id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.471 Rolnummer: A. 224239/XIV-37608 Zaak: Arrest 245471 - Wapens - 18/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-26 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 22:52 Fiche Arrest nr 245.471 van 18 september 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.471 van 18 september 2019 in de zaak A. 224.239/XIV-37.608 In zake : Jean CORTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joachim Douwen kantoor houdend te 2260 Westerlo Baksveld 3/E bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 16 januari 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 17 november 2017 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 9 november
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-37.608-1/14 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jelle Snauwaert, die loco advocaat Joachim Douwen verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is houder van een sportschutterslicentie. 3.
- Op 4 april 2016 dient verzoeker een aanvraag in voor een vergunning tot het voorhanden hebben van twee vuurwapens, met als wettige reden het sportief en recreatief schieten. 3.
- Op 9 november 2016 weigert de gouverneur van de provincie Limburg de gevraagde vergunning. Verzoeker dient tegen deze beslissing een administratief beroep in. XIV-37.608-2/14 3.
- Op 9 november 2016 trekt de gouverneur van de provincie Limburg in hoofde van verzoeker het recht in tot het voorhanden hebben van een pistool Browning .22 LR. Verzoeker dient tegen deze beslissing een administratief beroep in. 3.
- Verzoekers beroep tegen de weigeringsbeslissing van de gouverneur van de provincie Limburg tot het voorhanden hebben van twee vuurwapens (supra, punt 3.3.) wordt op 17 november 2017 door de gemachtigde van de minister van Justitie gedeeltelijk ingewilligd. Meer bepaald wordt de weigering tot het voorhanden hebben van de beide gevraagde wapens omgezet naar een beperking van de vergunningen, waarbij die beperkingen nader worden bepaald in de beslissing. De beslissing steunt op de volgende gronden: “[…] Op basis van de stukken aanwezig in het administratieve dossier kan worden besloten dat het voorhanden hebben van vuurwapens in uw hoofde een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Concreet kan verwezen worden naar de problematiek rond uw zoon […]. Meer bepaald heeft de minister van Justitie op 11 oktober 2017 zijn beroep tegen de beslissing van de bevoegde provinciegouverneur - waarbij zijn vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen werd ingetrokken omwille van redenen van openbare orde - verworpen. Ter motivering werd met name het volgende gesteld: „Op basis van bovenvernoemde elementen kan worden besloten dat er inzake uw algemene moraliteit en persoonlijkheid problemen bestaan, en dat er een terechte vrees bestaat dat het voorhanden hebben van vuurwapens in uw hoofde een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Concreet kan verwezen worden naar volgende elementen: 1) de inbreuken op de drugwetgeving - bezit en gebruik van verdovende middelen: […] 2) inbreuken op de wapenwet: […]‟. Uit het dossier is voorts gebleken dat u juridisch gesproken niet op hetzelfde adres woont als uw zoon […]. Volgens de lokale politie zou het in casu gaan om een soort van kangoeroewoning waarbij u en uw zoon eenzelfde pand bewonen, doch elk beschikken over een afzonderlijk woongedeelte met een gemeenschappelijke ingang. Zowel de lokale politiezone […] als de procureur des Konings te Hasselt hebben omwille van deze problematiek een ongunstig advies verstrekt aangaande uw wapenbezit. Met het oog op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, en rekening houdend met het feit dat één van de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe wapenwetgeving net het beschermen van de samenleving en het vermijden van XIV-37.608-3/14 ongelukken is, is de minister van Justitie van oordeel dat een maatregel ter vrijwaring van die openbare orde en veiligheid zich opdringt. Gezien de moraliteit van uw zoon […] is het immers niet ondenkbaar dat hij veel in het werk zou stellen om toch een wapen in bezit te krijgen. Wanneer we dan ook rekening houden met het feit dat hij weet heeft van de aanwezigheid van wapens in uw woongedeelte, het feit dat er tussen u en uw zoon een bijzondere relatie bestaat die niet dezelfde is als deze met een willekeurige buurman, en het feit dat de toegang tot uw woongedeelte zeer makkelijk kan worden bewerkstelligd, zou hij snel en eenvoudig een vuurwapen kunnen bemachtigen. Anderzijds is de minister van Justitie de mening toegedaan dat – rekening houdend met alle elementen aanwezig in het administratieve dossier – een algehele intrekking van uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens te verregaand en disproportioneel zou zijn. Een beperking van uw recht tot het voorhanden hebben van het voornoemde vuurwapen kan in casu volstaan.
- Beslissing: Uw beroep tegen de beslissing van de provinciegouverneur van Limburg d.d. 9 november 2016 (referentie: […]) houdende de intrekking van uw recht tot het voorhanden hebben van volgende vuurwapens: - Revolver, merkt Smith & Wesson, model/type governor, kaliber .45 ACP, .45 Colt, .410, serienummer nog niet gekend; - Pistool, merk Glock, model/type halfautomatisch, kaliber 9x19mm, serienummer nog niet gekend; wordt deels ingewilligd. Meer bepaald zal de weigering van uw aanvragen tot het bekomen van vergunningen tot het voorhanden hebben van de voornoemde vuurwapens worden omgezet naar een beperking van uw vergunningen. Het gaat hierbij om volgende beperkingen: 1) u mag niet in het bezit zijn van enige munitie. U dient bijgevolg uw munitie die u nodig heeft om uw hobby als sportschutter uit te oefenen aan te kopen in de schietclub en aldaar te verbruiken. Zowel het bezit als het vervoeren van munitie is niet toegelaten; 2) u dient uw wapen te voorzien van een trekkerslot en de sleutel ervan in bewaring te geven bij de schietstand waar u lid bent. Wanneer u gaat deelnemen aan een schietactiviteit kan u dan in de schietstand uw sleutel opvragen. U mag de sleutel van het trekkerslot niet in bezit hebben, noch vervoeren. Concreet betekent dit dat u, van zodra de federale wapendienst een kopie heeft ontvangen van uw (nieuwe) geldige sportschutterslicentie, de beperkte vergunningen zullen worden toegekend in het kader van de beoefening van de schietsport. Uiteraard dient u de opgelegde beperkingen nauwgezet na te leven”. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Verzoekers beroep tegen de beslissing tot intrekking van het recht tot het voorhanden hebben van een pistool Browning .22 LR. (supra, punt 3.4) wordt op 17 november 2017 door de gemachtigde van de minister van Justitie gedeeltelijk ingewilligd. Meer bepaald wordt de intrekking van verzoekers recht tot het voorhanden hebben van het voornoemde pistool omgezet naar een XIV-37.608-4/14 beperking van dit recht waarvan de modaliteiten nader wordt bepaald in die beslissing. Verzoeker vordert de nietigverklaring van deze beslissing. Het beroep is gekend onder het nummer G/A 224.236/XIV-37.607 en waarin heden ook arrest wordt gewezen. IV. Samenvoeging
- Verzoeker vraagt in de memorie van wederantwoord, dat hij herhaalt in de laatste memorie, de samenvoeging van het voorliggende beroep met de voornoemde zaak G/A 224.236/XIV-37.607 omdat beide beslissingen op dezelfde grondslag werden gemotiveerd.
- Het betreffen twee verschillende beslissingen: in de ene wordt aan verzoeker het recht tot het voorhanden hebben van een pistool, merk Browning, kaliber .22 LR beperkt en in de andere worden de aanvragen tot het verkrijgen van vergunningen tot het voorhanden hebben van twee vuurwapens onder beperkingen verleend. De enkele omstandigheid dat, naar verzoeker stelt, beide beslissingen op dezelfde grondslag worden gemotiveerd, vereisen niet noodzakelijk dat de beide zaken worden gevoegd. Te dezen volstaat het, wat ook is gebeurd, dat mede om proceseconomische redenen, beide zaken samen ter terechtzitting worden behandeld. Het verzoek tot samenvoeging wordt geweigerd. XIV-37.608-5/14 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 11, §§ 1 en 3 juncto 12 en 13 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (hierna: Wapenwet) “en van art. 2 KB 29 december 2006”. Hij doet gelden dat de bestreden beslissing erkent dat hij geen gevaar betekent voor de openbare orde en dat hij voldoet aan alle voorwaarden van de Wapenwet, maar dat in de bestreden beslissing beperkingen worden opgelegd ten gevolge van de gedragingen van een meerderjarige zoon. Deze handelwijze vormt volgens verzoeker een schending van de hiervoor aangehaalde bepalingen uit de Wapenwet. Verzoeker besluit dat, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden en dat de verwerende partij erkent dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde, de vergunning had dienen verleend te zijn zonder enige beperkingen. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel en voegt er aan toe dat er geen bewijs voorligt van de loutere bewering van de verwerende partij dat er in zijn hoofde een potentieel gevaarlijke situatie bestaat. Beoordeling
- Het auditoraat besluit dat het eerste middel faalt naar recht op grond van de overwegingen dat de bepalingen van de Wapenwet waarvan de schending wordt ingeroepen, niet zo mogen worden gelezen dat enkel een wapenvergunning mag worden geweigerd of dat mag worden overgegaan tot de intrekking van het recht om wapens voorhanden te houden, indien het gevaar voor de openbare orde en veiligheid exclusief of uitdrukkelijk uitgaat van de aanvrager XIV-37.608-6/14 of houder van de vergunningen. De familiale samenstelling (in de woning) kan wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid, waardoor het voor de bescherming van de maatschappij niet aangewezen is dat vuurwapens worden opgeslagen ten huize van de aanvrager of de houder van het recht. De doelstelling van de Wapenwet om de maatschappij beter te beveiligen, laat toe dat de verwerende partij in acht neemt de toegang van personen die niet over wapens mogen beschikken, tot wapens die zijn opgeslagen in een woning, gelet op de bijzondere familiale context.
- Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich tot het hernemen van het middel. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen‟, van het materiële- en formelemotiverings- beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker zet uiteen dat de bestreden beslissing weliswaar terecht erkent dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde, maar stelt dat zijn zoon woonachtig is in dezelfde wooneenheid. De woning van verzoeker betreft een kangoeroewoning en zijn zoon woont in een aparte wooneenheid. In dit concept kan een oorspronkelijke woning worden verbouwd tot XIV-37.608-7/14 twee onafhankelijke wooneenheden. Dit houdt in dat de zoon van verzoeker geen toegang heeft tot de wooneenheden van verzoeker, zodat dit de facto dezelfde situatie is als in een appartementsgebouw: de wooneenheden zijn gescheiden en er is enkel een gemeenschappelijke gang. Bovendien worden de wapens van verzoeker conform de Wapenwet bewaard, hetgeen wordt bevestigd in het verslag van de politie. Met andere woorden de beperkingen van de toekenning van de vergunningen om vuurwapens voorhanden te hebben worden niet ingegeven door de moraliteit van verzoeker, maar wel omwille van de moraliteit van de zoon van verzoeker. Verder betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing steunt op onjuiste feitelijke gegevens: er wordt ten onrechte gesteld dat zijn zoon zich zeer gemakkelijk toegang zou kunnen verschaffen tot verzoekers woongedeelte, hetgeen volgens verzoeker een loutere, niet correcte bewering is. Hij stelt dat zijn wooneenheid afdoende is beveiligd conform de situatie in een appartements- gebouw en besluit dat de motivering geenszins de beslissing naar recht kan verantwoorden. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel woordelijk. Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het tweede middel op grond van de volgende overwegingen. Verzoeker toont niet aan, wat de schending betreft van de formelemotiveringsplicht, waarom de meegedeelde motieven hem niet in staat stelden terdege te oordelen of het zin had zich in rechte te verweren tegen de bestreden beslissing. Het tegendeel blijkt veeleer uit het verzoekschrift, waarin verzoeker de motivering inhoudelijk betwist. Aldus is op dat punt voldaan aan de formelemotiveringsplicht, minstens aan de ratio legis ervan. Wat de schending betreft van de materiëlemotiveringsplicht, is in de bestreden beslissing te lezen dat verzoeker en zijn zoon leven in een kangoeroewoning waarbij elk beschikt over XIV-37.608-8/14 een afzonderlijk woongedeelte met een gemeenschappelijke ingang. De verwerende partij wijst vervolgens op de bijzondere relatie vader-zoon en overweegt dat de toegang tot het woongedeelte zeer makkelijk kan worden bewerkstelligd en de zoon snel en eenvoudig een vuurwapen zou kunnen bemachtigen. Verzoeker vergelijkt de situatie met een appartementsgebouw, maar hiermee is het feitelijk bestaan van de motieven in de bestreden beslissing niet weerlegd, want er wordt door verzoeker niet ingegaan op de bijzondere relatie die er te dezen is tussen een persoon die in principe over wapens mag beschikken en een persoon die wegens het potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid hierover niet mag beschikken. Er is dan ook geen schending van de materiële- motiveringsplicht doordat de verwerende partij die bijzondere feitelijkheid ter verantwoording van haar beslissing in aanmerking neemt, die te onderscheiden is van de omstandigheid die verzoeker schetst en die de verwerende partij toelaat, ondanks een reglementaire bewaring van de wapens, om te oordelen dat het voor de bescherming van de maatschappij niet is aangewezen dat vuurwapens worden opgeslagen ten huize van verzoeker. Niet blijkt dat de verwerende partij die zich heeft gesteund op de adviezen van de lokale politie en de procureur des Konings, na het aanhoren van het verweer van de verzoekende partij, niet met de vereiste zorgvuldigheid de feiten heeft vastgesteld en vervolgens de bestreden beslissing heeft genomen.
- Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich tot het hernemen van het middel. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. XIV-37.608-9/14 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel 13 van de Wapenwet en van het redelijkheidsbeginsel (“onredelijk strikte interpretatie van het begrip gevaar voor de openbare orde”). Verzoeker zet uiteen dat bij de beoordeling van een aanvraag tot het voorhanden hebben van een vergunning voor vergunningsplichtige wapens rekening mag worden gehouden met de “algemene moraliteit” en “de karakteristieken van de aanvrager”. Dat dat wapenbezit in hoofde van verzoeker geen gevaar voor de openbare orde oplevert, wordt uitdrukkelijk erkend in de bestreden beslissing. Echter kan volgens verzoeker er bij de beoordeling van zijn wapenbezit, onmogelijk rekening worden gehouden met de algemene moraliteit van een familielid (in casu de zoon van verzoeker). Te dezen zijn de beperkingen op het wapenbezit de facto ingegeven omwille van een probleem met de moraliteit van verzoekers zoon, terwijl conform de Wapenwet en de gecoördineerde omzendbrief er enkel mag rekening worden gehouden met de algemene moraliteit en karakteristieken van de aanvrager. Door beperkingen op te leggen aan het wapenbezit van verzoeker omwille van de moraliteit van zijn zoon is er duidelijk een schending van het redelijkheidsbeginsel. In casu heeft de verwerende partij geen redelijke maatregel opgelegd door het toevoegen van twee verregaande beperkingen aan verzoekers vergunningen, met name het niet in het bezit zijn van enige munitie en het wapen te moeten voorzien van een trekkerslot en de sleutel hiervan in bewaring te geven bij de schietstand. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel en benadrukt dat de opgelegde beperkingen zijn ingegeven door een externe factor die vreemd is aan de persoon van verzoeker. XIV-37.608-10/14 Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het derde middel op grond van de volgende overwegingen. Het argument dat er onmogelijk rekening kan worden gehouden met de algemene moraliteit van een familielid bij de beoordeling van het wapenbezit van verzoeker kan niet worden bijgevallen verwijzend naar het arrest nr. 215.409 van 29 september
- De verwerende partij heeft terecht geoordeeld dat de specifieke feitelijke omstandigheden van de voorliggende zaak het weigeren van wapenbezit in hoofde van verzoeker in de weg stonden, maar wel noopten tot een beperking die de uitoefening door verzoeker van de wettige reden van zijn wapenbezit niet in de weg staat. Met de bestreden beslissing heeft de verwerende partij dan ook een maatregel genomen om een gevaar voor de openbare orde en veiligheid te voorkomen, waartoe zij is gerechtigd op grond van de Wapenwet, die verzoeker niettemin toelaat zijn hobby te beoefenen. In het verzoekschrift wordt daarbij niet aannemelijk gemaakt waarom de vereiste om de munitie te verbruiken in de schietstand zonder die mee te nemen naar verzoekers woning en om zijn wapens te voorzien van een trekkerslot waarvan de sleutel wordt bewaard in de schietstand, zou moeten leiden tot het oordeel dat de verwerende partij met haar beslissing in de gegeven omstandigheden van de zaak de perken van de redelijkheid is te buiten gegaan.
- Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich tot het hernemen van het middel. XIV-37.608-11/14 De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van “de individualiteit van de rechtshandeling”. Verzoeker zet uiteen dat verzoekers vergunningsaanvragen tot het voorhanden hebben van vuurwapens een rechtshandeling zijn “met individuele strekking”, met andere woorden welke betrekking hebben op zijn persoon. Echter bij de motivering van de beperking van de vergunningsaanvragen werd er zeer veel belang gehecht aan de intrekking van het recht om wapens te bezitten in hoofde van verzoekers zoon. Aangezien te dezen de vergunningsaanvragen van verzoeker voorliggen kan niet worden ingezien waarom de intrekkingsbeslissing van de meerderjarige zoon wordt betrokken bij de beoordeling van verzoekers dossier. Aldus schendt de bestreden beslissing de individuele beoordeling in hoofde van verzoeker. Er moet immers enkel worden nagegaan of er in hoofde van de persoon van verzoeker eventueel een gevaar voor de openbare orde zou bestaan. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel woordelijk. Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het vierde middel omdat uit de bespreking van de overige middelen is gebleken dat de verwerende partij de bijzondere feitelijke omstandigheid die betrekking heeft op verzoeker, in rekening mocht nemen bij de beoordeling van het gevaar voor de XIV-37.608-12/14 openbare orde en veiligheid dat het wapenbezit bij verzoeker zou kunnen inhouden.
- Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich tot het hernemen van het middel. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het vierde middel ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.608-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien september tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.608-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.471 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div