is de Tuchtraad van oordeel dat in privékring, zoals ten aanzien van een broer, het mogelijk moet zijn volledig vrij te spreken zonder enige beperking van haar vrijheid van mening nu dit gesprek normaliter niet wordt opgenomen en geacht kan worden binnen de familiesfeer te blijven en aldus de waardigheid van het ambt niet kan schaden. […]”. XIV-37.318-7/17 De tuchtraad kwalificeert derhalve de feiten, in zoverre ze betrekking hebben op de uitlatingen ten aanzien van een journalist, als een schending van het beroepsgeheim en/of de discretieplicht en het zich deloyaal uitlaten naar burgers toe. Met betrekking tot de sms van verzoekster aan haar broer oordeelt de Tuchtraad dat deze niet als tenlastelegging kan worden in aanmerking genomen. Uit de bestreden beslissing en inzonderheid uit de bespreking van het advies van de Tuchtraad (punt 9) en uit het punt 11 in fine (“voorstel tot tuchtstraf”), blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich integraal aansluit bij het advies van de Tuchtraad. Onder punt 11 van de bestreden beslissing dat betrekking heeft op het voorstel van straf, stelt de hogere tuchtoverheid voorts dat de in punt 5 van de bestreden beslissing omschreven feiten bewezen zijn en aan verzoekster kunnen worden toegerekend. De ten laste gelegde feiten, waarvan sprake, worden in punt 5 als volgt omschreven: “Op 19 en 21 november 2015 • U als politieambtenaar, in tijden van ernstige terreurdreiging, bereid te verklaren en op te stellen om informatie over posities en positiewijzigingen mbt een op terrein aanwezig politiedispositief door te geven aan een journalist. • Verschillende malen de (mogelijke) positie van politiemachten ook effectief te hebben doorgegeven aan een journalist waardoor ook het beroepsgeheim en/of de discretieplicht geschonden werden. • U, in uw berichtgeving naar burgers, negatief en deloyaal uit te laten over de opdrachten die door uw hiërarchie worden gegeven.”. In punt 6, met als kopje “Bewijs en toekenning van de feiten” is ter zake het volgende gesteld: “Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier, de inhoud van het gerechtelijk dossier […] en in het bijzonder uw verklaringen n.a.v. uw gerechtelijke verhoren van respectievelijk 23/11/15 en 10/12/15, meen ik dat de feiten vermeld in punt 5 vaststaan en u kunnen worden toegerekend.” In het voornoemde punt 11 van de bestreden beslissing motiveert de hogere tuchtoverheid de opgelegde tuchtstraf als volgt: XIV-37.318-8/17 “[…] Gelet u zich, als politieambtenaar, in tijden van ernstige terreurdreiging, duidelijk bereid heeft verklaard en opgesteld om informatie over posities en positiewijzigingen mbt een op terrein aanwezig politiedispositief door te geven aan een journalist; Gelet u verschillende malen de (mogelijke) positie van politiemachten ook effectief heeft doorgegeven aan een journalist; Gelet dit o.a. informatie betrof die u enkel uit hoofde van uw ambt ter kennis werd gebracht; Gelet er binnen de Federale Politie richtlijnen bestaan betreffende de contacten met de pers en u deze richtlijnen hebt genegeerd; Gelet u meerbepaald de richtlijn vermeld onder 2.1.1, dewelke stelt dat een personeelslid van de federale politie, dat gecontacteerd wordt door een journalist, ofwel de journalist doorverwijst naar het CGPW ofwel contact opneemt met zijn/haar dienstoverste, die dan op zijn beurt het CGPW zal contacteren, hebt genegeerd; De richtlijnen van de federale politie inzake contacten met de pers enkel de concretisering inhouden van punt 33 van de deontologische code en u geacht wordt op de hoogte te zijn van de deontologische code; Gelet het niet kan aanvaard worden dat u informatie, waardoor u uit hoofde van uw ambt van in kennis bent, zelfs op informele basis meedeelt aan een journalist; Gelet u, in uw berichtgeving naar burgers, zich duidelijk negatief en deloyaal uitgelaten heeft over de opdrachten die door uw hiërarchie werden gegeven, de informatiedoorstroming en de omstandigheden waarin door de politiemachten diende gewerkt te worden; Gelet u daardoor de waardigheid van het ambt ernstig in het gedrang heeft gebracht; Gelet de door u gestelde gedragingen een ernstige deontologische tekortkoming betreffen; Gelet op uw wijze van dienen; Gelet op uw blanco tuchtrechtelijk verleden en de positieve elementen in uw functioneren; Gelet op de ernst van de inbreuken; Gelet dat het door u aangenomen gedrag en uw houding niet overeenstemmen met de professionele verwachtingen die voortvloeien uit de beroepsplichten van een politieambtenaar en dan ook formeel moeten worden afgekeurd; Gelet op al deze elementen, ben ik dan ook van oordeel dat er zich ten aanzien van u, [verzoekster], een ernstige verwittiging opdringt die u moet aanzetten in de toekomst dergelijk gedrag te vermijden; Gelet dat zich hier in elk geval een tuchtsanctie opdringt en meer bepaald een zware tuchtstraf mij hier gepast lijkt; Gelet op het inleidend verslag van 07 juni 2016; Gelet op uw argumenten in uw schriftelijk verweerschrift; Gelet op mijn argumenten zoals omschreven in punt 8; Gelet op mijn voorstel tot zware straf van 18 juli 2016; Gelet op het advies van de Tuchtraad van 16 november 2016 waar mijn ambt zich integraal bij kan aansluiten; […]”. XIV-37.318-9/17 Uit wat voorafgaat volgt en inzonderheid uit de samenlezing van de aan verzoekster tenlastegelegde feiten (punt 5), de beschouwingen inzake het “bewijs en toerekening van de feiten” (punt 6) en de overwegingen inzake het “voorstel tot tuchtstraf” (punt 11), dat de hogere tuchtoverheid bij haar motivering niet de sms die verzoekster aan haar broer stuurde mee heeft betrokken bij het bewijs en toerekening van de feiten aan verzoekster en de bestraffing ervan.
  24. Geen van de eigen feitelijke beoordelingen die verzoekster in het verzoekschrift afleidt uit bepaalde passages in de bestreden beslissing, leiden elk op zich, noch te samen genomen, tot een andere conclusie. Inzake het argument dat in de bestreden beslissing onder punt 4 - uiteenzetting van de feiten - de hogere tuchtoverheid de sms-communicatie met haar broer nog steeds aanhaalt, is in fine van dat punt te lezen: “Uit het gerechtelijk dossier blijkt tevens dat u op een bepaald ogenblik (tijdstip kon niet vastgesteld worden n.a.v. het gerechtelijk onderzoek) een sms-bericht verstuurd heeft aan een niet geïdentificeerde correspondent, waarvan u tijdens uw gerechtelijk verhoor verklaard heeft dat de ontvanger van de sms uw broer […] betrof : [volgt de inhoud van het sms-bericht]”. Uit de opbouw van de bestreden beslissing blijkt dat in punt 4 betreffende de uiteenzetting van de feiten, de volledige feitelijke toedracht wordt geschetst, zonder dat uit dat punt 4 blijkt dat die aan verzoekster ten laste wordt gelegd als tuchtvergrijp noch haar wordt toegerekend. De aan verzoekster ten laste gelegde en toegerekende feiten blijken immers duidelijk uit de hiervoor aangehaalde punten 5 (“ten laste gelegde feiten”) en 6 (“bewijs en toerekening van de feiten”) van de bestreden beslissing. Het enkel vermelden in de rubriek
  25. “Uiteenzetting van de feiten” van de feiten betreffende verzoeksters sms aan haar broer, is te dezen aldus geen afdoende concrete aanwijzing dat de hogere tuchtoverheid dat feit mede als tuchtvergrijp heeft gekwalificeerd noch dat dit feit werd betrokken bij de strafmaat en de motivering ervan. De enkele omstandigheid dat, zoals verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord, de feiten nog steeds voorliggen bij de tuchtrechtelijke beoordeling, volstaat evenmin: op zich XIV-37.318-10/17 kan een tuchtoverheid bij haar schets van de feiten, immers niet worden verweten een zo volledig mogelijk beeld te geven van de zaak, om er nadien de aan verzoekster ten laste gelegde en toegerekende feiten uit te kristalliseren en daarvoor dan de uiteindelijke tuchtstraf op te leggen. Verzoekster put ook een argument uit het feit dat de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing onder punt “
  26. Ten laste gelegde feiten”, het laatste feit omschrijft als “berichtgeving naar burgers”. Volgens haar wordt met het woord “burgers” in de meervoudsvorm specifiek verwezen naar de journalist F.O. en naar haar broer. De verwerende partij van haar kant stelt daarentegen dat “de tuchtoverheid bij het gebruiken van het woord ‘burgers’ niet verwijst naar twee burgers (de journalist en de broer) maar naar ‘de burgers’ (de bevolking) in het algemeen”. Die invulling door de verwerende partij, die uitgaat van de tweedeling in een politionele context tussen politieambtenaren en burgers (of niet-politieambtenaren) is aannemelijk in de concrete feitelijke context van de tuchtzaak waar, in wezen, centraal staat het ongeoorloofd mededelen van gevoelige politie-informatie aan niet-politieambtenaren (te dezen een journalist). In die feitelijke context, maakt verzoekster met haar eigen semantische invulling van het begrip “burgers” niet aannemelijk dat daarmee enkel naar de betrokken journalist én naar haar broer wordt verwezen en dat uit die meervoudsvorm moet blijken dat verzoekster ook is gestraft voor het zenden van een sms naar haar broer. Haar repliek in de memorie van wederantwoord dat, mocht de overheid dat begrip in die zin hebben willen bedoelen, de verwerende partij dat woordgebruik wel zou hebben verduidelijkt en/of een ander woordgebruik gehanteerd zou zijn geweest, nodigt uit tot een onderzoek van de opportuniteit van de door de hogere tuchtoverheid gebruikte bewoordingen, hetgeen niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort. Ook met betrekking tot de vermelding onder punt “
  27. Verdediging” in de bestreden beslissing dat ook het bericht aan haar broer de waardigheid van het politieambt schendt, kan verzoekster niet worden bijgevallen. Zoals uit het betrokken punt uitdrukkelijk blijkt, betreft die rubriek het antwoord XIV-37.318-11/17 van de hogere tuchtoverheid op het horen van verzoekster dat het voorstel van straf noodzakelijkerwijze voorafgaat. Aldus kan de verwerende partij worden bijgevallen waar zij stelt dat deze verwijzing te maken heeft met de wijze van opstellen van de eindbeslissing. Meer bepaald bevat ze “een chronologische volgorde, waarbij eerst het voorstel tot tuchtsanctie hernomen wordt, daarna verwezen wordt naar het advies van de Tuchtraad en tot slot de gemotiveerde eindbeslissing genomen wordt.” Dit standpunt vindt steun in de concrete opbouw van de bestreden beslissing. In die feitelijke context, maakt verzoekster met haar eigen beoordeling van de rubriek 8 niet aannemelijk dat daaruit moet blijken dat verzoekster ook is gestraft voor het zenden van een sms naar haar broer. Waar verzoekster erop wijst dat de hogere tuchtoverheid onder punt “
  28. Voorstel tot tuchtstraf” nogmaals expliciet verwijst naar “burgers” in de meervoudsvorm, wordt verwezen naar wat hiervoor is gesteld. Hetzelfde geldt wat verzoeksters vaststelling betreft dat de tuchtoverheid onder datzelfde punt verwijst naar de in punt 5 omschreven feiten (waarbij verwezen wordt naar burgers in meervoudsvorm), waardoor de tuchtoverheid volgens verzoekster aldus expliciet bevestigt dat zij aan verzoekster het sms-verkeer naar beide personen (haar broer en de journalist) toerekent en als een tuchtvergrijp beschouwt. In de mate dat verzoekster in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten ter adstructie van haar in het verzoekschrift ontwikkelde middel aanvoert, bemerkt de Raad van State dat verzoekster die reeds had kunnen aanvoeren en ontwikkelen in het verzoekschrift. In die mate geeft verzoekster aldus in wezen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Ze zijn derhalve laattijdig en niet ontvankelijk.
  29. Uit wat voorafgaat volgt dat de hogere tuchtoverheid niet heeft afgeweken van het advies van de Tuchtraad. Aldus ligt geen schending voor van artikel 54 van de tuchtwet. Het middel is in die mate ongegrond. XIV-37.318-12/17 Schending van het recht van verdediging
  30. De schending van het recht van verdediging is geënt op de miskenning van artikel 54 van de tuchtwet. Aangezien daarvan geen schending voorligt, ligt bijgevolg evenmin een schending voor van het recht van verdediging. Het middel is in die mate ongegrond. Conclusie
  31. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  32. Verzoekster voert in het verzoekschrift de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoekster duidt dat haar middel slaat op de sms-berichten uitgewisseld met de journalist F.O. Zij meent dat die berichten niets van doen hebben met de tenlasteleggingen dat zij zich zou hebben bereid verklaard om informatie over posities en positiewijzigingen inzake een op het terrein aanwezig politiedispositief door te geven aan een journalist enerzijds en dat zij meermaals de (mogelijke) positie van politiemachten ook effectief zou hebben doorgegeven aan een journalist anderzijds. Zij betoogt dat “de strekking van deze berichten gaat over de al dan niet vondst van een bommengordel of iets dergelijks op de autosnelweg A25” en dat zulks “geen communicatie [is] over een (mogelijke) positie van politiemachten of positiewijzigingen.” Zij betoogt dat het niet is omdat de journalist F.O. aanhaalt dat de A25 autosnelweg volgens zijn cameraman niet langs de gemeente R. loopt dat verzoekster heeft gecommuniceerd omtrent haar positie te R. op dat ogenblik. Zij bevestig of ontkent zulks ook niet in haar afsluitende antwoord om reden dat het daar niet over ging. Zij concludeert dat XIV-37.318-13/17 er aldus geen deugdelijke materiële opbouw voor het tuchtrechtelijk verwijt bestaat wat de feiten op 19 november 2015 betreft, derwijze dat de materiëlemotiveringsplicht is geschonden. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat zij nergens in de sms communicatie stelt waar zij zich precies bevond en/of waar de politiecollega’s zich precies bevonden of konden bevinden, alsook dat zij in haar finale reactie niet ingaat op wat F.O. zei “gelet het ook haar bedoeling niet was om de locatie van politiedispositieven te gaan ‘onthullen’”. Minstens is “hoogstens het doorgegeven hebben – impliciet dan – maar voorzeker niet zich bereid verklaard te hebben” dat is gebeurd. Dat laatste impliceert volgens verzoekster een actief en bewust handelen met het oogmerk om locaties door te geven, waar het niet over gaat. In haar laatste memorie benadrukt verzoekster dat zij nooit de intentie en wil had om politiedispositieven kenbaar te maken aan de journalist en dat zulks niet kan worden afgeleid uit de sms conversatie op 19 november
  33. Voorts herneemt zij wat is gesteld in de memorie van wederantwoord wat haar kritiek betreft op het bestanddeel om zich “bereid te verklaren en op te stellen.” XIV-37.318-14/17 Beoordeling
  34. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het middel in wezen op grond van de volgende overwegingen. Uit de bestreden beslissing blijkt – en verzoekster betwist zulks niet – dat zij op 19 november 2015 als lid van een dispositief aan de Franse grens werkzaam was en dat een Franse collega op een bepaald ogenblik aan verzoekster en haar collega’s heeft meegedeeld dat er een bompakket of bommengordel zou zijn gevonden op de A25, die parallel loopt met de E
  35. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster op dat ogenblik een sms-conversatie onderhield met de journalist F.O. In zoverre dat verzoekster stelt dat uit haar sms-berichten niet kan worden opgemaakt dat zij zich te R. bevond, maakte zij melding van “het tankstation hier achter op A25”. Uit het antwoord van de journalist kan enkel worden opgemaakt dat hij op de hoogte moet zijn geweest van haar positie, zo niet kon hij onmogelijk melding maken van R.. Verzoekster betwist overigens ook niet dat zij zich te R. bevond. Daarmee deelde verzoekster aldus niet alleen haar eigen locatie mee, maar tevens het feit dat er een bompakket of bommengordel werd gevonden aan het tankstation “hier achter op de A25”, minstens niet ver van waar zij zich op dat ogenblik bevond. Verzoekster betwist niet dat het vinden van een bompakket evident gepaard gaat met het ter plaatse komen of zijn van de politie. De omstandigheid dat verzoekster daarbij mogelijks verkeerde informatie aan de journalist gaf, doet geen afbreuk aan het feit dat zij wel degelijk mogelijke posities doorgaf. De hogere tuchtoverheid kon aldus in redelijkheid oordelen dat verzoekster posities van op het terrein aanwezige politiedispositieven (zowel haar eigen positie als die van het team aanwezig bij het bompakket) heeft doorgegeven. Uit de mededelingen in de sms-conversatie van verzoekster met de journalist kon de hogere tuchtoverheid volgens de auditeur-verslaggever redelijkerwijze de concrete tenlastelegging afleiden, meer bepaald dat verzoekster zich bereid heeft verklaard/opgesteld om informatie over posities en XIV-37.318-15/17 positiewijzigingen met betrekking tot een op het terrein aanwezig politiedispositief door te geven en dit ook effectief heeft gedaan.
  36. Verzoekster betwist deze conclusie maar verzuimt evenwel ter zake inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat. Aldus heeft verzoekster niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij beperkt zich immers, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het herhalen van de voor het eerst in de memorie van wederantwoord aangevoerde wettigheidskritiek waarin zij haar intentie om politiedispositieven kenbaar te maken betwist en meent dat zulks niet kan worden afgeleid uit de betrokken sms-conversatie. Die wettigheidskritiek ter adstructie van haar in het verzoekschrift ontwikkelde middel, kon zij reeds in het verzoekschrift aanvoeren en ontwikkelen. In die mate geeft verzoekster aldus in wezen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan haar middel. De in de laatste memorie uiteengezette kritiek is aldus laattijdig en niet ontvankelijk.
  37. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. BESLISSING
  38. De Raad van State verwerpt het beroep.
  39. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.318-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf september tweeduizend negentien door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Debersaques XIV-37.318-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.368 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.