← België

Arrest 245504 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 24/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.504 Rolnummer: A. 220811/X-16793 Zaak: Arrest 245504 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 24/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-01 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 21:49 Fiche Arrest nr 245.504 van 24 september 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 245.504 van 24 september 2019 in de zaak A. 220.811/X-16.

  1. In zake : Koen DE HAES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieve Dehaese kantoor houdend te 3500 Hasselt Luikersteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 28 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn van 9 september 2016 om in het algemeen belang voor de realisatie van de afslagstrook Heidestraat N715-N74 te Houthalen-Helchteren, de onroerende goederen op het grondgebied van de gemeente Houthalen-Helchteren, geel ingekleurd op het plan 1M3D8G G03300300, onmiddellijk in bezit te nemen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 ‘betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte’. X-16.793-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 243.754 van 19 februari 2019 wordt het debat heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoeker heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september
  4. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gauthier Baudts, die loco advocaat Lieve Dehaese verschijnt voor verzoeker, en advocaat Annelies Geerts, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Wat de uiteenzetting van de feiten betreft, wordt verwezen naar ’s Raads arrest nr. 237.336 van 10 februari
  7. X-16.793-2/6 IV. Onderzoek van het tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.
  8. Verzoeker roept in een tweede middel de schending in van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 ‘betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte’ (hierna: de wet van 26 juli 1962), van artikel 16 van de Grondwet, van “het principe van de onteigeningsnoodzaak”, van het eigendomsrecht zoals onder meer beschermd door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, alsook van de beginselen van behoorlijk bestuur, “in het bijzonder het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het motiveringsbeginsel”. 4.
  9. Verzoeker betoogt dat het bestreden besluit “geen elementen [bevat] waaruit blijkt dat de gevraagde onteigening noodzakelijk is om de doelstelling van de voorgenomen onteigening te bereiken”. Uit het bestreden besluit blijkt volgens hem “niet dat mogelijke alternatieven werden afgewogen”. Verzoeker meent dat er geen “redelijke proportionaliteitsverhouding” bestaat “tussen het [nagestreefde] doel en de gebruikte middelen”. Hij wijst in dit verband op de “onherroepelijk onomkeerbare en onherstelbare gevolgen” van de onteigening, te weten dat zijn kinderen “hierdoor een groot gedeelte van hun speelterrein [verliezen]” en de “belevingswaarde […] voor [hem] en zijn gezin […] drastisch [zal] verminderen”. Volgens verzoeker dient ook rekening te worden gehouden met de “Noord-Zuidverbinding (omleidingsweg) die tot stand kan gebracht worden waardoor de Grote Baan een lokale weg zal worden” en kunnen de “voorgenomen ingrepen […] perfect op [de] overige [braakliggende] percelen uitgevoerd worden”. Een “ander alternatief” is volgens verzoeker het maken van “een doorsteek […] naar [de] Molenheide die momenteel met betonblokken is afgesloten om sluipverkeer te voorkomen”. X-16.793-3/6 Beoordeling 5.
  10. Luidens artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 kan de onteigening slechts geschieden “[w]anneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is”. 5.
  11. Het komt de Raad van State niet toe om zich in de plaats van de overheid uit te spreken over welke maatregel opportuun is om de gestelde problematiek te verhelpen. Als annulatierechter is de bevoegdheid van de Raad van State immers beperkt tot een wettigheidstoezicht. 5.
  12. Het bestreden besluit motiveert de onteigeningsnoodzaak als volgt: “Overwegende dat de Grote Baan N715 fungeert als een verbindende as tussen Midden en Noord Limburg en dagelijks ± 40.000 voertuigen verwerkt; Overwegende dat op deze plaats de weg beperkt is tot […] 2x1 rijstroken zonder uitwijkmogelijkheden; Overwegende dat dit tot gevolg heeft dat afslaand verkeer richting Heidestraat vooral op piekmomenten leidt tot opstoppingen; Overwegende dat de oversteekbaarheid voor zowel zwakke weggebruikers als voertuigen hierdoor wordt verhinderd; Gelet op de volgende maatregelen die zullen genomen worden om deze problematiek weg te werken: • een door een middenberm beveiligde fietsoversteekplaats; • zowel de rijweg wordt uitgebogen om de afslagstrook mogelijk te maken als de fietspaden ter hoogte van de uitbuiging vrijliggend aangelegd omwille van de verkeersveiligheid; • een fietsopstelzone wordt voorzien om de oversteekbewegingen veilig te laten gebeuren; Overwegende dat de ingekleurde zones ter onteigening noodzakelijk zijn om deze ingrepen te realiseren; Gelet op de meest recent beschikbare ongevallencijfers voor de periode van 2014 tot 2016 van de politiezone MidLim hebben er zich 6 ongevallen voorgedaan waarvan 1 dodelijk verkeersongeval in december 2015.” 5.
  13. Hieruit blijkt dat de voorgenomen onteigening noodzakelijk wordt geacht om de problematiek van de verhinderde oversteekbaarheid voor zowel zwakke weggebruikers als voertuigen weg te werken. Verzoeker toont niet X-16.793-4/6 aan dat de geciteerde motivering, die specifiek betrekking heeft op de inname van zijn perceel (inname 2 – hoek Heidestraat), de onteigeningsnoodzaak met betrekking tot dit perceel niet zou verantwoorden. 5.
  14. Anders dan verzoeker dit ziet, moet uit het bestreden besluit niet blijken “dat mogelijke alternatieven werden afgewogen”. 5.
  15. Verzoeker overtuigt er niet van dat er geen “redelijke proportionaliteitsverhouding” zou bestaan “tussen het [nagestreefde] doel en de gebruikte middelen”. Zijn betoog dat ingevolge het bestreden besluit zijn kinderen “een groot gedeelte van hun speelterrein [verliezen]” en dat de “belevingswaarde […] voor [hem] en zijn gezin […] drastisch [zal] verminderen”, volstaat daartoe niet. 5.
  16. Verzoekers bewering dat de “voorgenomen ingrepen […] perfect op [de] overige [braakliggende] percelen [kunnen] uitgevoerd worden” en dat een “ander alternatief” bestaat uit het maken van “een doorsteek […] naar [de] Molenheide die momenteel met betonblokken is afgesloten om sluipverkeer te voorkomen”, betreft onontvankelijke opportuniteitskritiek. 5.
  17. Het standpunt van verzoeker dat ook rekening dient te worden gehouden met de “Noord-Zuidverbinding (omleidingsweg) die tot stand kan gebracht worden waardoor de Grote Baan een lokale weg zal worden” is onvoldoende uitgewerkt om tot de vernietiging van het bestreden besluit te kunnen leiden. 5.
  18. Het middel is, in zoverre ontvankelijk, niet gegrond. BESLISSING
  19. De Raad van State verwerpt het beroep. X-16.793-5/6
  20. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig september tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust. X-16.793-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.504 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.336 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.