← België

Arrest 245441 - Examens (onderwijs) - 16/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.441 Rolnummer: A. 229037/IX-9608 Zaak: Arrest 245441 - Examens (onderwijs) - 16/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-17 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 07:15 Fiche Arrest nr 245.441 van 16 september 2019 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.441 van 16 september 2019 in de zaak A. 229.037/IX-9608 In zake: Kevin YANUKASHVILI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW TACHKEMONI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 6 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Tachkemoni van 22 augustus 2019 waarbij een oriënteringsattest C wordt toegekend aan Kevin Yanukashvili. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 september 2019, om 10.30 uur. IX-9608-1/14 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe- kende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is voor het schooljaar 2018-2019 ingeschreven als leerling in het eerste leerjaar van de derde graad „wetenschappen-wiskunde‟ (ASO) in het Tachkemoni atheneum te Antwerpen. Op het einde van het schooljaar behaalt hij een algemeen totaal van 42%, met jaartekorten voor Tenach (49%), Hebreeuws (48%), Joodse ge- schiedenis (33%), Nederlands (44%), Frans (36%), Engels (41%), wiskunde (26%), biologie (48%), fysica (44%), chemie (37%), geschiedenis (39%) en on- derzoekscompetenties (49%). De delibererende klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsattest C toe. Overleg met de directeur leidt tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad. De klassenraad oordeelt dat “het behoud van een C-attest de beste optie is voor [verzoeker]”. Die beslissing wordt als volgt toege- licht: IX-9608-2/14 “Wij zijn bijzonder geschokt over de situatie waarin [verzoeker] dit jaar heeft moeten studeren en begrijpen nu waarom zijn punten zo erg achteruit gegaan zijn. Jammer genoeg zien we echter geen oplossing voor de vele tekorten die [verzoeker] behaalde. De mogelijkheid om bijkomende proeven af te leg- gen lijkt ons bijzonder moeilijk omdat het onmogelijk is dit voor alle vakken te doen. Daarnaast zou om te kunnen slagen de tekorten op de overige vakken gedelibereerd moeten worden. Dit zou ervoor zorgen dat [verzoeker] met zo‟n grote achterstand start, dat slagen in het zesde jaar zeer moeilijk of zelfs onmogelijk wordt. Voor eventuele bijkomende proeven zou [verzoeker] zich eveneens maar beperkt kunnen voorbereiden, dit door gebrek aan tijd (2 maanden) en een nog steeds precaire thuissitu- atie.” 3.
  5. Op 2 juli 2019 stellen de ouders van verzoeker beroep in bij het schoolbestuur, waarvan het gedeelte “in rechte” luidt: “II.
  6. Bijzondere omstandigheden Het is duidelijk dat er dit jaar diverse problemen zijn geweest die een in- vloed hebben gehad op de resultaten van verzoeker. Men kan deze impact niet ontkennen. Het gehele dossier is duidelijk niet in rekening gebracht. Onderstaand zetten verzoekers nogmaals de bijzondere omstandigheden waarin [verzoeker] zich bevond uiteen: Verzoekers bevonden zich in een vreselijke situatie van intimidatie, het was dermate ernstig dat zij zelfs ‟s nachts lastig werden gevallen. Ver- zoekers hebben hieromtrent klacht neergelegd bij de politie. Verzoekers werden tevens uit hun gemeenschap verstoten. Ze werden overal gemeden en nooit meer uitgenodigd op feesten. Door deze situatie waren de ouders van [verzoeker] dermate onder de in- druk, dat zij geen rekening meer hielden met de behoeftes en noden van hun zoon. Voor [verzoeker] heeft dit grote gevolgen gehad, hij is hierdoor zowel fy- siek als emotioneel veranderd. Aangezien hij een zeer introvert persoon is, heeft hij deze veranderingen voor zichzelf gehouden. Verzoeker kon zijn angsten en verdriet met niemand delen. Toen de ouders van [verzoeker] door hadden dat wat er scheelde met hun zoon was het echter te laat en konden zijn resultaten niet meer gered wor- den. Op basis van het bovenstaande kan besloten worden dat de bestreden be- slissing geen rekening gehouden [heeft] met het volledige dossier van verzoeker. Zo stelt de Raad van State nochtans: De delibererende klassenraad lijkt in de aangevochten beslissing geen rekening te hebben gehouden met alle concrete gegevens van het leerlingendossier, of heeft die minstens niet op afdoende wijze IX-9608-3/14 tot uitdrukking gebracht. Daarenboven lijkt zij niet voldoende aandacht te hebben besteed aan de bezwaren van de verzoekende partij. De klassenraad moet in haar motivering blijk geven van een zorgvuldige afweging. De verzoekende partij mag een antwoord op haar klachten ver- wachten, hetzij finaal in de beslissing van de delibererende klas- senraad, hetzij ten minste in het advies van de beroepscommissie. II.
  7. [Dit] element maakt dat men zich de vraag kan en dient te stellen of de resultaten die voorliggen het werkelijke kunnen van de leerling reflecteren. Het maakt daarbij niet uit of de school wel of niet op de hoogte is: de pro- blematiek is er en heeft een rol gespeeld (zeker omdat er niet voldoende hulp werd geboden). De klassenraad kan dus zich niet zomaar steunen op de naakte cijfers om tot een beoordeling te komen, deze zijn immers aan- getast door de hoger vermelde omstandigheden. Ofwel erkent men dat deze een invloed hebben gehad en dat deze in het licht van het feit dat verzoeker de afgelopen schooljaren steeds goede re- sultaten behaalde tot een A-attest kunnen leiden, ofwel moet men vast- stellen dat men een zekere twijfel heeft omtrent de representativiteit van deze cijfers in het licht van de kennis van de leerling. In dat laatste geval dienen er dus bijkomende proeven of alternatieve maatregel opgelegd te worden. De bestreden beslissing geeft geen globale beoordeling zoals nochtans vereist, houdt geen rekening met de ingeroepen elementen en faalt in zijn motivering. De motivering focust zich enkel op de tekorten. Enkel reeds hierdoor is de beslissing onwettig, want de beroepscommissie dient het hele dossier en dus ook de positieve resultaten van de leerling in de be- slissing te betrekken. [Verzoeker] vraagt dan ook dat u rekening houdt met bovenstaande uit- zonderlijke omstandigheden en om deze redenen verzoeker te horen en de beslissing te herzien en dat een A-attest zou worden toegekend. Minstens dient aan verzoeker uitgestelde proeven te worden toegekend gelet op de uitzonderlijke omstandigheden en de impact die dit heeft gehad op het normaal functioneren en presteren van [verzoeker]. Op deze wijze kan verzoeker bewijzen dat hij de achterstand opgelopen door de persoonlijke problemen heeft ingelopen. Verzoekers hebben geen bezwaar om indien de interne beroepscommissie dit nodig acht een alternatieve maatregel uit te voeren teneinde alle twijfel over het kunnen van verzoeker weg te nemen (vakantietaak, bijkomend[e] proef, literatuurstudie, …).” 3.
  8. Op 22 augustus 2019 beslist de beroepscommissie om het C-attest te handhaven. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “De taak van de beroepscommissie is om minstens een antwoord te geven op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten zij gegrond zijn, mogelijk tot een voor de leerling beter resultaat leiden. IX-9608-4/14 De inhoud van de examens en proeven die van de leerling zijn afgenomen, noch de verbetering van deze examens en proeven staat ter discussie. In het beroepsschrift van de ouders wordt als enige argument „uitzonder- lijke omstandigheden‟ ingeroepen, door een weerslag op de leerling van beweerde feiten die omschreven worden als: „Verzoekers bevonden zich in een vreselijke situatie van intimida- tie, het was dermate ernstig dat zij zelfs ‟s nachts lastig werden gevallen. Verzoekers hebben hieromtrent klacht neergelegd bij de politie. Verzoekers werden tevens uit hun gemeenschap verstoten. Ze werden overal gemeden en nooit meer uitgenodigd op feesten.‟ Het beroepschrift bevat als bewijsstukken enkel de deliberatiebeslissing en het jaarrapport. Van de beweerde omstandigheden wordt geen bewijs voorgebracht. Zelfs van de beweerde klacht bij de politie wordt geen pro- ces-verbaal voorgebracht. Volgens het beroepschrift zou de situatie een zware emotionele druk heb- ben gezet op [verzoeker], emotionele druk die zou moeten verklaren waarom [verzoeker] minder goed is gaan presteren. [Verzoeker] heeft echter op school geen enkele blijk van een depressieve of gestresseerde toestand. Het leerlingendossier bevat hiervan geen spoor. Er is bij een leerkracht een vermoeden van pesten gerezen, dat onmiddellijk werd onderzocht. In een gesprek dat plaats vond op 26/02 verklaart [ver- zoeker] dat hij niet gepest wordt en dat, indien dat toch het geval zou zijn, hij zich best in staat voelt de betreffende leerling aan te spreken (p.7 van het schoolverslag). Uit de commentaren van de leerkrachten blijkt net dat [verzoeker] te sociaal is in de klas en het lesgebeuren stoort. De „uitzonderlijke omstandigheden‟ worden niet bewezen in het beroep- schrift. De voorgespiegelde emotionele weerslag op [verzoeker] wordt evenmin bewezen. Tijdens de hoorzitting verduidelijkt meester Van Geel dat de problematiek binnen de familie om een financiële kwestie met de grootouders van [verzoeker] zou gaan, waarbij de schuldeisers ook de ouders van [verzoe- ker] hebben aangesproken. Meester Van Geel verklaart dat er nog een procedure loopt, maar brengt wederom geen stukken hiervan bij. Er worden twee bijkomende bewijsstukken voorgebracht: - Een Engelstalig document dat dezelfde dag als de hoorzitting werd opgesteld door Rabbi [E.C.]. Hierin wordt verwezen naar extreme familieomstandigheden. Er wordt geen enkel detail gegeven dat de beroepscommissie kan toelaten zich een opinie te vormen of zelfs maar te onderzoeken of het gaat over de problemen geschetst door meester Van Geel. - Een document dat de naam draagt van [W.D.]. Het document is niet ondertekend en bevat de verklaring dat [verzoeker] van „mid- den juli‟ tot „midden september‟ bijles „volgde‟, terwijl het docu- ment is opgesteld op 22 augustus. Niet enkel is dit document weinig concreet wat de inhoud van de bijlessen betreft, maar het is ook volstrekt onduidelijk welke kwalificaties [W.D.] heeft om les te kunnen geven, laat staan om in de plaats van een delibererende IX-9608-5/14 klassenraad een oordeel te vormen over het vermogen van een leerling. Er wordt door meester Van Geel daarenboven ook ge- sproken over bijlessen Nederlands, die echter niet door [W.D.] werden gegeven en waar dus geen begin van bewijs van voorligt. De klasleerkrachten hebben inderdaad vastgesteld dat [verzoeker] zich een deel van het schooljaar op een ongezonde manier heeft gefocust op fysieke ontwikkeling, na een periode van overgewicht. Dit valt te lezen in het overzicht van de leerlingenbegeleiding. Uit niets blijkt dat dit iets te maken had met een drang naar beschermen van de familie, zoals nu wordt gesteld. De fysieke focus is een probleem dat reeds in januari 2019 werd aangepakt, blijkens het chronologisch overzicht van de leerlingenbegeleiding. Dit gegeven zou de beweerde extreme familiale problemen situeren vóór de kerstvakantie, terwijl ook nadien voldoende beoordelingselementen in het dossier aanwezig zijn om de beslissing tot het toekennen van een C-attest te ondersteunen. Er worden geen uitzonderlijke omstandigheden bewezen die de beoorde- lingsgegevens aantasten, zodat bijkomende proeven niet noodzakelijk zijn. De door de vakleerkrachten aangeleverde cijfers worden op geen andere manier betwist en worden geacht op een bekwame manier tot stand te zijn gebracht. Uit deze cijfergegevens en de vak-commentaren blijkt dat niet kan worden voorgehouden dat de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen in voldoende mate zijn bereikt. Een zeer zware onvoldoende voor Wiskunde en Chemie en onvoldoende resultaten voor Biologie, Fysica en Onderzoek-competenties (naast andere tekorten) kunnen tot geen andere vaststelling leiden dan deze van de klas- senraad: [verzoeker] wordt niet bekwaam geacht zijn studies voort te zetten in het volgende leerjaar. Hij mist daar eenvoudigweg de basiskennis voor. De commentaren van de individuele leerkrachten schetsen duidelijk de vakspecifieke problemen. De synthese daarvan in de door de klassenraad genomen deliberatiebeslissing is voor de beroepscommissie een redelijke beslissing. De problemen betreffen vakken die profielbepalend zijn voor de richting en zijn voldoende ernstig. De vraag om een graadsbeoordeling te maken door de deliberatiebeslissing uit te stellen, wordt niet opportuun geacht door de beroepscommissie. Het C-attest, dat wordt onderschreven door de beroepscommissie, bevat im- mers ook een vorm van toekomstvisie op basis van het leerlingendossier. Deze toekomstvisie is negatief: [verzoeker] wordt niet bekwaam geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar. Er is dan ook geen reden om hem dit tweede leerjaar van de derde graad te laten aanvatten. Het te- gendeel is niet in het belang van de leerling, die het op studiegebied al moeilijk heeft en het risico loopt om twee schooljaren te verliezen.” IX-9608-6/14 IV. Regelmatigheid van de procedure
  9. Verzoeker legt ter terechtzitting nieuwe overtuigingsstukken neer. Ze worden uit het debat geweerd aangezien ze bij het verzoek- schrift konden worden gevoegd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  11. Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State, dat het bestreden attest voor hem het verlies van een schooljaar betekent en dat een gewone schorsingsprocedure te laat dreigt te komen om dit nadeel nog nuttig te keren. De eerste schorsingsvoorwaarde is vervuld, wat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen overigens uitdrukkelijk niet betwist. IX-9608-7/14 VII. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  12. Verzoeker put een enig middel uit de schending van het zorg- vuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. Hij betoogt dat diverse elementen los van elkaar aantonen “dat er zich […] bijzondere en zelfs zeer ernstige omstandigheden hebben voorgedaan die een enorme impact op [zijn] resultaten hebben gehad”. Hij verwijst naar de te- rugval in punten, elementen in het leerlingendossier die wijzen op een merkwaar- dige persoonlijkheidsverandering, het empathisch bericht van de directie, de ver- klaring van een rabbijn en de emotie van de ouders op de hoorzitting. De beroepscommissie antwoordt hierop zeer summier en weigert gebruik te maken van de zeer verregaande onderzoeksmogelijkheden waarover zij beschikt, wat onzorgvuldig is. De commissie is niet overgegaan tot een correcte feitenvinding en zij schuift haar taak als administratieve beroepsinstantie volledig aan de kant. Hierdoor is ook de materiëlemotiveringsplicht geschonden, want de beslissing steunt niet op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen. De beroepscommissie wimpelt de feiten af die voorheen noch de directeur, noch de klassenraad in twijfel hebben getrokken. Dat is onredelijk vol- gens verzoeker. Er ligt in het dossier “geen enkel aspect” voor waarom de ouders niet geloofd zouden mogen worden. De beroepscommissie had eenvoudig kunnen vragen om haar de procedurestukken te bezorgen die zij noodzakelijk acht. IX-9608-8/14 De beroepscommissie situeert de problematiek verkeerd, dit is het gevolg van haastwerk en een gebrek aan wil om te achterhalen wat er werkelijk aan de hand is geweest. Beoordeling
  13. Samen met de beroepscommissie wordt vastgesteld dat verzoe- ker niet de cijfers betwist zoals die op zijn rapport tot uitdrukking zijn gebracht. Het gaat om een jaartotaal van 42%, met twaalf jaartekorten, waaronder bijzonder zware tekorten voor profielbepalende vakken zoals wiskunde en chemie. Het is een studieresultaat waarvoor de leerling in redelijkheid enkel een C-attest mag verwachten.
  14. Verzoeker heeft echter voor de beroepscommissie aangevoerd dat hem een A-attest moest worden toegekend, minstens dat hij de gelegenheid moest krijgen om middels uitgestelde proeven aan te tonen dat hij “de [opgelopen] achterstand […] heeft ingelopen”. Voor die eis deed hij “bijzondere omstandigheden” gelden.
  15. In de hiervóór aangehaalde bestreden beslissing oordeelt de beroepscommissie dat van de ingeroepen “bijzondere omstandigheden” alvast in het beroepschrift “geen bewijs [wordt] voorgebracht”. Ook de twee documenten die nog ter zitting bij de commissie worden neergelegd – een verklaring van een rabbijn en een verklaring van W.D. – kunnen haar niet overtuigen en zij legt ook uit waarom. Vervolgens oordeelt de beroepscommissie dat de cijfers aanto- nen dat de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate zijn bereikt, dat de pro- blemen ook profielbepalende vakken betreffen en dat de tekorten voldoende ern- IX-9608-9/14 stig zijn. De commissie besluit dat verzoeker niet bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgende leerjaar en dat het C-attest dus wordt ge- handhaafd.
  16. Verzoeker brengt daar voor de Raad van State wezenlijk tegen in dat de beroepscommissie zich niet, minstens niet zorgvuldig van haar taak heeft gekweten door de aangevoerde “bijzondere omstandigheden” zonder meer als niet-bewezen af te doen, terwijl enerzijds stukken voorlagen en anderzijds de commissie geen gebruik heeft gemaakt van haar “zeer verregaande en actieve onderzoeksmogelijkheden”.
  17. Allereerst, wat de onderzoeksmogelijkheden van de beroeps- commissie betreft. De beroepscommissie moet in de eerste plaats beoordelen of de ingeroepen uitzonderlijke omstandigheden werkelijk bestaan en vervolgens pas of deze omstandigheden schoolse gevolgen verantwoorden, bijvoorbeeld de daarop gesteunde concrete vraag van de leerling om het toegekende attest te heroverwegen of om uitgestelde proeven toegekend te krijgen. Een leerling die een ongunstige evaluatiebeslissing gekeerd wil zien en die daarvoor “bijzondere omstandigheden” aanvoert, moet op het eerste gezicht zelf concrete elementen en alle nodige en ondubbelzinnige overtuigings- stukken van die uitzonderlijke omstandigheden bijbrengen. Met een “bewijsvoering” die het houdt op algemeenheden of een feitenrelaas waarvan een beroepscommissie de waarachtigheid op generlei wijze kan nagaan, mag het op het eerste gezicht niet verbazen dat het verzoek niet wordt ingewilligd. De leerling kan zich er dan niet nuttig op beroepen dat het be- trokken orgaan over “verregaande en actieve onderzoeksmogelijkheden” beschikt. IX-9608-10/14 Opdat de beroepscommissie haar onderzoeksmogelijkheden zou inzetten, mag zij prima facie minstens een begin van bewijs verwachten van de kant van de leerling. De onderzoeksbevoegdheid van de beroepscommissie lijkt niet erop gericht een onvolmaakt of onvoldragen beroepschrift te verhelpen. Als verzoeker het in dat verband heeft over “een vreselijke situ- atie van intimidatie”, waaromtrent door zijn ouders “klacht [werd] neergelegd bij de politie”, dan lijkt het bewijs zelfs bij uitstek door hem zelf te kunnen én moeten worden geleverd, bijvoorbeeld door het bijbrengen van één of meerdere proces- sen-verbaal waarin die klachten beschreven zijn. Het kan prima facie bezwaarlijk aan de beroepscommissie worden verweten dat zij niet de nodige stukken bij de politiediensten heeft opgevraagd, noch lijkt het waarschijnlijk dat zij die ook ge- kregen zou hebben. Nog daargelaten de vraag wat de toegevoegde waarde van een verklaring van een rabbijn kan zijn voor de door verzoeker aangevoerde “bijzon- dere omstandigheden”, lijkt het de beroepscommissie evenmin euvel te kunnen worden geduid een volstrekt vage verklaring niet eigener beweging te hebben aangevuld met bijkomende gegevens die bij derden – dit wil zeggen: personen of instanties buiten de school – te verkrijgen waren. Eerder dan een gebrek aan zorgvuldig handelen te verwijten aan een beroepscommissie die, geconfronteerd met een totaal ontbreken van sta- vingsstukken, een beroep om die reden afwijst, lijkt aan een verzoeker die nalaat bewijsstukken over te leggen waarover hij en hij alleen beschikt, een schending van de op hém rustende zorgvuldigheidsplicht ten laste te kunnen worden gelegd. Daarvan moet die verzoeker op het eerste gezicht dan ook de gevolgen dragen, namelijk door de door hem aangevoerde “bijzondere omstan- digheden” voor niet-bewezen gehouden te zien. IX-9608-11/14
  18. Verzoeker stelt daarnaast dat in het leerlingendossier “overeen- stemmende elementen” te vinden zijn die op zich reeds volstaan, volgens hem, om zijn relaas te ondersteunen. De Raad valt verzoeker daarin niet bij. Dat er een terugval van de cijfers is valt hoegenaamd niet te ontkennen, maar hoe die terugval het bewijs moet leveren van de “bijzondere omstandigheden” die verzoeker aanvoert, valt niet goed in te zien. Verzoeker lijkt zo een kromme redenering te volgen. De vraag of de “merkwaardige „persoonlijkheidsveranderin- gen‟” op zich al een vraag om bijkomende proeven zouden verantwoorden – laat staan een A-attest – kan vooralsnog onbeantwoord blijven, precies omdat ver- zoeker zijn verzoek aan de beroepscommissie daarop niet gesteund lijkt te hebben. Dat de directeur of de delibererende klassenraad “de feiten” niet eerder in twijfel hebben getrokken doet niets af aan wat voorafgaat, zo lijkt. Im- mers, de beroepscommissie heeft volheid van bevoegdheid en dient zelf het dossier van verzoeker en zijn argumenten op hun merites te beoordelen. Van de verklaring van de rabbijn is hiervóór al gebleken dat deze geen ander licht werpt op de zaak.
  19. Verzoeker verwijt de beroepscommissie nog dat zij hem heeft aangespoord “om twee maanden te studeren voor uitgestelde proeven” om deze dan vervolgens “op botte wijze” te weigeren. Wat aan die “aansporing” onzorgvuldig of onredelijk zou zijn, maakt verzoeker in het geheel niet duidelijk. Het lijkt inderdaad niet meer dan een boodschap voor de leerling om zich voor te bereiden op “mogelijke” uitgestelde proeven. Zo worden de slaagkansen van de leerling verhoogd, mocht de be- IX-9608-12/14 roepscommissie tot het besluit komen dat uitgestelde proeven moeten worden toegekend.
  20. Louter ten overvloede. Verzoeker werpt de vraag op, voor de beroepscommissie, of zijn resultaten wel zijn werkelijke kunnen reflecteren maar hij ontkracht noch in zijn beroepschrift voor de beroepscommissie, noch in zijn inleidend verzoekschrift bij de Raad van State de vaststelling van die resultaten op zich, noch de conclusie daaruit dat hij met zulke resultaten niet bekwaam geacht kan worden zijn studies voort te zetten in het volgende jaar en dat hij daar “een- voudigweg” de basiskennis voor mist. In zijn inleidend verzoekschrift voor de Raad bestrijdt hij dan weer niet meer de gemotiveerde weigering van de be- roepscommissie “om een graadbeoordeling te maken door de deliberatiebeslissing uit te stellen”. Verzoeker is voorts naar de beroepscommissie gestapt omdat hij zich niet kon vinden in de weigering om hem uitgestelde proeven toe te staan. Die weigering motiveerde de klassenraad “omdat het onmogelijk is dit voor alle vak- ken te doen” en omdat, zelfs in het geval hij voor sommige vakken “gedelibereerd” zou worden, verzoeker nog steeds met zo een grote achterstand zou starten dat slagen in het zesde jaar “zeer moeilijk of zelfs onmogelijk wordt”. De Raad stelt vast dat verzoeker in zijn beroepschrift voor de beroepscommissie enkel de “bij- zondere omstandigheden” ter sprake brengt – wat dus betrekking heeft op de oorzaak van de slechte cijfers – maar op het eerste gezicht niet poogt de voormelde vaststellingen van de klassenraad die los staan van de oorzaak van de lage cijfers en specifiek op de weigering van uitgestelde proeven betrekking hebben, te weerleggen.
  21. Als er iets “haastwerk” kan worden genoemd, dan lijkt dat wel het meest toepasselijk voor het beroepschrift bij de beroepscommissie.
  22. Het enige middel is niet ernstig. IX-9608-13/14 Er is niet voldaan aan de tweede schorsingsvoorwaarde. BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt de vordering.
  24. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 september 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9608-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.441 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.