id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.396 Rolnummer: A. 217129/IX-9524 Zaak: Arrest 245396 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 10/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-12 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 21:59 Fiche Arrest nr 245.396 van 10 september 2019 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.396 van 10 september 2019 in de zaak A. 217.129/IX-9524 In zake: Chretien MOORS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Lichtveld 38 bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 september 2015, strekt tot de nie- tigverklaring van koninklijk besluit nr. 965 van 23 augustus 2015 ‘betreffende een verlenging van een schorsing bij ordemaatregel van een beroepsofficier’. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 241.906 van 26 juni 2018 is het debat heropend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. IX-9524-1/8 Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor de verzoekende partij en adjudant Pieter-Jan Tuts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker was beroepsofficier niveau B, in de graad van kapi- tein-commandant. 3.
- Bij ministerieel besluit nr. 93.240 van 11 augustus 2014 wordt verzoeker bij ordemaatregel geschorst voor een periode van drie maanden naar aanleiding van een opsporingsonderzoek wegens “ernstige feiten”. Deze ordemaatregel wordt achtereenvolgens verlengd voor telkens drie maanden met koninklijke besluiten van 23 november 2014 en 22 februari
- Met een koninklijk besluit van 25 mei 2015 wordt de schorsing bij ordemaatregel een derde maal verlengd voor een periode van drie maanden. Het beroep tot nietigverklaring van dit besluit is bij de Raad van State bekend onder nr. A. 216.462/IX-
- 3.
- Bij koninklijk besluit nr. 965 van 23 augustus 2015 wordt de schorsing bij ordemaatregel opnieuw verlengd voor een periode van drie maan- den. Dit is het thans bestreden besluit. IX-9524-2/8 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat verzoeker geen actueel belang meer heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing aangezien de minister van Defensie heeft beslist de schorsing bij ordemaatregel niet te verlengen en hij vanaf 1 juni 2016 met pensioen is gesteld. Als gevolg van de beslissing tot niet-verlenging van de schorsing bij ordemaatregel heeft verzoeker zich in de periode van 29 augustus 2014 tot 28 november 2015 in werkelijke dienst bevonden en zijn hiertoe de nodige (financiële en adminis- tratieve) regularisaties uitgevoerd. Volgens de verwerende partij heeft verzoeker ook geen moreel nadeel ondervonden, aangezien de schorsing bij ordemaatregel louter een bewarende maatregel is en niet van tuchtrechtelijke aard. Bovendien is verzoeker sinds 1 juni 2016 op pensioen gesteld en heeft hij zijn eenheid niet meer moeten vervoegen.
- Verzoeker antwoordt op de terechtzitting niet inhoudelijk op deze exceptie. Hij merkt enkel op dat hij “in de loop van de vorige week” een vordering tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend. Beoordeling
- Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren. IX-9524-3/8 Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat.
- De in de thans voorliggende zaak door de verwerende partij opgeworpen exceptie is eveneens opgeworpen in de zaak A. 216.462/IX-9516, waarin verzoeker de nietigverklaring vordert van een vroegere, derde verlenging van zijn preventieve schorsing. In zijn tussenarrest nr. 241.905 van 26 juni 2018 in de hiervóór vermelde zaak A. 216.462, heeft de Raad over deze identieke exceptie geoordeeld als volgt: “
- De bestreden beslissing is een tijdelijke ordemaatregel in het belang van de dienst, in afwachting van het resultaat van het strafrechtelijk on- derzoek en een eventueel tuchtrechtelijk onderzoek. Luidens de bestreden beslissing zelf is de schorsing bij ordemaatregel een voorlopige maatregel ‘waarbij er geen uitspraak wordt gedaan over schuld of onschuld, maar die enkel tot doel heeft de goede naam van de krijgsmacht en de tucht binnen de militaire gemeenschap te vrijwaren’. Verzoeker heeft tegen de initiële beslissing van 11 augustus 2014 om hem voorlopig te schorsen voor een duur van drie maanden geen annulatiebe- roep bij de Raad van State ingesteld, evenmin als tegen de verlengingen van de voorlopige schorsing bij koninklijke besluiten van 23 november 2014 en 22 februari 2015, omdat, naar zeggen van verzoeker, ‘hij in de overtuiging verkeerde dat het gerechtelijk onderzoek binnen de kortste termijnen zou afgerond worden en hij vrijuit zou gaan’. Voorts blijkt uit stukken 41 en 44 van het administratief dossier dat de minister van Defensie heeft beslist ‘hoewel het onderzoek nog steeds lo- pende is’ de schorsing van verzoeker bij ordemaatregel niet te verlengen ‘gezien het gebrek aan nieuwe concrete elementen, verschaft door Justi- tie’, zodat de voorlopige schorsing bij ordemaatregel is beëindigd op 28 november 2015 en dat er geen statutaire maatregel wordt opgelegd aan verzoeker. Nog blijkt uit het dossier dat verzoeker reeds op 14 januari 2014 (d.i. vóór de initiële voorlopige schorsing bij ordemaatregel) de ver- breking van de vrijwillige verlenging van zijn loopbaan vanaf 1 juli 2015 IX-9524-4/8 had aangevraagd en hij op 1 juni 2016 met pensioen is. Ten slotte is intus- sen, naar zeggen van verzoeker, het strafonderzoek zonder gevolg geklas- seerd. In die gegeven omstandigheden wordt vastgesteld dat de derde verlenging van de voorlopige schorsing, zijnde de thans bestreden beslissing, aan verzoeker geen definitief moreel nadeel meer berokkent. […] De mogelijkheid die een nietigverklaring biedt aan de rechtzoekende om zich tot de burgerlijke rechter te wenden met het oog op een schade- vergoeding, volstaat […] niet om het actueel belang van een verzoekende partij aan te tonen.” Verzoeker heeft in de huidige zaak geen argumenten aangebracht om anders ertegen aan te kijken. De Raad mag er dan mee volstaan de redengeving in het aangehaalde arrest ook in de huidige zaak tot de zijne te maken. In die gegeven omstandigheden wordt vastgesteld dat de vierde verlenging van de voorlopige schorsing, zijnde de thans bestreden beslissing, aan verzoeker geen definitief materieel of moreel nadeel meer berokkent.
- Niet blijkt dat wat verzoeker dan met de gevraagde nietigverklaring nog nastreeft uit méér bestaat dan het voordeel om derden te overtuigen van zijn initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; immers is dat beoogde voordeel niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van het door verzoeker aangevoerde middel. 9.
- Zoals de Raad van State, algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 in de zaak A. 216.462, heeft het instellen van een vordering tot schadevergoeding tot herstel samen met, of hangende, het beroep tot nietigverklaring tot gevolg de mogelijkheden om in het kader van het beroep tot nietigverklaring uitspraak te doen, te verruimen, namelijk om een onderzoek van de middelen te verrichten en de eventuele onwettigheid vast te stellen voor zover IX-9524-5/8 dat nodig is om over de ingediende vordering tot schadevergoeding tot herstel uitspraak te doen. 9.
- Verzoeker betoogt ter zitting dat hij voor de geleden schade een vordering tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend. 9.
- De Raad moet in dat verband het volgende vaststellen: - verzoeker beweert een vordering tot schadevergoeding tot herstel te hebben ingediend, maar tot bij de sluiting van het debat is dit verzoek op de griffie van de Raad van State niet bekend; - verzoeker heeft vóór de terechtzitting noch de Raad, noch het auditoraat met het oog op zijn ter terechtzitting te geven advies, op de hoogte gebracht van zijn late demarche; - verzoeker legt ter terechtzitting in verband met zijn bewering geen overtuigingsstukken neer – noch een afschrift van de ingediende vordering, noch een bewijs van verzending. Voorts neemt de Raad de volgende chronologie in overweging: - verzoeker kon van de opgeworpen exceptie kennis nemen bij ontvangst van de laatste memorie van de verwerende partij; - verzoeker kon van de problematiek die artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet rijzen in de context van het actueel belang ten minste kennis nemen in de arresten van 26 juni 2018; - verzoeker is in de zaak A. 216.462 door de Raad van State op 24 oktober 2018 expliciet de mogelijkheid onder de aandacht gebracht van het indienen van een vordering tot schadevergoeding tot herstel; - verzoeker heeft in het door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak in zijn zaak A. 216.462 gewezen arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 kennis kunnen nemen van het doorslaggevend belang dat de Raad van State hecht aan het tijdig indienen van een vordering tot schadevergoeding tot herstel, om nog een uitspraak over de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing te mogen verwachten; IX-9524-6/8 - verzoeker heeft acht weken vóór de terechtzitting in deze zaak de oproeping ontvangen voor die terechtzitting. De Raad telt aldus minstens vijf momenten waarop verzoeker zich had kunnen realiseren dat hij een vordering tot schadevergoeding tot herstel kon indienen. Verzoeker bleef stilzitten. Op de terechtzitting uitdrukkelijk gevraagd naar eventuele redenen van overmacht, heeft verzoeker er geen gegeven en heeft hij enkel geantwoord dat hij volgens de toepasselijke procedurebepalingen over de mogelijkheid beschikt om te wachten met zijn vordering tot zestig dagen na het eindarrest. Dit alles samen in overweging nemend, oordeelt de Raad dat de proceshouding die verzoeker aanneemt om de Raad van State nog tot een onderzoek ten gronde te bewegen, flagrant strijdig is met de medewerking die van elke partij wordt gevraagd aan het goede verloop van de rechtsgang. In de gegeven omstandigheden, zonder valabele verontschuldiging, luttele dagen voor de zitting een vordering tot schadevergoeding tot herstel indienen – waarvan het bestaan als gezegd vóór de sluiting van het debat zelfs niet vaststaat – kan slechts als niet te rechtvaardigen dilatoir procesgedrag worden bestempeld dat een duidelijke schending vormt van de loyale procesvoering en dat een substantiële tekortkoming uitmaakt aan het normale en behoorlijke verloop van het onderzoek van het beroep. Voor het onderzoek van de exceptie van de verwerende partij wordt met het al dan niet bestaan van een vordering tot schadevergoeding tot herstel, mocht ze al ontvankelijk zijn ingediend, daarom geen rekening gehouden.
- Verzoeker heeft geen toereikend actueel belang. De exceptie is gegrond. IX-9524-7/8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op 400 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 september 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9524-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.396 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.478 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.906 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.554 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div