id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.567 Rolnummer: A. 227103/IX-9487 Zaak: Arrest 245567 - Varia (onderwijs en cultuur) - 30/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-04 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-21 21:46 Fiche Arrest nr 245.567 van 30 september 2019 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.567 van 30 september 2019 in de zaak A. 227.103/IX-9487 In zake: Julian VANDRIESSCHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Fiers en Valérie Vandenhaesevelde kantoor houdend te 9000 Gent Groot-Brittanniëlaan 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jacky D‟Hoest en Sabien Lust kantoor houdend te 8310 Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 28 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 4567 van 30 november 2018 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 13.146 van 24 januari 2019 is het cassatie- beroep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9487-1/10 Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet ten einde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Jan Fiers, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sabien Lust, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen heeft in het bestreden arrest de volgende samenvatting van de feiten gegeven: “Verzoeker is in het academiejaar 2017-2018 ingeschreven in de oplei- ding „Master of medicine in de Geneeskunde‟. Tot zijn curriculum behoort onder meer het opleidingsonderdeel „Master- proef III: geïntegreerd klinisch probleem oplossen‟, ook gekend als het „geïntegreerd klinisch eindexamen‟. […] Op 20 september 2018 stelt verzoeker tegen het [voor dit opleidingson- derdeel aan hem toegekende] examencijfer van 9/20 [een] intern beroep in: […]. IX-9487-2/10 Met een e-mail van 25 september 2018 wordt de ontvangst van het intern beroep aan verzoekers raadsman bevestigd. Hierbij wordt onder meer het volgende meegedeeld: „De voorzitter van de beroepscommissie heeft me gevraagd om het dossier voor te bereiden voor haar vergadering van 5 oktober as., en het nodige te doen om het dossier samen te stellen. Normaler- wijze ontvangt u dan ten laatste op 9 oktober de beslissing van de institutionele beroepscommissie. Die wordt u per e-mail en per aangetekend schrijven bezorgd. Mocht de beroepscommissie het dossier niet kunnen behandelen op de voorziene datum, dan zal u hiervan op de hoogte worden gebracht. […]‟ […] Op 10 oktober 2018 wordt aan verzoekers raadsman het volgende meege- deeld: „Het intern beroep van uw cliënt, Julian Vandriessche, is afgelopen vrijdag behandeld door de institutionele beroepscommissie. De commissie heeft het beroep afgewezen als ongegrond. Door de drukte van de beroepenperiode zijn nog niet alle verslagen van de vergadering van afgelopen vrijdag uitgeschreven en goed- gekeurd geraakt. U mag erop rekenen dat u het verslag eerstdaags ontvangt, maar ik bracht u wel al graag op de hoogte van het resul- taat.‟ Op 17 oktober 2018 stelt verzoeker een beroep in bij de Raad. Uit het ver- zoekschrift blijkt dat verzoeker op dat ogenblik nog geen kennis heeft van de beslissing op intern beroep. Uit het administratief dossier (stukken 5 en 7) blijkt dat deze pas op 29 oktober 2018 per e-mail, en op 6 november 2018 per aangetekende zending aan verzoeker is overgemaakt.” 3.
- Met zijn arrest nr. 4567 van 30 november 2018 verwerpt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen het beroep van ver- zoeker. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoeker heeft een “verzoek tot voortzetting van de rechtsple- ging” ingediend waarin hij niet enkel om de voortzetting van de procedure ver- zoekt teneinde te worden gehoord, maar tevens argumenteert waarom het stand- punt van het auditoraatsverslag niet kan worden gevolgd. Het koninklijk besluit van 30 november 2006 „tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State‟ voorziet na de kennisgeving van IX-9487-3/10 het auditoraatsverslag niet in die laatste mogelijkheid. Wanneer de auditeur con- cludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoekende partij luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewij- zing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet ten- einde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van verzoeker. Het voormelde procedurestuk wordt alleen in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en gehoord te worden. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste cassatiemiddel luidt “verkeerde toepassing van de artikelen II.285 en II.307 Codex Hoger Onderwijs”. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen stelt dat het beroep van verzoeker beschouwd moet worden als zijnde gericht tegen de initiële examenbeslissing. Volgens de libellering van het verzoekschrift is het volgens verzoeker nochtans duidelijk gericht tegen de beslissing van de institutionele beroepscommissie, namelijk “de onregelmatig genomen studie- voortgangbeslissing” en de “beslissing van de institutionele beroepscommissie van verwerende partij om het beroep van verzoeker af te wijzen als ongegrond”. In zijn verzoekschrift heeft hij aangegeven het in te stellen “ten bewarende titel”. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen moet zich buigen over de uiterst beknopt meegedeelde beslissing van vrijdag IX-9487-4/10 10 oktober 2018, nu het vaststaat dat er toen reeds een beslissing was. Door dit niet te doen, schendt deze rechter artikel II.285, tweede lid, VCHO. Door daarnaast de argumenten die verzoeker aanhaalt, steunend op de waarschijnlijke analogie met de initiële beslissing, niet te beoordelen, schendt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ook arti- kel II.307, derde lid, VCHO. Beoordeling 6.
- Artikel II.285, tweede lid, VCHO luidt: “De Raad doet als administratief rechtscollege uitspraak over de beroepen die door studenten of personen op wie de beslissing betrekking heeft, worden ingesteld tegen studievoortgangsbeslissingen, na uitputting van de in afdeling 2 bedoelde interne beroepsprocedure. De Raad doet als admi- nistratief rechtscollege uitspraak over de verzoeken die studenten in uit- voering van artikel II.204 rechtstreeks bij hem indienen om hun leerkre- diet aan te passen omdat ze zich in een overmachtsituatie bevonden en de instelling voor hen geen aangepaste examenregeling heeft geboden.” 6.
- Het middel gaat terug op de volgende beoordeling door de eer- ste rechter van de door de verwerende partij opgeworpen exceptie ratione mate- riae: “Het beroep dat verzoeker met een verzoekschrift van 17 oktober 2018 bij de Raad heeft ingediend, moet worden beschouwd als zijnde gericht tegen de initiële examenbeslissing houdende de toekenning van het examencij- fer van 9/20 voor het opleidingsonderdeel „Masterproef III: geïntegreerd klinisch probleem oplossen‟. Dit blijkt niet alleen uit het gegeven dat verzoeker onder de titel „in rech- te‟ het voorwerp van zijn beroep omschrijft als „de oorspronkelijk geno- men studievoortgangsbeslissing‟, maar ook uit de uiteenzetting van de middelen. De Raad overweegt dat verzoeker ook op pagina 8 van zijn wederant- woordnota nog steeds uitsluitend „de oorspronkelijk genomen studie- voortgangsbeslissing‟ aanduidt als enig voorwerp van het beroep. Dat verzoeker het voorwerp van het beroep daarnaast vooraan zijn ver- zoekschrift ook aanduidt als „de beslissing van de institutionele beroeps- commissie van verwerende partij om het beroep van verzoeker af te wij- zen als ongegrond‟ doet daaraan geen afbreuk. Naast de onzekerheid of de IX-9487-5/10 beslissing van de interne beroepsinstantie op 17 oktober 2018 überhaupt reeds bestond – uit het administratief dossier blijkt dat zij pas op 29 okto- ber 2018 voor het eerst aan verzoeker is meegedeeld – staat het wel vast dat die beslissing op 17 oktober [2018] nog niet aan verzoeker was bete- kend, zodat hij wel de waarschijnlijke finale strekking ervan kende (zij het dat op 10 oktober 2018 nog voorbehoud werd gemaakt omtrent de goed- keuring van het integrale verslag), maar niet de motieven ervan. Het bij de Raad ingediende beroep bevat op die motieven dan ook evidenterwijs geen kritiek. Het mag als vaste rechtspraak van de Raad worden beschouwd dat bij ge- breke aan andersluidende rechtsregel, een instellingsorgaan zijn bevoegd- heid tot beslissen ten aanzien van de student niet verliest wanneer de be- slissing of de mededeling ervan geschiedt buiten de termijn die daarvoor was toegestaan. Dit geldt ongeacht of het gaat om een termijn die wordt opgelegd door de Codex Hoger Onderwijs of in het beschikkend gedeelte van een arrest van de Raad (zie o.a. R.Stvb. 10 februari 2011, nr. 2011/009; R.Stvb. 10 fe- bruari 2011, nr. 2011/008; R.Stvb. 25 januari 2011, nr. 2011/003). Vast staat dat de interne beroepsinstantie ondertussen een beslissing heeft genomen, en dat deze op 29 oktober 2018 (per e-mail) en op 6 november 2018 (per aangetekende post) aan verzoeker ter kennis is gebracht. Daar de beroepsinstantie van verwerende partij oordeelt met volheid van bevoegdheid, is haar beslissing in de plaats gekomen van de initiële stu- dievoortgangsbeslissing, die op haar beurt uit het rechtsverkeer is ver- dwenen en derhalve niet langer op ontvankelijke wijze het voorwerp van een beroep bij de Raad kan uitmaken. Aangezien de door verzoeker bestreden beslissing niet langer van de rechtsorde deel uitmaakt, is het beroep zonder voorwerp geworden en bij- gevolg onontvankelijk. Gelet op het feit dat de verzoekende partij na tussenkomst van een beslis- sing op intern beroep die beslissing tot voorwerp van haar beroep, eventu- eel nieuw beroep, moet maken, kan verzoeker in zijn inleidend verzoek- schrift, dat enkel is gericht tegen de initiële examenbeslissing, geen voor- behoud formuleren om dat beroep – binnen dezelfde procedure – alsnog uit te breiden naar de later ter kennis gebrachte beslissing op intern be- roep. Verzoeker dient zijn grieven in voorkomend geval te richten tegen de be- slissing van de institutionele beroepscommissie van 5 oktober 2018, zoals zij hem werd betekend. Zoals hierboven aangegeven dient verzoeker dat te doen in een nieuw verzoekschrift. De exceptie is gegrond.” 6.
- Door in antwoord op een voor hem opgeworpen exceptie om- trent het voorwerp van het beroep aldus te overwegen dat het beroep “moet wor- den beschouwd als zijnde gericht tegen de initiële examenbeslissing”, dat “de interne beroepsinstantie ondertussen een beslissing heeft genomen”, dat “haar IX-9487-6/10 beslissing in de plaats [is] gekomen van de initiële studievoortgangsbeslissing, die op haar beurt uit het rechtsverkeer is verdwenen en derhalve niet langer op ontvankelijke wijze het voorwerp van een beroep bij de Raad kan uitmaken” en “het beroep zonder voorwerp geworden en bijgevolg onontvankelijk” is, doet de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen als administratief rechtscollege uitspraak over het beroep dat verzoeker heeft ingesteld. De vraag of de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen zich bij het beantwoorden van de exceptie in rechte heeft ver- gist met betrekking tot de identificatie van de hem voorgelegde beslissing en vol- gens verzoeker “zich [moest] buigen over de […] meegedeelde beslissing van vrijdag 10.10.2018”, is vreemd aan de aangevoerde schending van artikel II.285, tweede lid, VCHO. 7.
- Artikel II.307, derde lid, VCHO luidt: “De Raad antwoordt in de uitspraken op alle opmerkingen van de partijen die de aan het geschil te geven oplossing kunnen beïnvloeden.” 7.
- Een antwoord op “de argumenten die verzoeker aanhaalt, […] steunend op de waarschijnlijke analogie met de initiële beslissing” kan de aan het geschil te geven oplossing niet beïnvloeden, indien het beroep als onontvankelijk moet worden afgewezen. Hiervóór is gebleken dat die conclusie van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen door verzoeker niet is aangetast.
- Het middel wordt in zijn beide onderdelen verworpen. IX-9487-7/10 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel luidt “schending van de redelijke termijn artikel 6 EVRM”. Verzoeker stelt dat de “zeer korte beroepstermijnen die ter be- schikking staan van de student” haaks staan op de zeer lange termijnen die de universiteit Gent zichzelf geeft om te beslissen. Nu de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in zijn arrest van 30 november 2018 stelt dat bij gebrek aan anders luidende rechtsregel, een instellingsorgaan zijn bevoegd- heid tot beslissen ten aanzien van een student niet verliest wanneer de beslissing geschiedt buiten de termijn die daarvoor was toegestaan, meent verzoeker dat er een schending is van “de redelijke termijn zoals omschreven in artikel 6 EVRM”, doordat de eerste rechter toelaat dat een beslissing in een zeer tijdgevoelige con- text gedurende een onbeperkte tijd mag uitblijven. Beoordeling
- Het beroep is ingesteld bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen op 17 oktober 2018 en die rechter heeft uitspraak gedaan op 30 november
- Verzoeker zet niet uiteen waarom dat tijdsverloop in strijd zou komen met de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
- Voor zover verzoeker met het middel beoogt te argumenteren dat de redelijke termijn “zoals omschreven in artikel 6 EVRM” ook geldt voor de procedure bij de verwerende partij en dat de vraag of deze termijn werd over- schreden moet worden beoordeeld, rekening houdend met de procedure in haar geheel, volstaat de vaststelling dat verzoeker ook in die zin de aangevoerde IX-9487-8/10 schending hoe dan ook niet concreet op zijn zaak toegepast uiteenzet, meer be- paald door aan te geven waarom het tijdsverloop tussen het instellen van zijn ad- ministratief beroep bij de verwerende partij op 20 september 2018 en het arrest van 30 november 2018 strijdig is met artikel 6 EVRM.
- De vergelijking tussen de “zeer korte beroepstermijnen die ter beschikking staan van de student” en de termijn waarover de onderwijsinstelling beschikt kan geen schending aantonen van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
- Het tweede middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatiebe- roep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwe- rende partij. IX-9487-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 september 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9487-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.567 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.