id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.524 Rolnummer: A. 229102/IX-9612 Zaak: Arrest 245524 - Examens (onderwijs) - 24/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-27 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 21:49 Fiche Arrest nr 245.524 van 24 september 2019 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.524 van 24 september 2019 in de zaak A. 229.102/IX-9612 In zake: Joe VANHOLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Fluxus bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Noël Devos en Guido Van den Eynde kantoor houdend te 2440 Geel Diestseweg 155 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 13 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep Fluxus van het Gemeen- schapsonderwijs van 21 augustus 2019, waarbij het aan Joe Vanhole toegekende oriënteringsattest B wordt gehandhaafd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9612-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2019, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Matthijs De Bruyn, die loco advocaat Christophe Vangeel verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ineke Michielsen, die loco advocaten Noël Devos en Guido Van den Eynde verschijnt voor de verwe- rende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2018-2019 ingeschreven als leerling in het tweede jaar van de tweede graad „lichamelijke opvoeding en sport‟ (TSO) in het Atheneum Lier, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep „Fluxus‟ van het Gemeenschapsonderwijs. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker een eindtotaal van 55% met negen jaartekorten, namelijk voor biomechanica (39%), theorie sport (43%), anatomie (44%), sport en maatschappij (43%), atletiek (23%), gymnastiek (45%), wiskunde (36%), chemie/toegepaste chemie (44%) en fysica/toegepaste fysica (42%). IX-9612-2/13 De delibererende klassenraad kent aan verzoeker een oriënte- ringsattest B toe, met clausering voor ASO, TSO en KSO. 3.
- Na vergeefs overleg met de directeur stelt verzoeker een beroep in bij het schoolbestuur. 3.
- Op 21 augustus 2019 beslist de beroepscommissie, verzoeker gehoord, om de oorspronkelijke evaluatiebeslissing te handhaven. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State, dat het bestreden attest hem de mogelijkheid ontneemt om de studieloopbaan voort te zetten in de studierichting van zijn keuze, tenzij middels overzitten en dus verlies van een schooljaar, en dat een gewone schorsingsproce- dure te laat dreigt te komen om dit nadeel nog nuttig te keren. Aan de eerste schorsingsvoorwaarde is voldaan, wat de verwe- rende partij overigens in haar nota uitdrukkelijk niet betwist. IX-9612-3/13 VI. Ernst van het enige middel Vooraf
- De Raad van State is als wettigheidsrechter geen beroepsinstan- tie die in de plaats van de klassenraad en de beroepscommissie over het al dan niet slagen van een leerling moet oordelen. Hij oordeelt, binnen de grenzen van het hem ontvankelijk voorgelegde geschil, of de bestreden rechtshandeling wettig is en verklaart deze in voorkomend geval nietig. In een geval van aangetoonde „uiterst dringende noodzakelijk- heid‟, zoals thans voorligt, mag de Raad van State in afwachting van een uitspraak over de grond van de zaak reeds de schorsing bevelen van de tenuitvoerlegging van die rechtshandeling, mits de verzoekende partij overtuigt van een ernstig middel. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid verstoort evenwel het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State op ernstige wijze. Ze beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Zeker in deze schorsingsprocedure bij uiterst dringende nood- zakelijkheid, die wordt gekenmerkt door de summaria cognitio en waarbij de rechten van de verdediging door de procedure al tot een uiterste minimum zijn herleid, moet een middel zich lenen tot een snelle toetsing. Dit betekent, opdat het ernstig karakter ervan kan worden erkend, dat in het middel zeer nauwkeurig moet worden aangevoerd welke rechtsregel of welk rechtsprincipe geschonden wordt geacht. Voorts moet een verzoekende partij, op straffe van haar middel als niet ernstig verworpen te zien, bij het toelichten ervan al even nauwkeurig vermelden waarin de schending door de bestreden beslissing precies bestaat en zij moet zich daarbij beperken tot het essentiële. Vage klachten of wijdlopige uiteenzettingen IX-9612-4/13 horen niet thuis in een vordering die een beroep doet op de uiterst dringende noodzakelijkheid. Indien een verzoekende partij in een geschil over een evalua- tiebeslissing bijvoorbeeld meent, zoals in de voorliggende zaak, dat op welbe- paalde onderdelen van haar grievenbundel geen (afdoende) antwoord is gekomen, dan ligt het op haar weg zeer nauwkeurig en helder aan de Raad uiteen te zetten welke argumenten zonder antwoord zijn gebleven of op welke grieven een on- volledig, verkeerd of niet ter zake doende antwoord is gegeven. Bovendien moeten dit grieven zijn die haar uitzicht verlenen op een gunstiger evaluatiebeslissing. Van de Raad van State mag niet worden verwacht dat hij in de plaats van een verzoekende partij het middel onderbouwt of dat hij zelf in een uitgebreide adstructie van het middel of eventueel in de bijgaande stukken moet zoeken welke betekenis er aan kan worden toegedicht. De snelle overtuigingskracht van het aangevoerde middel wordt ook mede bepaald door de uiteenzetting van de feiten in het inleidend verzoek- schrift. Een verzoekende partij moet een feitenrelaas aan de rechter voorleggen dat volledig is, maar zonder overbodigheden, om die rechter in staat te stellen in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid het aangevoerde snel in zijn juiste context te vatten. 7.
- Toegepast op de voorliggende zaak moet de Raad het volgende vaststellen. 7.2.
- Wat de feiten betreft, stelt verzoeker in het inleidend verzoek- schrift dat hij vier jaartekorten behaalt, namelijk voor biomechanica, wiskunde, theorie sport en toegepaste fysica. IX-9612-5/13 Uit het rapport blijkt dat hij niet vier, maar negen jaartekorten heeft en voorts zijn de cijfers die verzoeker geeft bij de vier wel door hem opge- geven tekorten verkeerd. 7.2.
- Verzoeker stelt voorts een leerling te zijn met “een M-verslag” en op basis daarvan “recht op passende begeleiding” te hebben. Op de terechtzitting verklaart de verwerende partij, met verwij- zing naar het leerlingendossier, dat haar nooit een dergelijk attest is bezorgd en dat dergelijke begeleiding nooit is gevraagd door verzoekers ouders. Dat verzoeker een problematiek heeft inzake autismespectrumstoornis (ASS), heeft zij zelf in de loop van het schooljaar laten vaststellen en niet de ouders. Op de terechtzitting heeft de raadsman van verzoeker dit standpunt van de verwerende partij niet weersproken. In de huidige stand van de procedure hecht de Raad van State meer geloof aan de verklaringen van de verwerende partij. Verzoeker legt wel een zogenaamd M-verslag neer, maar op het eerste gezicht is dit opgesteld ten behoeve van de school waar hij tijdens het schooljaar 2017-2018 was ingeschreven. Noch in de stukken bij het inleidend verzoekschrift, noch in het administratief dossier kan de Raad dadelijk terugvinden dat het M-verslag bij de inschrijving van verzoeker in het atheneum te Lier is bijgebracht. De uitgebreide inschrijvingsfiche laat dit gegeven alleszins onvermeld. Evenmin kan de Raad er prima facie zelfs maar een allusie over lezen in de communicaties met de ouders die de verwerende partij als stukken van het leerlingendossier van verzoeker heeft neergelegd. Verzoeker van zijn kant heeft daaromtrent in het geheel niets neergelegd. Het leerlingendossier, voor zover de Raad van State er prima facie kennis van heeft, laat vooralsnog dus niet toe aan te nemen dat de school van het M-verslag op de hoogte is gesteld; alleszins lijken de ouders nooit doorheen het schooljaar specifiek daarop gesteunde begeleiding gevraagd te hebben, laat staan dat de concrete begeleidingsmaatrege- len werden gevraagd die verzoeker – blijkbaar voor het eerst – in de procedure bij IX-9612-6/13 de beroepscommissie en thans bij de Raad van State aan de school verwijt nage- laten te hebben. Wat inderdaad wel in het dossier is te lezen, is de problematiek inzake autismespectrumstoornis, maar dan niet gekoppeld aan een M-verslag. Enkel in zoverre zal er bij de beoordeling van het middel op de grieven van ver- zoeker omtrent zijn begeleiding ingegaan worden. 7.2.
- Wie op dergelijke manier in het inleidend verzoekschrift aan de rechter een verkeerde voorstelling geeft van de feiten, bouwt zijn middelen op aan de hand van fundamenteel verkeerde uitgangspunten en zou alleen reeds daarom in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid afgewezen kunnen worden. De Raad zal niettemin het middel beoordelen. 7.3.
- Wat dat enige middel dan betreft, voert verzoeker daarin de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht, de “motiveringsplicht” en het rede- lijkheidsbeginsel. 7.3.
- De schending van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt niet nader toegelicht en is om die reden niet ontvankelijk aangevoerd. 7.3.
- Van een schending van het redelijkheidsbeginsel is maar sprake wanneer een beslissing op deugdelijke grondslagen berust, maar wordt vastgesteld dat ze niettemin inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt, dat geen andere overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. Wie in éénzelfde middel tegelijk aanvoert dat de motieven niet deugen én betoogt dat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de – bij veronderstelling fei- telijk juiste en rechtens relevante – motieven en de inhoud van de beslissing, voert intellectueel geen zuiver debat. Het betreft afzonderlijke rechtsmiddelen, elk met een eigen logica en dus ook toelichting. Minstens zouden deze grieven duidelijk van elkaar afgezonderd moeten worden in aparte middelonderdelen en elk op zich IX-9612-7/13 toegelicht. Dat doet verzoeker niet; hij geeft zelfs amper enige toelichting waarom de beslissing onredelijk zou zijn. 7.3.
- Het middel wordt hierna dan ook enkel ontvankelijk geacht wat de “motiveringsplicht” betreft. Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker betoogt dat hij twee fundamentele kwesties heeft aangekaart, namelijk de onduidelijkheid omtrent de verregaande clausulering enerzijds en de tekortkomingen inzake de begeleiding anderzijds. Geen van beide kreeg volgens hem een afdoende antwoord. Het antwoord van de interne beroepscommissie omtrent de clausulering “en dus de weigering tot het verlenen van toegang tot 5 STW” is exact één zin. De positieve evolutie van alle vakken blijft onbesproken. Bovendien is dat ene motief van de beroepscommissie – de leerstof is gelijkaardig – verkeerd: “Wiskunde zal van 3 uur naar 2 uur evolueren in een volgend jaar STW. Biomechanica valt helemaal weg. Fysica zal veel meer in een toegepaste vorm verschijnen en het leerplan – zowel in de tweede als in de derde graad – van STW verschilt van dat van Lichamelijke opvoeding en Sport. Alle sportgerelateerde vakken vallen evident ook weg in 5 STW en kunnen dus ook geen reden zijn om de richting 5 STW te clausuleren. Men kan bezwaarlijk voorhouden dat de motivering voor de lineaire clausulering zorgvuldig is gebeurd en afdoende onderbouwd is.” Verzoeker geeft vervolgens een opsomming van de maatregelen die nodig zijn om zorg toe te passen voor kinderen met ASS. Die maatregelen zijn volgens hem niet getroffen. De school was op de hoogte van de functiebeperking van verzoeker maar verkoos hieraan geen gevolg te geven. De beroepscommissie antwoordt niet passend op deze grief. IX-9612-8/13 Verzoeker stelt, te beseffen dat sport niet de opleiding is die hem kansen geeft voor de toekomst. Hij beoogt zijn studie voort te zetten in STW (sociale en technische wetenschappen). Met de juiste omkadering is dit mogelijk. Beoordeling
- Verzoeker betwist niet zijn behaalde studieresultaten op zich. Hij merkt wel op dat “het aantal tekorten nog wel meevalt” in- dien de vakken worden geclusterd. Verzoeker wijst evenwel geen enkele rechts- regel aan die tot zo een clusteren verplicht, zodat dit argument in rechte faalt.
- Verzoeker laat negen jaartekorten optekenen, waaronder zware tekorten voor profielbepalende vakken. Zoals de klassenraad het ook vaststelt, heeft verzoeker voor die vakken de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate bereikt. De beroepscommissie, die vaststelt “dat de delibererende klassenraad zich op de juiste informatie baseerde en rekening hield met behaalde resultaten (niet bereikte leerplandoelen)”, heeft zich dit motief onmiskenbaar eigen gemaakt. Het is een uitslag die volgens het normale verwachtingspatroon leidt naar een C-attest.
- De klassenraad en na hem de beroepscommissie heeft evenwel ervoor geopteerd om aan verzoeker een B-attest te geven, met clausulering voor ASO, TSO en KSO. Verzoeker kan worden bijgevallen dat een B-attest met clausu- lering voor alle richtingen in ASO, TSO en KSO “verregaand” is. Die kritiek is op het eerste gezicht echter niet van aard de beslissing onwettig te maken. IX-9612-9/13 Zoals de Raad van State reeds heeft overwogen in zijn arresten nr. 175.202 van 2 oktober 2007, nr. 196.549 van 1 oktober 2009, nr. 222.898 van 19 maart 2013 en nr. 245.420 van 12 september 2019, heeft een leerling er immers geen belang bij om aan te vechten dat een B-attest met clausulering voor ASO-TSO-KSO in de concrete omstandigheden gegeven wordt, louter om een leerling de kans te geven niet te moeten overzitten.
- Welnu, ook de over verzoeker in graad van administratief beroep oordelende beroepscommissie zag zich prima facie voor een dergelijke situatie geplaatst. Hoe beknopt ook, de beoordeling van de beroepscommissie lijkt immers in wezen te zijn dat verzoeker het schooljaar niet met vrucht heeft beëindigd en bijgevolg een C-attest moet krijgen op grond van de door hem behaalde resultaten. Die verwijzing naar de vele niet behaalde leerplandoelstellingen en het motief waarin de beroepscommissie ter verantwoording van de clausulering uitdrukkelijk rekening houdt met de studieduur – “de totale, verwachte studieduur met oog op het bekomen van een diploma (kans op een C-attest in een 5de jaar TSO is té groot)” – doen de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging aannemen dat de beroepscommissie aangeeft verzoeker spijts zijn studieresultaten niet te willen verplichten om deze studieduur nodeloos te verlengen, reden waarom zij verzoeker een B-attest geeft. Ook de raadsman van verzoeker lijkt dit wel goed te beseffen, aangezien hij op de hoorzitting van de beroepscommissie “waardeert dat de school een B-attest uitsprak, kijkend naar de toekomst, maar dat de zware clausulering wel aanvoelt als een pa[t]stelling, want dat er geen BSO-richting bestaat die aan- sluit bij de interessesfeer van Joe”. Indien de beroepscommissie verzoeker beschouwt als iemand die het betrokken schooljaar niet met vrucht heeft beëindigd en hem enkel toelaat door te stromen naar BSO om niet een schooljaar te verliezen, dan moet prima facie van de beroepscommissie geen afzonderlijke motivering gevraagd worden voor de clausulering van deze of gene studierichting of onderwijsvorm, aangezien IX-9612-10/13 nog niet eens de doelstellingen van het betrokken leerjaar zijn bereikt en de leerling dus hoe dan ook niet bekwaam wordt geacht zijn studie in het algemeen voort te zetten in het volgend leerjaar.
- Daar komt hoe dan ook bij, dat de beroepscommissie uiteindelijk wel heeft geantwoord op de éne voor verzoeker wezenlijke vraag, namelijk om zijn loopbaan te kunnen voortzetten in de TSO-richting STW. Zij overweegt daarover, dat de leerstof in de wetenschapsvakken in deze richting gelijkaardig is aan de leerstof uit de TSO-richting lichamelijke opvoeding en sport (LOS). Verzoeker slaagt er niet in dit motief te weerleggen: - wiskunde “zal van 3 uur naar 2 uur evolueren”; dat is ook het geval in de stu- dierichting LOS; verzoeker toont niet aan dat de inhoud in STW zodanig verschilt dat zijn tekort voor wiskunde er minder zwaar doorweegt om zijn slaagkansen voor dit vak in de derde graad TSO anders in te schatten; - dat de wetenschapsvakken in een andere, versta lichtere vorm “verschijnen” wordt door verzoeker niet onderbouwd en wordt op het eerste gezicht tegenge- sproken door de uittreksels uit de leerplannen die de verwerende partij neerlegt; - de sportgerelateerde vakken “kunnen […] geen reden zijn om de richting 5 STW te clausuleren”; ze waren op het eerste gezicht ook niet determinerend.
- Verzoeker verklaart in zijn bezwaarschrift nog, te beseffen dat sport voor hem niet de juiste opleiding is en dat hij geen belangstelling heeft voor het aanbod in BSO. De Raad van State ziet niet hoe deze opmerkingen de wettigheid van de evaluatiebeslissing kunnen aantasten. Louter ten overvloede kan worden opgemerkt dat de klassenraad verzoeker reeds na het decemberrapport heeft aangeraden om van richting te IX-9612-11/13 veranderen en dat de beroepscommissie verzoeker thans aanraadt om “een be- langstellingstest [af te leggen], die meer inzicht kan verschaffen in zijn toe- komstbeeld en de daarbij horende studierichting in het beroepssecundair onder- wijs”.
- Wat ten slotte de kritiek met betrekking tot het ontbreken van passende begeleiding betreft, is het vaste rechtspraak dat een gebrekkige begelei- ding van de leerling mogelijk de verantwoordelijkheid voor een slechte prestatie (deels) verschuift naar de in gebreke blijvende onderwijsinstelling, maar in de regel die prestatie zelf niet zonder meer tot een voldoende vermag te keren. Die regel lijdt weliswaar uitzondering, wanneer aangetoond wordt dat de school tekortgeschoten is in welbepaalde vooraf individueel gemaakte afspraken – bijvoorbeeld in een begeleidingsplan of een leertraject – en waarbij daarenboven het bewezen niet-nakomen van die afspraken in een rechtstreeks oorzakelijk verband gebracht kan worden met de wettigheid van de door de ver- zoekende partij bestreden evaluatiebeslissing. Verzoeker legt evenwel geen dergelijke concreet gemaakte af- spraken voor. Hij erkent zelfs dat “een concreet plan van aanpak” “nooit [is] ge- beurd”. Hij kan zich op het eerste gezicht dan ook niet op een uitzondering op de regel beroepen. De verwerende partij legt in haar bundel als stuk 6.6 een over- zicht neer van haar “bijkomende maatregelen specifiek voor leerlingen met ASS”. Dit stuk is niet ondertekend door verzoeker of zijn ouders. Maar zelfs indien aangenomen moet worden dat tussen de school en verzoeker was afgesproken dat hij deze in stuk 6.6 opgesomde maatregelen kon genieten, dan nog laat verzoeker na aan te tonen dat de school eraan voorbijgegaan zou zijn. Hij houdt het inte- gendeel op algemeenheden, over ándere begeleidingsmaatregelen die genomen hadden moeten worden. IX-9612-12/13 Verzoeker slaagt er in de huidige stand van de rechtspleging aldus niet in te overtuigen dat de vermeende falende begeleiding – die de verwe- rende partij overigens tegenspreekt – in een aantoonbaar rechtstreeks verband staat met de onwettigheid van de bestreden beslissing.
- Het middel is niet ernstig. De tweede schorsingsvoorwaarde is niet vervuld. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig september 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9612-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.524 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div