id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.472 Rolnummer: A. 223459/XIV-37529 Zaak: Arrest 245472 - Wapens - 18/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-26 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 21:54 Fiche Arrest nr 245.472 van 18 september 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.472 van 18 september 2019 in de zaak A. 223.459/XIV-37.529 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefanie François en Jan Bouckaert kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 4 augustus 2017 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 24 juni 2016. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-37.529-1/14 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart 2019. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stefanie François, mede loco advocaat Jan Bouckaert, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker was in de hoedanigheid van houder van een jachtverlof, houder van verschillende wapens op model 9. 3.2. Op 13 november 2014 beslist de gouverneur van de provincie Limburg om het recht om vuurwapens voorhanden te hebben, te schorsen voor een periode van een jaar. Voorts wordt beslist dat de wapens waarvoor verzoeker over het vereiste registratieattest model 9 beschikt, uiterlijk binnen één maand in bewaring moeten worden gegeven bij een erkende wapenhandelaar of overgedragen worden aan een erkend wapenhandelaar of een persoon die houder is van een vergunning tot het voorhanden hebben van het vuurwapen. XIV-37.529-2/14 3.3. Op 25 november 2014 trekt de arrondissementscommissaris van Hasselt-Maaseik-Tongeren verzoekers jachtverlof in voor het jachtseizoen 2014-2015. 3.4. Op 11 december 2014 deelt verzoeker aan de gouverneur van de provincie Limburg de berichten mee van overdracht van wapens ten voordele van zijn zonen door middel van een model 9 en een schriftelijk akkoord met betrekking tot het uitlenen van wapens (art. 12/1 Wapenwet) aan P. 3.5. Op 24 juni 2016 trekt de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers recht in om vuurwapens voorhanden te hebben en het recht om vuurwapens te dragen. Op 22 juli 2016 stelt verzoeker tegen deze beslissing een administratief beroep in bij de minister van Justitie. 3.6. Op 14 juli 2016 weigert de arrondissementscommissaris verzoekers aanvraag tot het bekomen van een jachtverlof voor het seizoen 2016-2017. Verzoeker stelt tegen deze beslissing een administratief beroep in bij het agentschap Natuur en Bos (hierna: ANB), dat op 27 januari 2017 dit beroep verwerpt. 3.7. Verzoekers beroep tegen de beslissing van de gouverneur van 24 juni 2016 wordt op 4 augustus 2017 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. De beslissing steunt op de volgende gronden: “[…] 1. Voorwerp van het beroep Op 22 juli 2016 diende u beroep in tegen de beslissing van de provinciegouverneur van Limburg d.d. 24 juni 2016 (referentie: 0100/S2016N094858 dossier L2006N05218) houdende de intrekking van uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens. In uw verweerschrift van 22 maart 2017 heeft u in hoofdorde opgeworpen dat het XIV-37.529-3/14 bestreden besluit zonder voorwerp is aangezien u niet langer in het bezit bent van vuurwapens en u inmiddels ook niet meer beschikt over een jachtverlof. Deze stelling kan niet worden bijgetreden. Het is net ingevolge het intrekkingsbesluit van de gouverneur van Limburg d.d. 24 juni 2016 - de beslissing waartegen u dit beroep heeft aangetekend dat u niet langer in het bezit mag zijn van vuurwapens. Ook het feit dat u niet meer beschikt over een geldig jachtverlof is het gevolg van het intrekkingsbesluit van de gouverneur. De reden waarom u dit beroep heeft ingesteld is precies gericht op het u opnieuw toekennen van uw recht om vuurwapens voorhanden te houden. Indien u niet de intentie zou hebben om opnieuw vuurwapens voorhanden te kunnen houden, is het instellen van het beroep zinloos en kan u ook afstand doen van uw beroep. In dat geval blijft het intrekkingsbesluit van de gouverneur van Limburg d.d. 24 juni 2016 uiteraard bestaan. In dit verband kan ook verwezen worden naar rechtspraak van de Raad van State: Het arrest […] nr. 220.150 van 3 juli 2012: ‘De verzoeker heeft de beslissing van de gouverneur uitgevoerd door zijn wapens aan een andere jager over te dragen. Uit het feit dat de verzoeker zijn wapens verkocht heeft leidt de verwerende partij ten onrechte af dat zijn beroep tegen de beslissing van de gouverneur zonder voorwerp is. Het is immers niet uitgesloten dat de verzoeker ingeval zijn beroep tegen de beslissing van gouverneur door de minister van Justitie gegrond wordt bevonden, zijn wapens terugkoopt. De beslissing van de gouverneur heeft ook tot gevolg dat de verzoeker zich van zijn wapens moest ontdoen, dat hij zijn jachtverlof diende terug te geven en dat hij geen andere jachtwapens kan verwerven. Indien evenwel de minister van Justitie zijn beroep tegen de beslissing van de gouverneur gegrond zou verklaren, zou de verzoeker na het verkrijgen van een jachtverlof opnieuw kunnen jagen. De verwerende partij heeft bijgevolg haar beslissing dan ook ondeugdelijk gemotiveerd door uit de loutere omstandigheid dat de verzoeker zijn wapens heeft verkocht, af te leiden dat zijn beroep tegen de beslissing van de gouverneur zonder voorwerp is.’. Aangezien er geen afstand werd gedaan van het beroep, en het beroep wel degelijk een voorwerp heeft, zal het beroep ten gronde worden beoordeeld. […].” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 11, § 1, tweede lid en 13, eerste lid, van de Wapenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de XIV-37.529-4/14 bestuurshandelingen’, in samenhang met het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht doordat de bestreden beslissing verzoekers kritiek dat de intrekkingsprocedure zonder voorwerp is weerlegt, terwijl het recht om wapens voorhanden te hebben op grond van artikel 12, 1° van de Wapenwet slechts ontstaat indien verzoeker beschikt over een jachtverlof. De artikelen 11, § 1, tweede lid en 13, eerste lid van de Wapenwet en de daarin vervatte mogelijkheid om iemands recht om een wapen voorhanden te hebben te beperken, te schorsen of in te trekken, veronderstelt per definitie dat er nog een recht is om wapens voorhanden te hebben. Bij gebrek daaraan valt er immers niets te beperken, te schorsen of in te trekken. De arrondissementscommissaris, daarin gevolgd door ANB, heeft het jachtverlof van verzoeker ingetrokken. Verzoeker was derhalve ten tijde van de bestreden beslissing geen houder van een jachtverlof en beschikte dus evenmin over enig recht om wapens voorhanden te hebben. De verwerende partij kon niet overgaan tot intrekking van het recht van verzoeker om wapens voorhanden te hebben en te houden aangezien verzoeker op het moment van de bestreden beslissing (en het intrekkingsbesluit van de gouverneur van 24 juni 2016) niet over een dergelijk recht beschikte. De bestreden beslissing kan niet intrekken wat niet bestaat en de verwerende partij diende derhalve vast te stellen dat de intrekkingsprocedure zonder voorwerp was. Wat de schending van de (formele) motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, doet verzoeker gelden dat de verwerende partij in de bestreden beslissing ten onrechte voorhoudt dat (
- i)het net ingevolge de intrekkingsbeslissing zou zijn dat verzoeker niet langer in het bezit mag zijn van vuurwapens en (
- ii)de weigering van een jachtverlof het rechtstreeks gevolg zou zijn van het intrekkingsbesluit. Zij steunt zich hierbij op een verkeerde chronologie van de feiten: verzoeker zag immers zijn jachtverlof reeds geweigerd respectievelijk ingetrokken voorafgaand aan de intrekkingsbeslissing. Deze weigering respectievelijk intrekking van het jachtverlof en niet het daaropvolgende intrekkingsbesluit tot het voorhanden hebben van wapens had tot gevolg dat verzoeker niet over het noodzakelijke recht beschikte om wapens voorhanden te houden. Verzoeker concludeert dat de bestreden beslissing in die mate dan ook XIV-37.529-5/14 gesteund is op verkeerde feiten, minstens op een onzorgvuldige en foutieve beoordeling van de feiten van het dossier. Een weerlegging die is gesteund op verkeerde feiten kan niet worden beschouwd als een afdoende weerlegging van verzoekers kritiek dat de intrekkingsprocedure zonder voorwerp is; In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker dat het door de verwerende partij aangevoerde arrest van de Raad van State nr. 220.150 van 3 juli 2012 naar analogie toepassing moet vinden omdat de feitelijke en procedurele voorgaanden in beide zaken essentieel verschillend zijn. In het voornoemde arrest draagt de betrokkene in uitvoering van de beslissing van de gouverneur waarbij het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens wordt ingetrokken, de wapens over aan een andere jager, maar uit de voorliggende gegevens blijkt dat het gegeven dat verzoeker niet langer wapens in zijn bezit heeft, niet voortvloeit uit de intrekkingsbeslising in eerste aanleg of in graad van beroep. De intrekkingsbeslissing van de gouverneur is tussengekomen op een moment dat verzoeker niet langer over enig recht beschikte om wapens te dragen of voorhanden te hebben, zodat, anders dan in het voornoemde arrest, de intrekkingsprocedure geheel vreemd is aan het feit dat verzoeker niet langer beschikt over enig recht om wapens te dragen of voorhanden te hebben. 5. De verwerende partij herinnert in de memorie van antwoord aan het feit dat de gouverneur en in beroep de verwerende partij, kunnen beslissen tot beperking, schorsing of intrekking van de vergunning en het recht om wapens voorhanden te hebben als blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren of de wettige reden ingeroepen om de vergunning te verkrijgen, niet meer bestaat. Uit het administratief dossier blijkt dat de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 13 november 2014 om het recht van verzoeker om wapens voorhanden te hebben, gedurende een termijn van één jaar op te schorsen, een voorlopige maatregel was in afwachting van de resultaten van het strafonderzoek naar de schendingen door verzoeker van de regelgeving inzake het voorhanden hebben van wapens en de jacht. Verzoeker ontving van de procureur des Konings het aanbod van een minnelijke schikking en ging daarop in. XIV-37.529-6/14 Bijgevolg werd hij niet veroordeeld wegens de schending van de Wapenwet en het jachtdecreet. Een veroordeling zou hem volgens de verwerende partij automatisch het recht hebben ontnomen om nog vergunningen aan te vragen om wapens voorhanden te houden (art. 5 Wapenwet). Daarom bleek een definitieve maatregel absoluut noodzakelijk vermits verzoeker duidelijk had te kennen gegeven wederom over wapens te willen beschikken in het kader van de jacht. Zowel de gouverneur als de verwerende partij beoordeelden op basis van het dossier dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar betekende voor de openbare orde en veiligheid, om welk motief dan ook, als jager of als sportschutter. Daarom bevat de bestreden beslissing de volgende redengeving: “De reden waarom u dit beroep heeft ingesteld is precies gericht op het u opnieuw toekennen van uw recht om vuurwapens voorhanden te houden. Indien u niet de intentie zou hebben om opnieuw vuurwapens voorhanden te kunnen houden, is het instellen van het beroep zinloos en kan u ook afstand doen van uw beroep. In dat geval blijft het intrekkingsbesluit van de gouverneur van Limburg d.d. 24 juni 2016 uiteraard bestaan.” Voorts verwijst de verwerende partij ter adstructie van haar standpunt naar het arrest nr. 220.150 van 3 juli 2012 dat zij deels citeert en waarbij zij zich aansluit. Vermits de verwerende partij van oordeel is dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid betekende, wilde zij vermijden dat verzoeker terug de (actieve of passieve) beschikking over wapens zou ontvangen, via een jachtverlof of op een andere grondslag. Bijgevolg waren zowel de gouverneur als de verwerende partij gerechtigd een beveiligingsmaatregel te nemen. Beoordeling 6. Verzoeker voert in het middel de schending aan van de artikelen 11, § 1, tweede lid en 13, eerste lid, van de Wapenwet omdat, in wezen, de in die bepalingen vervatte mogelijkheid om het recht om een wapen voorhanden te hebben, te schorsen of in te trekken, per definitie veronderstelt dat er nog een recht is om wapens voorhanden te hebben, hetgeen verzoeker te dezen betwist. XIV-37.529-7/14 Het past derhalve de draagwijdte van deze bepalingen nader te bepalen. Ter beoordeling van deze grief, moet ook worden gewezen op artikel 30, eerste lid, van de Wapenwet, dat luidt: “Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen.” Dit voorschrift organiseert een administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het in de voormelde bepaling opgesomde stilzitten of opgesomde beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Aangezien op grond van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de Wapenwet, de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene, de vergunning of het recht om een wapen voorhanden te hebben, kan beperken, schorsen of intrekken, indien blijkt dat dit voorhanden hebben de openbare orde kan verstoren, beschikt de minister of zijn gemachtigde aldus op grond van de devolutieve werking van het beroep, over dezelfde beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Voorts moet het in artikel 30 van de Wapenwet ingerichte administratief beroep, wil het niet leiden tot een ultra petita uitspraak en aldus de toegewezen bevoegdheid van de beroepsinstantie miskennen, (nog steeds) een voorwerp hebben op het ogenblik van het nemen van de beslissing over het administratief beroep. Is dit niet (meer) het geval, dan dient het administratief beroep te worden verworpen bij gebrek eraan. 7. Luidens artikel 11, § 1, eerste lid, eerste zin van de Wapenwet is het particulieren verboden een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij horende munitie voorhanden te hebben zonder een voorafgaande vergunning, XIV-37.529-8/14 verleend door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de verzoeker. Luidens artikel 12, eerste lid, 1°, van de Wapenwet is artikel 11 van de Wapenwet evenwel niet van toepassing op houders van een jachtverlof die lange wapens daar toegelaten waar het jachtverlof geldig is, mogen voorhanden hebben, evenals de daarbij horende munitie, op voorwaarde dat hun strafrechtelijke antecedenten, hun kennis van de wapenwetgeving en hun geschiktheid om veilig een vuurwapen te hanteren zijn nagegaan. Uit de voornoemde bepalingen volgt dat de houder van een geldig jachtverlof een lang wapen, toegelaten voor de jacht daar waar zijn jachtverlof geldig is, evenals de daarbij horende munitie voorhanden mag hebben en verwerven zonder dat daartoe een voorafgaandelijke vergunning dient te worden aangevraagd en verkregen, op voorwaarde dat hun strafrechtelijke antecedenten, hun kennis van de wapenwetgeving en hun geschiktheid om veilig een vuurwapen te hanteren zijn nagegaan. De Wapenwet voorziet dus in “een soepeler regime” voor, onder andere, de jagers nu die “een groep van wapenbezitters [vormen] waarmee de overheid geen problemen heeft” (Parl. St. Kamer 2005-06, nr. 51-2263/3, 5). Op grond van artikel 13 van de Wapenwet in eerste administratieve aanleg, en in administratief beroep op grond van artikel 30 van de Wapenwet, kan evenwel dat recht om die wapens voorhanden te hebben worden beperkt, geschorst of ingetrokken “indien blijkt dat het voorhanden hebben van de in artikel 12 bedoelde wapens de openbare orde kan verstoren.” Voorts bepaalt artikel 13, tweede lid van de Wapenwet - in de lezing ervan zoals die van toepassing was op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing- dat “de particulier die een vuurwapen heeft verkregen onder de voorwaarden gesteld in artikel 12, […] gerechtigd [is] dat wapen na het vervallen van de geldigheid van het jachtverlof, de sportschutterslicentie of het gelijkwaardig stuk gedurende drie jaar verder voorhanden te hebben, evenwel zonder er nog munitie voor voorhanden te mogen hebben. Het hervatten van de betrokken activiteit schorst deze periode. Hij beschikt over een periode van een maand om de munitie die hij nog voorhanden houdt onder de voorwaarden bedoeld in artikel 12, eerste lid, over te dragen aan een erkend persoon of aan een persoon XIV-37.529-9/14 die gerechtigd is deze munitie voorhanden te hebben. Na deze periode wordt het wapen vergunningsplichtig en wordt artikel 17 toegepast.” Uit wat voorafgaat volgt dat de noodzakelijke voorwaarde voor de toepassing van het in artikel 12 van de Wapenwet bepaalde regime de vereiste is dat de betrokken particulier houder is van een geldig jachtverlof. Een jachtverlof is, luidens artikel 2, 17° van de Wapenwet, “een document dat het recht verleent om de jacht te beoefenen en dat is afgeleverd door of namens de gewestelijke overheden bevoegd voor de jacht, of een gelijkwaardig document afgeleverd in een andere lidstaat van de Europese Unie, of een door de minister van Justitie erkend document afgeleverd in een andere staat.” 8. Het wordt niet betwist dat de wapens waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, verkregen zijn onder de voorwaarden gesteld in artikel 12 van de Wapenwet. Het wordt niet betwist dat het voorwerp van het administratief beroep en dus van de bestreden beslissing, de intrekking betreft van verzoekers recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens. De bevoegdheid om dit beroep te onderzoeken en de bestreden beslissing te nemen steunt derhalve op de hiervoor toegelichte artikelen 30 en 13, eerste lid, van de Wapenwet. Eveneens blijkt uit de gegevens van de zaak (zie supra, punt 3.6) dat op het ogenblik van de bestreden beslissing verzoeker geen houder meer was van een geldig jachtverlof in de zin van artikel 2, 17° van de Wapenwet, hetgeen overigens niet wordt betwist. Hieruit volgt dat op het ogenblik waarop de bestreden beslissing werd genomen, verzoeker van rechtswege het recht niet meer had om de betrokken wapens en de daarbij horende munitie voorhanden te hebben (art. 12, eerste lid, 1°, van de Wapenwet). Voorts is het verlies door verzoeker van de hoedanigheid van jachtverlofhouder geen (rechts)gevolg van de in eerste administratieve aanleg gewezen beslissing tot intrekking van het voorhanden hebben van wapens. Het is te dezen het enkele gevolg van een definitief geworden, XIV-37.529-10/14 zelfstandige eenzijdige administratieve rechtshandeling genomen door de gewestelijke overheid die bevoegd is om de jacht te regelen zoals bedoeld in artikel 6, § 1, III, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’. Uit wat voorafgaat volgt dat op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, het administratief beroep van verzoeker niet langer tot voorwerp had de intrekking van het recht om wapens voorhanden te houden. In de mate dat verzoeker aanvoert dat artikel 13, eerste lid, van de Wapenwet is geschonden doordat de verwerende partij op grond van die bepaling niet meer kon overgaan tot de intrekking van het recht om wapens voorhanden te hebben, is het middel aldus gegrond. 9. De argumenten van de verwerende partij leiden niet tot een ander besluit. In de mate dat de verwerende partij betoogt dat zij van oordeel is dat het wapenbezit van verzoeker een potentieel gevaar betekende voor de openbare orde en veiligheid en dat zij wilde vermijden dat verzoeker terug de (actieve of passieve) beschikking over wapens zou ontvangen, via een jachtverlof of op een andere grondslag, wordt opgemerkt dat de beroepsinstantie niet zonder schending van haar bevoegdheid ratione materiae, ter gelegenheid van een administratief beroep tegen een in eerste administratieve aanleg bevolen intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben, vermag op preventieve wijze en dus voor de toekomst beslissen dat de particulier zijn recht op het voorhanden hebben - en dus ook verwerven - van een in artikel 12, eerste lid, 1° van de Wapenwet bedoeld lang wapen niet mag uitoefenen. Door dat te doen zou zij immers aan verzoeker ook in de toekomst het verbod opleggen lange wapens in de zin van artikel 12 van de Wapenwet te verwerven, te bezitten en voorhanden te hebben, zonder middels een individuele a posteriori beoordeling na te gaan of op dat ogenblik dat voorhanden hebben een gevaar voor de openbare orde inhoudt zoals bedoeld in artikel 13 van de Wapenwet. De bestreden beslissing mag XIV-37.529-11/14 derhalve niet wettig tot voorwerp hebben het vermijden dat verzoeker terug de (actieve of passieve) beschikking over wapens zou ontvangen, via een jachtverlof of op een andere grondslag. Dit vastgesteld zijnde, sluit het voorgaande vanzelfsprekend niet uit dat, wanneer in de toekomst verzoeker opnieuw de hoedanigheid zou verwerven van jachtverlofhouder en in die hoedanigheid een in artikel 12, eerste lid, 1° van de Wapenwet bepaald lang wapen verwerft en voorhanden houdt, dat het dan aan de gouverneur of, in administratief beroep, aan de (gemachtigde van
- de)minister toekomt om desgevallend toepassing te maken van zijn in artikel 13, al dan niet in samenlezing met artikel 30 van de Wapenwet, bepaalde discretionaire bevoegdheid tot het beperken, schorsen of intrekken van het in artikel 12 van de Wapenwet bepaalde recht. Het door de verwerende partij in de bestreden beslissing en de memorie van antwoord aangehaald arrest van de Raad van State leidt evenmin tot een andere conclusie omdat het een essentieel ander gegeven sanctioneert dan wat thans aan de orde is. Het beoordeelt immers de gevolgen van de verkoop door de betrokkene tijdens de administratieve beroepsprocedure van zijn wapens ingevolge de beslissing van de gouverneur in eerste administratieve aanleg, op het blijven voortbestaan van het voorwerp van het administratief beroep. Uit wat voorgaat blijkt dat evenwel thans aan de orde is het verlies in de loop van de administratieve beroepsprocedure van de noodzakelijke hoedanigheid van houder van een jachtverlof in de zin van de Wapenwet. 10. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. V. Anonimisering 11. Verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. 12. Luidens artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van XIV-37.529-12/14 niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten. De vraag wordt ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 4 augustus 2017 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 24 juni 2016. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-37.529-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien september tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.529-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.472 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div