id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.387 Rolnummer: A. 226193/XIV-37813 Zaak: Arrest 245387 - Varia (justitie) - 10/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-19 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-21 07:16 Fiche Arrest nr 245.387 van 10 september 2019 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 245.387 van 10 september 2019 in de zaak A. 226.193/XIV-37.813 In zake: Marcel VANHELLEMONT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ewoud De Vidts kantoor houdend te 9300 Aalst Dirk Martensstraat 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 20 juli 2018 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 19 januari
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.813-1/6 Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 juni
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Abbeloos die, loco advocaat Ewoud De Vidts verschijnt voor verzoeker, en advocaat Hendrik Lemmens, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker dient op 26 september 2017 een verzoek in tot het verkrijgen van een vergunning voor een bepaald wapen. Als wettige reden geeft hij op “sportief en recreatief schieten”. 3.
- Op 19 januari 2018 weigert de gouverneur van de provincie Antwerpen de vergunning tot het voorhanden hebben van het vuurwapen. XIV-37.813-2/6 3.
- Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 20 juli 2018 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat, zelfs al mochten de door verzoeker opgeworpen middelen gegrond zijn, zulks niet kan leiden tot een beslissing die aan verzoeker de gevraagde vergunning toekent. Zij wijst er op dat twee decisieve elementen leidden tot de bestreden beslissing: naast de beoordeling van het gevaar van wapenbezit voor de openbare orde wordt in de bestreden beslissing vastgesteld dat verzoeker de door hem ingeroepen wettige reden - het sportief en recreatief schieten - niet bewijst. De verwerende partij stelt vast dat verzoeker dat onderdeel van de beslissing niet betwist en geen middel daarover ontwikkelt in het kader van het voorliggende beroep. Zonder enige wettige reden voor wapenbezit volstaat dit als motief. Bijgevolg doet verzoeker niet blijken van het vereiste belang om de nietigverklaring van de bestreden beslissing na te streven.
- Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord dat hij wel degelijk de wettige reden om sportief en recreatief schieten te beoefenen betwist, zoals blijkt uit zijn aanvraag met het erbij gevoegde attest en bewijs van regelmatig bezoek van een schietstand. Hij betoogt dat dit tevens wordt aangehaald in het verzoekschrift bij het tweede middel. Volgens verzoeker is het overigens aan de verwerende partij om dit stuk voor te leggen als cruciaal onderdeel van het administratief dossier. XIV-37.813-3/6 Beoordeling
- Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekers administratief beroep wordt verworpen op grond van de volgende motieven: verzoeker maakt nog steeds het voorwerp uit van een lopende intrekking met nog actuele redenen zodat hij niet voldoet aan de moraliteitsvoorwaarden (eerste motief), verzoeker voldoet niet aan de eis van artikel 11, § 4, vijfde lid, van de Wapenwet (tweede motief) en op basis van de stukken aanwezig in het administratief dossier werd vastgesteld dat verzoeker zijn wettige reden (sportief en recreatief schieten) niet op afdoende wijze heeft aangetoond en dat evenmin werd aangetoond dat de types van wapens waarvoor verzoeker de vergunningen wenst te bekomen in overeenstemming zijn met de door verzoeker opgegeven wettige reden (hierna: het derde motief). Uit artikel 11, § 3, eerste lid, 9° van de Wapenwet volgt dat een wettige reden moet worden opgegeven, zoals het sportief en recreatief schieten, en dat het type wapen moet overeenstemmen met de reden waarvoor het gevraagd wordt, waarbij artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 „tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens‟ oplegt dat voor voornoemde wettige reden, een geldige sportschutterslicentie of schriftelijke bewijzen van vroegere deelname aan dergelijke activiteiten moeten worden voorgelegd en het wapen uitsluitend voor deze reden of de reden opgenomen in artikel 11, § 3, eerste lid, f), van de Wapenwet wordt gebruikt. Het niet bewijzen van de wettige reden (derde motief), volstaat aldus op zich om de bestreden beslissing te dragen. Het betreft derhalve een determinerende motief. XIV-37.813-4/6 In het verzoekschrift ontwikkelt verzoeker een eerste middel afgeleid uit de schending van artikel 11, § 3, van de Wapenwet en een tweede middel uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟, van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. Uit de lezing van beide middelen blijkt dat daarin geen grieven worden ontwikkeld tegen het voormelde derde motief. De repliek in de memorie van wederantwoord leidt niet tot een andere conclusie: in het verzoekschrift is bij het tweede middel enkel gesteld dat verzoeker aanvoert “dat uit zijn dossier blijkt dat bij zijn aanvraag van 26/09/2017 een medisch attest was gevoegd […] alsook dat als wettige reden werd opgegeven „sportief en recreatief schieten‟”. Deze zinsnede omvat geen kritiek op de wettigheid van het dragende motief dat verzoeker zijn wettige reden (sportief en recreatief schieten) niet op afdoende wijze heeft aangetoond. Doet hiervan evenmin blijken, het gegeven dat verzoeker in zijn rubriek “voorgaande” - dat een eigen feitenanalyse betreft - verwezen heeft naar zijn aanvraag. In de mate ten slotte dat verzoeker in de memorie van wederantwoord een nieuwe grondslag aan zijn middel wil geven, is die laattijdig en derhalve niet ontvankelijk.
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker heeft verzuimd in het verzoekschrift grieven te ontwikkelen tegen het dragende motief dat hij zijn ingeroepen wettige reden (sportief en recreatief schieten) niet op afdoende wijze heeft aangetoond en dat evenmin werd aangetoond dat de types van wapens waarvoor verzoeker de vergunningen wenst te bekomen in overeenstemming zijn met de door verzoeker opgegeven wettige reden (derde motief). Hieruit volgt dat, zelfs al mochten beide middelen uit het verzoekschrift gegrond worden bevonden, zou het derde motief de bestreden weigeringsbeslissing in rechte (blijven) dragen. Het beroep kan aldus niet tot nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. Verzoeker doet aldus niet blijken van een persoonlijk voordeel bij het beroep. XIV-37.813-5/6
- Het beroep is niet ontvankelijk.
- Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bedrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien september tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.813-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.387 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div