← België

Arrest 245422 - O.C.M.W. - 12/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.422 Rolnummer: A. 229007/IX-9606 Zaak: Arrest 245422 - O.C.M.W. - 12/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-12 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 21:56 Fiche Arrest nr 245.422 van 12 september 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.422 van 12 september 2019 in de zaak A. 229.007/IX-9606 In zake:

  1. Bernard VANDEPUTTE
  2. Johan VANDEPUTTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Vandromme kantoor houdend te 8500 Kortrijk Nelson Mandelaplein 2 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Snick kantoor houdend te 8900 Ieper Frenchlaan 8 tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN IEPER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Becker kantoor houdend te 8500 Kortrijk Loofstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 3 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van [het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschap- pelijk welzijn van Ieper] van 19 augustus 2019 over een openbare verpachting waarbij, met het oog op het afsluiten van een lange pacht zoals voorzien in artikel 8 § 2 Pachtwet, beslist wordt om - een lot A (Ieper, 12de afdeling, sectie A, nrs 427, 421, 423A, 420, 419, 260A en delen van 428A, 424, 254, 256, 257, 261 en 261c) toe te wijzen aan [F.P.] (arti- IX-9606-1/9 kel 1), op voorwaarde dat hij akkoord gaat met een pachtbeëindiging in onderling akkoord op het perceel nr. 74D (12de Afdeling, sectie G), maar ook impliciet wordt beslist om lot A niet aan [Bernard Vandeputte en Johan Vandeputte] toe te wijzen. - het lot B (Ieper, 12de afdeling, Sectie A, nrs. 251A, 252A, 247F, 267, 268, 269, 276A, 271, 272, 273 en delen van 262C, 251B, 252A02, 253, 266, 265, 304A en 304B) wordt toegewezen aan [Bernard Vandeputte en Johan Vandeputte] (arti- kel 2).” II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2019, om 10.30 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Vandromme, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Bart De Becker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 1 april 2019 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Ieper om “de IX-9606-2/9 percelen, kadastraal gekend als Ieper, 12e afdeling, sectie A, nummers 0272, 0247F, 0252A, 0251A, 0273, 0268, 0269, 0271, 0276A, 0267, 0260A, 0419, 0420, 0423A, 0427, 0421 en delen van nummers 428A, 304B, 304A, 262C, 261, 265, 266, 253, 257, 256, 255, 254, 424, 252A2 en 251B die vrij zijn gekomen van pacht, opnieuw openbaar te verpachten in twee loten”. 3.
  7. Die openbare verpachting wordt bekendgemaakt met ter plaatse aangeplakte affiches en via diverse publicaties. Ook worden de aanpalende eige- naars of gebruikers schriftelijk van de verpachting in kennis gesteld. Zo ontvangen de verzoekers, die eerder bij een openbare verkoop vanwege het OCMW van Ieper “[e]en hoeve met aanhorigheden op en met grond gelegen te Ieper (Vlamertinge), Poperingseweg 332” hebben gekocht, een brief van het OCMW van 6 mei 2019 waarbij hen wordt meegedeeld dat het OCMW zal overgaan tot de openbare verpachting van twee loten landbouwgrond te Vlamer- tinge. Luidens die brief gaat het om de percelen die kadastraal respectievelijk gekend zijn als “Ieper, 12e afdeling, sectie A, nummers 427, 421, 423A, 420, 419, 260A en delen van 428A, 424, 254, 255, 256, 257, 261 en 262c, 12ha 19a 26ca groot” (lot A) en “Ieper, 12e afdeling, sectie A, nummers 251A, 252A, 247F, 267, 268, 269, 276A, 271, 272, 273 en delen van 262C, 251B, 252A02, 253, 266, 265, 304A en 304B, 15ha 48a 88ca groot” (lot B). Het kohier van lasten en voorwaarden met betrekking tot deze verpachting en het inschrijvingsformulier zijn bij de voormelde brief gevoegd. 3.
  8. Op 20 juni 2019 schrijven de verzoekers in voor de openbare verpachting en doen zij een bod voor beide loten. 3.
  9. Op 28 juni 2019 worden de inschrijvingen geopend. Er zijn negentien inschrijvingen voor lot A, achttien inschrijvingen voor lot B. IX-9606-3/9 3.
  10. Op 19 augustus 2019 neemt het vast bureau van het OCMW van Ieper de volgende beslissing over de toewijzing van de verpachting: “Artikel 1: Om lot A, voorheen kadastraal gekend als Ieper, 12e afdeling, sectie A, nummers 427, 421, 423A, 420, 419, 260A en delen van 428A, 424, 254, 255, 256, 257, 261 en 262c, 12ha 19a 26ca groot, toe te wijzen aan [F.V.], op voorwaarde dat hij akkoord gaat met de pachtbeëindiging in onderling ak- koord op het perceel kadastraal bekend als Ieper, 12e afdeling, sectie G, nr. 0074D, 2ha 19a 67ca groot. Artikel 2: Om lot B, voorheen kadastraal gekend als Ieper, 12e afdeling, sectie A, nummers 251A, 252A, 247F, 267, 268, 269, 276A, 271, 272, 273 en delen van 262C, 251B, 252A02, 253, 266, 265, 304A en 304B, 15ha 48a 88ca groot, toe te wijzen aan de broers Bernard en Johan Vandeputte. Artikel 3: Akkoord te gaan met het afsluiten van een lange pacht zoals be- doeld in artikel 8 § 2 van de pachtwet met een eerste gebruiksperiode van 27 jaar met bovengenoemde kandidaat-pachters en dit met ingang van 1/09/
  11. […].” De verzoekers onderkennen hierin de bestreden beslissing, met inbegrip van de impliciete beslissing om lot A niet aan hen toe te wijzen. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  12. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver- werende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  13. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- IX-9606-4/9 zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting
  14. De verzoekers betogen met betrekking tot de schorsingsvoor- waarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering: “Bij deze bestreden beslissing is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 be- treffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake over- heidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies van toepassing. Op basis van artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de hierbij bestreden beslissingen in aanwe- zigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schor- sing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient hierbij dan ook enkel nog te wor- den onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de be- streden beslissingen kunnen verantwoorden.” Beoordeling
  15. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State. Ze herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onom- stootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is.
  16. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de IX-9606-5/9 Raad van State‟ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake- lijkheid wordt aangevoerd, “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aanne- melijk moet maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, on- herroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te tref- fen.
  17. In dit geval achten de verzoekers zich klaarblijkelijk vrijgesteld van de voormelde verplichting om de aangevoerde uiterst dringende noodzake- lijkheid van hun vordering aan de hand van precieze en concrete gegevens te on- derbouwen en aan te tonen. Zij stellen dat zij zich daarvoor kunnen beroepen op artikel 15, eerste en tweede lid, van de wet van 17 juni 2013 „betreffende de mo- tivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟.
  18. Artikel 15, eerste en tweede lid, van de wet van 17 juni 2013 luidt als volgt: “Onder dezelfde voorwaarden als die bedoeld in artikel 14 en zonder dat het bewijs van spoedeisendheid is vereist, kan de verhaalinstantie, in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid, eventueel op straffe van een dwangsom, de uitvoering van de in artikel 14 bedoelde beslissingen schorsen en, wat betreft de Raad van State, zolang het vernietigingsberoep bij hem aanhangig is: 1° de voorlopige maatregelen bevelen om de beweerde schending ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen worden geschaad; 2° de voorlopige maatregelen bevelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar uitspraak. Naargelang de bevoegde verhaalinstantie overeenkomstig artikel 24, worden de vordering tot schorsing en de vordering tot voorlopige maatregelen inge- diend uitsluitend volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State, dan wel uitsluitend in kort geding voor de gewone rechter.” IX-9606-6/9 Krachtens artikel 3 van de wet van 17 juni 2013 zijn de zo-even aangehaalde bepalingen van toepassing op “de opdrachten, kwalificatiesystemen en dynamische aankoopsystemen die ressorteren onder de wet inzake overheids- opdrachten en die het vastgestelde bedrag voor de Europese bekendmaking be- reiken”, alsook op “de concessies die onder de wet betreffende de concessies val- len en waarvan de waarde het vastgestelde bedrag voor de Europese bekendmaking bereikt”.
  19. De verpachting van landeigendommen door openbare besturen is geregeld bij de wet van 4 november 1969 „tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders en landeigendommen‟, de zogenoemde pachtwet. De wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ lijkt, alvast in beginsel, niet van toepassing op de toewijzing van een pacht door het bestuur. Luidens artikel 2, 17°, van de laatstgenoemde wet, moet immers voor de toepassing van deze wet onder „overheidsopdracht‟ worden verstaan: “de overeenkomst onder bezwarende titel die wordt gesloten tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbesteders en die betrekking heeft op het uitvoeren van werken, het leveren van producten of het verlenen van diensten”. De verzoekers tonen niet aan dat de bestreden beslissing de toewijzing van een der- gelijke opdracht zou beogen. Voorts beweren zij zelfs niet dat de betwiste toewij- zing een concessie zou betreffen zoals bedoeld in de wet van 17 juni 2016 „be- treffende de concessieovereenkomsten‟. De omstandigheid dat de toewijzing van de verpachting door het OCMW is gebeurd “op grond van een openbare procedure”, zoals bedoeld in artikel 18 van de pachtwet, betreft het openbaar karakter van de verpachting waarbij de toewijzing door het bestuur slechts gebeurt nadat het beroep heeft ge- daan op de mededinging tussen alle gegadigden, maar impliceert op zich niet dat die bestuurshandeling zou moeten worden gekwalificeerd als de toewijzing van een overheidsopdracht of een concessie. IX-9606-7/9
  20. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de verzoekers geheel in gebreke blijven de uiterst dringende noodzakelijkheid van hun vordering in hun inleidend verzoekschrift aan te tonen, zoals nochtans is voorgeschreven door het reeds vernoemde artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟. De uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering kan dan ook niet worden aangenomen.
  21. Aldus is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat de vordering tot schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt de vordering.
  23. De verzoekende partijen worden verwezen, elk voor de helft, in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, be- groot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechts- plegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9606-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 septem- ber 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9606-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.422 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.