id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.493 Rolnummer: A. 229052/IX-9609 Zaak: Arrest 245493 - Examens (onderwijs) - 19/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-19 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-21 21:50 Fiche Arrest nr 245.493 van 19 september 2019 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.493 van 19 september 2019 in de zaak A. 229.052/IX-9609 In zake: Hannah ROSSEEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ludo Ockier en Erlinde De Lange kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1.
- De vordering, ingesteld op 9 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “
- de beslissing van [de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts] van 26.08.2019, waarbij het intern beroep van [Hannah Rosseel] ontvankelijk maar ongegrond werd verklaard.
- De ongedateerde beslissing van de examencommissie waarbij aan [Hannah Rosseel] 138 op 240 punten werden toegekend.” 1.
- Tevens wordt gevorderd “om samen met de schorsing ook de volgende voorlopige maatregelen uit te spreken”: “- Dat aan [Hannah Rosseel] een gunstige rangschikking gegeven wordt en aldus toelating om zich in te schrijven voor de opleiding arts; IX-9609-1/25 - Dat op zeer korte termijn, een nieuwe beslissing genomen wordt met betrekking tot de neutralisatie van vraag 1 van het onderdeel CLEAR; - Ondergeschikt, dat voor de start van het academiejaar op 23.09.2019, het exa- menonderdeel „CLEAR‟ opnieuw en ditmaal op correcte wijze georganiseerd wordt en waaraan verzoekende partij kan deelnemen, en dat de resultaten van dit examenonderdeel in de plaats komen van de examenresultaten van 02.07.2019 om te bepalen of verzoekende partij als gunstig gerangschikt kan worden; - Voor zover als nodig: dat verwerende partij de camerabeelden moet opvragen en voorleggen over het hele traject tussen de lunchruimte en de zitplaats van ver- zoekende partij in paleis 9 op 2 juli 2019 tussen 14u00 en 14u35.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2019, om 11.30 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaten Erlinde De Lange en Laurence Vanhoucke, die ver- schijnen voor de verzoekende partij en advocaat Matthias Castelein, die tevens loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Regelgeving en feiten 3.
- De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks, in de periode van 1 tot 15 juli, een toelatingsexamen voor de opleiding van arts (artikel II.187, § 6, 1° IX-9609-2/25 en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 „houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts‟). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toela- tingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel „wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde (KIW)‟ (hierna: „kennis en inzicht in de wetenschappen‟) en voorts een onderdeel „generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepsprak- tijk van artsen (GC)‟ (hierna: „generieke competenties‟) (artikel II.187, § 5, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1153 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 21 de- cember 2018 „tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts‟). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropge- stelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). IX-9609-3/25 Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). 3.
- Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen in 2019 zijn door de examencommissie vastgesteld in het „Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2019‟ (hierna: het werkings- en examenreglement 2019). Artikel 48 van dit reglement bepaalt dat het examenonderdeel „generieke competenties‟ bestaat uit twee toetsen, namelijk „CLEAR‟ (Conflict- hantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect) en „VAARDIG‟ (Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren). Volgens artikel 50 van dit reglement zal het examen in de vol- gende volgorde verlopen: -10.00 uur tot 13.00 uur: kennis en inzicht in de wetenschappen; 10 vragen per wetenschappelijke discipline; - 14.30 uur tot 14.50 uur: CLEAR; - 14.55 uur tot 15.40 uur: VAARDIG deel 1; - 15.45 uur tot 16.00 uur: VAARDIG deel
- 3.
- Verzoekster heeft op 2 juli 2019 deelgenomen aan het toela- tingsexamen voor de opleiding tot arts, dat werd georganiseerd in Brussels Expo. 3.
- Na beraadslaging kent de examencommissie haar de volgende punten toe: 62 op 120 punten voor het onderdeel „kennis en inzicht in de weten- schappen‟, 76 op 120 punten voor het onderdeel „generieke competenties‟ en 138 op 240 punten in het totaal. De cesuur is bepaald op “142 op 240”. IX-9609-4/25 De examencommissie besluit dat verzoekster geslaagd is voor het examen, maar niet gunstig is gerangschikt. 3.
- Verzoekster stelt met een aangetekende brief van 30 juli 2019 beroep in bij de “interne beroepsinstantie” (hierna: de beroepsinstantie), die lui- dens artikel 63 van het werkings- en examenreglement 2019 is samengesteld uit “de examencommissie met de voorzitter van de examencommissie als voorzitter”. Zij voert daarbij twee grieven aan: “1ste grief: onvoldoende tijd voor het gedeelte CLEAR
- De timing op de examendag 02.07.[2019] was de volgende: [...] 13.00-14.30 uur Middagpauze 14.30-14.50 uur CLEAR [...] Voor het examenonderdeel „CLEAR‟ was aldus 20 minuten tijd voorzien.
- In werkelijkheid heeft cliënte echter niet kunnen beschikken over de 20 minuten waarop zij recht had, zoals blijkt uit het hiernavolgende relaas van de feiten. Na het KIW-gedeelte in de voormiddag had zij samen met [E.P.] en [E.B.] afgesproken aan de KBC-bankautomaat in de Astridhal om daarna samen naar paleis 1 te gaan om daar te lunchen (zoals ten andere voorzien in de „Richtlij- nen‟ die alle kandidaten ontvangen hadden). Omstreeks 14u00 zochten zij terug hun plaats op voor het CLEAR-gedeelte dat zou starten om 14u
- [E.P.] ging terug naar paleis 5, en cliënte ging samen met [E.B.] langs de andere kant naar paleis 6 en
- Zij hadden allemaal de bedoeling om reeds om 14u15 [...] hun zitplaats te be- reiken voor het volgend examengedeelte. Bij het terugkeren naar paleis 9 bleek echter dat de gangen naar paleis 9 waren volgestroomd met mensen die terug hun zitplaats opzochten. De deuren van paleis 9 bleven lange tijd gesloten, zodat de massa mensen in de gangen moesten blijven wachten. Uiteindelijk gingen de deuren open, maar wel veel te laat om iedereen nog tijdig te kunnen plaatsnemen voor 14u
- Toen cliënte eindelijk voorbij de toegangsdeuren was heeft zij zo snel mo- gelijk gelopen naar blok
- Op het moment dat zij haar zitplaats bereikt had waren er zeker al 4 à 5 minuten verstreken van de 20 minuten die voorzien waren voor het CLEAR examengedeelte. Rondom haar waren mensen trouwens al volop bezig met het examen. Gestresseerd door het aanzienlijke tijdverlies en hijgend van het lopen heeft cliënte vervolgens haar CLEAR-examen afgelegd. IX-9609-5/25 Intussen bleven ook nog andere kandidaten binnenstromen, wat niet bevor- derlijk was voor de rust en stilte in de hal. Uiteindelijk bleekt dat cliënte 8 van de 15 vragen juist had ingevuld. 3 vragen beantwoordde zij foutief en 4 vragen moest zij openlaten omdat zij er de tijd niet meer voor had. Dit zorgde voor een score van 21/45 [...].
- Een en ander blijkt ook duidelijk uit de sms die cliënte na afloop van het namiddagprogramma stuurde naar [E.P.]: [...] Zij stuurde dit bericht om 16u09 vanuit paleis 9, terwijl [E.P.] zich toen al aan de plaats van afspraak (KBC-automaat in de Astridhal) bevond. Toen bleek ook dat [E.P.] wél op tijd haar blok had kunnen bereiken en wel de volledige 20 minuten had gehad voor het CLEAR-gedeelte. Dit wordt overigens ook door [E.P.] bevestigd [...].
- Uit het relaas blijkt aldus dat:
(1)Cliënte geen 20 minuten gekregen heeft voor het CLEAR gedeelte, maar slechts 15 minuten. Dat is liefst een kwart van de examentijd die verloren ge- gaan is;
(2)Cliënte is daardoor gestresseerd en in paniek aan CLEAR gedeelte begon- nen;
(3)Cliënte treft zelf geen enkele schuld aan het tijdsverlies en de stress die dit heeft opgeleverd. De middagpauze liep van 13u tot 14u30. In dat tijdsblok van anderhalf uur is cliënte van paleis 9 naar paleis 1 gegaan, daar gegeten (conform de Richtlijnen), naar het toilet geweest, en onmiddellijk daarna (om 14u) terug naar paleis 9 vertrokken. Eén derde van de lunchpauze had zij dus voorzien om terug haar plaats in te nemen voor het volgende examengedeelte.
(4)Cliënte op die manier ongelijk behandeld is ten opzichte van andere kan- didaten die wél tijdig hun zitplaats hebben kunnen bereiken, vb. omdat zij een gunstigere zitplaats in een andere paleis en/of blok hadden.
- Het is belangrijk op te merken dat de volgende dag, op 03.07.2019, cliënte ook heeft deelgenomen aan het toelatingsexamen tandarts. Zij slaagde ook hier voor zowel het KIW-gedeelte en het deel generieke competenties. In totaal behaalde zij een totaalscore van 135/240, maar opnieuw geen gun- stige rangschikking. Voor het namiddaggedeelte CLEAR gingen de deuren ditmaal wél op tijd open. Zij kon rustig naar haar plaats gaan, zoals alle andere kandidaten, en in stilte aan het examen beginnen. De resultaten zijn dan ook opmerkelijk beter: zij had 10 vragen juist be- antwoord, 3 foutieve vragen en slechts 2 vragen opengelaten. Goed voor een score van 27/
- Hieruit kan besloten worden dat indien cliënte de voorziene tijd had gekre- gen en het examen in rustige omstandigheden had kunnen maken op dinsdag 2 juli, zij ongetwijfeld een betere score voor het examen CLEAR zou verkregen hebben (er is geen enkele reden om te veronderstellen dat het CLEAR gedeelte bij het tandartsexamen gemakkelijker zou zijn geweest dan dat bij het toela- tingsexamen arts). IX-9609-6/25 Bij de inzage van haar examenresultaat heeft cliënte overigens ook genoteerd op het inzageblad dat zij te weinig tijd heeft gehad voor het CLEAR-onderdeel [...].
- Tenslotte stelt cliënte ook vast dat ook andere kandidaten zich om die- zelfde reden onrechtvaardig en discriminatoir behandeld weten. Zo ging zij op woensdag 24 juli 2019 naar Brussel om het CLEAR-examen te gaan inkijken. Na het inkijken van het CLEAR-examen kwam zij een andere jongedame tegen samen met haar moeder (cliënte heeft helaas niet de identiteit gevraagd van deze jongedame en haar moeder). Ze vroegen aan cliënte of zij ook te laat moest starten aan het CLEAR-examen. Zij hebben cliënte ook gevraagd dit te bevestigen door een bericht in te spreken op de gsm van de jongedame. Zij verzamelde immers gelijklopende getuige- nissen om dit te gebruiken voor verdere stappen. Deze jongedame vertelde overigens aan cliënte dat in haar blok de deelnemers pas konden starten (ont- vangst examenboek [CLEAR] als de volledige rij aanwezig was. Dat was niet het geval bij cliënte: het werkboek CLEAR lag al gereed op haar tafel, en rondom haar waren al verschillende kandidaten gestart met dit exa- mengedeelte.
- Het is aan de inrichters van het toelatingsexamen om ervoor te zorgen dat alles correct en fair verloopt. In het bijzonder moeten zij garanderen dat elke deelnemer met gelijke kansen kan deelnemen aan het examen en minstens over de reglementair voorziene tijd kan beschikken. Dit is hier overduidelijk niet het geval geweest. Niet elke kandidaat die te laat is kunnen beginnen aan het CLEAR [exa- menonderdeel] zal hierover klacht indienen: sommigen zullen ondanks alles toch nog gunstig gerangschikt geweest zijn, en heel wat kandidaten zullen zelfs met een perfect CLEAR-gedeelte nooit aanspraak kunnen maken op een gun- stige rangschikking. In het geval van cliënte is het echter duidelijk dat het tijdsgebrek bij het CLEAR onderdeel, en de daaruit volgende stress en paniek, in oorzakelijk verband staan met de foute antwoorden en het feit dat 4 vragen werden open- gelaten, en uiteindelijk ook tot gevolg hebben gehad dat geen gunstige rang- schikking werd verkregen. 2de grief: het antwoord op vraag 1 (CLEAR) is correct beantwoord
- Bij inzage van de examenresultaten heeft cliënte moeten vaststellen dat haar antwoord op vraag 1 als fout werd aangemerkt. Men vroeg in deze casus waar de kans op tevredenheid voor beide partijen het grootst was. Cliënte antwoordde „B‟, maar het juiste antwoord bleek volgens de examina- toren „D‟ te zijn. In situatie D heeft de vriend inderdaad de grootst mogelijke tevredenheid: na overleg wordt zijn voorkeur gevolgd. Voor de „jij‟-persoon is dit echter niet de meest bevredigende oplossing, aangezien de jij-persoon moe is (zware werkweek). In situatie B is er eveneens overleg. Er wordt uitdrukkelijk aangegeven dat er beslist wordt om samen bij te praten én om op korte termijn alsnog naar de film te gaan. IX-9609-7/25 Het gaat evident om een fictieve situatie, maar het is op zijn minst betwist- baar dat de kans op tevredenheid van de „vriend‟ in situatie B minder hoog zou zijn dan die van de „jij‟persoon in situatie D. De kans op tevredenheid van beide partijen is van belang, niet enkel van de „vriend‟. Het antwoord op die vraag 1 had dan ook goed gerekend moeten worden. In dat geval had cliënte 4 punten extra gekregen op het onderdeel „generieke competenties‟: 3 extra punten voor het juist beantwoorden van de vraag, en +1 wegens het wegvallen van de giscorrectie. Met het resultaat van 142 op 240 in plaats van 138 op 240 zou zij gunstig gerangschikt geweest zijn.” 3.
- Op 26 augustus 2019 beslist de beroepsinstantie dat verzoeksters beroep ontvankelijk, maar niet gegrond is en dat de eerder toegekende score van 138 op 240 punten gehandhaafd blijft. De voorzitter van de beroepsinstantie deelt deze beslissing met een brief van 30 augustus 2019 mee aan de raadsman van verzoekster. Hij vermeldt in die brief de volgende motivering van deze beslissing: “[…] De beroepsinstantie heeft geen opmerkingen wat de ontvankelijkheid be- treft van uw beroepschrift. Het beroep is ontvankelijk. U motiveert uw klacht ten gronde met volgende argumenten: Uw eerste argument betreft algemeen de organisatie van de toets CLEAR van het onderdeel GC. U stelt en bevestigt dit op het inzagedocument dat u bij de inzage heeft ingevuld en ook betrekt als middel in uw intern beroepschrift dat u voor het onderdeel CLEAR minder dan de voorziene twintig minuten tijd heeft gehad. Uw tweede argument heeft ook betrekking op de toets CLEAR van het onderdeel GC. U formuleert een inhoudelijk argument ten aanzien van de vraag 1 van CLEAR. De beroepscommissie heeft integraal kennisgenomen van de argumenten zoals die zijn opgenomen in het beroepschrift en formuleert hiernavolgende beschouwingen. Met betrekking tot het eerste middel dat u formuleert ten aanzien van de organisatie van het examen CLEAR stelt de examencommissie vooreerst vast dat de meegedeelde instructies wat het starten van het examen na de middag- pauze betreft de volgende [zijn:] „Vanaf 14.15 uur krijg je opnieuw toegang tot de examenhallen. Zorg dat je ten laatste op 14.25 uur weer op de plaats zit, om 14.30 uur start het examenge- deelte.‟ De beroepsinstantie heeft zich geïnformeerd over het al dan niet tijdig openen van de poorten voor de aanvang van het examengedeelte GC. Een ver- IX-9609-8/25 klaring over de vaststellingen die zijn gedaan op basis van de camerabeelden door de expoverantwoordelijke is toegevoegd. De conclusie hiervan is dat de drie poorten tussen 5 minuten en 40 seconden en 5 minuten en 58 seconden later zijn opengegaan dan gepland. Voor paleis 9 is de poort 5 minuten en 40 se- conden later opengegaan dan gepland. In principe heeft een kandidaat tien minuten maximaal tijd nodig om zich naar zijn plaats te begeven (om 14.25 uur wordt verwacht dat alle kandidaten op hun plaats zitten). Er wordt dus in een speling van 5 minuten voorzien. In casu blijkt dus dat er een periode van 40 seconden buiten de voorziene speling ligt. Het moet dus in principe mogelijk zijn geweest voor elke kandidaat om nog tijdig te starten aan de toets CLEAR die 20 minuten in beslag neemt. De commissie heeft ook op geen enkel ogenblik tijdens het examen het signaal gekregen van toezichters, verantwoordelijken of kandidaten dat er zich een ti- mingprobleem stelde. Er was dus geen concrete aanleiding om het examen later te laten starten. Als een kandidaat laattijdig is gestart zal dit eerder te wijten zijn aan een andere oorzaak of het dralen van de deelnemer. De commissie gaat niettemin verder in het concreet voorliggend dossier na of de kritische periode van 40 seconden veroorzaakt door de vastgestelde latere opening een impact heeft kunnen hebben op het al dan niet tijdig kunnen starten aan het examen en de behaalde resultaten. De commissie stelt echter vast dat u stelt dat u de zaal pas kon later bin- nenkomen terwijl nagenoeg iedereen zich reeds op zijn plaats bevond. Het boekje lag klaar en andere kandidaten waren reeds gestart. U startte daardoor 4 tot 5 minuten te laat (kwart minder dan voorzien), wat heel wat stress veroor- zaakte. Omdat de deuren te laat werden geopend van paleis 9 was er een te grote toeloop en dienden vele kandidaten te wachten in de gangen. U was nochtans tijdig naar het paleis vertrokken, met name om 14.00 uur. Ter staving van deze omstandigheden voegt u een weergave toe van een sms bericht aan een medekandidaat verstuurd na afloop van het examen. Deze kandidaat heeft in paleis 5 niet dezelfde problemen ondervonden en kon tijdig starten. Concreet meldt u dat u door de onvoldoende tijd vier vragen heeft moeten openlaten. U zegt ook dat het tijdsgebrek en de stress concreet tot gevolg heb- ben dat u niet gunstig gerangschikt bent. U voelt zich ongelijk behandeld. U geeft ook aan dat u tijdens de inzage heeft vastgesteld dat ook andere kandidaten zich onrechtvaardig behandeld voelen door het niet tijdig te kunnen starten. De commissie stelt vooreerst vast dat blok 51 niet zover verwijderd was van de ingang van het paleis. De commissie heeft ook onderzoek gedaan naar de exacte tijd die nodig is om de afstand af te leggen na de opening van de poorten tot de toegewezen zitplaats van de kandidaat. Uit het bijgevoegd plan blijkt dat ingeval een kandidaat een rustig ritme (3 km/uur) aanhoudt om een afstand van 150 meter af te leggen, dit maximaal 3 minuten in beslag neemt. In casu is uw plaats op 72,5 meter van de ingang verwijderd (zie toegevoegd plan). Van poort 9 stappen tot de uiterste blok 51 waar u zat neemt ongeveer 1,5 minuten in beslag aan 3 km/u. De spe- ling die er nog was na opening van de poorten moet dus in uw geval in principe voldoende zijn geweest om tijdig uw plaats in te nemen en het examen te IX-9609-9/25 kunnen starten. Immers, tussen het moment dat de poorten zijn opengegaan (14:21) en het moment dat u volgens uw schrijven aan het examen kon beginnen (14:35 gezien uw verwijzing naar verlies van 5 minuten) liggen 14 minuten, terwijl de wandeltijd tussen de toegangspoort en uw examenplaats 1,5 minuten bedraagt. De commissie heeft in dat verband ook bij de toezichters van de blok 51 van paleis 9 geïnformeerd en deze melden dat er 1 à 2 deelnemers nipt of net na het startsignaal zijn gestart, maximaal 2 à 3 minuten na de start van het examen (zie toegevoegde verklaringen). De bewering dat u vier tot vijf minuten te laat bent gestart is niet in over- eenstemming met deze verklaringen. De commissie wijst ook op volgende elementen die in het werkingsre- glement voorafgaandelijk beschikbaar voor alle kandidaten zijn opgenomen. Het principe is dat kandidaten die laattijdig kunnen starten om welke reden ook geen extra tijd krijgen (zie artikel 37 en artikel 40). Kandidaten dragen zelf de verantwoordelijkheid conform het werkingsregle- ment om de tijd in het oog te houden tijdens de examens en de informatie via de projectieschermen te raadplegen (artikel 42). Artikel 43 bepaalt dat deelnemers tijdens het examen schriftelijke opmer- kingen kunnen overmaken via de bestemde opmerkingenblaadjes die beschik- baar zijn bij de toezichters. U heeft echter geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid tijdens het examen. In het dossier vindt de commissie daarvan althans geen aanwijzing. De commissie merkt ook op dat tijdens de afname van een dergelijk toela- tingsexamen er meerdere mogelijk externe factoren zijn die naargelang de om- standigheden en hoedanigheid van de kandidaat tot stress kunnen leiden. Hiermee kan de examencommissie geen rekening houden. Bijkomend geeft u aan als argument dat u voor het CLEAR-gedeelte op het examen tandarts wel een voldoende cijfer 27/45 heeft gehaald dat ertoe zou geleid hebben dat u gunstig gerangschikt was voor het examen arts. De minder hoge score 21/45 is volgens u dus het gevolg van de verloren tijd op de dag van het artsexamen. Beide examens zijn wat moeilijkheidsgraad betreft gelijk- waardig. Tijdens het examen van tandarts was er geen latere opening van de poorten en konden alle kandidaten op hetzelfde moment starten. Wat dit argument betreft – dat aansluit bij het eerste middel – is de com- missie van oordeel dat een beter resultaat behalen op het CLEAR-gedeelte bij het toelatingsexamen tandarts niet noodzakelijkerwijze aantoont dat de mindere prestatie te wijten is aan het vermeende gebrek aan tijd. Vooreerst benadrukt de commissie dat elk examen op zijn eigen merites binnen de geëigende omstandigheden en contouren moet worden beoordeeld en dat een vergelijking tussen twee afzonderlijke toelatingsexamens arts en tand- arts niet aan de orde is. De commissie heeft niettemin in ondergeschikte orde een vergelijking gemaakt van de resultaten van CLEAR van deelnemers die beide dagen hebben deelgenomen (opgedeeld op basis van het paleis waar ze zaten op de dag van arts) (zie tabel). U stelt dat in paleis 5 alles wel vlot is verlopen en iedereen tijdig was, wat in het paleis 6 en 9 niet het geval was. IX-9609-10/25 gem. score gem. score verschil tussen arts tandarts arts en tand- arts deelnemers paleis 5 (dag 22,26 31,78 9,52 arts) deelnemers paleis 6 (dag 22,24 31,67 9,43 arts) deelnemers paleis 9 (dag 22,09 31,74 9,65 arts) Hannah Rosseel 21 27 6 Uit deze vergelijking kan vastgesteld worden dat er gemiddeld voor alle deelnemers een toename van 9,5 punten is op de tweede dag van deelname bij deelnemers die beide dagen hebben deelgenomen. U heeft „slechts‟ een toe- name van 6 punten. Hieruit blijkt dat het verschil tussen uw beide scores minder is dan ge- middeld en dus niet noodzakelijkerwijze aantoont dat u voor CLEAR arts lager gescoord heeft doordat u later bent kunnen starten zoals u aangeeft. De commissie leidt tot slot uit een lezing van uw examendocumenten af dat u voldoende tijd had om het vragenboekje tot de laatste pagina door te nemen en de laatste vraag van het vragenboekje te beantwoorden, vervolgens erover na te denken en van mening te veranderen en een correctiesticker aan te vragen. Op zijn minst geeft dit aan dat er voor de laatste vraag in het vragenboekje de no- dige tijd was om een aantal stappen te doorlopen, hoewel er in het verzoek- schrift wordt beweerd dat deze vraag omwille van tijdsgebrek niet is beant- woord. De commissie is van oordeel dat u niet op afdoende wijze aantoont dat de organisatie van het examen u heeft verhinderd om het examen zoals alle kan- didaten in de voorziene omstandigheden af te leggen en dat de beweerde latere start er ook effectief heeft toe geleid dat u hierdoor minder dan normaal heeft kunnen presteren. Dit middel is niet gegrond. Wat uw inhoudelijk middel betreft ten aanzien van de vraag 1 van CLEAR wijst de interne beroepsinstantie vooreerst op het gegeven dat de examen- commissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van een examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de kandidaat om het tegen- bewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een kandidaat de validiteit van bepaalde vragen in vraag stelt dient dit te gebeuren aan de hand van concreet goed onderbouwde argumenten en elementen. Vervolgens wijst de commissie erop dat de CLEAR-toets een specifiek format volgt. Het gaat over het goed kunnen inschatten (in de antwoordmoge- lijkheden A, B, C of D) van situaties in het licht van bepaalde vooropgestelde waarden of doelen die in de stam van de vraag aan bod komen. Zo wordt voor elke vraag specifiek aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv „meest constructief‟, meest oplossingsgericht, „best passen bin- nen,...‟, „het meest kans op…‟ enz. Voor elke vraag is er slechts één ant- woordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de IX-9609-11/25 contouren van de vraag, maar zij doen dit niet „het best‟ of „het meest‟ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van juist antwoord in de context van de vraagstelling. Een laatste algemene opmerking betreft de vermeende willekeur van de CLEAR-toets. Het is er de examencommissie niet om te doen om vast te stellen hoe de deelnemer in zijn of haar dagelijkse leven zelf op een bepaalde situatie reageert. Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderlig- gende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld en worden ook in de informatiebrochure beschreven zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets we- tenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is. Met deze overwegingen als achtergrond gaat de commissie dieper in op de inhoudelijke argumenten bij de vraag die u betwist. Voor de betwiste vraag wordt uiteengezet waarom het door de examencommissie aangeduide juiste antwoord inderdaad het best beantwoordt aan de vraagstelling en waarom de andere antwoordmogelijkheden inclusief het door u gekozen antwoord fout zijn. Vraag 1 van CLEAR (versie blauw): Vraagstelling: Je hebt met een vriend afgesproken om vanavond samen naar de bioscoop te gaan. Je hebt zin om naar een komedie te gaan kijken zodat je kan ontspannen na een zware werkweek. Je vriend is echter volledig in de ban van de laatste aflevering van een reeks actiefilms en is helemaal niet te vinden voor de ko- medie die jij in gedachten hebt. Hoe komen jullie het best tot een effectieve beslissing waarbij de kans op tevredenheid voor allebei het grootst is? Je vriend kan je overtuigen om mee naar de actiefilm te gaan. Het is immers de laatste week dat deze film vertoond wordt. Deze optie houdt enkel rekening met het eigen perspectief en niet met dat van de andere partij. Dit vermindert de kans op tevredenheid voor beiden. Deze optie beantwoordt dus niet aan de vraagstelling. Jullie beslissen om samen iets te gaan drinken om wat bij te praten en volgende week naar een film te gaan kijken. Een effectieve beslissing tussen de twee films wordt niet genomen in deze optie. Geen van beiden ziet op deze manier de film die zijn/haar voorkeur geniet waardoor de kans op tevredenheid voor allebei niet gemaximaliseerd wordt. Deze optie beantwoordt dus niet aan de IX-9609-12/25 vraagstelling. „Beslissen‟ suggereert dat je samen kiest, maar in de feiten praat je naast de kwestie van de vooropgestelde keuze tussen de twee opties. Je beslist om niet te beslissen en dit is dus niet effec- tief. Je praat in op je vriend om toch mee naar de komedie te gaan. Jij hebt je in het verleden ook al aangepast aan zijn voorkeur. Deze optie houdt enkel rekening met het eigen perspectief en niet met dat van de andere partij. Dit vermindert de kans op tevredenheid voor beiden. Deze optie beantwoordt dus niet aan de vraagstelling. Jullie wikken en wegen de verschillende opties en beslissen uiteinde- lijk om de actiefilm te gaan bekijken. In tegenstelling tot antwoord A worden alle voorkeuren voor de twee opties op tafel gelegd en er wordt gezamenlijk tot een besluit geko- men. De combinatie van gezamenlijk overleg waaruit een effectieve beslissing volgt, maakt dat deze optie het best beantwoordt aan de vraagstelling. De commissie besluit dat antwoord D (versie blauw) het enige juiste ant- woord is. Het middel is niet gegrond. […].” IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie. Een onder- zoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de voorwaarden voor het bevelen van de schorsing en het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging en het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die IX-9609-13/25 onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schor- sing en het opleggen van voorlopige maatregelen. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van artikel 27, 1° en 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 „houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts‟, de artikelen 16 en 52 van het werkings- en examenreglement 2019 en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke moti- vering van de bestuurshandelingen‟, “annex het beginsel van behoorlijk bestuur luidens hetwelk overheidsbeslissingen op in feite juiste en in rechte pertinente motieven dienen te zijn gesteund”. Zij betwist dat haar antwoord „B‟ op vraag 1 van het examen- gedeelte „CLEAR‟ van het toelatingsexamen door de examencommissie als foutief mocht worden aangerekend. Zij argumenteert: “Dit is niet correct. Er wordt in optie B duidelijk aangegeven dat er beslist wordt. Er wordt in optie B ook aangegeven dat er beslist wordt om samen iets te gaan drinken. Er wordt in optie B aangegeven er beslist wordt om later naar een film te gaan kijken. In de opgave wordt gevraagd naar „kans op tevredenheid van allebei het grootst is‟. Dat betekent dat dus moet rekening gehouden worden met de beide personen. Bovendien is er niets in optie B dat laat uitschijnen dat de kans op maximale tevredenheid lager ligt dan bij optie B, integendeel. IX-9609-14/25 Over de beslissing die genomen is in optie D weten we met zekerheid dat alvast 1 partij daar géén zin in had. Bij optie B gaat het om een 3de alternatief (naast de keuze van komediefilm of actiefilm). Het is perfect mogelijk dat dit voor beide partijen als een zeer goed alterna- tief ontvangen is, meer zelfs, de beslissing genomen in optie B wijst daar in die richting. Optie B laat bovendien ook zien dat een goede oplossingsgerichte commu- nicatie erin kan bestaan om een evenwaardig alternatief naar voren te schuiven en/of te sleutelen aan bepaalde elementen daarvan (vb. tijdstip om de film te zien verschuiven) waardoor het niet meer louter een kwestie wordt van zoveel mogelijk elkaar te overtuigen en van „winnen‟ (mijn keuze haalt het) of „ver- liezen‟ (mijn keuze haalt het niet). Optie D laat daarentegen enkel zien dat de „vriend‟ een goed pleidooi voor zijn keuze heeft gehouden, ook al was die keuze duidelijk (want vermeld in de vraagstelling) niet de keuze van de ander partij.” In ieder geval is verzoekster het er niet mee eens dat antwoord „D‟ het enige juiste antwoord zou zijn. Volgens verzoekster is haar score dan ook ten onrechte met één punt verminderd en had haar met toepassing van artikel 52 van het werkings- en examenreglement 2019 het maximum van drie punten moeten worden toegekend. Het resultaat zou dan zijn geweest dat zij “140 op 240” (versta: 142 op 240) be- haalde, waardoor zij zowel geslaagd als gunstig gerangschikt zou zijn geweest. Ondergeschikt doet verzoekster gelden dat de vraag had moeten worden geneutraliseerd overeenkomstig artikel 16 van het werkings- en examen- reglement 2019, waardoor zij eveneens geslaagd én gunstig gerangschikt zou zijn geweest. Minstens, zo stelt verzoekster, verantwoordt de bestreden be- slissing van de beroepsinstantie van 26 augustus 2019 niet afdoende waarom optie „B‟, indien ze niet juist was, niet minstens evenwaardig was aan optie „D‟. IX-9609-15/25 Beoordeling
- Verzoekster betwist dat het door haar gegeven antwoord „B‟ op vraag 1 van het examengedeelte „CLEAR‟ als foutief mocht worden aangerekend.
- Er moet vooreerst worden opgemerkt dat de Raad van State als wettigheidsrechter bij de beoordeling van het standpunt dat de examencommissie met betrekking tot de vragen van het toelatingsexamen heeft ingenomen, niet in de plaats mag treden van die commissie. Zo mag hij, onder meer, niet in de plaats van de examencommissie oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de exa- mencommissie. Hij mag enkel nagaan of de examencommissie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regel- matig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist. Daarbij moet de Raad van State bovendien uitgaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie, wat impliceert dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze relevant en pertinent zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het werkings- en examenreglement 2019, slechts één correct antwoord kunnen krijgen.
- Vraag 1 van het examengedeelte „CLEAR‟ van het toelatings- examen luidt: “Je hebt met een vriend afgesproken om vanavond samen naar de bioscoop te gaan. Je hebt zin om naar een komedie te gaan kijken zodat je kan ontspannen na een zware werkweek. Je vriend is echter volledig in de ban van de laatste aflevering van een reeks actiefilms en is helemaal niet te vinden voor de ko- medie die jij in gedachten hebt. IX-9609-16/25 Hoe komen jullie het best tot een effectieve beslissing waarbij de kans op tevredenheid voor allebei het grootst is?” Het door verzoekster gegeven antwoord „B‟ – “Jullie beslissen om samen iets te gaan drinken om wat bij te praten en volgende week naar een film te gaan kijken” – wordt door de beroepsinstantie om de volgende redenen als foutief aangemerkt: “Een effectieve beslissing tussen de twee films wordt niet genomen in deze optie. Geen van beiden ziet op deze manier de film die zijn/haar voorkeur geniet waardoor de kans op tevredenheid voor allebei niet gemaximaliseerd wordt. Deze optie beantwoordt dus niet aan de vraagstelling. „Beslissen‟ suggereert dat je samen kiest, maar in de feiten praat je naast de kwestie van de vooropgestelde keuze tussen de twee opties. Je beslist om niet te beslissen en dit is dus niet effectief.” Met betrekking tot het “juiste” antwoord „D‟ stelt de beroepsin- stantie: “In tegenstelling tot antwoord A worden alle voorkeuren voor de twee opties op tafel gelegd en er wordt gezamenlijk tot een besluit gekomen. De combinatie van gezamenlijk overleg waaruit een effectieve beslissing volgt, maakt dat deze optie het best beantwoordt aan de vraagstelling.” Ook met betrekking tot de antwoordmogelijkheden A en C geeft de beroepsinstantie in de bestreden beslissing aan waarom ze niet als “juist” mogen worden in aanmerking genomen. Aldus zet de beroepsinstantie afdoende uiteen waarom naar haar opvatting antwoordmogelijkheid „D‟ de enige juiste is en antwoordmogelijkheid „B‟ daaraan niet evenwaardig is. Verzoekster toont bovendien de onredelijkheid van die ziens- wijze op het eerste gezicht niet aan. Haar argumentatie lijkt eraan voorbij te gaan, zoals de beroepsinstantie in de bestreden beslissing terecht aangeeft, dat de vraagstelling uitgaat van een “effectieve beslissing”, terwijl volgens antwoord- IX-9609-17/25 mogelijkheid „B‟ geen dergelijke beslissing over het onderwerp van de vraagstel- ling wordt genomen. Voorts is er dan ook geen grond om, zoals verzoekster “onder- geschikt” doet gelden, de vraag te neutraliseren.
- Het eerste middel is derhalve niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van artikel 50 van het werkings- en examenreglement 2019, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen‟, “annex het beginsel van behoorlijk bestuur luidens hetwelk over- heidsbeslissingen op in feite juiste en in rechte pertinente motieven dienen te zijn gesteund”, het zorgvuldigheidsbeginsel, de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, alsook het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. In een eerste middelonderdeel betoogt verzoekster dat artikel 50 van het werkings- en examenreglement 2019 voor het examengedeelte „CLEAR‟ voorzag in een duur van twintig minuten, maar dat zij “[i]n werkelijkheid” niet over zoveel tijd heeft kunnen beschikken. Zij herhaalt in dit verband het feitenre- laas dat zij voor de beroepsinstantie heeft weergegeven (zie hiervóór sub 3.5) en zij stelt dat “[één] en ander [...] ook duidelijk [blijkt] uit de sms die [zij] na afloop van het namiddagprogramma stuurde naar E.P.”. Verzoekster stelt dat uit dat relaas blijkt dat zij voor het voor- noemde examengedeelte slechts over vijftien tot zestien minuten tijd heeft be- schikt. Een substantieel deel van de examentijd is aldus verloren gegaan, zonder IX-9609-18/25 dat haar enige schuld treft. Bovendien heeft zij daardoor het voornoemde exa- mengedeelte gestresseerd en in paniek aangevat. Volgens verzoekster betwist de interne beroepsinstantie niet dat sommige studenten enkele minuten hebben verloren doordat de poorten van pa- leis 9 vijf minuten en veertig seconden later zijn opengegaan dan gepland, en dat dit veertig seconden buiten de voorziene speling van vijf minuten is. De beroeps- instantie geeft ook toe dat de toezichters van blok 51 van paleis 9, waar verzoekster haar plaats had, melding maken van deelnemers die na het startsignaal zijn gestart. Verzoekster besluit dat haar feitenrelaas dan ook in alle opzichten correct is. Verzoekster benadrukt dat haar niet kan worden verweten on- zorgvuldig of nonchalant te zijn geweest, aangezien zij na de lunch op de voor- geschreven locatie, reeds om 14.00 uur terug naar paleis 9 is gegaan. Het probleem was “de latere opening van de toegangspoorten, waardoor zich een massaal aantal kandidaten heeft opgehoopt voor de toegangspoorten om 1:20:40 [versta: 14.20.40 uur], die vervolgens allemaal door dezelfde deur naar binnen moesten”. In een tweede middelonderdeel doet verzoekster gelden dat “het motiveringsbeginsel” werd geschonden, doordat de motivering van de beroepsin- stantie “naast de kwestie” is, omdat ze zich toespitst op de tijd die nodig was om de afstand te overbruggen tussen de ingang van paleis 9 en blok 51, terwijl “het pro- bleem zich gesteld heeft vóór en niet voorbij de toegangsdeuren”. Bovendien kan het gegeven dat zij geen opmerkingen heeft gemaakt op de daartoe bestemde op- merkingenblaadjes, haar klacht dat zij niet over voldoende tijd beschikte niet weerleggen. Hetzelfde geldt voor het feit dat zij alle vragen heeft beantwoord. In een derde middelonderdeel betoogt verzoekster dat een zorgvuldig handelende overheid de camerabeelden zou hebben opgevraagd van het hele traject tussen de lunchruimte en paleis 9 op 2 juli 2019 tussen 14.00 uur en 14.35 uur. Verzoekster vraagt dat de Raad van State zo nodig aan de verwerende partij daartoe het bevel zou geven. IX-9609-19/25 In een vierde middelonderdeel, ten slotte, voert verzoekster aan dat het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel geschonden zijn. Zij werd im- mers ongelijk behandeld ten opzichte van andere kandidaten die wél tijdig hun zitplaats hebben kunnen bereiken. Zij wijst erop dat het verlies van enkele minuten zwaarder doorweegt bij een examenonderdeel dat kort is – twintig minuten – en “waarbij dus élke minuut telt”. Beoordeling
- Verzoekster steunt het middel op de grief dat zij het examenge- deelte „CLEAR‟ van het toelatingsexamen, dat volgens het werkings- en exa- menreglement 2019 was voorzien van 14.30 uur tot 14.50 uur, met “4 à 5 minuten” vertraging heeft moeten aanvatten, omdat de deuren van paleis 9 “lange tijd” ge- sloten bleven, waardoor “de gangen naar paleis 9 waren volgestroomd met mensen die terug hun zitplaats opzochten”, en de deuren “veel te laat [werden geopend] om iedereen nog tijdig te kunnen [laten] plaatsnemen voor 14u30”. Ter staving voegt zij bij haar inleidend verzoekschrift een sms-bericht dat zij om 16.09 uur verzond naar een andere kandidate en waarin zij onder meer vermeldde dat zij “te laat [was] voor clear”, dat zij heeft “moeten lopen” en dat er een “massa volk” was. Zij legt ook een verklaring voor van die andere kandidate die daarbij bevestigt dat zij zelf geen hinder heeft ondervonden om naar haar plaats terug te keren in paleis 5 en wel tijdig het examengedeelte „CLEAR‟ heeft kunnen aanvatten.
- In de bestreden beslissing stelt de verwerende partij onder meer daartegenover dat aan de hand van de camerabeelden door de expoverantwoorde- lijke werd vastgesteld dat drie toegangspoorten tussen vijf minuten en veertig seconden en vijf minuten en achtenvijftig seconden later zijn opengegaan dan gepland was om 14.15 uur. Voor de toegangspoort van paleis 9 gebeurde dit vijf minuten en veertig seconden later, voor de toegangspoort van paleis 5 vijf minuten en drieënveertig seconden later en voor paleis 6 vijf minuten en achtenvijftig se- IX-9609-20/25 conden later. Volgens de verwerende partij ging de vooropgestelde openingstijd van de poorten ervan uit dat een kandidaat maximaal tien minuten tijd nodig heeft om zich naar zijn plaats te begeven, zodat het ook in dit geval in principe nog mogelijk moet zijn geweest om tijdig het examengedeelte „CLEAR‟ aan te vatten. Zij wijst erop dat op geen enkel ogenblik tijdens het examen het signaal werd gegeven door toezichters, verantwoordelijken of kandidaten dat er een timing- probleem rees. Voorts zet de verwerende partij in de bestreden beslissing uiteen dat het van verzoekster ongeveer anderhalve minuut moet hebben gevergd om van de toegangspoort van paleis 9 tot op haar plaats in blok 51 te komen, terwijl volgens het relaas van verzoekster zij haar plaats pas veertien minuten na het opengaan van de toegangspoort zou hebben bereikt. Zij wijst ook op bijgevoegde verklaringen van toezichters van blok 51 luidens dewelke één tot twee deelnemers nipt of net na het startsignaal zijn gestart, maximaal 2 à 3 minuten na de start van het examen. Zij stelt ook vast dat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om tijdens het examen een schriftelijke opmerking te maken middels de daarvoor bestemde opmerkingenblaadjes.
- Het komt de Raad van State niet toe om in het kader van zijn wettigheidstoezicht het feitenonderzoek in de plaats van het bestuur over te doen. Hij vermag alleen na te gaan of het bestuur op grond van de hem voorliggende gegevens, die op een zorgvuldige wijze werden verzameld, redelijkerwijze tot haar vaststelling en beoordeling van de feiten is kunnen komen.
- In de huidige stand van de rechtspleging kan de Raad van State op grond van de gegevens die hem vooralsnog bekend zijn, niet anders besluiten dan dat het standpunt van verzoekster slechts gesteund is op een niet-gestaafde bewering – het sms-bericht aan kandidate E.P. lijkt weinigzeggend en kan daarom als bewijsstuk niet overtuigen – terwijl de verwerende partij verklaringen en vast- stellingen bijbrengt die het standpunt van verzoekster ontkrachten dat zij ten ge- volge van de laattijdige opening van de toegangspoort van paleis 9 met vier tot vijf minuten vertraging het examengedeelte „CLEAR‟ heeft moeten aanvatten. IX-9609-21/25 Zo verwijst de verwerende partij in de bestreden beslissing naar de verklaringen van twee toezichthouders van blok 51, van wie de ene stelt – weliswaar “niet meer 100% zeker” – dat “1 iemand net op tijd of iets later [is] kunnen beginnen in blok 51” en de andere verklaart dat “1 à 2 studenten […] 2 à 3 minuten later zijn kunnen starten in blok 51” en “[a]ls het te laat was, [...] het net iets later [was]”. Voorts blijkt uit het administratief dossier dat de verantwoorde- lijke van blok 51 verklaart: “Enkele deelnemers zijn rond het startsignaal toegekomen en konden waarschijnlijk pas een tweetal minuten later starten. In paleis 9 gaat het niet om veel studenten. Zeker geen honderden, maar wel meer dan 5 of zo.” Betrokkene voegt nog toe: “Het grootste deel van de deelnemers zat op tijd klaar in mijn blok, er kwamen er nog wel een aantal door de poort maar niet in grote aantallen. Die- genen die bij ons te laat waren (ik heb geen idee hoeveel maar in ieder geval geen 10), hadden heel snel hun opgaves en waren niet meer dan een paar mi- nuten te laat.” De verwerende partij legt ook een verklaring voor van Brussels Expo over “wat er zichtbaar is op de [camera]beelden” met betrekking tot de si- tuatie in de gangen, dus vóór de toegangspoorten zoals verzoekster beoogt. Wat de situatie betreft die zichtbaar is om “14:29:59”, luidt die verklaring als volgt: “De Satelliet beneden is vrij – Er zijn nog veel kandidaten op de trappen en roltrappen die zich snel (de meesten) naar de respectievelijke ingangen van Paleis 6 en 9 begeven. Op het beeld ziet men een continue aanloop. Meer kandidaten naar Paleis 6 (20-tal) dan naar Paleis 9 (10-tal).” En wat de situatie betreft om “14:30:59” luidt die verklaring: IX-9609-22/25 “De volledige Satelliet is vrij – Er zijn nog een 2-tal mensen op de trappen en 2 personen die Paleis 6 binnenstappen en 1 persoon die zich naar Paleis 9 richt.” Deze verklaringen ontkrachten alle op het eerste gezicht de be- wering van verzoekster dat zij vier tot vijf minuten te laat was. Bovenal echter lijkt elk van die verklaringen tegen te spreken dat haar eventueel te laat komen kan worden toegeschreven aan een opstopping van kandidaten in de gangen die dan weer veroorzaakt zou zijn door de latere opening van de toegangspoort dan oorspronkelijk gepland. Het blijkt immers te gaan om een zeer beperkt aantal kandidaten dat zich in extremis nog naar paleis 9 haastte of te laat binnenkwam. En diegenen die zich kort vóór de aanvang van het examen nog in de gangen bevonden en zich naar hun plaats begaven, konden dat “snel” doen. De enkele omstandigheid dat er alzo enkele telaatkomers waren, zegt niets over de reden van hun telaatkomen. Aangenomen dat zij één van hen was, valt overigens moeilijk in te zien hoe verzoekster, die benadrukt zeer vroeg de lunchruimte te hebben verla- ten om tijdig te kunnen terugkeren naar paleis 9 en aldus, zo laat zich redelijker- wijze vermoeden, veel andere kandidaten voorafging, uiteindelijk pas bij de laat- sten haar plaats zou hebben kunnen bereiken. Ten overvloede valt ook op dat verzoekster in de beweerde om- standigheden geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om op de opmer- kingenblaadjes zoals bedoeld in artikel 43 van het werkings- en examenregle- ment 2019, waarvan niet wordt betwist dat ze tijdens het examen beschikbaar waren, melding te maken van de grief die zij nu van zodanige ernst acht dat ze haar ertoe brengt om als voorlopige maatregel een nieuwe organisatie van het exa- mengedeelte „CLEAR‟ te vragen. Weliswaar kan worden begrepen dat de aandacht en de bekommernis van de kandidaat, ook in de beweerde omstandigheden, in de eerste plaats gaat naar het behoorlijk afleggen van het examen, maar draagt het IX-9609-23/25 helemaal niet benutten van de aanwezige mogelijkheid om opmerkingen te maken hoe dan ook niet bij tot de overtuigingskracht van haar thans aangevoerde grief.
- Uit wat voorafgaat volgt op het eerste gezicht dat verzoekster niet aantoont dat de beroepsinstantie ten onrechte haar grief met betrekking tot de organisatie van het examengedeelte „CLEAR‟ van het toelatingsexamen heeft afgewezen. In de huidige stand van de rechtspleging moet dan ook worden vastgesteld dat het middel in al zijn onderdelen uitgaat van een niet bewezen premisse, namelijk dat verzoekster niet de volledige tijd van het examengedeelte heeft kunnen benutten ten gevolge van een tekortkoming in de organisatie van het examen – het laattijdige openen van de toegangspoort van paleis 9 – die louter aan de verwerende partij is toe te schrijven. Bijgevolg kan de aangevoerde schending van artikel 50 van het werkings- en examenreglement 2019 (eerste middelonder- deel), het motiveringsbeginsel (tweede middelonderdeel), het zorgvuldigheidsbe- ginsel (derde middelonderdeel) en het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel (vierde middelonderdeel) niet worden aangenomen.
- Het tweede middel is derhalve evenmin ernstig. VII. Besluit wat de vordering tot schorsing betreft
- Aangezien verzoekster geen ernstig middel aanvoert, is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. IX-9609-24/25 VIII. Besluit wat de gevorderde voorlopige maatregelen betreft
- Aangezien verzoekster geen ernstig middel aanvoert, is er ook geen aanleiding om bij uiterst dringende noodzakelijkheid één of meerdere van de door haar gevorderde voorlopige maatregelen op te leggen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 september 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9609-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.493 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.227 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div