← België

Arrest 245374 - Wapens - 05/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.374 Rolnummer: A. 220355/XIV-37205 Zaak: Arrest 245374 - Wapens - 05/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-09 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-21 21:54 Fiche Arrest nr 245.374 van 5 september 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.374 van 5 september 2019 in de zaak A. 220.355/XIV-37.205 In zake : Wilfried JORRITSMA woonplaats kiezend te 9200 Dendermonde Ouburg 129 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Wauwe kantoor houdend te 9220 Hamme Hoogstraat 37 A tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 26 september 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 25 juli 2016 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 29 juli
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-37.205-1/11 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart
  4. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stefanie Francois, die loco advocaat Luc Brees verschijnt voor verzoeker, advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker is houder van verschillende wapens. 3.
  7. Op 29 juli 2015 trekt de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen verzoekers vergunning in voor het bezit van een pistool, alsook het recht om op basis van het statuut als sportschutter vier overige vuurwapens voorhanden te hebben. 3.
  8. Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 25 juli 2016 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. De beslissing steunt op de volgende gronden: XIV-37.205-2/11 ―[…] Concreet kan verwezen worden naar de door u gepleegde inbreuken op de wapenwetgeving. Reeds in 2004 heeft u naar aanleiding van een dispuut met uw zoon een vuurwapen ter hand genomen en hiermee in de lucht geschoten. Volgens uw zoon en een aantal ooggetuigen zou u gedreigd hebben om op uw zoon te schieten. U ontkende dat u gedreigd zou hebben om op hem te schieten, doch u heeft wel toegegeven dat u met het wapen in de lucht had geschoten om uw zoon bang te maken. Dergelijke handelingen met een vuurwapen brengen de openbare orde en veiligheid ernstig in gevaar. Wanneer men een schot lost in de lucht kunnen er zich onvoorziene omstandigheden voordoen waarbij mensen gewond kunnen geraken of zelfs gedood kunnen worden. Bovendien was ook onder de oude wapenwetgeving het dragen van een wapen onderworpen aan de aanwezigheid van een wettige reden. U had geen enkele gewettigde reden om uw wapen te dragen, laat staan een vuurwapen te gebruiken om mensen te intimideren. Volgens u heeft u uw zoon niet bedreigd aangezien u nooit gedreigd zou hebben om op hem te schieten, doch voor de betrokken aanwezigen kan het zien van een vuurwapen angstaanjagend en bedreigend overkomen, in het bijzonder wanneer daarbij ook nog een schot wordt gelost. Ingevolge deze feiten werden uw drie wapens die u destijds in bezit had in beslag genomen. Hierbij werd vastgesteld dat het ging om verboden wapens. Meer bepaald heeft de wapendeskundige kunnen vaststellen dat op twee sportkarabijnen een geluiddemper was gemonteerd, en dat het jachtwapen een plooigeweer betrof. Dergelijke wapens vielen ook onder de oude wapenwet van 3 januari 1933 in de categorie verboden wapens. U heeft vrijwillig afstand gedaan van deze vuurwapens en gesteld dat u zich nooit nog een vuurwapen zou aanschaffen. Voor deze feiten heeft u een minnelijke schikking betaald. Vervolgens werd lastens uw persoon op 16 mei 2012 een klacht neergelegd wegens het uiten van bedreigingen door middel van het vertonen van een handvuurwapen. Tijdens de hierop volgende huiszoeking werd in uw woning opnieuw een vuurwapen aangetroffen dat voorzien was van een geluiddemper, hetgeen verboden is. In art. 3, §1, 15° van de wapenwet wordt uitdrukkelijk het volgende gesteld: ‗als verboden wapens worden beschouwd vuurwapens uitgerust met de volgende onderdelen en hulpstukken, evenals de volgende onderdelen en hulpstukken afzonderlijk: • Geluiddempers; • Laders met een grotere capaciteit dan de normale capaciteit zoals bepaald door de minister van Justitie voor een bepaald model vuurwapen; • Richtapparatuur voor vuurwapens, die een straal projecteert op het doel en nachtkijkers; • Mechanismen die toelaten een vuurwapen om te vormen tot een automatisch vuurwapen.‘ Dit betekent dat het louter bezit van een geluiddemper reeds strafbaar is. Voor deze feiten werd u vervolgd. Voor de feiten van bedreiging werd u door de correctionele rechtbank vrijgesproken. Voor de gepleegde inbreuk op de wapenwetgeving werd u de gunst van opschorting voor een periode van 3 jaar toegekend. Dit betekent dan ook [dat] de schuld inzake deze inbreuk als bewezen wordt beschouwd. In het verzoekschrift heeft u onder meer gesteld dat enkel de geluiddemper verbeurd werd verklaard en dat het wapen dat bij de geluiddemper werd aangetroffen werd vrijgegeven; dat de onderzoeksrechter oordeelde dat er geen grond was om aan te nemen dat de opheffing van het beslag een gevaar zou XIV-37.205-3/11 opleveren voor personen of goederen; dat de gouverneur op 16 juli 2012 de lokale politie liet weten dat er geen reden meer zijn van openbare orde om de wapens nog langer in bewaring te houden waarop de wapens werden vrijgegeven; en dat de strafrechter in haar vonnis van 26 mei 2015 u de gunst van opschorting heeft verleend ‗gezien het belang van een blanco strafregister voor het behoud van uw sportschutterslicentie‘. Volgens uw raadsman zou de huidige intrekking ingaan tegen het gezag van gewijsde van het vonnis. Deze redenering is echter niet correct. Het feit dat de onderzoeksrechter in 2012 de vrijgave van het wapen in kwestie heeft toegestaan was louter gebaseerd op de vaststellingen in mei
  9. Er kon met andere woorden op basis van de toen gekende informatie worden aangenomen dat het zou gaan om een éénmalige inbreuk, en dat deze enkele inbreuk niet afdoende was om u wapenbezit te ontzeggen. In zijn beschikking van 28 juni 2012 wordt overigens ook gesteld dat ‗er in het huidige stadium van het onderzoek‘ geen reden is om de maatregel te handhaven en dat er aanleiding toe bestaat om het verzoek (tot teruggave) in te willigen‘. De gouverneur van Oost-Vlaanderen heeft in zijn brief – welke door de lokale politie werd ontvangen op 16 juli 2012 – laten weten dat er geen reden meer was van openbare orde om de wapens nog langer in bewaring te houden gelet op de beschikking van de onderzoeksrechter. Er werd tevens gesteld dat dit geen invloed kan hebben op later te nemen beslissing. Ook het feit dat de strafrechter u de gunst van opschorting heeft toegekend was mede gebaseerd op uw blanco strafblad, dus zonder kennis te hebben van het feit dat u ook reeds in 2004 gelijkaardige inbreuken had gepleegd. De bestreden intrekking gaat evenmin in tegen het gezag van gewijsde van het voornoemde vonnis. In het vonnis wordt met name uitdrukkelijk verwezen naar ‗het belang van een blanco strafregister voor het behoud van zijn schutterslicentie‘. Het is namelijk zo dat een effectieve veroordeling wegens inbreuken op de wapenwet onmiddellijk en zonder enig verder onderzoek van de feiten aanleiding geeft tot de intrekking van de sportschutterslicentie. De strafrechter was dus van oordeel dat dit – enkel en alleen op basis van de feiten waarvoor u werd vervolgd – niet opportuun zou zijn. De bestreden intrekking heeft echter geen betrekking op uw ‗sportschutterslicentie‘, doch wel op het voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens. Bovendien is [het] niet de strafrechter die in het kader van een strafrechtelijke procedure moet oordelen of er ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid een maatregel dient genomen te worden. Deze bevoegdheid wordt in de wapenwet toegekend aan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats. Deze bevoegdheid wordt in de wapenwet toegekend aan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats. Dit wordt uitdrukkelijk voorzien in art. 11, §1, 2 lid en/of art. 13, 1e lid van de wapenwet: ‗indien blijkt dat het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van betrokkene de vergunning beperken, schorsen of intrekken na advies te hebben ingewonnen van de bevoegde procureur des Konings‘. De gouverneur van Oost-Vlaanderen heeft overeenkomstig de voorziene procedure, en met het oog op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid geoordeeld om uw vergunningen/recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens in te trekken. Op basis van de hierboven vernoemde feiten kan worden besloten dat u op een onverantwoorde, onzorgvuldige, en zelfs gevaarlijke wijze omgaat met uw wapens, hetgeen de kans op ongelukken alleen maar doet toenemen. Eén van de belangrijkste doelstellingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens is net het beschermen van de XIV-37.205-4/11 samenleving en het aantal ongelukken met vuurwapens te verminderen. Voor de feiten uit 2004 werd u niet vervolgd of veroordeeld ingevolge de betaling van een minnelijke schikking. Uit de feiten is echter gebleken dat u het niet zo nauw neemt met de naleving van de wapenwetgeving. Meer bepaald werd vastgesteld dat u in het bezit was van verboden wapens. U heeft zelfs een wapen op onrechtmatige wijze gedragen en aangewend waarbij gewonden of zelfs doden hadden kunnen vallen. In uw verweerschrift heeft u onder meer aangehaald dat uit niets blijkt dat de feiten bewezen zijn. De inbreuken op de wapenwet werden echter op objectieve wijze door de bevoegde politiediensten vastgesteld, en het gebruik van uw vuurwapen om uw zoon af te schrikken heeft u zelf toegegeven. Hoe dan ook betekende uw handelen zeer zeker een gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Ondanks het feit dat u na verloop van enkele jaren opnieuw kon beschikken over een geldige sportschutterslicentie en u nieuwe vergunningen werden toegekend — en dus een nieuwe kans heeft gekregen om te bewijzen dat u wel op een correcte wijze de wapenwetgeving kan naleven — werd in 2012 opnieuw vastgesteld dat u geen respect heeft voor de naleving van de wapenwetgeving. Meer in het bijzonder werd andermaal een geluiddemper aangetroffen bij uw vuurwapens. U was zeer goed op de hoogte van het feit dat het bezit van een geluiddemper niet is toegestaan en dat u hierdoor een inbreuk pleegde op de wapenwetgeving. In uw verweerschrift stelt u dat de feiten van 2004 niet langer relevant zijn wegens ‗te oud‘ en dat ook de feiten van 2012 niet langer actueel zijn. De minister van Justitie is echter van oordeel dat net uit deze evolutie blijkt dat u niet beschikt over de vereiste betrouwbaarheid welke men van een wapenbezitter mag verwachten, en dat het risico dat u in de toekomst nieuwe inbreuken zal plegen op de wapenwetgeving niet kan worden uitgesloten. U heeft na de feiten die zich hebben voorgedaan in 2004 een tweede kans gekregen om vuurwapens voorhanden te houden, doch uit het dossier is gebleken dat u zich hoe dan ook niet kan houden aan de regelgeving ter zake. Het louter feit dat u voor de inbreuken uit 2012 niet werd veroordeeld, betekent nog niet dat de feiten als dusdanig niet weerhouden kunnen worden om aan te tonen dat uw gedrag een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Ook de Raad van State [heeft] uitdrukkelijk bepaald dat een bestuur bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, ook rekening gehouden mag worden met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Voor wat betreft het bezit van een verboden wapen werd u wel degelijk vervolgd, doch de strafrechter heeft u de gunst van de opschorting toegekend. Dit betekent dan ook dat de strafrechter heeft geoordeeld dat het ten laste gelegde feit als bewezen kan worden beschouwd. Een veroordeling wegens een inbreuk op de wapenwetgeving en/of haar uitvoeringsbesluiten is opgenomen in art. 5, §4, 2°, a) van de wapenwet waardoor een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen onontvankelijk moet worden verklaard. U werd dan niet veroordeeld wegens dergelijke inbreuken, doch rekening houdend met de bedoeling van de wetgever om geen vergunningen af te leveren aan personen die werden veroordeeld wegens voornoemde inbreuken, kan worden aangenomen dat wanneer het onomstotelijk vaststaat dat iemand dergelijke inbreuken heeft gepleegd, ook voldoende reden kan zijn om de vergunning en/of het recht om vuurwapens voorhanden te houden te weigeren of in te trekken. De minister van Justitie is immers van oordeel dat inbreuken op de wapenwetgeving misdrijven betreffen die in de wapenwetgeving zijn opgenomen omdat het — in combinatie met wapenbezit — een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Dergelijke feiten maken dat XIV-37.205-5/11 het noodzakelijk vertrouwen dat moet gesteld kunnen worden in hoofde van een wapenbezitter wordt ondermijnd. Bovendien is dit op afdoende wijze gebleken uit de concrete feiten. CONCLUSIE: […] Op basis van de elementen aanwezig in het dossier kan worden geconcludeerd dat er voldoende ernstige en concrete redenen aanwezig zijn die doen vrezen dat het voorhanden hebben van een vuurwapen de openbare orde en veiligheid kan verstoren. Wapens zijn door hun aard en bestemming levensgevaarlijke voorwerpen die enkel toebedeeld kunnen worden aan personen die beschikken over de vereiste maturiteit en verantwoordelijkheidszin om ermee om te gaan. Een wapenbezitter wordt geacht betrouwbaar te zijn en zich te allen tijde verantwoordelijk te gedragen. Rekening houdend met alle elementen is de minister van Justitie van oordeel dat er op zijn minst twijfel bestaat inzake uw algemene moraliteit en persoonlijkheid. Wanneer het echter gaat om het bezit van vuurwapens kan de aanwezigheid van twijfel niet in uw voordeel worden beslecht. De vrijwaring van de openbare orde en veiligheid primeert immers. Uw gedrag biedt niet de vereiste waarborgen waardoor het voorhanden hebben van een vuurwapen een gevaar kan betekenen voor anderen, voor uzelf, en voor de openbare orde en veiligheid. U kan niet genieten van het noodzakelijk vertrouwen dat moet kunnen gesteld worden in een wapenbezitter. Met het oog op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, en rekening houdend met het feit dat één van de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe wapenwetgeving net het beschermen van de samenleving en het vermijden van ongelukken is, heeft de gouverneur van Oost-Vlaanderen terecht geoordeeld om uw vergunningen/recht tot het voorhanden hebben van volgende vergunningsplichtige vuurwapens in te trekken: [volgt de opsomming van de betrokken wapens] Indien u nog in het bezit zou zijn van andere vergunningsplichtige vuurwapens, worden ook hiervan de vergunningen/recht tot het voorhanden hebben ervan ingetrokken. Tevens wordt u het recht ontzegd om andere vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden te houden.‖ Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  10. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‗betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‘, van het motiverings-, zorgvuldigheids-, redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel, waarbij hij het motiveringsbeginsel duidt als de materiëlemotiveringsplicht. Hij doet gelden dat de in de bestreden beslissing aangehaalde redenen voor de intrekking van verzoekers vergunningen alsook de XIV-37.205-6/11 intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te houden, de volgende zijn: een proces-verbaal van 16 september 2004, het bezit van verboden wapens volgens dat proces-verbaal en een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 26 mei 2015 waarbij hij werd vrijgesproken voor een beweerde bedreiging met een wapen op 16 mei 2012, maar waarbij hij een opschorting van straf kreeg voor het bezit van een vuurwapen voorzien van een geluiddemper, zijnde een verboden wapen. Verzoeker bekritiseert opeenvolgend omstandig deze intrekkingsgronden. Wat het proces-verbaal van 16 september 2004 betreft wijst verzoeker er vooreerst op dat hij voor die feiten slechts een minnelijke schikking kreeg, het bezit van het verboden wapen toen vrij was en dat de andere inbreuk op de wapenwet niet werd bewezen en hij een minnelijke schikking aanvaardde ―om er van af te zijn‖. Voorts wijst hij erop dat de feiten in kwestie toen al meer dan twaalf jaar in het verleden lagen en is hij van oordeel dat, zich steunend op de rechtspraak van de Raad van State, dergelijke oude feiten geen beslissing tot intrekking kunnen dragen. Wat het vonnis van 26 mei 2015 betreft en meer bepaald inzake de opschorting van de uitspraak, leidt verzoeker uit het feit af dat de rechtbank de opschorting uitsprak met het oog op ―het belang van een blanco strafregister voor het behoud van zijn schutterslicentie‖, dat ook de strafrechter van mening was dat wapenbezit in hoofde van verzoeker geen probleem stelt. Voorts betwist hij dat de feiten niet gekend waren bij de onderzoeksrechter en de gouverneur en benadrukt hij dat hij in 2012 niets met zijn wapens heeft gedaan, dat zijn wapens correct opgeborgen waren en dat de lokale politie stelt dat er op zijn moraliteit niets is aan te merken. Hij stelt dat helemaal niet wordt aangetoond dat er thans een actueel gevaar voor de openbare orde en veiligheid is in zijn hoofde. Voorts is iemand die een opschorting van de uitspraak verkreeg niet veroordeeld en valt hij aldus niet onder de toepassing van artikel 5, § 4, 1° tot 4°, van de Wapenwet. De redenering dat kan worden aangenomen dat iemand die dergelijke feiten heeft gepleegd een voldoende reden kan zijn om de vergunningen in te trekken en/of het recht om vuurwapens voorhanden te houden te weigeren, of in te trekken is juridische nonsens. XIV-37.205-7/11 In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel en wijst hij inzake het vonnis van 26 mei 2015, erop dat het argument dat de strafrechter geen kennis had van de feiten van 2004 niet dienstig is omdat hij inzake de feiten van 2004 een minnelijke schikking aanvaardde (wat niet op zijn strafregister is vermeld) en dat het hem niet kan ten kwade worden geduid dat een lid van het openbaar ministerie geen melding maakte van die feiten. Bovendien, poneert verzoeker, zou hij wellicht een vrijspraak hebben verkregen voor het bezit van verboden wapens want onder de (oude) wapenwet was het bezit van verboden wapens vrij. Voorts wijst hij erop dat ook de vergunningverlenende overheid deze feiten van 2004 niet meer zo ernstig bevond want nadien reikte zij aan verzoeker verschillende vergunningen uit. Het klemt dat de overheid nu, in 2015 en 2016, die feiten aanwendt om dezelfde vergunningen terug af te nemen. In de laatste memorie verwijst verzoeker naar zijn eerdere procedurestukken en herneemt de essentie ervan. Hij betoogt dat het feit waarover in 2015 werd gevonnist geen nieuwe actualiteitswaarde geeft aan het feit van
  11. Hij herhaalt ter zake dat de motivering van het vonnis van 26 mei 2015 ook zijn belang heeft omdat er uit blijkt dat de strafrechter van mening was dat het wapenbezit in zijnen hoofde geen problemen stelde en dat zijn karabijn niet werd verbeurdverklaard, alsook dat de lokale politie die het dichtst bij de bevolking staat, positief adviseerde. Hij besluit dat het stellen dat het louter bezit van een accessoire dat wordt beschouwd als een verboden wapen, op zich al voldoende is om een verbod op het bezit van enig vuurwapen op te leggen, terwijl de rechtbank er niet zo zwaar aan tilde en de lokale politie positief adviseerde, niet te rijmen valt met het proportionaliteitsprincipe. Beoordeling
  12. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het enige middel op grond van de volgende overwegingen. XIV-37.205-8/11 Bij vonnis van 26 mei 2015 van de correctionele rechtbank te Dendermonde werd het feit van het bezit van een verboden wapen, te weten een vuurwapen met een geluidsdemper, bewezen geacht. Dit feit is bijgevolg op onaantastbare wijze bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis vastgesteld, waardoor de verwerende partij, ondanks de omstandigheid dat te dezen geen toepassing wordt gemaakt van artikel 5, § 4, 1° tot en met 4°, van de Wapenwet, zich hierop mag steunen in haar oordeel inzake het potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid, dat wapenbezit in hoofde van verzoeker stelt. De gunst van de opschorting waarvan de proefperiode nog loopt, staat volledig los van voornoemde beoordeling die op bestuurlijk niveau binnen die periode gebeurt. Er is te dezen dan ook een actueel gegeven voorhanden, in het licht waarvan het minder recente gegeven niet ieder belang kan worden ontzegd. Uit het in het auditoraatsverslag geciteerde verhoor in het kader van het proces-verbaal nr. DE.45.LE.1XXX7/2004 van 16 september 2004 leidt het auditoraat af dat verzoeker in een bui van woede in een tankstation in aanwezigheid van meerdere personen een schot afvuurde in de lucht. Er mag worden aangenomen dat verzoeker zich bewust was van de ernst van het feit, omdat hij op het einde van het verhoor verklaarde zich nooit meer in het bezit van een vuurwapen te stellen. Hoewel die feiten meer dan twaalf jaren in het verleden liggen, kan hiermee rekening worden gehouden, omdat de beslissing zich niet uitsluitend op minder recente gegevens heeft gesteund, maar ook op een actueel gegeven, te weten het vonnis van
  13. Een proces-verbaal dat uiteindelijk eindigt met een minnelijke schikking, laat niet toe om zomaar ervan uit te gaan dat de feiten die erin zijn beschreven, effectief hebben plaatsgegrepen, behalve natuurlijk ingeval van een bekentenis of wanneer de feiten niet worden tegengesproken door de betrokkene. In dat geval kunnen ze het oordeel van het bestuur dat er een gevaar is voor de openbare orde, ondersteunen. Gelet op de erkenning van de feiten door verzoeker, kan het standpunt in het verzoekschrift dat de minnelijke schikking werd aanvaard ―om er van af te zijn‖ geenszins worden bijgevallen. De bewering in het verzoekschrift dat het betalen van de minnelijke schikking niet ―impliceert XIV-37.205-9/11 […] dat hij de feiten als zodanig erkende als zijnde een inbreuk op de wapenwet‖ staat op gespannen voet met de eerdere verklaringen van verzoeker. Daargelaten de vraag of in het proces-verbaal van 16 september 2004 andere overtredingen tegen de wapenwetgeving zijn te bespeuren, moet worden geoordeeld dat het vonnis van 26 mei 2015 van de correctionele rechtbank waarvan de proefperiode in het kader van de opschorting nog loopt en waarbij het feit van bezit van een verboden wapen bewezen werd geacht, én het voornoemd proces-verbaal – waarin verzoeker heeft erkend in een bui van woede in een tankstation in aanwezigheid van meerdere personen een schot te hebben afgevuurd in de lucht en dat ten gevolge het voornoemde vonnis nog steeds relevant is voor de beoordeling van het potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid – met de nodige zorgvuldigheid zijn vastgesteld, de bestreden beslissing dragen en de verwerende partij toelaten, niettegenstaande het gunstig advies van de lokale politie, om binnen de perken van de redelijkheid te oordelen dat het wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt.
  14. Verzoeker betwist deze conclusie in zijn laatste memorie, maar beperkt zich tot het benadrukken van zijn eigen standpunt en tot het beklemtonen dat het feit waarover werd gevonnist in 2015 geen nieuwe actualiteit geeft aan de feiten van 2004 omdat enerzijds de strafrechter in zijn vonnis niet zo zwaar tilde aan de feiten en anderzijds de lokale politie een positief advies gaf. Aldus blijft verzoeker in de laatste memorie weliswaar een andere visie aanhouden op de beoordeling van de ernst van de feiten, maar hij gaat hierbij voorbij aan het bij te vallen standpunt in het verslag van het auditoraat dat de gunst van de opschorting volledig los staat van de beoordeling op bestuurlijk niveau van de feiten waarvoor verzoeker bij vonnis van 26 mei 2015 de gunst van de opschorting verkreeg, alsook dat beide feiten, niettegenstaande het gunstig advies van de lokale politie, de verwerende partij toelaten om binnen de perken van haar appreciatiebevoegdheid tot de bestreden beslissing te komen. XIV-37.205-10/11 De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het enige middel ongegrond. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt het beroep.
  16. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf september tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Geert Debersaques XIV-37.205-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.