← België

Arrest 245473 - Wapens - 18/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.473 Rolnummer: A. 222837/XIV-37492 Zaak: Arrest 245473 - Wapens - 18/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-26 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 07:15 Fiche Arrest nr 245.473 van 18 september 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.473 van 18 september 2019 in de zaak A. 222.837/XIV-37.492 In zake : Dimitry LATET woonplaats kiezend te 2660 Hoboken Daniël Baginierlaan 36 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 augustus 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 8 juni 2017 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 30 mei
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-37.492-1/9 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingdiend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart
  4. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stefanie Francois die, loco Advocaat Luc Brees verschijnt voor verzoeker, en advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker is houder van een pistool. 3.
  7. Op 30 mei 2016 trekt de gouverneur van de provincie Antwerpen in hoofde van verzoeker het recht in om wapens voorhanden te hebben. 3.
  8. Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 8 juni 2017 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. De beslissing steunt op de volgende gronden: XIV-37.492-2/9 “[…] Uit de stukken van het dossier blijkt onmiskenbaar dat zowel in het verre als in het recente verleden werd vastgesteld dat u excessief gedrag vertoont onder invloed van alcohol. Het alcoholmisbruik werd daarbij telkens vastgesteld door enerzijds een ademanalyse (intoxicatie) doch anderzijds tevens op basis van de vaststellingen van de verbalisanten (dronkenschap). Deze vaststellingen werden ook bevestigd door de verklaringen van de personen die met u samenwonen en die op 25/10/2015 stelden dat u wekelijks alcohol drinkt en dat u agressief wordt als u alcohol heeft gedronken. Het feit dat ze in een verklaring van 29/10/2015 tevens stelden dat ze u nog een kans wilden geven aangezien u bereid bent zich te laten behandelen voor uw alcoholproblematiek verandert vooralsnog niks aan het bestaan ervan. Er werd reeds op gewezen dat agressie en wapenbezit geen goede combinatie zijn om evidente redenen. Het is immers duidelijk dat iemand die geregeld drinkt, agressief wordt onder invloed van alcohol en dit zowel verbaal als fysiek tot uiting brengt, een groter risico vormt als hem vuurwapens worden toevertrouwd dan iemand die zich niet geregeld onder invloed van alcohol bezondigt aan dergelijk excessief compulsief gedrag. In het licht van het preventieve uitgangspunt van de wapenwet is het daarom niet onredelijk om een causaal verband te zien tussen alcoholmisbruik en daaruit volgend agressief gedrag enerzijds en een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid bij wapenbezit anders. Het zou daarentegen indruisen tegen het principieel preventieve uitgangspunt van de wapenwet om te vereisen dat de overheid slechts maatregelen kan treffen tegen dergelijke wapenbezitters nadat zich fatale feiten hebben voorgedaan waarbij vuurwapens worden gehanteerd. Het feit dat uw huisarts op 29/10/2015 attesteert dat u voor uw verslavingsproblematiek (alcohol) werd verwezen naar VAGGA en dat u antabuse werd voorgeschreven (die u ook aankocht in de apotheek) is slechts een indicatie dat u zich op dat ogenblik wilde herpakken. Het bewijst geenszins dat de alcoholproblematiek hiermee werd opgelost. De Raad van State stelde tenslotte meer dan eens dat ten aanzien van de beoordeling van het gevaar dat een betrokkene inhoudt voor de openbare orde, voor zichzelf of voor anderen, de gouverneur en ook de minister van Justitie die zich hierover in beroep dient uit te spreken op grond van artikel 30 van de wapenwet, over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken ([…].) De overheid kan u geen vuurwapens meer toevertrouwen omdat ze in u niet het vertrouwen kan stellen dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter. Het uitoefenen van een hobby kan niet opwegen tegen de bescherming van de maatschappij. Het algemeen belang van de openbare orde is in zulk geval groter dan het individueel belang.” Dit is de bestreden beslissing. XIV-37.492-3/9 IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van het motiverings-, zorgvuldigheids-, redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel, waarbij hij het motiveringsbeginsel duidt als de materiëlemotiveringsplicht. Hij duidt dat hij vier veroordelingen door de politierechtbank opliep tussen 1999 en
  10. Het betrof alcoholintoxicatie aan het stuur in 1999, 2001 en 2004 en een verkeersinbreuk met vluchtmisdrijf in
  11. Voorts betreft het een zaak van intrafamiliaal geweld van 25 oktober 2015 waarvoor proces-verbaal werd opgesteld. Verzoeker zet uiteen dat hij thuis een positieve alcoholcontrole aflegde, maar dat hij voor het “geïntoxiceerd voeren” op 24 februari 2017 werd vrijgesproken door de correctionele rechtbank. Verzoeker besluit dat de laatstgenoemde alcoholcontrole niet aansluit bij de eerdere verkeersinbreuken en dat er, in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing ten onrechte doet, geen link mee kan worden gelegd. Verzoeker wijst erop dat de veroordelingen voor de verkeersinbreuken reeds oud zijn en stelt dat in het licht van de vaststaande rechtspraak van de Raad van State, die oude feiten de bestreden beslissing niet kunnen dragen. De verkeersinbreuken op zich hebben voorts niets te maken met vuurwapenbezit en ze kunnen de bestreden beslissing niet dragen. Wat het eenmalige feit van intrafamiliaal geweld betreft, focust de bestreden beslissing volgens verzoeker voornamelijk op zijn beweerde alcoholmisbruik. Dat hij thuis drinkt en dan “altijd” agressief wordt, blijkt niet uit de feiten. Er is maar eenmaal een vaststelling gedaan, namelijk op 25 oktober
  12. Dan nog blijkt uit het proces-verbaal dat er wederzijds klappen zijn gevallen tussen verzoeker en zijn stiefzoon. De schuld ligt bij beiden en er is geen causaal verband met alcoholabusus in hoofde van verzoeker aangetoond. Het betrof een eenmalig feit en om daaruit te concluderen dat verzoeker een alcoholverslaving heeft die hem gevaarlijk maakt voor de openbare orde en de veiligheid wanneer hij over vergunningsplichtige wapens beschikt gaat volgens verzoeker te kort door de XIV-37.492-4/9 bocht. Voorts wijst verzoeker erop dat hij op geen enkel ogenblik heeft gedreigd met een wapen, of daar zelfs nog maar een allusie op heeft gemaakt. Hij meent dat er geen verband is tussen de feiten waarop de verwerende partij zich beroept en het wapenbezit. Verzoeker besluit dat de in de bestreden beslissing aangehaalde feiten niet bewijzen dat er in zijn hoofde inzake zijn algemene moraliteit en persoonlijkheid problemen bestaan die onverenigbaar zijn met het bezit van vuurwapens. De bestreden beslissing is niet redelijk en proportioneel ten aanzien van de aangehaalde feiten. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel en stelt vast dat voor de verwerende partij het feit van intrafamiliaal geweld van 25 oktober 2015 het draagkrachtig motief vormt voor de bestreden beslissing. Hij geeft een relaas van die feiten zoals die volgens hem concreet zijn gebeurd en stelt vast dat in een tijdsspanne van 5,5 jaar er eenmaal sprake is van (lichte) agressie - het tegen de grond duwen van zijn levenspartner in een ruzie waarbij die niet werd gewond - en de uitgelokte agressie van 25 oktober 2015 tussen verzoeker en zijn stiefzoon. Hij betoogt dat er niet doorlopend sprake is van agressie en al evenmin dat die zware vormen aanneemt. Daaruit concluderen dat verzoeker, die volgens zijn partner en haar zoon alleen in het weekend drinkt, een alcoholverslaving heeft die hem gevaarlijk maakt voor de openbare orde en veiligheid wanneer hij over vergunningsplichtige wapens beschikt, gaat volgens verzoeker te kort door de bocht. Zowel zijn partner als zijn stiefzoon hadden trouwens dadelijk na de feiten al spijt van hun reactie, nu zij schriftelijk vroegen om verzoeker niet te vervolgen. Voorts hebben de verklaringen van de verbalisanten - die stelden dat hij kalm was en goed meewerkte en dat zijn wapens keurig waren opgeborgen - ook hun belang. De feiten hebben zich nooit meer herhaald en hebben dan ook geen actualiteit meer. Voorts wijst verzoeker er andermaal op dat er op geen enkel ogenblik nog maar een allusie werd gemaakt met het dreigen met een wapen. In zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat, voor zover er al een alcoholproblematiek bestond, verzoeker die onmiddellijk op doortastende XIV-37.492-5/9 wijze heeft aangepakt. Hiermee wordt geen rekening gehouden. De bestreden beslissing dateert van 8 juni 2017, zijnde 19 maanden na de feiten. Verzoeker vermeed toen al alcohol en hij doet dan nog steeds, waarbij hij tot bewijs hiervan een medisch verslag toevoegt van een hepatoloog gedateerd op 19 februari
  13. Uit dat attest blijkt volgens verzoeker dat hij geen stigmata heeft van een chronisch alcoholprobleem wat volgens hem aantoont dat er geen alcoholprobleem was of is. Verzoeker herhaalt voorts dat er geen sprake is geweest van doorlopend huishoudelijk geweld en al evenmin dat die agressie zware vormen zou aannemen. Tot slot is er op geen enkel ogenblik allusie gemaakt op het dreigen met een vuurwapen. Volgens verzoeker ligt er aldus geen verband voor tussen het bezit van vuurwapens en de feiten waarop de bestreden beslissing zich beroept. Beoordeling
  14. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het enige middel op grond van de volgende overwegingen. Uit het proces-verbaal van verhoor, naar aanleiding van de genoemde feiten van intrafamiliaal geweld gepleegd op 25 oktober 2015, heeft verzoeker uitdrukkelijk erkend dat hij zijn stiefzoon “een slag op de slaap gegeven” heeft, hem vervolgens “sloeg […] op de kaak” en wanneer hij “zei dat hij de politie ging bellen […] hem vastgreep bij de keel”. Tevens heeft hij verklaard “tot inkeer gekomen” te zijn, te hebben “besloten alcohol af te zweren” en “hiervoor ook hulp gezocht” te hebben. Een proces-verbaal dat uiteindelijk wordt geklasseerd, laat niet toe om zomaar ervan uit te gaan dat de feiten die erin zijn beschreven, effectief hebben plaatsgegrepen, behalve natuurlijk ingeval van een bekentenis of wanneer de feiten niet worden tegengesproken door de betrokkene, want dan kunnen ze het oordeel van het bestuur dat er een gevaar is voor de openbare orde, ondersteunen. Dat er gedurende de voornoemde feiten niet werd gedreigd met een wapen, dat enkele dagen later verzoekers partner en de stiefzoon verklaarden XIV-37.492-6/9 hem “nog een kans te geven” omdat hij bereid was “hulp te vragen voor zijn alcoholproblematiek” en dat het - aldus het betoog in de memorie van wederantwoord - de stiefzoon was “die de toorn van verzoeker heeft opgewekt”, houdt niet in dat de verwerende partij bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, geen rekening mag houden met die feiten - “een kort handgemeen” volgens verzoeker - die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid maar die niet worden betwist. De omstandigheid dat verzoeker bij vonnis van 24 februari 2017 van de correctionele rechtbank te Antwerpen werd vrijgesproken voor intoxicatie aan het stuur kan niet anders doen besluiten. Er is te dezen dan ook een actueel gegeven voorhanden, in het licht waarvan de minder recente gegevens niet ieder belang kan worden ontzegd. De argumentatie in het verzoekschrift, die is gesteund op de vooropgestelde stelling dat er geen actueel feit aanwezig, kan bijgevolg niet worden bijgetreden. Verzoeker is meerdere malen veroordeeld door de politierecht- bank voor intoxicatie aan het stuur en dronkenschap aan het stuur. Deze veroordelingen dateren dan wel van 1999, 2001 en 2004, maar verzoeker heeft in 2015 erkend te kampen met een “verslavingsproblematiek”, zoals dit in de verklaring van 29 oktober 2015 van zijn arts wordt omschreven, waardoor een antabuse - voor de behandeling van chronisch alcoholisme - werd voorgeschreven. Tevens verklaart de arts dat verzoeker voor behandeling werd doorverwezen naar de vzw VAGGA - Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg met een gespecialiseerde werking voor verslavingszorg. Hierbij komt dan nog dat verzoeker in de memorie van wederantwoord erkent dat hij eerder al is overgegaan tot “fysieke agressie, nl. het tegen de grond duwen van zijn levenspartner in een ruzie”. De in de bestreden beslissing besproken feiten die hebben geleid tot het oordeel dat wapens en herhaalde dronkenschap klaarblijkelijk niet samengaan want dat dit kan leiden tot problematisch wapenbezit, zijn met de nodige zorgvuldigheid vastgesteld, dragen - los van de verkeersovertredingen - de bestreden beslissing en laten de verwerende partij toe om binnen de perken van de XIV-37.492-7/9 redelijkheid te oordelen dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt.
  15. Verzoeker betwist deze conclusie in zijn laatste memorie, maar beperkt zich tot het benadrukken, herhalen en herformuleren van zijn eigen standpunt uiteengezet in zijn vroegere procedurestukken, zonder dat hij aldus aannemelijk maakt dat die visie die niet door het auditoraat is bijgevallen, thans moet worden bijgevallen. In de mate dat verzoeker ook nog aanvoert dat hij de “alcoholproblematiek” onmiddellijk op doortastende wijze heeft aangepakt, dat hij nog steeds alcohol mijdt en dat hij op heden geen stigmata vertoont van chronisch leverlijden, geeft hij voorts een eigen (a posterio) beoordeling die geenszins doet besluiten dat de verwerende partij, op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelings- bevoegdheid inzake de ernst van de feiten en de beoordeling van het begrip “openbare orde en veiligheid”, te buiten is gegaan. Waar verzoeker erop wijst dat hij in de feiten geen allusie heeft gemaakt op het dreigen met een vuurwapen, laat staan er gebruik van heeft gemaakt, merkt de Raad van State op dat de verwerende partij bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, mag rekening houden met feiten en gedragingen die op zich niets te maken hebben met het wapenbezit van verzoeker, op voorwaarde dat die feiten en gedragingen afdoende vaststaan en de beslissing tot intrekking van het recht kunnen verantwoorden. De enkele kritiek derhalve dat verzoeker op geen enkel ogenblik (gedurende de feiten van het intrafamiliaal geweld) dreigde of gebruik maakte van een vuurwapen doet derhalve evenmin blijken dat de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid is te buiten gegaan. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het enige middel ongegrond. XIV-37.492-8/9 BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep.
  17. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien september tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.492-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.473 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.