← België

Arrest 245395 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.395 Rolnummer: A. 225118/XIV-37706 Zaak: Arrest 245395 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-17 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 22:56 Fiche Arrest nr 245.395 van 10 september 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.395 van 10 september 2019 in de zaak A. 225.118/XIV-37.706 In zake :

  1. XXX
  2. XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Wolsey kantoor houdend te 1060 Brussel Verbindingslaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 2 mei 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 201.833 van 29 maart 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.867 van 29 mei
  5. De verzoekers hebben een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. XIV-37.706-1/5 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april
  6. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Julien Wolsey verschijnt voor verzoekers, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. De verzoekers hebben op 27 juli 2015 een (vierde) asielaanvraag ingediend. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen neemt op 10 november 2017 in hoofde van iedere verzoeker afzonderlijk een beslissing tot weigering van inoverwegingname van die asielaanvraag. Op 30 november 2017 tekenen de verzoekers tegen de voornoemde weigeringsbeslissingen beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een beschikking van 1 maart 2018, genomen met toepassing van artikel 39/73, § 1 en § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), wordt aan de partijen meegedeeld dat het niet vereist is dat zij nog mondelinge opmerkingen voordragen, dat het XIV-37.706-2/5 beroep door middel van een louter schriftelijke procedure op de in de beschikking aangegeven grond kan worden verworpen en dat de kamer zonder terechtzitting uitspraak zal doen tenzij één van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen na het versturen van de beschikking vraagt om te worden gehoord. Met een arrest van 29 maart 2018 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tegen de twee beslissingen van 10 november 2017 omdat geen van de partijen tijdig heeft gevraagd om te worden gehoord en de partijen derhalve worden geacht in te stemmen met de in de beschikking opgenomen grond. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  9. De verzoekers werpen in een enig middel, dat zij in de toelichtende memorie herhalen, de schending op van artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, en van artikel 39/73, § 2 en § 3, van de vreemdelingenwet. Zij voeren aan dat de met toepassing van artikel 39/73 van die wet genomen beschikking van 1 maart 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hen ter kennis werd gebracht met een ter post aangetekende brief, verstuurd op 5 maart 2018, en dat zij met een ter post aangetekende brief van 20 maart 2018 een verzoek om te worden gehoord naar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben gestuurd. Derhalve kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens de verzoekers niet beschouwen dat geen van de partijen binnen de voorziene termijn van 15 dagen na het versturen van de voornoemde beschikking had gevraagd om te worden gehoord. XIV-37.706-3/5 Beoordeling
  10. Artikel 39/73, § 2 tot en met § 4, van de vreemdelingenwet luidt: “§
  11. Bij beschikking stelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter de partijen in kennis dat de kamer zonder een terechtzitting uitspraak zal doen tenzij één van de partijen, binnen een termijn van vijftien dagen na het versturen van de beschikking, vraagt om gehoord te worden. In de beschikking wordt de grond meegedeeld waarop de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter zich steunt om te oordelen dat het beroep door middel van een louter schriftelijke procedure kan ingewilligd of verworpen worden. Indien een nota met opmerkingen is ingediend, wordt deze samen met de beschikking medegedeeld. §
  12. Indien geen der partijen vraagt om te worden gehoord dan worden deze geacht in te stemmen met de in de beschikking opgenomen grond en wordt naargelang het geval het beroep ingewilligd of verworpen. §
  13. Indien één der partijen tijdig heeft gevraagd om gehoord te worden, dan bepaalt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter onverwijld bij beschikking de dag en het uur van de terechtzitting.” Uit het rechtsplegingsdossier van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt dat de in de voornoemde bepaling bedoelde beschikking van 1 maart 2018 naar de verzoekers werd gestuurd met een ter post aangetekende brief, gedateerd op 2 maart 2018 doch volgens de stempel op het afgiftebewijs slechts afgegeven ter post op 5 maart
  14. Er blijkt ook uit dat de verzoekers op 20 maart 2018, dit is binnen de 15 dagen na het versturen van de beschikking van 1 maart 2018, met een ter post aangetekende brief van hun raadsman een verzoek om te worden gehoord hebben ingediend. Door geen rekening te houden met de brief van de raadsman van de verzoekers van 20 maart 2018, is het bestreden arrest genomen met miskenning van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet. Het enige middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest. BESLISSING
  15. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 201.833 van 29 maart 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-37.706-4/5
  16. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
  17. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  18. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien september tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Debersaques XIV-37.706-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.395 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.