id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.523 Rolnummer: A. 229107/IX-9613 Zaak: Arrest 245523 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 24/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-26 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 21:55 Fiche Arrest nr 245.523 van 24 september 2019 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.523 van 24 september 2019 in de zaak A. 229.107/IX-9613 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Sophie Bleux kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SINT-DONATUSINSTELLINGEN MERCHTEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Roggeman kantoor houdend te 1745 Opwijk Schoolstraat 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 14 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van 27 augustus 2019 van de beroepscommissie inzake de evaluatie- betwisting van de Sint-Donatus bovenbouw te Merchtem, onderdeel van verwe- rende partij, waarbij de beslissing van de klassenraad houdende het afleveren van een oriëntatieattest C aan [XXXX] wordt gehandhaafd en waarbij haar verzoek om voor de vakken met een tekort herexamens te doen en haar GIP opnieuw te be- kijken wordt verworpen”. IX-9613-1/21 Daarnaast wordt gevraagd dat de Raad van State zou bevelen: “- [dat] binnen de veertien dagen na de betekening van het tussen te komen arrest [de verwerende partij] herexamens moet organiseren voor de verzoekende partij, met naleving van alle afgesproken sticordi, voor de vakken aardrijkskunde, na- tuurwetenschappen en wiskunde; - dat binnen de week na het laatste herexamen een herbeoordeling van het GIP van de verzoekende partij gebeurt; - dat de klassenraad binnen de week na de herbeoordeling van het GIP wordt sa- mengeroepen en opnieuw beraadslaagt over de verzoekende partij, rekening houdend met de resultaten van de herexamens en de herbeoordeling van het GIP; - dat alles onder verbeurte van een dwangsom van 500,-€ per dag te laat en per feit.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september 2019, om 10.30 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jan Ghysels en Bruno Persyn, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Veerle Roggeman, die verschijnt voor de verwe- rende partij , zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-9613-2/21 III. Feiten 3.
- Tijdens het schooljaar 2018-2019 is verzoekster ingeschreven in het tweede jaar van de derde graad sociaal-technische wetenschappen aan het Sint-Donatusinstituut te Merchtem. De delibererende klassenraad beslist om verzoekster een oriën- teringsattest C toe te kennen. De toelichting hierbij luidt als volgt: “Motivering: Tekorten voor: Aardrijkskunde 43% Natuurwetenschappen 46% Wiskunde 42% GIP: 46,7% Tekorten voor vakken met een waarschuwing waar bovendien de begelei- ding onvoldoende werd opgevolgd. Tekorten voor richtingsspecifieke vakken. Zowel vakleraars, titularissen als studiebegeleiders hebben XXXX meer- maals aangemoedigd en concrete afspraken met haar gemaakt. Ook hier was er geen opvolging door XXXX. De inzet was onvoldoende om te kunnen slagen. Advies: We vrezen dat deze richting te zwaar is voor jou. (zie ook vorige adviezen). Op basis van een duidelijk gebrek aan motivatie, adviseren we je om het laatste jaar in een andere studierichting/gebied te volgen. Wij denken aan de richting verzorging.” 3.
- Op vraag van verzoekster vindt op 27 juni 2019 een overleg plaats met de directie. 3.
- Met een brief van 1 juli 2019 deelt de voorzitter van de delibe- rerende klassenraad mee dat hij geen nieuwe delibererende klassenraad zal bij- eenroepen. 3.
- Op 4 juli 2019 stelt verzoekster beroep in bij de beroepscom- missie. IX-9613-3/21 3.
- Op 27 augustus 2019 neemt de beroepscommissie een beslissing waarbij zij beslist de beslissing van de klassenraad te handhaven en het verzoek tot het herbekijken van de geïntegreerde proef (hierna: GIP) en het afleggen van herexamens wordt afgewezen. Deze beslissing steunt op de volgende overwegin- gen: “Overwegende dat leerlinge XXXX verklaart gedurende het voorbije schooljaar ‘steken’ te hebben laten vallen en hiervan ook bewust is, dat het geen optie is om haar jaar over te doen volgens betrokken leerlinge; Overwegende dat leerlinge XXXX stelt dat zij het moeilijk had op emoti- oneel vlak, in het bijzonder sinds het wegvallen van steunpunt mevr. Fierens die een andere functie binnen de school opnam; Overwegende dat volgens de vertrouwenspersoon dhr. Anciaux het voor- liggende dossier een aantal juridische tekortkomingen vertoont die, indien no- dig, zullen worden aangehaald bij een eventuele procedure voor de Raad van State; dat dhr. Anciaux hierover echter heel vaag blijft en de eventuele juridi- sche tekortkomingen niet in detail beschrijft; Overwegende dat de beroepscommissie op dit moment enkel kan vast- stellen dat het dossier juridisch correct is verlopen en niet kan worden achter- haald wat dhr. Anciaux bedoelt. Overwegende dat dhr. Anciaux de indruk opwekt dat leerlinge[n] XXXX door de beslissing van de klassenraad (C-attest) zou zijn gesanctioneerd, afge- straft omwille van haar gedrag, haar afwezigheden in de loop van [het] schooljaar en het feit dat bepaalde afspraken niet zijn nagekomen. Overwegende dat de beroepscommissie in deze vaststelt dat de klassenraad een duidelijk gemotiveerde beslissing nam waarbij 4 jaartekorten werden vastgesteld (aardrijkskunde: 43,3 – natuurwetenschappen: 45,9 – wiskunde 42,1 en bijkomend GIP: 46,7) Overwegende dat de beroepscommissie van oordeel is dat dit absoluut niet als een sanctie kan worden geïnterpreteerd. Overwegende dat dhr. Anciaux de beroepscommissie verzoekt leerlinge XXXX herexamens te laten doen voor de vakken aardrijkskunde, natuurwe- tenschappen en wiskunde, dat indien de beroepscommissie hierop niet zou in- gaan, vraagt dhr. Anciaux de GIP te kunnen herbekijken aangezien bij een te- kort op de GIP leerlinge XXXX alle vakken van de hele 3de graad zou dienen af te leggen voor een eventuele examencommissie. Overwegende dat de beroepscommissie echter vaststelt dat wanneer er een tekort is voor een GIP er bij de examencommissie wel degelijk vrijstellingen kunnen worden aangevraagd voor de algemene vakken van de studierichting (www.examencommissie.com/vrijstellingen) Overwegende dat de beroepscommissie vaststelt dat de vraag tot bijko- mende proeven (= herexamens) reeds in overweging werd genomen door de klassenraad en directie; Overwegende er gevraagd wordt om prospectief te delibereren; Overwegende in een eindjaar het van belang is te kijken in welke mate de leerling voldoende resultaten heeft behaald voor het geheel van de vorming; IX-9613-4/21 Overwegende er tekorten zijn voor meerdere vakken; Overwegende dat de beroepscommissie van mening is dat leerlinge XXXX niet klaar is om hogere studies tot een goed einde te brengen omdat leerstoor- nissen haar parten spelen met name op organisatorisch vlak waarbij de school haar nochtans voldoende begeleiding heeft aangeboden en zij er niet altijd op inging; Overwegende dat de beroepscommissie er van uitgaat dat leerlinge XXXX van goede wil is maar dat die leerstoornissen haar grote parten spelen; Overwegende dat de sticordi die in het 5de jaar afgesproken en toegepast werden en in het 6de jaar niet werden toegepast (met name aangepaste lay-out voor NW en examen afleggen in de zorgklas; de andere sticordi werden wel elk leerjaar toegepast) slechts in beperkte mate een verschil maken. De beroeps- commissie stelt vast dat leerlinge XXXX ook in het 2de semester laag scoort voor het dagelijks werk NW en WIS. Bovendien werden de maatregels ook bij het kerstexamen niet toegepast en lagen daar de punten van DW en examen (met uitzondering van SW) in elkaars verlengde of gingen ze er zelfs op vooruit; Overwegende dat de beroepscommissie niet wenst in te gaan op de vraag de GIP te laten herbekijken, laat staan aanvullingen aan de GIP aan te brengen, dat de commissie van oordeel is dat dit het gelijkheidsbeginsel zou schaden;” Dat is de bestreden beslissing IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4 Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzake- lijkheid. Zij stelt: IX-9613-5/21 “Verzoekende partij verwijst naar de vaste rechtspraak van Uw Raad dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd. Verzoekende partij geeft voor het overige geen enkele uiteenzetting over de schorsingsvoorwaarde van de spoedeisendheid in het kader van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Haar motivering volstaat niet gelet op de door haar gevraagde voorlopige maatregelen. Bij haar georganiseerd beroep voor de beroepscommissie verzocht verzoekende partij om herexamens te kunnen doen én indien daar niet zou worden op ingegaan om de GIP te herbekijken. Verzoekende partij verwees naar haar intentie om examens af te leggen voor de examencommissie zodat zij de hogeschool kan aanvatten in februari
- Er staat verzoekende partij op heden niets in de weg om gebruik te maken van de examencommissie in afwachting van een gewone schorsingsprocedure. Om deze reden dient het verzoek verworpen te worden.”
- Uit haar verzoekschrift voor de Raad van State, inbegrepen de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen, blijkt duidelijk dat het verzoekster erom te doen is een heroverweging van de beslissing van de be- roepscommissie uit te lokken, waardoor zij alsnog – en zo snel als mogelijk – haar diploma secundair onderwijs zou kunnen verwerven. Dit met het oog op het aan- vatten van de door haar geambieerde studies in het hoger onderwijs. Hoewel de verplichting die op elke verzoekende partij rust om, binnen de grenzen van wat redelijk is, er zelf het nodige aan te doen wat binnen haar macht ligt om het aangevoerde en gevreesde nadeel te voorkomen of te be- heersen, houdt dit niet in –zoals de verwerende partij beweert – dat van een leerling wordt vereist dat zij door zelfstudie of als vrije leerling het toegekende C-attest voorlopig negeert en haar examens bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap aflegt. Anders redeneren zou overigens ertoe leiden dat elke vor- dering tot schorsing van een examenbetwisting moet worden afgewezen. Zoals verzoekster terecht stelt, is het vaste rechtspraak van de Raad van State, dat het bestreden attest voor haar het verlies van een schooljaar betekent en dat een gewone schorsingsprocedure te laat dreigt te komen om dit nadeel nog nuttig te keren. Derhalve mag door verzoekster een beroep worden IX-9613-6/21 gedaan op de uitzonderingsprocedure van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel 7.
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het “Bestuursdecreet van 7 december 2018 voor wat betreft de openbaarheid van bestuur”, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en “het patere legem beginsel”. 7.
- Wat de beoordeling van de geïntegreerde proef (GIP) betreft, doet verzoekster gelden dat zij weliswaar kennis heeft gekregen van de punten, maar slechts een “gedeeltelijke duiding” daarvan heeft ontvangen, namelijk “tot en met het indienen van de eerste versie van haar GIP op 14 maart 2019”. Voor de “finale versie” heeft verzoekster “enkel een cijfermatig resultaat gekregen”. Daarover heeft verzoekster zich ook beklaagd bij de beroepscommissie. Dat die commissie de beslissing van de delibererende klassenraad niet heeft hervormd, vindt verzoekster een schending van de motiveringsplicht. Dat de commissie “niet wenst in te gaan op de vraag de GIP te laten herbekijken, laat staan aanvullingen aan de GIP aan te brengen, dat de commissie van oordeel is dat dit het gelijk- heidsbeginsel zou schaden”, acht verzoekster dan weer geen “afdoende motivatie” ten aanzien van haar kritiek “dat de gegeven nullen kennelijk onredelijk zijn en dat er geen afdoende motivatie gegeven wordt voor de resultaten” en haar vraag om “haar GIP te mogen herwerken”. Dit terwijl de “GIP […] een belangrijk element in de beslissing van de beroepscommissie [vormt] om de bestreden beslissing te nemen”. 7.
- Verzoekster betoogt voorts dat het beroep bij de beroepscom- missie devolutieve werking heeft en dat “daarom op alle in het beroepsschrift IX-9613-7/21 aangehaalde grieven moet worden geantwoord, op een wijze die duidelijk doet blijken dat de grieven daadwerkelijk in overweging zijn genomen en mee in de nieuwe beoordeling zijn betrokken”. 7.
- In een eerste onderdeel wordt aangevoerd dat verzoekster “geen begrijpelijk antwoord gekregen heeft op de grieven in haar beroepschrift”. 7.
- In een tweede onderdeel voert verzoekster aan dat de beroeps- commissie “niet in rechte, noch in feite motiveert waarom [zij] van oordeel is dat aan [verzoekster] voor de drie vakken met een tekort geen herexamen kan worden toegestaan”, wat nochtans “een belangrijke grief” van verzoekster was. Door middel van herexamens zou verzoekster de jaartekorten kunnen ophalen, waardoor een A-attest waarschijnlijker wordt. Van de motieven van de delibererende klas- senraad of de directie, waaraan de beroepscommissie refereert, heeft verzoekster geen kennis. De beroepscommissie maakt zich deze motieven – zo ze zouden bestaan – alvast niet eigen. Hoe dan ook, zo besluit verzoekster, heeft de be- roepscommissie haar eigen autonome beslissingsbevoegdheid niet uitgeoefend. 7.
- In een derde onderdeel betoogt verzoekster dat de beroeps- commissie, door te oordelen dat zij niet ingaat op de vraag om de GIP te herbe- kijken omdat het gelijkheidsbeginsel daardoor geschaad zou worden, alleen “iets in het algemeen poneert, zonder de concrete omstandigheden van de zaak en de situatie van [verzoekster] te onderzoeken” en “geen of een geselecteerde, minstens een onzorgvuldige feitenvinding doet”. De 0 op 20 punten voor een onderdeel van de GIP – omdat het werk te laat werd afgegeven – houdt geen rekening met een “geattesteerd ziekteverlof” en is in ieder geval “kennelijk onredelijk”. Evenmin werd rekening gehouden met de leerstoornissen van verzoekster, waarvoor zij bij de GIP geen begeleiding kreeg. Op die manier heeft de beroepscommissie ver- zoekster op dezelfde wijze beoordeeld als een leerling zonder leerstoornissen, wat een schending van het gelijkheidsbeginsel betekent. Een motivering die beperkt blijft tot de enkele mededeling dat de leerling niet geslaagd is voor de GIP, zonder dat daarvoor een onder woorden gebrachte verantwoording wordt gegeven, vol- IX-9613-8/21 doet niet aan de motiveringsplicht. Iedere motivering voor de “finale producteva- luatie” ontbreekt. 7.
- In een vierde onderdeel doet verzoekster gelden dat het motief “dat er tekorten zijn voor meerdere vakken evenmin de bestreden beslissing […] kan dragen”. Verzoekster stelt immers vast dat andere leerlingen “wel mochten herexamens doen, zelfs wanneer ze zoals [verzoekster] voor drie vakken een tekort hadden of hun GIP mochten aanpassen, hoewel ze geen leerstoornis hadden”. Het motief dat het “gedeeltelijk niet toepassen van de sticordi ‘slechts in beperkte mate een verschil (zou) maken’” kan volgens verzoekster evenmin de bestreden beslis- sing dragen. Volgens haar is het alsdan niet ondenkbaar dat zij andere en betere resultaten zou hebben gehaald op haar examens indien deze wel overeenkomstig de gemaakte afspraken waren afgenomen. De beroepscommissie geeft toe dat de examens onzorgvuldig werden afgenomen. Door dan haar argumenten te negeren, schendt de beroepscommissie het schoolreglement waar het “de omgang met leerlingen met een leerstoornis” regelt. 7.
- In een vijfde onderdeel neemt verzoekster het motief dat zij “niet klaar is om hogere studies tot een goed einde te brengen omdat leerstoornissen haar parten spelen” op de korrel. Zij noemt die uitlating “ongelukkig en beledigend”. Het getuigt volgens haar ook van een “tunnelvisiebeoordeling” en steunt op niets. Aldus acht verzoekster zich “net wel gesanctioneerd […] omwille van haar han- dicap”. Verzoekster geeft toe vooral moeite te hebben met “exacte wetenschaps- vakken”, maar zij heeft wel “gevoel […] voor taal” en net die richting wil zij uit in het hoger onderwijs. De hogeschool van haar keuze heeft, naar eigen zeggen, “juist speciale aandacht voor leerlingen met leerstoornissen, zodat het onjuist en kwet- send is te stellen dat men door leerstoornissen uitgesloten is van hoger onderwijs”. Verzoekster ervaart aldus dat zij “gediscrimineerd wordt omwille van haar han- dicap”. IX-9613-9/21 Beoordeling 8.
- Aan verzoekster is een oriënteringsattest C toegekend. Daarvoor zoekt de beroepscommissie in essentie steun in drie jaartekorten – aardrijkskunde: 43%, natuurwetenschappen: 46% en wiskunde: 42% – en een tekort voor de GIP. De overweging in de bestreden beslissing dat verzoekster “niet klaar is om hogere studies tot een goed einde te brengen omdat leerstoornissen haar parten spelen” lijkt niet meer dan een conclusie van deze cijfers, maar is op zich- zelf beschouwd op het eerste gezicht geen determinerend motief. Kritiek op overtollige motieven – die overigens beperkt blijft tot het “ongelukkig”, “beledigend” en “kwetsend” noemen van deze passus – is niet ontvankelijk. 8.
- Het vijfde onderdeel van het middel is niet ernstig. 9.
- Van een leerling die gebruik maakt van de beroepsmogelijkheid om een ongunstige evaluatiebeslissing gekeerd te zien, mag voorts op het eerste gezicht de nodige duidelijkheid, klaarheid, consistentie en ondubbelzinnigheid worden verwacht. Daarom lijkt die leerling ook slechts van het beroepsorgaan een antwoord te mogen verwachten op die elementen die hij of zij in het beroepschrift aanvoert in de mate dat ze dienstig zijn voor dat wat gevorderd wordt, dat wat de leerling aan de beroepscommissie vraagt. Alleen elementen die de eis ondubbel- zinnig ondersteunen, kunnen prima facie als een grief, in de ware zin van het woord, worden beschouwd. Wat niet dienstig is in het licht van de vordering, lijkt in ieder geval geen essentiële grief te zijn die een uitdrukkelijk antwoord van het beroepsorgaan behoeft. IX-9613-10/21 9.
- Daaruit volgt dat datgene wat verzoekster in haar beroepschrift voor de beroepscommissie ten aanzien van de beoordeling van haar GIP heeft aangevoerd, moet worden gelezen in functie van wat zij aan die commissie heeft gevraagd. 9.
- Bij de aanvang van het beroepschrift voor de beroepscommissie geven de ouders van verzoekster aan dat zij “het schoolbestuur [willen] vragen aan [verzoekster] […] de kans te geven om herexamens te maken of in het slechtste geval een tweede kans te krijgen op het verbeteren van de geïntegreerde proef”. Die vraag wordt nog eens herhaald op het einde van het be- roepschrift: “De meest positieve beslissing zou voor [verzoekster] zijn dat ze herexa- mens kan doen voor de vakken natuurwetenschappen en aardrijkskunde. Een tweede optie zou zijn dat zij haar GIP kan herwerken en hier alsnog kan voor slagen zodat zij middenjury kan doen voor natuurwetenschappen, wiskunde en aardrijkskunde en de hogeschool kan aanvatten in februari 2020.” Verzoekster heeft aan de beroepscommissie dus op het eerste gezicht niet gevraagd om haar zonder meer het diploma secundair onderwijs toe te kennen. Zij heeft alleen gevraagd, in hoofdorde om haar “herexamens” toe te kennen voor natuurwetenschappen en aardrijkskunde – dit vraagt zij prima facie dus niet voor wiskunde, en in ondergeschikte orde – “in het slechtste geval” of als “tweede optie”, zoals verzoekster het zelf verwoordt – om haar GIP te “herwer- ken”. 9.
- Het motief van de beroepscommissie dat zij “niet wenst in te gaan op de vraag de GIP te laten herbekijken, laat staan aanvullingen aan de GIP aan te brengen” omdat zij “van oordeel is dat dit het gelijkheidsbeginsel zou schaden”, lijkt dan ook te moeten worden bekeken en beoordeeld in het licht van wat verzoekster daadwerkelijk heeft gevraagd. IX-9613-11/21 9.
- Daargelaten de vraag of verzoekster tijdig zicht heeft gehad of kon hebben op de onder woorden gebrachte verantwoording van alle onderdelen van de GIP – wat de verwerende partij voorhoudt, maar verzoekster betwist – lijkt uit het beroepschrift van verzoekster, en in het bijzonder dat wat zij vorderde, te moeten worden afgeleid dat zij haar resultaat voor de GIP niet heeft betwist. Zij heeft, zoals de verwerende partij terecht aangeeft, op het eerste gezicht alleen gevraagd om haar GIP te mogen herwerken. In die omstandigheden lijkt zij thans voor de Raad van State niet nuttig te kunnen aanvoeren dat de school zou zijn tekortgeschoten bij de kennis- geving van de beoordeling van de afzonderlijke delen van de GIP, noch dat zulks een reden moest zijn voor de beroepscommissie om de beslissing van de delibe- rerende klassenraad te hervormen. Dat is immers op het eerste gezicht een grief die onmogelijk in verband te brengen is met de vraag om de GIP te mogen herwerken – wat precies het inzicht van het eigen falen veronderstelt. 9.
- Dat de “gegeven nullen kennelijk onredelijk zijn”, zoals ver- zoekster thans in haar verzoekschrift voor de Raad van State aanvoert, is alvast op het eerste gezicht niet te lezen in de door haar aangehaalde passus uit haar be- roepschrift. Voor het “niet tijdig indienen van versie 1”, als gevolg waarvan zij een score van 0 punten op 20 kreeg toegekend, gaf verzoekster in haar be- roepschrift prima facie geen enkele verklaring. Zij vermeldt dit, maar lijkt er voorts geen verdere aandacht, laat staan woorden aan te besteden. Dan mag het ook niet verbazen, dat ook de beroepscommissie er niet uitdrukkelijk over heeft ge- motiveerd. Voor het “inleefmoment” werd verzoekster bedacht met een score van 0 punten op
- Wat zij daarover in haar beroepschrift heeft doen gelden, lijkt niet meer te zijn dan een duiding bij wat zich heeft voorgedaan, maar daarmee lijkt zij geenszins – zelfs niet impliciet, de “kennelijke onredelijkheid” van het IX-9613-12/21 toegekende cijfer aan te voeren. Nogmaals, mocht dat wel de werkelijke strekking van haar betoog zijn geweest, dan valt dit op het eerste gezicht niet te rijmen met haar vraag – zij het ondergeschikt, want de vraag om “herexamens” primeerde – om haar GIP te mogen herwerken. 9.
- Die vraag om de GIP te mogen herwerken, heeft de beroeps- commissie trouwens, zoals gezien, wel degelijk beantwoord. Waarom dat motief niet voldoet, brengt verzoekster in een derde onderdeel ter sprake. 10.
- In essentie komt verzoeksters kritiek hierop neer dat uit het reeds aangehaalde motief van de beroepscommissie niet blijkt dat zij “de concrete om- standigheden van de zaak en de situatie van [verzoekster] heeft onderzocht”. 10.
- Dat voor de 0/20 voor één onderdeel van de GIP (“GIP – Deel 4 – Versie 1 – Procesevaluatie”) geen rekening is gehouden met een “geattesteerd ziekteverlof” en “kennelijk onredelijk” is, is op het eerste gezicht – en zoals ten dele al gezien – niet aan de beroepscommissie voorgelegd. Verzoekster lijkt de commissie bezwaarlijk te kunnen verwijten niet te hebben geantwoord op grieven die zij niet eens heeft aangevoerd. 10.
- Hetzelfde geldt voor het argument van een gebrek aan begelei- ding bij de GIP. Ook dat is niet voorgelegd aan de beroepscommissie. Integendeel, het beroepschrift voor de beroepscommissie is doorspekt van ‘bekentenissen’ van verzoekster. Zo “[erkent] [zij] dat [zij] het, los van ziekte, moeilijk heeft om alles op te volgen, bij te houden en op tijd in te dienen”, dat zij “zich […] niet aan be- paalde afspraken [heeft] gehouden” en dat “ze kansen heeft laten liggen”. 10.
- Waarom zij tot op vandaag niet nuttig kan aanvoeren dat er haar niet voor alle onderdelen van de GIP een onder woorden gebrachte verantwoording werd gegeven, is hiervoor al besproken. IX-9613-13/21 10.
- Het derde onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. Het betekent ook dat wat verzoekster in het eerste middel toelicht onder de hoofding “wat de beoordeling van [de] GIP betreft” en wat hiervoor al werd besproken, niet ernstig voorkomt. 11.
- In een eerste onderdeel voert verzoekster aan dat zij “geen be- grijpelijk antwoord gekregen heeft op de grieven in haar beroepschrift”. De “grieven” waaraan verzoekster refereert, lijken te zijn – want zij doet niets meer dan enkele onderdelen van haar beroepschrift voor de be- roepscommissie letterlijk weergeven: - het niet-nakomen van bepaalde sticordi-maatregelen; - de “grieven” in verband met de GIP, zoals ze reeds hiervóór werden besproken; - de vraag (in hoofdorde) om “herexamens” toegekend te krijgen; - de (ondergeschikte) vraag om haar GIP te mogen herwerken. Verzoekster verduidelijkt op het eerste gezicht niet wat zij be- doelt als zij stelt “geen begrijpelijk antwoord” te hebben gekregen op die grieven. Het onderdeel lijkt alleen zo te kunnen worden begrepen dat de beroepscommissie die grieven niet heeft beantwoord. 11.
- Anders dan verzoekster het ziet, lijkt alvast de eerste grief in verband met de sticordi-maatregelen in de bestreden beslissing wel degelijk een antwoord te hebben gekregen. De beroepscommissie stelt daarover wat volgt: “Overwegende dat de sticordi die in het 5de jaar afgesproken en toegepast werden en in het 6de jaar niet werden toegepast (met name aangepaste lay-out voor NW en examen afleggen in de zorgklas; de andere sticordi werden wel elk leerjaar toegepast) slechts in beperkte mate een verschil maken. De beroepscommissie stelt vast dat leerlinge XXXX ook in het 2de IX-9613-14/21 semester laag scoort voor het dagelijks werk NW en WIS. Bovendien werden de maatregels ook bij het kerstexamen niet toegepast en lagen daar de punten van DW en examen (met uitzondering van SW) in elkaars ver- lengde of gingen ze er zelfs op vooruit.” In die mate is het eerste onderdeel niet ernstig. 11.
- Wat verzoeksters “grieven” ten aanzien van de GIP betreft, werd hiervóór al gesteld waarom het antwoord van de beroepscommissie kon volstaan. Ook in die mate is het eerste onderdeel derhalve niet ernstig. 11.
- Ook haar vraag om de GIP te mogen herwerken heeft, prima facie in de bestreden beslissing een uitdrukkelijk antwoord gekregen. Van dat antwoord lijkt verzoekster ook niet aannemelijk te maken dat het niet afdoende zou zijn. In die mate is het eerste onderdeel evenmin ernstig. Dat haar vraag om “herexamens” toegekend te krijgen, geen afdoende antwoord heeft gekregen, brengt verzoekster ook ter sprake in het tweede onderdeel van het eerste middel. 12.
- Met de verwerende partij lijkt te moeten worden geoordeeld dat in de regel uiterlijk op 30 juni van het betrokken schooljaar moet worden beslist over het al dan niet slagen van een leerling in het secundair onderwijs. Zoals ook in artikel 37, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betref- fende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ is bepaald, kan die termijn slechts voor “individuele gevallen” worden verlengd – en de beslissing over het al dan niet slagen dus worden uitgesteld – tot uiterlijk de eerste schooldag van het daaropvolgende schooljaar. IX-9613-15/21 Het is alleen wanneer de delibererende klassenraad door bij- zondere omstandigheden – bijvoorbeeld ziekte, het overlijden van een naaste – meent op het einde van het schooljaar toch niet over alle nuttige gegevens te be- schikken om over het al dan niet slagen van de leerling oordeelkundig te kunnen beslissen, dat hij over de mogelijkheid beschikt om zijn beslissing uit te stellen en om de leerling, uitzonderlijk, bijkomende proeven af te laten leggen. Het toestaan van bijkomende proeven is dus de uitzondering en geen regel. 12.
- Als verzoekster de beroepscommissie er wil toe brengen haar bijkomende proeven toe te kennen of ten minste die vraag in overweging te nemen, dan lijkt zij die commissie daartoe zelf wel de nodige “bijzondere omstandighe- den” te moeten aanleveren. Op het eerste gezicht motiveert verzoekster haar vraag voor “herexamens” door geen enkele “bijzondere omstandigheid”: “schoolmoeheid”, “tegenvallende studieresultaten”, “het niet uitzonderlijk karakter van de tekorten in het kader van de hele schoolloopbaan”, “het feit dat de leerling heeft standge- houden tot in het 6de middelbaar” en “het perspectief op hogere studies”, van geen daarvan beweert verzoekster, dat het een “bijzondere omstandigheid” uitmaakt. 12.
- Wat de “meervoudige leerstoornis” betreft – het enige andere element waarop verzoekster haar vraag nog steunt – dient prima facie te worden vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat daarvoor de nodige maatregelen werden afgesproken. Van twee van die maatregelen – een “aangepaste lay-out voor natuurwetenschappen” en “het afleggen van de examens in de zorgklas” – beweert verzoekster dat deze niet werden toegepast. Zulks wordt op het eerste gezicht ook niet weersproken door de verwerende partij. IX-9613-16/21 Verzoekster heeft die grief ook voorgelegd aan de beroeps- commissie. De commissie heeft daarop geantwoord als volgt: “Overwegende dat de sticordi die in het 5de jaar afgesproken en toegepast werden en in het 6de jaar niet werden toegepast (met name aangepaste lay-out voor NW en examen afleggen in de zorgklas; de andere sticordi werden wel elk leerjaar toegepast) slechts in beperkte mate een verschil maken. De beroepscommissie stelt vast dat leerlinge XXXX ook in het 2de semester laag scoort voor het dagelijks werk NW en WIS. Bovendien werden de maatregels ook bij het kerstexamen niet toegepast en lagen daar de punten van DW en examen (met uitzondering van SW) in elkaars ver- lengde of gingen ze er zelfs op vooruit.” Voor de Raad van State betoogt verzoekster in een vierde on- derdeel dat het oordeel dat “het gedeeltelijk niet toepassen van de sticordi ‘slechts in beperkte mate een verschil (zou) maken’” “de beslissing van de beroepscom- missie evenmin kan dragen”. Zoals gezien, licht de beroepscommissie dat stand- punt vervolgens toe, met verwijzing naar de resultaten van verzoekster voor da- gelijks werk en de examens. Verzoekster verduidelijkt echter op het eerste gezicht niet in haar verzoekschrift waarom de bijkomende uitleg van de beroepscommissie daaromtrent niet volstaat. In die mate komt het vierde onderdeel niet ernstig voor. 12.
- Ten overvloede kan er nog worden op gewezen dat tegen het in gebreke blijven van de school op het vlak van afgesproken maatregelen, op het eerste gezicht tijdig moet worden gereageerd. Als verzoekster thans voorhoudt dat tijdens het voorbije schooljaar twee maatregelen niet werden toegepast, lijkt der- halve de vraag te rijzen of verzoekster zelf wel het nodige heeft gedaan om, bij- voorbeeld naar aanleiding van de kerstexamens, een en ander bij de school aan te kaarten. Als zij dat niet heeft gedaan, lijkt zij daarvan ook zelf de gevolgen te moeten dragen. 12.
- Wat voorafgaat betekent ook dat verzoekster niet kan voorhou- den ter zake een “bijzondere omstandigheid” te hebben aangevoerd. IX-9613-17/21 In die omstandigheden lijkt zij zich er ook niet over te kunnen beklagen dat de beroepscommissie die vraag zonder veel omhaal heeft afgewezen. Zodoende moet ook het tweede onderdeel als niet-ernstig worden beschouwd. 13.
- Eveneens in het vierde onderdeel brengt verzoekster ter sprake dat andere leerlingen, hoewel zij ook tekorten hadden, wel “herexamens” toege- kend kregen of hun GIP mochten herwerken. 13.
- Leerlingen verhouden zich niet als concurrenten tot elkaar voor hetzelfde voordeel. Daarenboven dient op het eerste gezicht opgemerkt dat delibe- ratiesituaties die aan de oppervlakte als gelijk verschijnen, dat bij nader inzien niet zijn, omdat in de beoordeling van het al dan niet slagen van een leerling niet enkel met het zuivere cijferresultaat rekening moet worden gehouden, maar met de in- dividuele context van elke leerling afzonderlijk. Dat de ene leerling wél gedeli- bereerd wordt voor een tekort en de andere een bijkomende proef wordt toege- staan, bewijst dus niet ipso facto een ongeoorloofde ongelijke behandeling. Het komt er voor verzoekster dus op aan om aan de Raad van State aanwijzingen te verschaffen dat zij aan een andere beoordelingsmaatstaf is onderworpen dan andere leerlingen en zonder dat daarvoor een deugdelijke ver- antwoording bestaat. Het gelijkheidsbeginsel kan immers slechts geschonden zijn indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk werden behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. In- dachtig ook dat de deskundigheid en objectiviteit van de examinatoren wordt verondersteld, behoort het aan verzoekster die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, dit vermoeden in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan het wankelen te brengen. Daarin slaagt verzoekster op het eerste gezicht niet. Zij beperkt zich ertoe namen van leerlingen te noemen met resultaten, maar staaft dat met geen IX-9613-18/21 enkel stuk. Het valt prima facie niet aan de Raad van State of aan het auditoraat toe om in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor en in de plaats van verzoekster een onderzoek te voeren, bijvoorbeeld door de rapporten van die an- dere leerlingen op te vragen. 13.
- Ook in die mate is het vierde onderdeel niet ernstig.
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel
- In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van “de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur” en het zorgvuldig- heidsbeginsel. Verzoekster bekritiseert dat “de oproepingsbrief om gehoord te worden door de beroepscommissie niet vermeldt dat het dossier waarop de com- missie zal oordelen kan worden ingezien en ook niet uitnodigt om dat dossier in te kijken”. Zij is van oordeel dat “een hoorzitting voor een beroepscom- missie zorgvuldig moet voorbereid worden zodat de beroeper zijn grieven maxi- maal kan uitdrukken”, dat “de beroeper voor de zitting van de beroepscommissie moet geïnformeerd worden dat er een dossier is op grond waarvan de commissie zal horen en beraadslagen”, dat “de beroeper moet uitgenodigd worden om kennis en desgevallend afschrift te nemen van dat dossier” en dat “door [verzoekster] niet te informeren over het dossier en haar niet uit te nodigen om inzage en afschrift te nemen, [verzoekster] haar verdediging voor de beroepscommissie niet optimaal heeft kunnen voeren en dat zodoende haar hoorrecht geschonden is”. IX-9613-19/21 Beoordeling
- Daargelaten of de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur in een geval als het voorliggende wel toepassing vindt, moet een verzoekende partij die zich erop beroept dat haar stukken werden onthouden waardoor zij haar standpunt niet op nuttige wijze naar voor heeft kunnen brengen, op het eerste gezicht concreet aangeven welke stukken dat dan wel zouden zijn. Zij moet, met andere woorden, verduidelijken over welke elementen zij, bij gebrek aan inzage, niet tijdig een standpunt heeft kunnen innemen. Dat doet verzoekster prima facie niet in haar verzoekschrift.
- Mocht verzoekster doelen op bepaalde beoordelingsformulieren van de GIP – wat zij, zoals al aangegeven, niet aanvoert of beweert – dan volgt uit de bespreking van het eerste middel alvast dat ook in die mate het tweede middel bij gebrek aan belang moet worden afgewezen.
- Het tweede middel is hoe dan ook niet ernstig.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid worden toegewezen. VII. De vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen en de dwangsom
- De verwerping van de vordering tot schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid moet noodzakelijk leiden tot de verwerping van de vor- dering tot het bevelen van voorlopige maatregelen en het opleggen van een dwangsom, die eraan ondergeschikt is. IX-9613-20/21 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 september 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-9613-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.523 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.