← België

Arrest 245522 - Varia (economische zaken) - 24/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.522 Rolnummer: A. 229104/XIV-38151 Zaak: Arrest 245522 - Varia (economische zaken) - 24/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-26 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-21 06:52 Fiche Arrest nr 245.522 van 24 september 2019 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 245.522 van 24 september 2019 in de zaak A. 229.104 /XIV-38.151 In zake: de BVBA NICE CLEAN SERVICES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ivan Ficher kantoor houdend te 1030 Brussel Wijnheuvelenstraat 227 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Barbara Speleers kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 13 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing dd. 4 september 2019 van de Secretaris-generaal van het Departement Werk en Sociale Economie tot onmiddellijke intrekking van de erkenning (nr. V05514) van de B.V.B.A. NICE CLEAN SERVICES en dit met ingang op maandag 15 september 2019.” II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-38.151-1/17 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2019, om 14.00 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pauline De Decker, die loco advocaat Ivan Ficher verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Barbara Speleers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Op 4 juli 2012 heeft de verzoekende partij een erkenning nr. V05514 gekregen voor de volgende dienstencheque-activiteiten: “- Bij de gebruiker thuis: schoonmaken ten huize van de gebruiker; - Buiten het huis van de gebruiker: strijken buitenshuis, boodschappendienst en begeleid vervoer van personen met een beperkte mobiliteit.” 3.
  5. In de loop van 2018 voert de afdeling Toezicht en Handhaving van het departement Werk & Sociale Economie een grondig onderzoek dat leidt tot een proces-verbaal van 26 juli 2018 waarin een aantal “ernstige inbreuken op de regelgeving inzake de dienstencheques” worden vastgesteld. 3.
  6. De adviescommissie voor dienstencheque-activiteiten geeft op 20 maart 2019 een advies dat luidt: XIV-38.151-2/17 “De commissie adviseert een onmiddellijke intrekking van de erkenning van de onderneming. Uit de vele inbreuken blijkt dat de onderneming zich niets aantrekt van de regelgeving. Dit gaat veel verder dan alleen maar nonchalance. Het leveren van fictieve prestaties blijkt een substantieel onderdeel te zijn van de ingediende dienstencheques. Er is een veelheid aan inbreuken en na een eerder advies van intrekking van de erkenning na een vorig inbreukdossier kan men spreken van recidivisme. De Vlaamse Sociale Inspectie stelde een Pro Justitia op. Zij stellen tevens een terugvordering voor.” Met een aangetekende brief van 18 april 2019 deelt het departement Werk & Sociale Economie het voornoemde advies mee aan de verzoekende partij. In die brief worden, naast de vastgestelde inbreuken, ook het mogelijk gevolg van deze inbreuken en de verweermogelijkheden vermeld. De verzoekende partij dient op 17 mei 2019 een verweerschrift in. 3.
  7. Op 4 september 2019 beslist de afgevaardigde van de Vlaamse minister van Werk de erkenning van de verzoekende partij in te trekken met ingang van 15 september
  8. Dit is de bestreden beslissing waarin, na de vastgestelde inbreuken te hebben hernomen en het verweer van de verzoekende partij te hebben besproken, in fine wordt overwogen: “Gelet op de ernst en de omvang van de vastgestelde inbreuken; Gelet op het gebrek aan professionalisme en grove nalatigheid bij het uitvoeren van haar dienstencheque-activiteiten in het algemeen en bij het omgaan met overheidsgelden in het bijzonder; Gelet op het feit dat er op basis van de vaststellingen ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming.” IV. Schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende XIV-38.151-3/17 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. In een eerste middel werpt de verzoekende partij machtsoverschrijding op, onbevoegdheid van de steller van de akte en schending van artikel 2octies, § 1, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 „betreffende de dienstencheques‟ (hierna: het koninklijk besluit van 12 december 2001). De verzoekende partij voert aan dat naar luid van artikel 2octies van het koninklijk besluit van 12 december 2001, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 18 december 2015 „tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques en het koninklijk besluit van 7 juni 2007 betreffende het opleidingsfonds dienstencheques‟ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 18 december 2015), de minister van Werk bevoegd is voor de onmiddellijke intrekking van de erkenning van een dienstencheque-onderneming. Zij is van mening dat de minister deze bevoegdheid niet meer kan delegeren sedert 1 januari 2016 omwille van de schrapping van artikel 2octies, § 3, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 door het besluit van de Vlaamse regering van 18 december
  11. Volgens de verzoekende partij heeft het ministerieel besluit van 24 september 2015 „tot delegatie van bepaalde bevoegdheden aan de leidend ambtenaar van het Departement Werk en Sociale Economie‟ (hierna: het ministerieel besluit van 24 september 2015), dat in de bestreden beslissing verkeerd wordt vermeld als het ministerieel besluit van 21 oktober 2015, door die schrapping geen wettelijke basis meer voor de delegatie van de voornoemde bevoegdheid aan de leidend ambtenaar van het departement XIV-38.151-4/17 Werk en Sociale Economie. Deze laatste was derhalve niet bevoegd om de bestreden beslissing te nemen. Beoordeling
  12. Naar luid van artikel 2octies van het koninklijk besluit van 12 december 2001 is de Vlaamse minister van Werk bevoegd om de erkenning van een onderneming onder de aldaar gestelde voorwaarden onmiddellijk in te trekken. Dit artikel is inderdaad gewijzigd met het besluit van de Vlaamse regering van 18 december
  13. Artikel 26 van het besluit van de Vlaamse regering van 18 december 2015 bepaalt echter dat de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit. Het is in werking getreden op 1 januari
  14. Met toepassing van deze laatste bepaling heeft de Vlaamse minister van Werk met artikel 5, 3° van het ministerieel besluit van 24 september 2015, eveneens in werking getreden op 1 januari 2016, aan de leidend ambtenaar delegatie verleend om overeenkomstig hoofdstuk IIbis van het koninklijk besluit van 12 december 2001 “de erkenning van een onderneming om buurtwerken of -diensten te leveren betreffende banenscheppende activiteiten, met of zonder handelskarakter, die inspelen op individuele, persoonlijke of familiale noden die zich in het raam van het dagelijkse leven laten gevoelen en die betrekking hebben op thuishulp van huishoudelijke aard, onmiddellijk dan wel met uitstel in te trekken”. Op het eerste gezicht was de leidend ambtenaar van het departement Werk en Sociale Economie op grond van dit delegatiebesluit dus bevoegd om de bestreden beslissing te nemen.
  15. De verwijzing in de bestreden beslissing naar het ministerieel besluit van “21 oktober 2015” in plaats van 24 september 2015 lijkt te berusten op een materiële vergissing die niet van aard is de wettigheid van de bestreden beslissing aan te tasten. XIV-38.151-5/17
  16. Het eerste middel is niet ernstig. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  17. In een tweede middel werpt de verzoekende partij de schending op van artikel 2ter, § 4, van het koninklijk besluit van 12 december
  18. Zij voert aan dat een beslissing tot onmiddellijke intrekking van de erkenning slechts kan worden genomen na unaniem advies van de adviescommissie voor dienstencheque-actitiviteiten (hierna: de adviescommissie). Uit de aanvankelijk bestreden beslissing blijkt bovendien niet dat de adviescommissie geldig was samengesteld, zodat de bestreden beslissing volgens de verzoekende partij is gesteund op een nietig, minstens aan de verzoekende partij niet tegenstelbaar advies. Beoordeling
  19. Ter terechtzitting doet de verzoekende partij afstand van het tweede middel. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  20. De verzoekende partij werpt in een derde middel de schending op van de formelemotiveringsplicht, vervat in de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟. De verzoekende partij voert eerst aan dat de keuze voor een intrekking met onmiddellijke ingang, in tegenstelling tot een intrekking met uitstel, niet wordt gemotiveerd in de bestreden beslissing. Nochtans heeft de verzoekende XIV-38.151-6/17 partij in het verweerschrift van 17 mei 2019 in ondergeschikte orde een beslissing met uitstel gevraagd op grond van meerdere verzachtende omstandigheden: de verzoekende partij was met name transparant en coöperatief tijdens het onderzoek, zij heeft stappen gezet om de situatie recht te zetten, zij was nooit eerder het voorwerp geweest van een onderzoek door de sociale inspectie en het ging niet om kwade trouw doch eerder om onervarenheid en vergetelheden. Dit verweer is niet behandeld in de bestreden beslissing. De verzoekende partij voert verder aan dat de bestreden beslissing is gesteund op andere motieven dan die van de adviescommissie. Op grond van artikel 2octies, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 wordt in geval van herhaling overgegaan tot onmiddellijke intrekking. Te dezen heeft één inspectiebezoek geresulteerd in twee inbreukdossiers, zodat het niet gaat om recidive. Volgens de verzoekende partij is de motivering van het advies van de adviescommissie tot onmiddellijke intrekking omwille van recidive dus gebrekkig en “onbestaande”. Vermits deze grond voor onmiddellijke intrekking terecht is weggelaten in de bestreden beslissing en die beslissing moest worden gesteund op andere gronden, bestond er een bijzondere motiveringsplicht. De verzoekende partij stelt vast dat de bestreden beslissing geen motivering bevat voor de onmiddellijke intrekking behalve het bestaan van tekortkomingen waardoor “ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming”. Bij gebrek aan motivering waarom de vastgestelde ongerijmdheden de goede trouw van de onderneming in het gedrang zouden brengen, acht de verzoekende partij de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ geschon- den. Beoordeling
  21. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ verplichten de admini- stratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen XIV-38.151-7/17 die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
  22. De bestreden beslissing vermeldt uitdrukkelijk “dat er op basis van de vaststellingen ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming”. De vijf in aanmerking genomen inbreuken zijn in de beslissing opgenomen er wordt verwezen naar “de ernst en de omvang” ervan. Artikel 2octies, tweede lid, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 bepaalt dat de minister inzonderheid “zal” overgaan tot de onmiddellijke intrekking ingeval van “herhaling” of “wanneer de tekortkoming van de onderneming een zodanige vorm heeft aangenomen dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming”. Ook zonder herhaling “zal” de minister dus overgaan tot intrekking in geval van ernstige twijfel aan de goede trouw van de onderneming. Daarom lijkt een bijkomende motivering omdat geen recidive in aanmerking wordt genomen, te dezen niet vereist. Om die reden was de verwerende partij er op het eerste gezicht ook niet toe gehouden te dezen nog in te gaan op de vraag van de verzoekende partij om intrekking met uitstel. Uit de gegeven motivering lijkt genoegzaam te kunnen worden afgeleid waarom wordt overgegaan tot onmiddellijke intrekking. De vraag of de vastgestelde inbreuken deugdelijk zijn om te worden beschouwd als motieven voor de conclusie dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming, wordt in het vierde middel XIV-38.151-8/17 behandeld.
  23. Het derde middel is niet ernstig. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  24. De verzoekende partij werpt in een vierde middel de schending op van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, machtsaf- wending en machtsoverschrijding. De verzoekende partij voert aan dat het in aanmerking nemen van de haar ten laste gelegde inbreuken niet deugdelijk is gemotiveerd. Er is niet aangetoond dat ernstig kan worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming en bijgevolg is er geen geldige motivering voor een beslissing tot onmiddellijke intrekking. Wat de eerste inbreuk betreft, verwijst de verzoekende partij naar het vijfde middel. Wat de tweede inbreuk betreft, voert de verzoekende partij aan dat zij niet voor “verschillende gebruikers” maar voor slechts één gebruiker, R.B., een Sodexo-account heeft gecreëerd en dit omwille van de hoge leeftijd en op vraag van die gebruiker. Dit motief is dus minstens gedeeltelijk gesteund op onjuiste feitelijke premissen. Wat de derde inbreuk betreft, betwist de verzoekende partij zowel dat er “fictieve prestaties” zijn als dat “een substantieel deel” van de dienstencheques betrekking zou hebben op fictieve of problematische prestaties. Zij laat gelden dat de vaststellingen van de sociale inspectie omtrent fictieve prestaties steunen, hetzij op verklaringen van gebruikers die de sociale inspectie XIV-38.151-9/17 blijkens het proces-verbaal zelf onbetrouwbaar acht (M.C.), hetzij op een eigen interpretatie door de inspectie die geen steun vindt in de objectieve elementen van de zaak (A.E.M., N.A., R.B., die uitdrukkelijk hebben bevestigd en zeker niet hebben ontkend met dienstencheques gebruik te hebben gemaakt van een poetshulp van de verzoekende partij), hetzij op kennelijk onjuiste feitelijke elementen (E.M., die heeft verklaard dat de poetshulp die telkens op woensdag kwam, één of twee keer niet was geweest). Verder blijkt volgens de verzoekende partij uit het proces-verbaal dat de onregelmatigheden telkens anekdotisch zijn en geen “substantieel deel” van de ingediende dienstencheques uitmaken. Tot slot voegt de verzoekende partij toe dat fictieve prestaties een frauduleuze ingesteldheid vereisen, die in casu niet aanwezig is, laat staan bewezen. Het manuele registratiesysteem heeft aanleiding kunnen geven tot fouten in de encodering. De afwezigheid van kwaad opzet in hoofde van de verzoekende partij heeft de sociale inspectie er precies toe gebracht drie van de oorspronkelijk in aanmerking genomen inbreuken achterwege te laten. Wat de vierde inbreuk betreft, laat de verzoekende partij gelden dat het gaat om een fout in de codering (A. A.), een vergissing in de basisplanning (H.R.), geannuleerde prestaties (gebruiker A.A.) en onbetrouwbare getuigenissen (gebruiker M.C.). Er kan geen “manipulatie” door de verzoekende partij van dienstencheques worden aangenomen zonder een frauduleuze ingesteldheid in hoofde van de onderneming aan te tonen. De verzoekende partij besluit dat de bestreden beslissing op verschillende motieven steunt zonder het doorslaggevend karakter van elk van hen te bepalen zodat het volstaat dat één ervan onwettig zou zijn om de onwettigheid van de volledige bestreden beslissing mee te brengen. De “vastgestelde” inbreuken zijn (minstens gedeeltelijk) op onjuiste of onbetrouwbare feitelijke grondslagen gebaseerd. Het bestuur brengt geen begin van bewijs van kwade trouw bij, evenmin als elementen die de goede trouw van de verzoekende partij in het gedrang zouden kunnen brengen. XIV-38.151-10/17 Beoordeling
  25. De verzoekende partij haalt in het opschrift van het middel machtsafwending aan doch zet nergens uiteen op welke wijze deze zou zijn gepleegd.
  26. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
  27. De verzoekende partij betwist de feiten van de eerste en de vijfde vastgestelde inbreuk als dusdanig niet. Wat de tweede inbreuk betreft, verengt de verzoekende partij op het eerste gezicht het verbod voor de dienstencheque-onderneming om de gebruiker te vertegenwoordigen, ten onrechte tot het aanmaken van een XIV-38.151-11/17 Sodexo-account. Met de bestreden beslissing wordt het, overeenkomstig de vaststellingen in het proces-verbaal, de verzoekende partij echter verweten zich in de plaats te hebben gesteld van “verschillende” gebruikers “voor het creëren van een Sodexo-account, het beheren van dit account en het bestellen en betalen van dienstencheques”. Dit verwijt is blijkens het proces-verbaal gesteund op verklaringen van de zaakvoerders en getuigenissen en gekoppeld aan geïdentificeerde gebruikersprofielen. Voor de vaststelling van de derde inbreuk, namelijk de aanvaarding van dienstencheques door de onderneming wanneer de prestaties nog niet zijn uitgevoerd, heeft de sociale inspectie in het proces-verbaal een aantal verdachte gebruikersprofielen met een verhoogd risico op fictieve prestaties in aanmerking genomen. Uit diverse verklaringen van die gebruikers, maar ook van naaste familie en huisgenoten van gebruikers, heeft de inspectie, en nadien de bestreden beslissing, afgeleid dat minstens een deel van de door de verzoekende partij ingediende dienstencheques niet overeenstemt met reële prestaties. Naast verklaringen die prestaties formeel ontkennen of tegenspreken, heeft de inspectie akte genomen van verklaringen die het gebruik van dienstencheques wel onderschrijven, maar toch problematisch zijn, bijvoorbeeld wanneer de verklaring in strijd is met de intensiteit van de vermeende prestaties. De inspectie heeft voorts akte genomen van verklaringen die aantoonbaar in strijd zijn met de feiten, zoals het betalen van prestaties met papieren dienstencheques terwijl elektronische dienstencheques werden ingediend. Meer algemeen heeft de inspectie dan weer vastgesteld dat verschillende gebruikers niet in staat bleken om op accurate wijze de eigen betalingen te reconstrueren. De verzoekende partij kan niet ernstig beweren dat het proces-verbaal de vastgestelde onregelmatigheden voorstelt als anekdotisch. Op het eerste gezicht worden de vaststellingen in het proces-verbaal integendeel beschouwd als bijzonder problematisch en tekenend voor het niet of niet met eigen middelen betaald zijn van een aantal bestellingen van dienstencheques door de betrokken gebruikers. XIV-38.151-12/17 De kritiek van de verzoekende partij met betrekking tot de verklaringen van een aantal individuele gebruikers lijkt niet tot een ander besluit te leiden. Op het eerste gezicht valt niet in te zien waarom een gebruiker er baat zou bij hebben om het gebruik van dienstencheques te ontkennen of foutieve verklaringen af te leggen, indien er effectieve prestaties zouden zijn geleverd. Voor het overige komt de uiteenzetting van de verzoekende partij bijzonder partieel over en wars van de informatie in het proces-verbaal en de bestreden beslissing die de genoemde verklaringen tegenspreekt. Wat gebruiker E.M. betreft, valt niet te begrijpen hoe diens verklaring dat in de maanden januari tot maart 2018 de poetshulp één of twee keer niet zou zijn langs gekomen, een verklaring kan zijn in het niet ingeven van prestaties voor deze gebruiker op het einde mei 2018, dit is na of recent vóór het afleggen van de desbetreffende verklaring. Tot slot toont de omstandigheid dat in de bestreden beslissing niet alle aanvankelijke tenlasteleggingen zouden zijn behouden, op het eerste gezicht niet aan dat deze derde inbreuk zou steunen op niet-deugdelijke gronden. Voor de vierde inbreuk, het indienen van dienstencheques voor de terugbetaling van prestaties die niet reglementair waren geregistreerd, minimaliseert de verzoekende partij op het eerste gezicht de gedane vaststellingen als vergissingen of voortvloeiend uit onbetrouwbare getuigenissen. Uit het proces-verbaal blijkt echter dat de zaakvoerders van de verzoekende partij tijdens het verhoor door de inspectie meermaals hebben toegelicht dat het encoderen van de elektronische dienstencheques gebeurt op basis van de plannings- en registratiedocumenten. Het feit dat bepaalde prestaties finaal nog werden geannuleerd door de onderneming, neemt op het eerste gezicht niet weg dat de inspectie, en later het bestreden besluit, gelet op deze werkwijze de vastgestelde verschillen tussen de plannings- en registratiedocumenten en de gecreëerde prestaties bij Sodexo problematisch vermocht te bevinden en een bevestiging van het feit dat prestaties werden geëncodeerd die niet overeenstemden of niet konden overeenstemmen met effectieve prestaties. Zoals reeds aangehaald, valt niet in te zien waarom een gebruiker er baat bij zou hebben om het gebruik van XIV-38.151-13/17 dienstencheques te ontkennen of er foutieve verklaringen over af te leggen, indien er effectieve prestaties zouden zijn geleverd. De verzoekende partij maakt in deze fase van het geding niet aannemelijk dat de feitelijke gegevens waarop de bestreden beslissing berust, niet correct zouden zijn noch dat die beslissing onzorgvuldig zou zijn voorbereid. Evenmin maakt de verzoekende partij op het eerste gezicht aannemelijk dat de verwerende partij de grenzen van haar appreciatiebevoegdheid te buiten zou zijn gegaan met de conclusies die zij uit de vastgestelde inbreuken heeft getrokken.
  28. Het vierde middel is niet ernstig. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  29. De verzoekende partij werpt in een vijfde middel een kennelijke beoordelingsfout op, de schending van het proportionaliteits- en het redelijkheids- beginsel en een overschrijding van de redelijke termijn. De verzoekende partij voert aan dat het proportionaliteits- en het redelijkheidsbeginsel geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het niet denkbaar is dat een zorgvuldig en redelijk handelende overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Wat de eerste inbreuk betreft, heeft de verzoekende partij in haar verweer van 17 mei 2019 de verklaring door de dochter van de (overleden) gebruiker meegedeeld waarin deze de omstandigheden bevestigt dat zij na het overlijden van haar moeder nog een beroep heeft gedaan op de poetshulp van deze laatste voor drie datums omdat zij hulp nodig had bij het opruimen en het begonnen chequeboekje wou afmaken. Het bestuur dat een intrekking van de erkenning zelfs XIV-38.151-14/17 gedeeltelijk steunt op een “inbreuk” op artikel 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 12 december 2001, handelt volgens de verzoekende partij in de gegeven en bewezen omstandigheden niet als een redelijke en zorgvuldige overheid. Er is een wanverhouding tussen de ernst van de inbreuk en de zwaarst mogelijke sanctie. Wat de vijfde inbreuk betreft, is de bestreden beslissing onder meer gesteund op het feit dat vijf werknemers dienstenchequeprestaties zouden hebben geleverd op het moment dat zij nog niet Dimona-gemeld waren bij de onderneming. De verzoekende partij had in haar verweer nochtans aangetoond dat de in het proces-verbaal geciteerde werknemers steeds Dimona-gemeld waren, los van enige controle, dat de melding van twee van de vijf genoemde werknemers gebeurde binnen de eerste dag van de tewerkstelling van twee andere van de vijf genoemde werknemers binnen de 48 uren na het begin van de tewerkstelling. Zij beschouwt het zelfs gedeeltelijk steunen van een intrekking van de erkenning op een “inbreuk” op artikel 2quater, § 4, 21°, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 in de gegeven en bewezen omstandigheden niet als een redelijke en zorgvuldige handelwijze. Er is een wanverhouding tussen de ernst van de inbreuk en de zwaarst mogelijke sanctie. Wat de tweede, derde en vierde inbreuk betreft, acht de verzoekende partij de onmiddellijke intrekking in kennelijke wanverhouding met de zogenaamde ernst en omvang van de “vastgestelde” inbreuken vermits het om een allereerste inspectie (en dus geen recidive) ging, een intrekking met uitstel perfect mogelijk was bij gebrek aan herhaling of kwade trouw en er meer dan een jaar is verlopen tussen de vastgestelde inbreuken in het proces-verbaal van 27 juli 2018 en de bestreden beslissing. Volgens de verzoekende partij is het moeilijk te begrijpen dat er na meer dan een jaar wachten plots een hoogdringendheid bestaat om de erkenning met onmiddellijke ingang in te trekken, gelet op al het voorziene nadeel dat daarmee aan de onderneming wordt berokkend. XIV-38.151-15/17 Beoordeling
  30. De bestreden beslissing dient te worden beoordeeld op basis van de vastgestelde inbreuken in hun geheel en niet op basis van iedere inbreuk afzonderlijk. Uit de behandeling van het vierde middel blijkt overigens dat de verzoekende partij in deze fase van het geding niet aannemelijk maakt dat de feitelijke gegevens waarop de bestreden beslissing berust, niet correct zouden zijn noch dat die beslissing onzorgvuldig zou zijn voorbereid. De verzoekende partij ontkracht in het vijfde middel geen van de gedane vaststellingen doch tracht ze enkel te kaderen en te minimaliseren. Zo blijkt dat een Dimona-melding binnen de 24 of 48 uren na het begin van de tewerkstelling wel degelijk een inbreuk is, vermits de melding moet gebeuren eer de tewerkstelling wordt aangevat, precies om misbruiken te voorkomen. Al heeft die beslissing ongetwijfeld zwaarwichtige gevolgen voor de verzoekende partij, zij lijkt in de voorliggende omstandigheden niet te kunnen worden bestempeld als onredelijk of in kennelijke wanverhouding tot de vastgestelde feiten en inbreuken. Het gegeven dat de verzoekende partij nooit eerder het voorwerp had uitgemaakt van een controle, doet geen afbreuk aan het bovenstaande. De kritiek dat meer dan een jaar zou zijn verlopen tussen het proces-verbaal van 28 juli 2018 en de bestreden beslissing, gaat er op het eerste gezicht aan voorbij dat de verzoekende partij in die tussenperiode een verweer heeft kunnen ontwikkelen en de adviescommissie een advies diende uit te brengen. De intrekking met “onmiddellijke” ingang vloeit tot slot op het eerste gezicht voort uit het voorhanden zijn van de intrekkingsgrond overeenkomstig artikel 2octies van het koninklijk besluit van 12 december 2001 „betreffende de dienstencheques‟.
  31. Het vijfde middel is niet ernstig. XIV-38.151-16/17 VI. Conclusie
  32. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  33. De Raad van State verwerpt de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  34. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig september tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.151-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.522 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.