← België

Arrest 245468 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 17/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.468 Rolnummer: A. 216462/IX-9516 Zaak: Arrest 245468 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 17/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-27 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-06-27 08:42 Fiche Arrest nr 245.468 van 17 september 2019 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.468 van 17 september 2019 in de zaak A. 216.462/IX-9516 In zake: Chretien MOORS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Lichtveld 38 bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 15 juli 2015, strekt tot de nietigverkla- ring van koninklijk besluit nr. 786 van 25 mei 2015 ‘betreffende een verlenging van een schorsing bij ordemaatregel van een beroepsofficier’. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 is het debat heropend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. IX-9516-1/7 Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor de verzoekende partij en adjudant Pieter-Jan Tuts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker was beroepsofficier niveau B, in de graad van kapi- tein-commandant. 3.
  6. Bij ministerieel besluit nr. 93.240 van 11 augustus 2014 wordt verzoeker bij ordemaatregel geschorst voor een periode van drie maanden naar aanleiding van een opsporingsonderzoek wegens “ernstige feiten”. Deze orde- maatregel wordt achtereenvolgens verlengd voor telkens drie maanden met ko- ninklijke besluiten van 23 november 2014 en 22 februari
  7. Met een koninklijk besluit van 25 mei 2015 wordt de schorsing bij ordemaatregel een derde maal verlengd voor een periode van drie maanden. Dit is het thans bestreden besluit. 3.
  8. Bij koninklijk besluit nr. 965 van 23 augustus 2015 wordt de schorsing bij ordemaatregel opnieuw verlengd voor een periode van drie maan- den. Het beroep tot nietigverklaring van dit besluit is bij de Raad van State be- kend onder nr. A. 217.129/IX-
  9. IX-9516-2/7 3.
  10. Uit stukken van het administratief dossier blijkt dat de voorlo- pige schorsing bij ordemaatregel is beëindigd op 28 november 2015 en dat er geen statutaire maatregel wordt opgelegd aan verzoeker. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  11. In haar arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak geoordeeld “dat verzoeker zijn belang bij de nietigverklaring van de bestreden ordemaatregel verloren heeft”, maar dat in het kader van het annulatieberoep “wel nog de aangevoerde middelen tot nietigverklaring te onderzoeken [blijven] en de eventuele onwettigheid van de ordemaatregel vast te stellen in zoverre dit onderzoek en de vaststelling nodig zijn om over de gevorderde schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen”. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  12. In een “Eerste en enige middel” voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukke- lijke motivering van de bestuurshandelingen’. De oorspronkelijke ordemaatregel werd gesteund op een lapi- daire en in de voorwaardelijke wijs gestelde mededeling van de procureur des Konings: tegen verzoeker loopt een opsporingsonderzoek wegens zedenfeiten met minderjarigen, namelijk door via een vals netlog-profiel contacten met min- derjarige meisjes te onderhouden, ook tijdens de werkuren in de kazerne. Zowel verzoeker als de verwerende partij hebben op regelmati- ge tijdstippen bij het parket geïnformeerd naar een stand van zaken in het opspo- ringsonderzoek, zonder resultaat evenwel. De verwerende partij verlengt echter IX-9516-3/7 opnieuw de schorsing met drie maanden. Om een nieuwe beslissing te nemen, moet de verwerende partij opnieuw afwegen of de feitelijke gegevens van de zaak, zoals ze inmiddels geëvolueerd zijn en aanleiding hebben kunnen geven tot nieuwe inzichten over de gebeurtenissen en de bijbehorende desoriëntering van de werking van de dienst, haar nog wel toelaten te besluiten dat een schorsing bij ordemaatregel nog noodzakelijk is om de goede werking van de dienst en de goe- de naam van de krijgsmacht te verzekeren. Bij het verlengen van de schorsing bij ordemaatregel moest de verwerende partij onderzoeken of de inzichten aangaan- de het bestaan van de feiten en de verantwoordelijkheid van verzoeker niet gewij- zigd zijn, meer bepaald of ze nog altijd de ernst vertonen die een voorlopige maatregel rechtvaardigt. Het tijdsverloop op zich, sinds de initiële schorsing bij ordemaatregel, noodzaakt een nieuw onderzoek van de gevolgen van de aanwe- zigheid van verzoeker voor de goede naam van de krijgsmacht en voor de tucht binnen zijn eenheid. Hier steunt de verwerende partij louter op de oorspronkelijke mededeling van de procureur des Konings, zonder actualisering van het dossier, om de verlenging te verantwoorden. De formele motivering van de bestreden beslissing bestaat dan ook uit louter stijlformules. Beoordeling
  13. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grond- slag liggen en dat deze afdoende moeten zijn.
  14. Verzoeker herinnert eraan dat in geval van verlenging van een preventieve schorsing opnieuw moet worden nagegaan of de afwezigheid van de ambtenaar op dat ogenblik nog steeds noodzakelijk is om de openbare dienst waarvoor hij instaat naar behoren te laten werken. IX-9516-4/7 Volgens verzoeker heeft het bestuur nagelaten het dossier te actualiseren en leest hij hierover in het bestreden besluit slechts stijlformules.
  15. Verzoeker weet – hij schrijft het zelf – dat de verwerende partij geïnformeerd heeft bij het parket naar de stand van het gerechtelijk dossier om dit te actualiseren. Een louter stilzitten kan hij het bestuur dus niet verwijten. In het bestreden besluit kan hij vervolgens lezen dat de verwe- rende partij verwijst naar zijn verweer “dat de schorsing niet meer opportuun is aangezien het opsporingsonderzoek nog altijd niets heeft opgeleverd en hij geen acuut gevaar vormt voor de maatschappij” en daaraan voorbijgaat omdat “een opsporingsonderzoek gevoerd wordt lastens betrokkene wegens vermoedelijke zedenfeiten op minderjarigen”, “het opsporingsonderzoek nog lopende is”, “uit het feit dat betrokkene aangeeft dat hij nog niet gehoord is, niet kan worden afge- leid dat er geen onderzoeksdaden meer gebeuren, laat staan dat het onderzoek niets heeft opgeleverd. A contrario dat er geen element is dat aangeeft dat het opsporingsonderzoek beëindigd is”, “de aanwezigheid van betrokkene nog steeds nadelig kan zijn voor de tucht binnen zijn eenheid en de goede naam van de Krijgsmacht, zoals reeds uiteengezet in het ministerieel besluit nummer 93240 van 11 augustus 2014” en “aan de redenen voor de schorsing bij ordemaatregel, vermeld in het ministerieel besluit nummer 93240 van 11 augustus 2014 en de koninklijke besluiten nummer 588 van 23 november 2014 en nummer 697 van 22 februari 2015, niets gewijzigd is”.
  16. Deze motieven leren verzoeker afdoende, uit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht, dat de verwerende partij op het ogenblik waarop zij zich moest beraden over de opportuniteit van de verlenging van de ordemaatregel en als antwoord op zijn verweer, rekening houdt met de aard van de tenlasteleg- ging, met het nog lopende onderzoek en met de weerslag van zijn aanwezigheid in die omstandigheden op de tucht in zijn eenheid en de goede naam van de krijgsmacht, om uit al die gegevens te besluiten dat op het ogenblik van het tref- fen van de nieuwe ordemaatregel en zonder tegenindicaties de aan de initiële IX-9516-5/7 schorsing ten grondslag liggende motieven nog niet in zoverre gewijzigd zijn dat verzoeker mag terugkeren naar de dienst. Aldus stelt die motivering verzoeker in staat terdege te oorde- len of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. Verzoeker wijst voorts geen specifieke argumenten aan die hij bij het bestuur heeft laten gelden in zijn verweer tegen de verlenging van de maatregel en die wegens hun aard of strekking een afzonderlijk uitdrukkelijk antwoord zouden vereisen, maar niettemin onbeantwoord zijn gebleven.
  17. Verzoeker mag dan zelf menen dat zijn verwijdering uit de dienst niet meer verantwoord is omdat zijn aanwezigheid geen gevaar meer ople- vert voor de goede werking van de dienst en het om die reden oneens zijn met de bestreden beslissing, maar die kritiek is vreemd aan de in het middel aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht en wordt door verzoeker overigens ook niet onderbouwd.
  18. Het middel is ongegrond. VI. Schadevergoeding tot herstel
  19. Verzoeker heeft op 8 december 2018, dat wil dus zeggen tij- dens deze procedure tot nietigverklaring, een vordering tot schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de Raad van State-wet ingediend.
  20. Aangezien dit arrest, dat de procedure tot nietigverklaring af- sluit, geen onwettigheid vaststelt, deelt het verzoek tot schadevergoeding tot her- stel in het lot van het beroep. IX-9516-6/7 Het daaraan verbonden recht en de bijdrage zijn dan niet ver- schuldigd. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het beroep.
  22. De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
  23. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro. Het onverschuldigde recht in verband met het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op 200 euro en de bijdrage van 20 euro, dienen aan de verzoekende partij te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 september 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9516-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.468 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.638 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.905 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.