id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.464 Rolnummer: A. 226121/IX-9379 Zaak: Arrest 245464 - Naamsveranderingen - 17/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-27 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 21:51 Fiche Arrest nr 245.464 van 17 september 2019 Justitie - Naamsveranderingen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.464 van 17 september 2019 in de zaak A. 226.121/IX-9379 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Edgar Boydens kantoor houdend te 3090 Overijse Brusselsesteenweg 292 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Astrid Gelijkens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64 bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 7 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 12 juli 2018 waarbij het verzoek van XXXX tot naamsverandering van ‘XXXX’ naar ‘Van Steenberge’ wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9379-1/8 Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Edgar Boydens, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behalve wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Toepassing kortedebattenprocedure Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij argumenteert dat artikel 10/1 van de wet van 15 mei 1987 ‘betreffende de namen en voornamen’ (hierna: de wet van 15 mei 1987), dat op 1 augustus 2018 in werking is getreden, bepaalt dat tegen de weigering van de minister van Justitie om de naamswijziging toe te staan beroep kan worden ingesteld bij de familierechtbank binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van de weigeringsbeslissing. Aangezien niet in specifieke overgangsmaatregelen is voorzien, is deze wetgeving van toepassing op alle lopende en nog in te stellen IX-9379-2/8 procedures inzake naamswijziging vanaf de datum van de inwerkingtreding. Bijgevolg had verzoeker zijn beroep moeten instellen bij de familierechtbank, uiterlijk op 13 augustus
- Verzoeker betwist deze exceptie. Hij laat gelden dat overeenkomstig artikel 21 van de wet van 15 mei 1987 de bepalingen van de hoofdstukken II en III van de voornoemde wet slechts toepassing vinden op de verzoeken die na de inwerkingtreding van die wet worden ingediend. Hij is van oordeel dat de Raad van State derhalve nog steeds bevoegd is en dat, gelet op de beroepstermijn van zestig dagen voorzien in de rechtspleging voor de Raad van State, het verzoekschrift ook tijdig is ingediend. Beoordeling
- Bij wet van 18 juni 2018 ‘houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing’ (hierna: de wet van 18 juni 2018) is de procedure voor een naamsverandering grondig gewijzigd. Wat betreft de beroepsmogelijkheid tegen een weigering om een naamswijziging toe te staan, is bij artikel 128 van de wet van 18 juni 2018 een artikel 10/1 ingevoegd in de wet van 15 mei 1987 dat luidde: “§
- Wanneer de minister van Justitie de naamswijziging weigert toe te staan, dan kan de betrokkene, overeenkomstig artikel 2, § 2, een vordering instellen via een verzoekschrift dat wordt gericht aan de familierechtbank. […] §
- De vordering moet worden ingesteld binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de minister van Justitie dan wel de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis geeft van de weigering de naams- dan wel voornaamswijziging toe te staan. §
- De familierechtbank beoordeelt de ernst van de redenen die aan het verzoek tot naamsverandering ten grondslag liggen en gaat na of de gewenste naam al dan niet aanleiding geeft tot verwarring en de aanvrager of derden al dan niet kan schaden. […]” IX-9379-3/8 Aldus blijkt dat tegen een weigering om een naamswijziging toe te staan beroep kan worden ingesteld bij de familierechtbank, binnen dertig dagen na de kennisgeving van de weigeringsbeslissing. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 juni 2018 is die bevoegdheidstoewijzing aan de familierechtbank als volgt toegelicht (Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 2919/3, 155-156): “Dit amendement neemt ten dele en in een aangepaste vorm de tekst over van het wetsvoorstel tot instelling van beroep met volle rechtsmacht in verband met de procedure om van naam of voornaam te veranderen (DOC 54K2854); dat wetsvoorstel beoogt, wanneer de naams- of voornaamswijziging niet wordt toegestaan, te voorzien in de mogelijkheid om een beroep in volle rechtsmacht in te stellen bij de familierechtbank, de geëigende rechtbank voor aangelegenheden inzake de staat van personen. Voor een mens is de familienaam een heel persoonlijk element van zijn burgerlijke staat. Uit statistische gegevens blijkt dat almaar meer burgers het nodig achten te veranderen van familienaam om zich echt goed te voelen. Die nood vloeit vaak voort uit een heel pijnlijke familiale voorgeschiedenis. Die mensen willen derhalve af van een naam waarmee ze zich niet kunnen vereenzelvigen, terwijl die naam net wordt geacht ze een identiteit te geven. De overheid kan die sociale nood momenteel alleen lenigen via de administratieve procedure om van naam te veranderen, zoals bepaald bij de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen en waarvan de wijziging wordt beoogd door het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en houdende wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing (DOC 54K2919). De naams- of voornaamswijziging is geen recht van de burger, maar een gunst die hem kan worden verleend door de overheid, in casu de minister van Justitie dan wel de ambtenaar van de burgerlijke stand, overeenkomstig de bij het voormelde wetsontwerp beoogde wijzigingen. Doordat die beslissing een bestuurshandeling is, kan in het Belgisch recht tegen een weigering van naams- of voornaamswijziging alleen bij de Raad van State beroep worden ingesteld. De beslissing om een gunst al dan niet toe te kennen, is in wezen discretionair. Het gevolg is dat betwisting alleen kan slaan op de motivering van die beslissing, met name op grond van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Een dergelijk beroep is een formele en administratieve handeling, maar is volgens de indieners van dit amendement geen passende oplossing voor het reële psychisch lijden van personen die door het leven moeten met een naam die zij niet als de ‘hunne’ aanvoelen; bovendien lijkt de Raad van State niet de aangewezen instantie om een aangelegenheid te beslechten die vooral de burgerlijke staat en het familierecht betreft, normaliter een bevoegdheid van de familierechtbank. IX-9379-4/8 Om aan de verwachtingen van de samenleving te voldoen en acht te slaan op de evolutie in de verhoudingen tussen de autonomie van de burgers en de maatschappelijke regulering door de Staat, is het wenselijk dat van de naamswijziging een volwaardig burgerlijk recht wordt gemaakt, zonder in te boeten op de controle op de ernst van de motieven van een verzoek tot naams- of voornaamswijziging. Derhalve wordt voorgesteld de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen te wijzigen door er een artikel 10/1 in op te nemen, waarbij wordt voorzien in de mogelijkheid bij de familierechtbank een beroep in te stellen tegen de weigering de naams- of voornaamswijziging toe te staan. De familierechtbank beoordeelt de ernst van de redenen die het verzoek onderbouwen en gaat na of de gevraagde naam of voornaam geen aanleiding tot verwarring geeft, en of die naam de aanvrager of derden niet kan schaden; die controle voorkomt misbruik van het verzoek om verandering van naam of voornaam, alsook aanvragen die door een bedrieglijk of kwaadwillig opzet zijn ingegeven. De beslissing van de familierechtbank wordt ter kennis gebracht van de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand, die de naams- of voornaamswijziging in voorkomend geval overneemt in de registers van de burgerlijke stand.” Met toepassing van artikel 136 van de wet van 18 juni 2018 is het voornoemde artikel 10/1 van de wet van 15 mei 1987 op 1 augustus 2018 in werking getreden. Er is niet voorzien in een overgangsregeling.
- Bij gebrek aan enige overgangsregeling voor de inwerkingtreding van artikel 10/1 van de wet van 15 mei 1987 in de wet van 18 juni 2018, dienen de beroepen tegen een weigering om een naamswijziging toe te staan vanaf 1 augustus 2018 aanhangig te worden gemaakt bij de bevoegde familierechtbank.
- In casu is het annulatieberoep ingesteld op 7 september
- De Raad van State was op dat moment niet langer bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen een weigering om een naamswijziging toe te staan.
- Tevergeefs beroept verzoeker zich op artikel 21 van de wet van 15 mei 1987, dat bepaalt dat de bepalingen van de hoofdstukken II en III van die wet slechts toepassing vinden op de verzoeken die na de inwerkingtreding van deze wet worden ingediend. Die overgangsbepaling stond in de wet van 15 mei IX-9379-5/8 1987 zoals die werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 juli 1987 en is geen overgangsbepaling van de wet van 18 juni 2018 waarvan de relevante bepalingen van kracht zijn sinds 1 augustus
- De wetgever heeft geoordeeld dat die bepalingen in werking moesten treden zonder overgangsmaatregelen.
- De exceptie is gegrond.
- Het auditoraat heeft terecht geoordeeld dat het geschil kan worden afgedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het algemeen procedurereglement. IV. Kosten en rechtsplegingsvergoeding
- Wat de respectieve vraag van verzoeker en van de verwerende partij betreft om de kosten van het beroep, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding, ten laste te leggen van de andere partij, wordt geoordeeld hetgeen volgt. Bij de kennisgeving van de bestreden beslissing bij schrijven van 12 juli 2018 is door de verwerende partij aan verzoeker meegedeeld dat hij hiertegen binnen zestig dagen een beroep tot nietigverklaring kon instellen bij de Raad van State. Bij het vermelden van die beroepsmogelijkheid is de verwerende partij voorbijgegaan aan de wet van 18 juni 2018 – bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 juli 2018 – waardoor vanaf 1 augustus 2018 niet langer de Raad van State maar de familierechtbank bevoegd is om kennis te nemen van beroepen tegen een weigering om een naamswijziging toe te staan. Aangezien verzoeker onjuist, of minstens onvolledig, werd voorgelicht over de instantie waarbij hij een jurisdictioneel beroep kon instellen, is IX-9379-6/8 er reden om de kosten voor het instellen van het beroep – het rolrecht en de bijdrage – ten laste van de verwerende partij te leggen. Wat de vraag tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, moet echter worden opgemerkt dat hoewel de verwerende partij verzoeker onjuist heeft voorgelicht aangaande de beroepsmogelijkheid, verzoeker er vrij voor heeft gekozen om middels een advocaat een beroep bij de Raad van State in te stellen. Gelet op de omstandigheden van de zaak wordt niet ingegaan op de verzoeken om een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. V. Anonimisering
- Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt de verzoeker dat bij de publicatie van het arrest zijn identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en bijdrage van 20 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9379-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 september 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9379-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.464 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div