id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.414 Rolnummer: A. 228774/XII-8776 Zaak: Arrest 245414 - Overheidsopdrachten - 12/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-13 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 21:55 Fiche Arrest nr 245.414 van 12 september 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 245.414 van 12 september 2019 in de zaak A. 228.774/XII-8776 In zake: Henk DE FOUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pepijn Geers kantoor houdend te 9070 Destelbergen Markiesakker 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debièvre en Toby De Backer kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86c bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 6 augustus 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de gunningsbeslissing van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Kanselarij en Bestuur, Vlaams Rampenfonds, dd. 8 juli 2019 (houdende de aanstelling van experten voor het vaststellen van schade aangericht door algemene rampen in het Vlaamse Gewest - bestek nr. 2019/VRF/01) waarbij de offerte van [Henk De Four] onregelmatig verklaard werd.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-8776-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 september 2019, om 11.00 uur. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pepijn Geers, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Toby De Backer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De Vlaamse Gemeenschap schrijft een overheidsopdracht uit “voor aanneming van diensten – Aanstellen van experten voor het vaststellen van schade aangericht door algemene rampen in het Vlaamse Gewest”. De opdracht wordt geplaatst via een openbare procedure, waarop het bestek nr. 2019/VRF/01 van toepassing is. 3.2. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 12 februari 2019 en het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 februari 2019. 3.3. Op 4 maart 2019 wordt een infosessie georganiseerd, waar vragen met betrekking tot deze opdracht konden worden gesteld. Naar aanleiding van deze infosessie werd een aangepast bestek samen met de presentatie en het verslag van de infosessie via een erratum gepubliceerd op 7 maart 2019. XII-8776-2/14 Op 20 maart 2019 heeft de aanbestedende overheid de gestelde vragen na de infosessie samengevat en gepubliceerd. 3.4. De verzoekende partij dient voor het perceel 3 van de opdracht een offerte in. 3.5. Op 2 april 2019 vindt de opening van de offertes plaats. 3.6. Op 8 juli 2019 wordt een gunningsverslag opgemaakt. De offerte van onder meer de verzoekende partij wordt onregelmatig verklaard wegens het niet indienen van een Uniform Europees Aanbestedingsformulier (UEA): “Het niet-indienen van een UEA is een schending van art. 38 van het KB Plaatsing wat betekent dat de offerte substantieel onregelmatig is conform art. 76 van het KB Plaatsing. De jury is verplicht om de offerte van deze twee inschrijvers [waaronder de verzoeker] onregelmatig te verklaren”. 3.7. In de gemotiveerde gunningsbelissing wordt de motivering en het besluit van het gunningsverslag, dat als bijlage bij deze beslissing is gevoegd en er integraal deel van uitmaakt, “geheel onderschreven”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid 4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden 5.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat XII-8776-3/14 minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.2. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting 6.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan “van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel – geen vermelding van de sanctionering”. XII-8776-4/14 De verzoekende partij licht toe dat hij voorafgaandelijk op geen enkele wijze er op werd gewezen dat bij het ontbreken van het UEA de offerte zonder meer onregelmatig zou worden verklaard. Noch tijdens de infosessie, noch het verslag van de infosessie, noch het finaal bestek vermelden enige sanctionering. Op deze wijze werd de indruk gewekt dat steeds de mogelijkheid bestaat deze documenten nadien nog toe te voegen. Beoordeling 6.2. Artikel 73 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheids- opdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), bepaalt: “§ 1. Op het ogenblik van de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes, naargelang het geval, leggen de kandidaten of inschrijvers, het door hen ingevulde Uniform Europees Aanbestedingsdocument voor, dat bestaat uit een bijgewerkte eigen verklaring en dat door de aanbestedende overheid als voorlopig bewijs wordt aanvaard ter vervanging van door overheidsinstanties of derden afgegeven documenten of certificaten die bevestigen dat de betrokken kandidaat of inschrijver aan alle hierna vermelde voorwaarden voldoet : 1° hij bevindt zich niet in een van de situaties als bedoeld in de artikelen 67 tot 69, waardoor kandidaten of inschrijvers kunnen of moeten worden uitgesloten; 2° hij voldoet aan de toepasselijke selectiecriteria als vastgesteld overeen- komstig artikel 71; 3° hij voldoet, indien van toepassing, aan de objectieve regels en criteria voor de beperking van het aantal kandidaten, als vastgesteld overeen- komstig artikel 79. Indien de ondernemer overeenkomstig artikel 78 een beroep doet op de draagkracht van andere entiteiten bevat het Uniform Europees Aanbestedingsdocument ook de in het eerste lid genoemde gegevens ten aanzien van die entiteiten. Het Uniform Europees Aanbestedingsdocument bestaat uit een formele verklaring van de ondernemer dat de betrokken grond tot uitsluiting niet van toepassing is en/of dat aan het selectiecriterium is voldaan en bevat de relevante informatie die door de aanbestedende overheid wordt verlangd. Voorts vermeldt het Uniform Europees Aanbestedingsdocument welke overheidsinstantie of derde verantwoordelijk is voor het vaststellen van de bewijsstukken en bevat zij een formele verklaring dat de ondernemer in staat zal zijn om op verzoek en onverwijld die bewijsstukken te leveren. Indien de aanbestedende overheid het bewijsstuk rechtstreeks kan verkrijgen door raadpleging van een databank conform de vierde paragraaf, bevat het Uniform Europees Aanbestedingsdocument ook de daartoe XII-8776-5/14 vereiste informatie, zoals het internetadres van de databank, alle identificatiegegevens en, in voorkomend geval, de benodigde verklaring van instemming. Ondernemers kunnen het reeds in een vorige overheids- opdrachtenprocedure gebruikte Uniform Europees Aanbestedings- document opnieuw gebruiken, mits zij bevestigen dat de daarin opgenomen gegevens nog steeds correct zijn. § 2. Het Uniform Europees Aanbestedingsdocument wordt opgesteld op basis van het door de Europese Commissie vast te stellen model en wordt uitsluitend in elektronische vorm verstrekt. § 3. De aanbestedende overheid kan kandidaten en inschrijvers tijdens de procedure te allen tijde verzoeken de vereiste ondersteunende documenten geheel of gedeeltelijk in te dienen wanneer dit noodzakelijk is voor het goede verloop van de procedure. Behoudens voor opdrachten die zijn gebaseerd op overeenkomstig artikel 43, § 4 of § 5, 1°, geplaatste raamovereenkomsten, verzoekt de aanbeste- dende overheid vóór de gunning van de opdracht, de inschrijver aan wie zij heeft besloten de opdracht te gunnen, de actuele ondersteunende documenten over te leggen, als bedoeld in artikel 75. De aanbestedende overheid kan ondernemers verzoeken de ontvangen certificaten aan te vullen of te verduidelijken. § 4. Niettegenstaande paragraaf 3 zijn de ondernemers niet verplicht ondersteunende documenten of andere bewijsstukken over te leggen indien en voor zover de aanbestedende overheid de certificaten of de relevante informatie rechtstreeks kan verkrijgen door raadpleging van een gratis toegankelijke nationale databank in elke lidstaat, zoals een nationaal aanbestedingsregister, een digitaal bedrijfsdossier, een systeem voor digitale documentopslag of een voorselectiesysteem. Niettegenstaande paragraaf 3 zijn de ondernemers niet verplicht ondersteunende documenten over te leggen wanneer de aanbestedende overheid deze documenten reeds in haar bezit heeft ten gevolge van een opdracht of raamovereenkomst die eerder werd afgesloten. Dit op voorwaarde dat de betrokken ondernemers in hun aanvraag tot deelneming of in hun offerte de procedure identificeren tijdens dewelke zij deze documenten reeds hebben voorgelegd en voor zover de voormelde inlichtingen en documenten nog beantwoorden aan de gestelde vereisten”. Artikel 38 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), bepaalt: “§ 1. Op het ogenblik van de indiening van de aanvragen tot deelneming en/of van de offertes leggen de kandidaten of inschrijvers, overeenkomstig artikel 73 van de wet, het UEA voor, tenzij in de gevallen waarbij gebruik wordt gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande XII-8776-6/14 bekendmaking in de in artikel 42, § 1, 1°,
- b)en d), 2°, 3°, 4°, b), en c), van de wet, bedoelde gevallen. De aanbestedende overheid verschaft in de aankondiging van opdracht of in de opdrachtdocumenten waarnaar deze aankondiging verwijst de richtsnoeren die toelaten het UEA in te vullen. Met name geeft hij aan welke de werkwijze is overeenkomstig paragraaf 2. […] § 2. Wat deel IV van het UEA betreft, kan de aanbestedende overheid naar keuze beslissen : 1° om de ondernemers te verzoeken om precieze inlichtingen op te geven door middel van het invullen van de afdelingen A tot D; of 2° de gevraagde inlichtingen beperken tot de vraag of de ondernemer al dan niet voldoet aan de voorgeschreven selectiecriteria, overeenkomstig de afdeling ‘Algemene aanwijzing voor alle selectiecriteria’. In dat geval moet alleen deze afdeling ingevuld worden. Voor de in bijlage III van de wet opgesomde sociale en andere specifieke diensten, moet de aanbestedende overheid echter steeds de mogelijkheid geven aan de ondernemer om op globale wijze kenbaar te maken dat hij voldoet aan de voorgeschreven selectiecriteria, overeenkomstig het eerste lid, 2°. § 3. Het onderhavige artikel is slechts van toepassing op de opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger is dan de drempel voor de Europese bekendmaking”. 6.3. Het bestek dat de opdracht beheerst, bepaalt: “De inschrijver legt een ingevuld Uniform Europees Aanbeste- dingsdocument (UEA) voor als verklaring dat er geen uitsluitingsgrond op hem van toepassing is. Zie A.1.4. voor meer informatie over het UEA”. In dat punt A.1.4 is te lezen: “De inschrijver legt overeenkomstig art. 73 van de Wet Overheids- opdrachten een ingevuld Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) voor. Het UEA bestaat uit een eigen verklaring die de aanbestedende overheid als voorlopig bewijs aanvaardt dat op de inschrijver geen uitsluitingsgrond van toepassing is (zie A.1.1.) en dat de inschrijver voldoet aan de selectiecriteria (zie A.1.2.). Voor opmaak van het UEA kan de inschrijver gebruik maken van het formulier dat als XML-bestand bij de opdrachtdocumenten werd opgenomen, en dat kan ingevuld worden via de online tool: https://uea.publicprocurement.be Een handleiding voor gebruik van de online tool is terug te vinden op: https://www.publicprocurement.be/nl/documenten/handleiding-uea-servic e-voor-ondernemingen XII-8776-7/14 → Zie 2.1 Een bestaand UEA (aanvraag of antwoord) importeren en bewerken Gelieve het ingevulde UEA als PDF-bestand toe te voegen aan de offerte. De XML-versie van het ingevulde UEA kan de inschrijver bewaren voor hergebruik bij volgende plaatsingsprocedures voor andere opdrachten. Een reeds ingevuld UEA uit een andere plaatsingsprocedure in de vorm van een XML-bestand, kan tevens via deze tool hergebruikt worden. Instructies voor het invullen van het UEA Bij het invullen van het UEA dient de inschrijver rekening te houden met het volgende: - Deel II A – Gegevens over de ondernemer: de velden m.b.t. de ‘officiële lijst van erkende ondernemingen’ zijn niet van toepassing op deze opdracht - Deel III D – Louter nationale uitsluitingsgronden: de toepasselijke uitsluitingsgrond betreft de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. De inschrijver dient bijgevolg te verklaren of hij wegens het tewerkstellen van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen werd veroordeeld bij door een administratieve of gerechtelijke beslissing, met inbegrip van een in uitvoering van artikel 49/2 van het Sociaal Strafwetboek opgestelde schriftelijke kennisgeving die niet ouder is dan vijf jaar of die expliciet een uitsluitingsperiode bevat die nog steeds van toepassing is.” Indien ‘Ja’, geef meer informatie. - Deel IV – Selectiecriteria: de inschrijver dient louter te verklaren dat hij voldoet aan de voorgeschreven selectiecriteria. - Deel VI – Slotopmerkingen: de ondertekening door de inschrijver wordt gedaan door middel van het plaatsen van een elektronische handtekening op het indieningsrapport in e-tendering. Dit indieningsrapport slaat op de gehele aanvraag tot offerte, incl. het UEA (zie ook A.3.3.) Bijkomende vereisten De inschrijver moet tevens: - een ingevuld UEA voorleggen voor elke deelnemer van een combinatie van ondernemingen die optreedt als inschrijver - een ingevuld UEA voorleggen voor elke onderaannemer of andere entiteit op wiens draagkracht de inschrijver beroep doet (zie A.1.3.) - in geval de inschrijver een combinatie van ondernemingen is, aanduiden welke deelnemer aan de combinatie zal optreden als vertegenwoordiger naar de aanbestedende overheid toe, in deel II.B van het UEA”. Inzake de vorm en inhoud van de offerte is in het bestek bepaald: “De aandacht van de inschrijver wordt erop gevestigd dat hij zijn offerte en inventaris moet invullen op het bij dit bestek behorende formulier. Hierna volgt een niet-limitatief overzicht van de documenten die, naast het offerteformulier en de inventaris, bij de offerte gevoegd moeten worden: XII-8776-8/14 - ingevuld Uniform Europees Aanbestedingsdocument voor de inschrijver (zie A.1.4.); […]”. 6.4. Artikel 76, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt: “De volgende onregelmatigheden worden met name als substantieel beschouwd : […] 2° de niet-naleving van de vereisten bedoeld in de artikelen 38, 42, 43, § 1, 44, 48, § 2, eerste lid, 54, § 2, 55, 83 en 92 van dit besluit en in artikel 14 van de wet, voor zover zij verplichtingen bevatten ten aanzien van de inschrijvers; […]”. 6.5. Artikel 76, § 3, van hetzelfde besluit bepaalt: “Wanneer gebruik wordt gemaakt van een openbare of niet-openbare procedure, verklaart de aanbestedende overheid de substantieel onregelmatige offerte nietig. […]”. In het verslag aan de Koning wordt inzake die bepaling verduidelijkt: “In geval van een substantiële onregelmatigheid, moet de offerte steeds nietig worden verklaard en beschikt de aanbestedende overheid over geen enkele beoordelingsruimte”. 6.6. De verzoekende partij erkent dat zij het verplichte – het wordt niet betwist dat de waarde van de voorliggende opdracht de drempel voor de Europese bekendmaking overschrijdt – UEA niet bij haar offerte heeft gevoegd. 6.7. Het voormelde artikel 73, § 1, eerste lid, van de wet overheids- opdrachten 2016, bepaalt uitdrukkelijk dat “[o]p het ogenblik van de indiening” van de aanvragen tot deelneming of de offertes, naargelang het geval, de kandidaten of inschrijvers het door hen ingevulde UEA voorleggen. In uitvoering van deze bepaling schrijft artikel 38 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 voor dat het UEA “[o]p het ogenblik van de indiening van de aanvragen tot XII-8776-9/14 deelneming en/of van de offertes […] overeenkomstig artikel 73 van de wet” wordt voorgelegd. Het is het artikel 76 van het koninklijk besluit plaatsing 2017, waarvan de wettigheid door de verzoekende partij in haar verzoekschrift niet in twijfel wordt getrokken, dat de niet-naleving van het vereiste vervat in artikel 38 van hetzelfde besluit met een substantiële onregelmatigheid bestraft. Noch het rechtszekerheidsbeginsel noch het zorgvuldigheidsbeginsel biedt op het eerste gezicht een mogelijkheid om te ontkomen aan de sanctie die kleeft aan een offerte die met een substantiële onregelmatigheid is behept, daar het gevolg van het niet voldoen aan voormeld artikel 38 is bepaald door het koninklijk besluit plaatsing 2017 zelf. De omstandigheid dat in het bestek zelf, of in andere bijhorende documenten, geen melding werd gemaakt van de substantiële onregelmatigheid ter zake, lijkt niets te wijzigen aan het ontberen van enige keuze in hoofde van de verwerende partij: het niet naleven van de verplichting een UEA bij de offerte te voegen moet als substantieel worden aangemerkt, met de onregelmatigheid van de offerte als gevolg. 6.8. Het middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting 6.9. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan “van artikel 9/1 van de Wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies – geen verwijzing naar de artikelen 23 en 24 van voormelde wet”. De verzoekende partij licht toe dat de verwerende partij bij de mededeling per e-mailbericht van 24 juli 2019 op geen enkele wijze verwijst naar de artikelen 23 en 24, hoewel artikel 9/1 van de voormelde wet voorschrijft dat hier uitdrukkelijk moet naar worden verwezen, wettelijke verplichting waaraan de verwerende partij zich niet heeft gehouden. XII-8776-10/14 Beoordeling 6.10. Artikel 9/1 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: rechtsbeschermingswet),bepaalt: “§ 1. De aanbestedende instantie doet onmiddellijk de in de artikelen 7, 8 en 9 bedoelde mededelingen per fax, per e-mail of via de elektronische platformen bedoeld in artikel 14, § 7, van de wet inzake overheids- opdrachten of de elektronische communicatiemiddelen bedoeld in artikel 32 van de wet betreffende de concessies en, dezelfde dag, per aangetekende zending. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde mededelingen bevatten de rechtsmiddelen, de termijnen ervan en de bevoegde instanties en dit minstens via een uitdrukkelijke verwijzing naar de artikelen 14, 15, 23 en 24. Indien deze gegevens ontbreken, neemt de in artikel 23, § 2, bedoelde termijn voor het instellen van het verhaal tot vernietiging, een aanvang vier maanden nadat de gemotiveerde beslissing is meegedeeld”. 6.11. Een eventueel gebrek in de kennisgeving “na het nemen van de gunningsbeslissing” (artikel 8, § 1, eerste lid, van de rechtsbeschermingswet) heeft mogelijk een invloed op de verjaringstermijn om een beroep in te stellen, maar tast prima facie de rechtmatigheid van de beslissing zelf om de offerte van de verzoekende partij als substantieel onregelmatig te verklaren niet aan. De schending van artikel 9/1 is op het eerste gezicht niet dienstig. 6.12. Het middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting 6.13. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan “van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van [de] bestuurshandelingen, schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de motiveringsplicht, XII-8776-11/14 het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheids- beginsel”. De verzoekende partij licht toe dat om te voldoen aan de formelemotiveringsplicht de in de akte zelf aangehaalde motieven zowel juridisch als feitelijk afdoende moeten zijn. De verzoekende partij stelt vast “dat niet voldaan is aan bovenvermelde voorwaarden nu de door verweerder aangehaalde motieven noch juridisch noch feitelijk afdoende zijn”. Beoordeling 6.14. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ – het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zijn te dezen met een enig verzoekschrift ingediend – vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. Onder “middel” in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van het voormelde besluit van de Regent van 23 augustus 1948 wordt verstaan: een voldoende duidelijke omschrijving van de rechtsregel of het rechtsbeginsel waarvan de schending wordt ingeroepen, alsook van de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing wordt geschonden. Met “voldoende duidelijk” wordt bedoeld dat geen veronder- stellingen moeten worden gemaakt over de juiste bedoelingen van de verzoekende partij, die in werkelijkheid de Raad van State ertoe zouden brengen in de plaats van de verzoekende partij het verzoekschrift te redigeren. Opdat een door haar aangevoerd middel ontvankelijk zou zijn, dient een verzoekende partij niet alleen duidelijk te maken welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden acht, maar ook op welke wijze, naar haar oordeel, die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing wordt miskend. XII-8776-12/14 6.15. Te dezen moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij onvoldoende aanduidt op welke wijze de in het middel ingeroepen bepalingen en beginselen door de bestreden beslissing zouden zijn geschonden. De verzoekende partij beperkt er zich immers in wezen toe te stellen: “de door de verweerder aangehaalde motieven [zijn] noch juridisch noch feitelijk afdoende”. Een dergelijke summiere uiteenzetting kan op het eerste gezicht geenszins worden aanzien als een middel in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van het voormelde Regentsbesluit. Het valt niet aan de Raad van State toe om in de plaats van de verzoekende partij een middel te redigeren. 6.16. Het middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting 6.17. In een vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan “van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel – geen mogelijkheid tot verhaal of niet voldaan aan de rechten van verdediging”. De verzoekende partij licht toe dat haar op geen enkele wijze de mogelijkheid werd gelaten “een en ander toe te lichten of te regulariseren”. Er werd geen tegensprekelijk debat gevoerd. De verzoekende partij betoogt dat het recht om gehoord te worden nochtans een beginsel van behoorlijk bestuur is, die “in wezen bindende publiekrechtelijke rechtsregels [zijn] die door de rechter uit de geldende positieve rechtsorde worden afgeleid”. Ingevolge het “uitblijven van het horen van verzoeker worden zijn rechten van verdediging geschonden”. XII-8776-13/14 Beoordeling 6.18. Uit de beoordeling van het eerste middel is op het eerste gezicht gebleken dat de offerte van de verzoekende partij met een substantiële onregel- matigheid is behept. Enige regularisatiemogelijkheid lijkt bijgevolg onbestaande. De verzoekende partij ontbeert dan ook op het eerste gezicht het rechtens vereiste belang bij het middel. 6.19. Het middel is niet ernstig. VI. Besluit 6. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 september 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Johan Bovin XII-8776-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.414 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.571 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div