id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.521 Rolnummer: A. 229087/IX-9611 Zaak: Arrest 245521 - Examens (onderwijs) - 24/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-27 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 22:49 Fiche Arrest nr 245.521 van 24 september 2019 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.521 van 24 september 2019 in de zaak A. 229.087/IX-9611 In zake: Imaad-dien HACHEMI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW ÓSCAR ROMEROSCHOLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 10 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Óscar Romerocollege van 21 augustus 2019 waarbij het aan Imaad-dien Hachemi uitgereikte oriënteringsattest B wordt gehandhaafd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2019, om 10.30 uur. IX-9611-1/17 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Kenneth Gijsel, die loco advocaat Franky De Mil verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Dirk Abbeloos en Martijn Van Acoleyen, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is voor het schooljaar 2018-2019 ingeschreven als leerling in het eerste leerjaar van de derde graad ‘sociale en technische weten- schappen’ (TSO) in het Óscar Romerocollege te Dendermonde. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker een algemeen totaal van 58,2%. De jaartotalen zien er als volgt uit: Vakken TOT % Aardrijkskunde 64,5 Engels 60,3 Frans 54,5 Geschiedenis 71,6 Godsdienst 49,7 Informatica 64,6 Lichamelijke opvoeding 84,1 Nederlands 64 Wiskunde 39 Creatieve technieken 61 Sociale wetenschappen 58,9 Natuurwetenschappen 51,2 IX-9611-2/17 Integrale opdrachten 56,2 De delibererende klassenraad beslist om verzoeker een oriënte- ringsattest B toe te kennen met clausulering voor het technisch secundair onderwijs en motiveert daartoe wat volgt: “De delibererende klassenraad oordeelt dat je de leerplandoelstellingen in onvoldoende mate bereikt hebt met het oog op een overgang in dezelfde studierichting en/of onderwijsvorm. Gezien de tekorten voor Godsdienst 49.7% Wiskunde 39% Competentie 1: onderzoeken 41.8% Competentie 4: studieloopbaan 41.8%, het zwakke resultaat voor het richtingspecifieke vak Natuurwetenschappen van 51.2% en een examenresultaat op jaarbasis van 50.7% en een globaal eindtotaal van 58.5% is een overstap naar een volgend schooljaar in de- zelfde studierichting en/of onderwijsvorm uitgesloten. Aanmoedigingen en remediëringsinitiatieven hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Reeds in december werd een advies heroriëntering gegeven. Je hebt niet de vereiste inzet, motivatie en studiehouding voor deze stu- dierichting. Na de klassenraad van Pasen kreeg je een brief mee die waarschuwde voor een mogelijk B- of C-attest.” 3.
- Na vergeefs overleg met de directeur stelt verzoeker een beroep in bij het schoolbestuur. 3.
- Op 21 augustus 2019 bevestigt de beroepscommissie “de be- slissing van de klassenraad”. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Vooreerst onder[streept] de commissie uitdrukkelijk dat de houding en attitude van de leerling doorheen gans het schooljaar op geen enkele wijze haar beslissing over het hoger beroep beïnvloedt. De beroepscommissie stelt vast dat de cijfers voor het vak Wiskunde zowel voor dagelijks werk als bij de examens en zowel voor het eerste als voor het tweede semester ruim onvoldoende zijn. Uit de stukken van het dossier, zijnde de rapporten en de commentaren, alsmede de elementen uit het leerlingvolgsysteem, blijkt dat de school tij- dig en op afdoende wijze inspanningen heeft geleverd om de leerling te helpen en te ondersteunen. De beroepscommissie is van oordeel dat de IX-9611-3/17 leerling evenwel onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de aangeboden ondersteuning. Bij nazicht van het totale dossier moet de beroepscommissie vaststellen dat de resultaten ondermaats zijn waardoor hij niet over de vereiste compe- tenties beschikt om door te stromen naar een volgend leerjaar van dezelfde studierichting. Dit blijkt onder meer uit het verschil tussen de respectieve cijfers voor dagelijks werk en examens. Er wordt door de beroepscom- missie ook verwezen naar de waarschuwingen die door de klassenraad in de loop van het schooljaar werden geformuleerd onder andere bij het einde van het eerste semester.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de eerste schorsingsvoorwaarde, de vaste rechtspraak van de Raad van State indach- tig. Zoals verzoeker uiteenzet, ontneemt het bestreden attest hem de mogelijkheid om zijn studieloopbaan voort te zetten in de studierichting van zijn keuze, tenzij middels overzitten en dus verlies van een schooljaar, en dreigt een gewone schor- singsprocedure te laat te komen om dit nadeel nog nuttig te keren. IX-9611-4/17 VI. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen
- Een enig middel is geput uit de schending van “de formele mo- tiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Verzoeker betoogt in dat verband onder meer wat volgt: “
- […] De beroepscommissie toont geenszins aan dat de kansen van verzoeker om te slagen in het zesde jaar sociale en technische weten- schappen zo miniem zijn dat hem zelfs niet de mogelijkheid mag worden geboden om het zesde jaar in die richting aan te vatten. De beslissing van de beroepscommissie wordt hoofdzakelijk gesteund op de cijfers voor het vak wiskunde. Verzoeker haalde inderdaad onvoldoende punten voor dit vak, doch dit neemt niet weg dat de beroepscommissie van oordeel was dat verzoeker het jaar wel degelijk met vrucht heeft beëindigd, hetgeen blijkt uit de toeken- ning van het B-attest. Bovendien blijkt uit de motivering van de beslissing niet dat de beroeps- commissie de moeilijke context waarin verzoeker het vak wiskunde diende te volgen en diens argumenten dienaangaande bij haar beoordeling heeft betrokken. De vakleerkracht wiskunde was immers gedurende een lange periode af- wezig, waardoor vele lessen werden gemist. De vervangleerkracht die uit- eindelijk overnam bleek overgekwalificeerd en had duidelijk moeilijkhe- den om de leerstof aan te brengen op een manier die beantwoordde aan het niveau van de leerlingen. Het gevolg was dat voor het eindexamen van het tweede semester het klasgemiddelde onvoldoende was, zodat werd beslist om dit resultaat niet te laten meetellen op het rapport. Ook het klasjaargemiddelde voor het vak wiskunde is trouwens zeer laag (57,5%). Specifiek voor verzoeker kwam daar dan nog bij dat de leerkracht wis- kunde onvoldoende rekening hield met zijn handicap. Hij moest meermaals op papier werken, terwijl hij enkel digitaal kon werken. Het gebeurde ook meermaals dat zijn toetsen niet in aangepaste versie ter beschikking werden gesteld. In de motivering van de bestreden beslissing wordt gesteld dat verzoeker onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de aangeboden ondersteuning, doch dit wordt verder niet concreet toegelicht. Verzoeker wijst er ook op dat hij in de loop van het schooljaar wel degelijk progressie maakte voor het vak wiskunde, hetgeen blijkt uit zijn resultaat voor dagelijks werk in het tweede semester dat slechts nipt onvoldoende was (49,3%). IX-9611-5/17 Daarnaast benadrukt verzoeker ook dat hij in voorgaande schooljaren steeds goede resultaten haalde voor het vak wiskunde. Zo behaalde hij in het vierde jaar sociale en technische wetenschappen nog een jaartotaal van 62%, wat meer was dan het klasgemiddelde. […] Het resultaat voor het vak wiskunde in het voorbije schooljaar lijkt dus eerder een uitzondering, te wijten aan de omstandigheden. Dit resultaat laat niet toe te besluiten dat verzoeker geen kans heeft om te slagen in het zesde jaar sociale en technische wetenschappen.
- Verder stelt de beroepscommissie dat de resultaten van verzoeker on- dermaats zijn, waardoor hij niet over de vereiste competenties beschikt om door te stromen naar een volgend leerjaar van dezelfde studierichting. Dit wordt niet verder concreet toegelicht door de beroepscommissie. Deze zogenaamd ‘ondermaatse resultaten’ hebben in ieder geval niet belet dat de beroepscommissie van oordeel was dat verzoeker het jaar wel de- gelijk met vrucht heeft beëindigd. In de beslissing van de delibererende klassenraad werd gewezen op het tekort voor het vak godsdienst (49,7%). Dit tekort is echter zeer klein en bovendien gaat het geenszins om een hoofdvak, zodat ook dit niet toelaat te besluiten dat verzoeker niet over de vereiste competenties beschikt om door te stromen naar een volgend leerjaar van dezelfde studierichting. Verder verwees de klassenraad naar de tekorten voor competentie 1: on- derzoeken en competentie 4: studieloopbaan. Deze competenties zijn ech- ter een onderdeel van het vak integrale opdrachten, waarvoor verzoeker uiteindelijk wel een voldoende behaalde (56,2%). De klassenraad verwijst tevens naar het ‘zwakke resultaat’ voor het rich- tingspecifieke vak natuurwetenschappen en het totaal examenresultaat op jaarbasis en het globaal eindresultaat, doch deze resultaten zijn allen vol- doende en laten dus evenmin toe te besluiten dat verzoeker niet over de vereiste competenties beschikt om door te stromen naar een volgend leer- jaar van dezelfde studierichting. […]
- De beroepscommissie heeft daarnaast bij haar beoordeling niet de mogelijkheid en effectiviteit van minder verregaande maatregelen be- trokken, zoals remediëringsinitiatieven tijdens het volgende schooljaar. Verzoeker heeft ook zelf aangeboden om een vakantietaak te maken. Daarop is evenmin ingegaan.”
- In de nota met opmerkingen antwoordt de verwerende partij dat verzoeker het tekort voor wiskunde minimaliseert. Zij merkt op dat verzoeker consistent op elk rapport een tekort had voor wiskunde in het voorbije schooljaar, ook voor dagelijks werk. Voor zover de situatie van de afwezige leerkracht en de vervanger een rol gespeeld zou hebben, is dit duidelijk niet de (hoofd)oorzaak van het tekort. IX-9611-6/17 Dat door de leerkracht wiskunde niet of onvoldoende rekening zou zijn gehouden met zijn visuele beperking wordt ontkracht door het leerlin- gendossier: “De betrokken leerkrachten deden bijzonder veel inspanningen om aan verzoeker aangepaste taken te bezorgen en te voorzien in een digitale toets, indien nodig met aangepaste vragen gelet op de beperking van verzoeker. Daarbovenop werd er voor verzoeker in het tweede semester zogeheten ‘pre-teaching’ voorzien voor het vak wiskunde, waarbij verzoeker op voorhand door een begeleider de wiskundeles reeds uitgelegd kreeg […] op een aangepaste manier, om in de effectieve les zelf makkelijker mee te kunnen volgen. Daarnaast was er ook een wekelijks overlegmoment voorzien waarbij verzoeker extra uitleg en ondersteuning kon krijgen van een begeleider, dit gestuurd door de vragen van verzoeker (die hierin zelf bepaalde voor welke zaken hij ondersteuning kreeg op deze momenten). Alle betrokken leerkrachten werden bij aanvang van het jaar ook gebrief[t] door het ondersteunend personeelslid over de bijzondere situatie van ver- zoeker en welke gevolgen deze had voor zijn leermogelijkheden, en er werd uitgelegd op welke manier men het lesmateriaal / lesverloop diende aan te passen aan verzoeker. Dit resulteerde vooral in een aanpassen van visueel materiaal aan verzoeker en een toegankelijker maken van teksten. Naargelang de omvang van de tekst van een toets/taak werd deze indien nodig op voorhand aan verzoeker bezorgd. Zoals te lezen in het dossier van verzoeker is het echter verzoeker zelf die soms dwars ligt en er niet in slaagt om taken en toetsen tijdig en correct te maken, of om zijn laptop op een werkbare manier bij zich te hebben zodat taken, oefeningen,… kunnen gemaakt worden. Voorts staaft verzoeker deze beweringen ook op geen enkele manier, zodat hier in het licht van het administratief dossier vooralsnog geen waarde aan gehecht kan worden.” Gelet op de algemene resultaten van de klasgenoten van ver- zoeker is betere cijfers dan het klasgemiddelde halen geen bijzonder grote ver- dienste en opnieuw geen element dat in aanmerking genomen wordt bij de be- oordeling van de slaagkansen van verzoeker persoonlijk in het volgende jaar. Volgens de verwerende partij is terecht vastgesteld dat verzoeker het komende jaar geen slaagkans heeft in dezelfde richting. Hij heeft consequent een tekort op wiskunde, dat uiteindelijk resulteert in een algemeen jaarresultaat van 39%. Gelet op het B-attest dat aan verzoeker werd toegekend is duidelijk dat men IX-9611-7/17 van oordeel was dat verzoeker wel de leerplandoelstellingen van zijn huidige jaar beheerst. Verzoeker bereikt deze doelstellingen echter “slechts met de hakken over de sloot”: “Verzoeker haalde nauwelijks de doelstellingen van het voorbije school- jaar, dit met bijlessen en remediëring. Verzoeker zou enkele spreekwoor- delijke zeilen bij moeten zetten om in het volgende jaar van dezelfde rich- ting de doelstellingen voor wiskunde te kunnen halen. Alle mogelijke zei- len (lees: ondersteuningsmaatregelen) werden reeds bijgezet en er zijn geen extra bijkomende opties meer. Gelet op de inhoud van het curriculum en de leerstof van het zesde jaar komt daarbovenop nog bij dat de leerstof van het zesde jaar wiskunde voor een belangrijk deel voortbouwt op de vergaarde kennis en vaardigheden in het vijfde jaar. De nauwelijks voldoende basiskennis van verzoeker van de leerstof van het vijfde jaar plaatst zodoende in bijkomende orde een ern- stige hypotheek op zijn slaagkansen voor wiskunde in het zesde jaar van dezelfde richting.” Uit het dossier van verzoeker blijkt daarenboven dat hij slechts sporadisch inging op de hem geboden ondersteuningsmogelijkheden en dat hij niet altijd voor bijlessen of remediëring kwam opdagen. Enige verwijten die verzoeker hieromtrent aan de verwerende partij maakt zijn ongepast. Bovendien zijn deze ook compleet irrelevant bij de door de verwerende partij genomen evaluatiebe- slissing die thans ter beoordeling voorligt, gelet op de vaste rechtspraak van de Raad van State dat de vraag of een leerling de verlangde kennis en kunde bezit, volledig losstaat van de vraag wie de schuld draagt wanneer blijkt dat een leerling deze kennis en kunde niet bezit. In mindere mate geldt hetzelfde voor de overige resultaten van verzoeker. Hij scoorde algemeen en ook op het richtingspecifieke vak natuurwe- tenschappen ondermaats tot zelfs ronduit slecht. Verzoeker werd meermaals ge- wezen op deze resultaten en in remediëring of bijles werd voorzien. De verwerende partij stelt vast dat ook voor deze vakken verzoeker nauwelijks en “met de hakken over de sloot” de einddoelen haalt. Ook hierin werd terecht geoordeeld dat de slaagkansen van verzoeker in dezelfde richting van het zesde jaar bijzonder klein zijn. IX-9611-8/17 Ten overvloede kan volgens de verwerende partij ook nog worden verwezen naar de ‘geïntegreerde proef’ (GIP) die door de leerlingen van het tweede leerjaar van de derde graad dient te worden gemaakt. Uit de cijfers van verzoeker blijkt dat hij nu reeds ernstige moeilijkheden heeft met het verwerken van de leerstof. Daarenboven worden in de GIP dezelfde competenties geëvalueerd als in het vak ‘Integrale opdrachten’, waarvoor verzoeker onvoldoende scoorde op de competenties ‘onderzoeken’ en ‘studieloopbaan’. Ook dit draagt bij aan de conclusie dat verzoeker het volgende jaar in STW niet tot een goed einde zou kunnen brengen. Tot slot en “[o]ndergeschikt” merkt de verwerende partij op dat een schorsing dan wel navolgende vernietiging louter en alleen op grond van een schending van de formele motivering slechts zal leiden tot een nieuwe beslissing met eenzelfde resultaat, doch ditmaal wel voorzien van de nodige expliciete for- mele motivering. Beoordeling
- Verzoeker heeft een oriënteringsattest B gekregen. Een dergelijk attest betekent, zo leert artikel 39 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’, dat de leerling voor het betrokken leerjaar geslaagd is of, meer precies, “dat de leerling het leerjaar met vrucht beëindigd heeft in de betrokken school en derhalve tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen en/of onderverdelingen”. Artikel 38, 1°, van hetzelfde besluit preciseert dat een leerling “met vrucht” het eerste leerjaar van de derde graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”. IX-9611-9/17
- Een beroepscommissie moet haar ‘prospectieve’ beslissing om een clausulering op te leggen – dit wil zeggen, om een geslaagd verklaarde leerling niettemin de toegang tot welbepaalde studierichtingen te ontzeggen – steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling – in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt. Een beroepscommissie die haar noodzakelijk ook deels subjec- tieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar niet kan relateren aan de beschikbare objectieve gegevens van het leerlingendossier, in voorkomend geval aangevuld middels de eigen onder- zoeksmogelijkheden waarover de commissie beschikt, zou de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden.
- Daarbij komt nog, aangezien de leerling gebruik maakt van de door de decreetgever verleende verhaalmogelijkheid en hij aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, dat de formelemotiveringsplicht ten volle bete- kenis krijgt omdat de beroepscommissie kennis moet nemen van de grieven van de leerling, ze moet beoordelen en ze moet beantwoorden. Daarmee is niet gezegd dat de beroepscommissie noodzakelijk op elke grief apart moet antwoorden. Wel is vereist dat de formele motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden.
- Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, staat het niet aan de Raad van State om het werk van de beroepscommissie over te doen, wat het geval zou zijn als hij zelf de studieresultaten van de leerling zou evalueren, of als hij zelf het antwoord zou geven op onbeantwoord gebleven grieven in het bezwaarschrift. IX-9611-10/17 De “ondergeschikt” gemaakte opmerking van de verwerende partij dat een schorsing voor verzoeker een maat voor niets zou zijn omdat het slechts zal leiden tot een nieuwe beslissing met eenzelfde resultaat, loopt op die eventuele nieuwe beslissing vooruit en kan de eventuele schorsing van de tenuit- voerlegging van de thans voorliggende beslissing dus niet vermijden. Meegaan met die opmerking zou immers de Raad in een rol plaatsen die niet de zijne is. Een verwerende partij kan een onvolkomen gemotiveerde be- slissing ook niet post factum rechtzetten of aanvullen in de nota met opmerkingen, omdat niet blijkt dat wat zij eventueel zo aanvullend schrijft ook aan de beroeps- commissie als bevoegd orgaan is toe te schrijven. Overigens heeft een leerling hoe dan ook aanspraak op een be- slissing van de beroepscommissie die hem doet begrijpen wat voor haar de deug- delijke grondslag ervan vormt, óók als ze voor hem ongunstig is. 12.
- De verwerende partij herinnert aan de inderdaad vaste recht- spraak van de Raad van State, die aanneemt dat een gebrekkige begeleiding van de leerling mogelijk de verantwoordelijkheid voor een slechte prestatie (deels) ver- schuift naar de in gebreke blijvende onderwijsinstelling, maar in de regel die prestatie zelf niet zonder meer tot een voldoende vermag te keren. 12.
- Die regel lijdt evenwel uitzondering wanneer aangetoond wordt dat de school tekortgeschoten is in welbepaalde vooraf individueel gemaakte af- spraken – bijvoorbeeld in een begeleidingsplan of een leertraject – en waarbij daarenboven het niet-nakomen van die afspraken in een rechtstreeks oorzakelijk verband gebracht kan worden met de wettigheid van de door de verzoekende partij bestreden beslissing. Voor zover verzoekers kritiek net op dergelijke aspecten be- trekking lijkt te hebben en een onmiddellijk oorzakelijk verband lijkt te vertonen met de behaalde resultaten én dus met de wettigheid van de bestreden beslissing, IX-9611-11/17 kan hem op het eerste gezicht niet worden tegengeworpen dat zijn middel op dat punt faalt. 12.
- Voor zover verzoekers grieven ook refereren aan andere ver- meend falende remediëring in de loop van het schooljaar – daargelaten nog dat de verwerende partij tegenwerpt dat het aanbod er van haar kant was en dat verzoeker door zijn eigen houding aan een eventueel falen schuld draagt – wordt er voor- alsnog geen rekening mee gehouden, de voormelde regel indachtig. 13.
- Gelet op wat voorafgaat, vallen de volgende prima facie rele- vante grieven van verzoeker te onthouden, teneinde na te gaan of de beroeps- commissie er adequaat op heeft geantwoord. 13.
- Verzoeker heeft in de loop van de procedure voor de beroeps- commissie aangevoerd dat de “ernst” van de tekorten die hem worden aangerekend moet worden “gematigd”. Hij wees er daarbij op dat het tekort voor godsdienst slechts 0,3% bedraagt. Voor wiskunde vestigde hij er de aandacht op dat “de klas enkele weken zonder leerkracht [zat] en hierdoor een enorme achterstand [werd] opgebouwd”, dat “de nieuwe leerkracht wiskunde redelijk overqualified [was] hetgeen opnieuw leidde tot een mismatch tussen student met bijzondere noden en leerkracht” en dat “de meerderheid van de klas hiervoor gedelibereerd is” en het examencijfer voor het tweede semester zelfs helemaal niet in rekening werd ge- bracht. De tekorten voor zekere ‘competenties’ weet verzoeker dan weer aan “miscommunicatie”, maar hij benadrukte dat hij “op jaarbasis […] hiervoor wel geslaagd [was] i.e. 56.2%”. Wat het “zwakke” resultaat voor natuurwetenschappen betreft, deed verzoeker nog gelden dat “een resultaat van net boven de 50% dan wel ‘zwak mag worden genoemd maar niettemin een slaagcijfer is en ook als dusdanig moet worden beschouwd”. Hij verwonderde zich erover “dat hem geen alternatieve mogelijkheden [werden] aangeboden bijvoorbeeld een vakantietaak”. Voor de beroepscommissie voerde verzoeker ook aan dat het “meermaals [is] voorgekomen dat hij geen aangepaste toetsen kreeg ondanks [dat] hij daar recht op had” als gevolg van zijn visuele beperking. Verzoeker haalde zo onder meer aan IX-9611-12/17 dat de leerkracht wiskunde de toetsen “niet op A3 formaat [printte]” en dat hij “in principe recht [heeft] op mondelinge toelichtingen tijdens toetsen en examens, hetgeen hij vaak niet kreeg”. Tot slot wees verzoeker op zijn bereidheid om “zijn achterstand weg te werken door een vakantietaak alsnog te maken”.
- Met de enkele overweging dat “de cijfers voor het vak Wiskunde zowel voor dagelijks werk als bij de examens en zowel voor het eerste als voor het tweede semester ruim onvoldoende zijn”, biedt de beroepscommissie op het eerste gezicht geen antwoord op de argumenten die verzoeker omtrent de evaluatie voor dat vak heeft doen gelden, zowel wat de invloed van de specifieke personeelspro- blematiek betreft – langdurige afwezigheid van de vakleerkracht en een vervan- ging die te wensen overliet – als wat zijn eigen bijzondere situatie aangaat – een visuele beperking die zekere tegemoetkomingen vereist, in het bijzonder bij toet- sen en examens. Met die opmerkingen betwist verzoeker immers niet dat de cijfers op zich “ruim onvoldoende” zijn, maar trekt hij de validiteit en de representativiteit ervan in twijfel.
- In haar nota laat de verwerende partij uitschijnen dat de be- roepscommissie zou bedoelen, dat uit het feit dat de cijfers voor wiskunde reeds vóór het uitvallen van de reguliere vakleerkracht slecht waren, volgt dat er geen invloed is van een en ander. Met het aangehaalde motief in de bestreden beslissing refereert de beroepscommissie echter zonder meer aan de beide semesters samen en hoe dan ook zou een dergelijke gedachtegang een evolutie in de cijfers in hoofde van verzoeker zonder meer uitsluiten. Meegaan in die redenering zou be- tekenen dat de attestering al na het eerste trimester vaststaat. Ze overtuigt voor- alsnog niet. Zolang deze argumenten van verzoeker niet op afdoende wijze worden weersproken door de beroepscommissie, lijkt een uitspraak over de slaagkansen van verzoeker in het volgende leerjaar in dezelfde studierichting die steunt op het cijfer voor wiskunde, niet deugdelijk te zijn. IX-9611-13/17 16.
- Voorts steunt de beroepscommissie het B-attest van verzoeker prima facie niet uitsluitend, zelfs niet determinerend op het jaartekort voor wis- kunde. De commissie neemt integendeel “het totale dossier” in ogenschouw en verwijst dan naar “de” resultaten van verzoeker die zij als “ondermaats” bestem- pelt. 16.
- Hoe de commissie vaststelt dat die resultaten “ondermaats” zijn – wat betekent: “beneden het vereiste of een aanvaardbaar peil” – blijft op het eerste gezicht een raadsel. Verzoeker kan immers voor elk vak – behoudens voor wiskunde, wat hiervóór al aan bod kwam en godsdienst waarvoor verzoeker terecht lijkt te stellen dat het tekort wel erg klein is – een jaartotaal van méér dan 50% voorleggen. Voor vier vakken ligt het jaartotaal tussen 51,2% en 58,9%, voor vijf vakken tussen 60,3% en 64,6%, voor één vak bedraagt het jaartotaal 71,6% en voor nog een ander 84,1%. Uit de bestreden beslissing valt niet af te leiden dat de beroeps- commissie op grond van haar autonome bevoegdheid zélf de correctheid en het representatieve karakter van de voormelde jaartotalen in vraag stelt. Die – op wiskunde na – ook door verzoeker niet in vraag gestelde jaarcijfers mogen dan ook worden geacht een juist beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Nog daargelaten of de beroepscommissie de voormelde resultaten terecht als “ondermaats” mag be- schouwen, zijn het wél slaagcijfers. Daaruit volgt, in principe en op het eerste gezicht, dat de leerling die een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstellingen op voldoende wijze heeft bereikt. Om die reden overigens, wordt hij ook geslaagd verklaard. 17.
- Zo de beroepscommissie ervan overtuigd is dat die voldoende resultaten toch de kansen van verzoeker in het volgende leerjaar in de geclausu- leerde studierichtingen of de geclausuleerde onderwijsvorm determineren, dan moet zij, zo lijkt, met méér over de brug komen dan alleen “vaststellen dat de resultaten ondermaats zijn” – nogmaals daargelaten of dat predicaat terecht is of IX-9611-14/17 niet – “waardoor [verzoeker] niet over de vereiste competenties beschikt om door te stromen naar een volgend leerjaar van dezelfde studierichting”. 17.
- Dat de beroepscommissie die “vaststelling” bewezen acht door een verschil te zien in de cijfers voor dagelijks werk en examens, druist op het eerste gezicht in tegen het vermoeden van deskundigheid van de leerkracht en de representativiteit van de door die leerkracht vastgestelde jaarcijfers, die de ver- werende partij als instrument hanteert om een uitspraak te doen over het leerproces van de leerling. Aangenomen wordt, dat zo een jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gegeven aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiode en aan ‘dagelijks werk’– een term die overigens ook een lading kan dekken van een permanente leerprocesevaluatie die afstapt van ad hoc toetsen over kleine(re) lesonderdelen – en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het desbetreffende vak in de loop van het jaar aan bod is gekomen en dat het om die reden ook een oriënterende functie heeft en betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. 17.
- Als de beroepscommissie met haar opmerking over “onder- maatse resultaten” zou doelen op het vak natuurwetenschappen – wat zij voor- alsnog niet verduidelijkt – lijkt bijkomend in het oog te springen dat verzoeker met een jaartotaal van 51,2% niet ver beneden het klasgemiddelde van 53,5% scoort en alleszins, blijkens het ‘klasprofiel’, in het gezelschap van de helft van zijn klas- genoten verkeert, die allen tussen 50% en 60% behalen. In dit verband wordt eraan herinnerd dat van elke individuele leerkracht, van de delibererende klassenraad als geheel en van de beroepscommissie verwacht wordt dat hij of zij zich bij het in- terpreteren van de resultaten bewust is van een mogelijke foutenmarge en van het nut van klasgemiddelde of mediaan, of van het aftoetsen bij vakcollega’s bij twijfelgevallen. Opnieuw blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing niet dat de beroepscommissie die beoordeling heeft gemaakt en zo ja, waarom die gegevens haar erin konden sterken de resultaten “ondermaats” te achten. IX-9611-15/17
- Met betrekking tot de beweerd niet nageleefde afspraken ant- woordt de verwerende partij dat verzoeker die “beweringen […] op geen enkele manier [staaft]”. Daarbij bedenkt de Raad dat het aan een verzoeker die aanvoert dat afspraken niet zijn nageleefd moeilijker valt om een negatief bewijs te leveren, dan aan een beroepscommissie om aan de hand van het leerlingendossier waarover zij beschikt aan te tonen dat de beweringen niet kloppen. Verzoeker voert aan dat het “meermaals [is] voorgekomen dat hij geen aangepaste toetsen kreeg ondanks [dat] hij daar recht op had”, dat de “[l]eerkracht [wiskunde] [de] toetsen niet op A3 formaat [printte]” en dat hij “in principe recht [heeft] op mondelinge toelichtingen tijdens toetsen en examens, hetgeen hij vaak niet kreeg”. De Raad meent in de huidige stand van de rechts- pleging dat verzoeker welbepaald voor het vak wiskunde hiermee voldoende pre- cieze grieven formuleert, die de beroepscommissie in staat moeten stellen hierop een antwoord te geven en waaraan zij de nodige aandacht moest besteden. Dat doet zij op het eerste gezicht niet, minstens valt daarover in de motieven niets concreet te lezen. Dat verzoeker “onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de aangeboden ondersteuning” heeft op deze concrete grieven im- mers geen betrekking, maar wel op de algemene begeleiding doorheen het schooljaar.
- Ook het door verzoeker zelf aangeboden alternatief van een vakantietaak werd, zo lijkt, door de beroepscommissie volstrekt onbesproken gelaten, zodat niet kan worden nagegaan of het in overweging is genomen en op goede gronden is geweigerd.
- Een uiteenzetting die beperkt blijft tot hetgeen hiervóór werd aangehaald, is op het eerste gezicht niet de omstandige, precieze en met grote IX-9611-16/17 omzichtigheid tot stand gekomen motivering die van een beroepscommissie mag worden verwacht wanneer zij een B-attest toekent. Het middel is in de aangegeven mate ernstig.
- Ook de tweede schorsingsvoorwaarde is vervuld. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van het Óscar Romerocollege van 21 augustus 2019 waarbij het aan Imaad-dien Hachemi uitgereikte oriënteringsattest B wordt gehandhaafd. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig september tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samenge- steld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9611-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.521 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.256 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.