← België

Arrest 245568 - Varia (onderwijs en cultuur) - 30/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.568 Rolnummer: A. 227146/IX-9490 Zaak: Arrest 245568 - Varia (onderwijs en cultuur) - 30/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-04 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-21 07:15 Fiche Arrest nr 245.568 van 30 september 2019 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.568 van 30 september 2019 in de zaak A. 227.146/IX-9490 In zake: Alexander VANHAELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Monique Verbraecken kantoor houdend te 2500 Lier Donk 54 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 4 januari 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 4582 van 4 december 2018 van de Raad voor be- twistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking nr. 13.140 van 21 januari 2019 is het cassatie- beroep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9490-1/10 Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet ten einde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2019. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Lien Huysmans, die loco advocaat Monique Ver- braecken verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Charlotte Plottier, die loco advocaat Hilde Minnen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen heeft in de bestreden beslissing de volgende samenvatting van de feiten ge- geven: “Verzoekende partij is in het academiejaar 2017-2018 ingeschreven in de opleiding „Bachelor in de diergeneeskunde‟. Op 12 september 2018 werd verzoeker niet geslaagd verklaard. Verzoekende partij stelde op datum van 18 september 2018 een intern be- roep in bij de interne beroepsinstantie van de onderwijsinstelling. Bij beslissing van de interne beroepsinstantie op datum van 21 september 2018 werd het intern beroep ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. IX-9490-2/10 De interne beroepsinstantie stelt vast dat de student niet geslaagd is voor het opleidingsonderdeel „Algemene heelkunde, Skills lab II + stage‟ (8 SP). De student bevindt zich in het full-creditsysteem en kan bijgevolg niet slagen voor de bacheloropleiding Diergeneeskunde. Bij het afleveren van een bachelordiploma moeten alle competenties van de opleiding ver- worven zijn, onafgezien wat de toekomstige plannen van de betrokken student zijn. Daarnaast merkt de interne beroepsinstantie op dat artikel 17.1.5 van het OER niet van toepassing is, aangezien hierbij de gezamenlijke studieom- vang waarvoor de student niet geslaagd is maximum 6 studiepunten mag zijn. Het tekort van de student bedraagt evenwel 8 studiepunten. Verder heeft de student in zijn schrijven geen bijzondere omstandigheden van studiegerelateerde aard of privé-gebonden vermeld waarvoor de exa- mencommissie moet worden samengeroepen. Ten slotte stelt de interne beroepsinstantie dat er ook geen inbreuken op het OER zijn vastgesteld. Conform artikel 10.3.8 heeft de student inder- daad recht op inzage van het examen. Dit werd ook toegestaan, met name op 1 oktober 2018. Artikel 10.3.5 vermeldt dat het examen niet meer dan vier uur mag beslaan. Op het instructieblad van het examen Heelkunde stond duidelijk vermeld dat het examen drie uur duurt. De student heeft toen ook niet te kennen gegeven dat hij meer tijd nodig zou hebben. Ook artikel 6.2 is niet van toepassing, aangezien de student geen bijzondere fa- ciliteiten heeft aangevraagd. Indien dit wel het geval zou zijn geweest en indien zij werden goedgekeurd door de Dienst Studieadvies en Studenten- begeleiding, dan zou de docent hiervan op de hoogte zijn gebracht. De beslissing op intern beroep werd bij schrijven van 21 september 2018 aan verzoekende partij overgemaakt. Bij aangetekend schrijven van 27 september 2018 diende verzoekende partij een verzoekschrift in bij de Raad.” 3.2. Met zijn arrest nr. 4582 van 4 december 2018 verwerpt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen het beroep van verzoeker. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. Een eerste middel put verzoeker uit de “miskenning van de bewijskracht van de conclusie” en een schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. IX-9490-3/10 Verzoeker doet in dat verband gelden, sterk samengevat, dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen “de bewijskracht van de door [hem] schriftelijk uitgebrachte beroepen [heeft] miskend, door te oordelen dat de argumentatie betreffende bijzondere medische omstandigheden, misleiding duurtijd examen en onmogelijkheid tot inzage […] nieuwe middelen waren, zodat deze onontvankelijk zouden zijn en de Raad hierop niet hoefde te antwoorden”. Verzoeker wijst erop dat hij die grieven ook al had aangevoerd “in het intern beroep dd. 18/09/2018 voor de Universiteit Antwerpen ter betwisting van enerzijds het examenresultaat van het opleidingsonderdeel én anderzijds de beslissing waarbij de deliberatie voor de opleiding geweigerd werd”. Deze argu- menten, zo benadrukt verzoeker nog, werden “ontwikkeld […] tegen zowel het examenresultaat alsook tegen de beslissing waarbij geweigerd werd het bachelor diploma diergeneeskunde toe te kennen”. 5.1. In haar memorie van antwoord wijst de verwerende partij erop dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de betrokken middelen – het derde, vierde en vijfde middel – niet alleen onontvankelijk, maar ook ongegrond heeft bevonden. Tegen die beoordeling voert verzoeker echter geen middelen aan, zodat hij geen belang heeft bij het middel dat alleen de on- ontvankelijkheid van zijn grieven betwist. 5.2. Ondergeschikt valt de verwerende partij het oordeel van de eerste rechter bij, namelijk dat uit de formulering van het intern beroepschrift van 18 september 2018 blijkt dat verzoeker de betrokken argumenten uitsluitend ont- wikkeld heeft tegen het examenresultaat van het ter discussie staande opleidings- onderdeel. In zijn verzoekschrift voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen komt verzoeker dan weer niet meer terug op het examenresultaat van het betrokken opleidingsonderdeel en richt hij zich uitslui- tend tegen de weigering om het bachelordiploma toe te kennen. Daarbij komen de argumenten in verband met de “bijzondere medische omstandigheden”, de “mis- IX-9490-4/10 leiding over de duurtijd van het examen” en de “onmogelijkheid tot inzage van het examen” weliswaar terug, maar nu als grief gericht tegen de weigering om het bachelordiploma toe te kennen. Op grond van artikel II.294, § 2, van de Codex Hoger Onder- wijs kon de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen terecht oordelen dat de aangevoerde middelen niet ontvankelijk waren. Beoordeling 6. In zijn inleidend verzoekschrift voor de Raad van State wendt verzoeker het middel van de miskenning van de bewijskracht van de akten aan ten aanzien van de beoordeling door de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen van zowel het derde (“bijzondere medische omstandighe- den”), het vierde (“misleiding duurtijd examen”) als het vijfde middel (“onmoge- lijkheid tot inzage examen”), zoals door hem voor die rechter aangevoerd. In zijn samenvattende memorie van wederantwoord brengt ver- zoeker echter het middel niet langer in verband met het oordeel van de eerste rechter over het door hem aldaar aangevoerde vijfde middel. Gelet op het bepaalde in artikel 14, derde lid, van het cassatie- procedurereglement, doet de Raad van State uitspraak op basis van de memorie van wederantwoord als samenvattende memorie “waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet” en behoeft het middel in die mate derhalve geen antwoord meer. 7. Het cassatiemiddel gaat terug op de volgende beoordeling door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen: “F. Beoordeling van het derde, vierde en vijfde middel samen De Raad stelt vast dat verzoeker zijn intern beroep heeft gericht tegen de beslissing waarbij hem de bachelor „Diergeneeskunde‟ geweigerd werd. Hij vocht ook de resultaten aan van het opleidingsonderdeel „Algemene IX-9490-5/10 heelkunde, Skills lab II + stage‟, en meer bepaald van de onderdelen al- gemene heelkunde (theorie) en stationsproef (praktijk). Wat deze drie middelen in het extern verzoekschrift betreft, leest de Raad hieromtrent in het intern beroepschrift van verzoeker het volgende: „

  1. c)Daarenboven zijn er in casu een aantal inbreuken op het OER: - Conform artikel 10.3.8 heb ik recht op een bespreking en (inza-
  2. ge)van mijn examen; dit is mij echter tot op heden niet gelukt op grond van de laconieke mededeling van de prof dat ze andere „verplichtingen‟ heeft. Ik maak dan ook voorbehoud voor het ge- geven resultaat van het examen. - Conform artikel 10.3.3 vinden de examens plaats op de vastge- stelde dagen en uren. In casu werd de vastgestelde tijd bepaald op 4 uur (9u-13u) terwijl in praktijk de examens dienden afgegeven te worden om 12u05. Door deze beperking ben ik in (tijdnood) ge- komen, mede omwille van wat volgt. - Ondanks het gegeven dat de nodige medische documentatie die de noodzakelijkheid ter zake staafde, werd overgemaakt (breuk T12 rug), werden mij de examenfaciliteiten ten onrechte gewei- gerd (art. 6.2).‟ De Raad is van oordeel dat uit de opstelling en formulering van het intern beroepsschrift blijkt dat verzoeker deze argumentatie heeft ontwikkeld te- gen het examenresultaat van het opleidingsonderdeel en niet tegen de be- slissing tot weigering van deliberatie voor de opleiding. Naar het oordeel van de Raad is het extern beroep van de Raad evenwel enkel gericht tegen de beslissing waarbij hij niet geslaagd werd verklaard voor de bachelorop- leiding. In zoverre verzoeker aldus in zijn derde middel vraagt om „alsnog rekening te houden met zijn medische kwetsuren als bijzondere omstan- digheid die het toelaat (hem) te delibereren‟ is het middel nieuw en bijge- volg niet ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het vierde middel van ver- zoeker, waar hij aanstipt dat de schending van artikel 10.3.3 van het OER moet worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid die in overwe- ging moet worden genomen bij de beoordeling van de deliberatie zoals voorzien in artikel 17.1.6 van het OER. […] Het derde, vierde en vijfde middel zijn evenmin gegrond.” 8. Dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslis- singen in fine van zijn beoordeling van de drie middelen samen tot de “onge- grondheid” ervan besluit, heeft blijkens de bewoordingen van het arrest – althans wat het derde en vierde middel aangaat – geen andere oorzaak dan dat deze mid- delen “nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk” zijn. Anders dan de verwerende partij het ziet, kan verzoeker dus niet het belang bij het cassatiemiddel worden ontzegd om reden dat hij het arrest IX-9490-6/10 alleen zou bestrijden in de mate dat de betrokken grieven als onontvankelijk wer- den afgedaan. 9. De bewijskracht van een akte wordt miskend door de rechter die van die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenig- baar is. 10. Het beroepschrift van verzoeker bij de interne beroepsinstantie – de voorzitter van de examencommissie – werd ingediend “tegen de beslissing van de examencommissie waarbij [aan verzoeker] de bachelor Diergeneeskunde geweigerd werd en de resultaten van de testen „Skills lab 2‟ en met name de on- derdelen algemene heelkunde (theorie) en stationsproef (praktijk)”. Verzoeker vervolgt met een uiteenzetting van “[d]e redenen waarom [hij] met de weigering tot deliberatie en voormelde resultaten niet kan akkoord gaan, en een heroverweging van de beslissing [vraagt]”, waarna hij een opsomming –
  3. a)tot
  4. c)– geeft van zijn argumenten. Onder
  5. a)geeft verzoeker ar- gumenten waarom, volgens hem, hij “wel degelijk voldoe[t] aan de competenties van de opleiding”, onder
  6. b)verzoekt hij “om alsnog gedelibereerd te worden” en onder
  7. c)signaleert hij, zoals te lezen is in het zo-even aangehaalde arrest van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen “een aantal inbreu- ken op het OER”. Verzoeker besluit zijn beroepschrift met te stellen dat hij “[o]m deze redenen en onder voorbehoud van alle andere verder in te roepen, zou […] willen verzoeken de […] genomen beslissing […] te heroverwegen en [hem] de bachelor in de diergeneeskunde toe te kennen”. 11. Door te oordelen “dat uit de opstelling en formulering van het intern beroepsschrift blijkt dat verzoeker deze argumentatie heeft ontwikkeld tegen het examenresultaat van het opleidingsonderdeel en niet tegen de beslissing tot weigering van deliberatie voor de opleiding”, geeft de Raad voor betwistingen IX-9490-7/10 inzake studievoortgangsbeslissingen aan het bedoelde beroepschrift een interpre- tatie die niet bestaanbaar is met de bewoordingen ervan. Immers, uit niets blijkt dat verzoeker zijn argumenten uitsluitend ten aanzien van slechts één van beide bestreden studievoortgangsbeslissingen heeft willen doen gelden. Integendeel, hij vermeldt de beide voorwerpen van zijn beroep samen en geeft vervolgens een doorlopende opsomming van zijn argumenten. Die argumenten moeten dan ook geacht worden ten dienste te staan van de beide vragen van verzoeker. 12. In die mate is het eerste middel gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 13. Een tweede middel put verzoeker uit de schending van de “mo- tiveringsverplichting – art. 149 Grondwet juncto art. 780 Gerechtelijk Wetboek”. Verzoeker betoogt, wezenlijk, dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ten onrechte heeft geoordeeld dat bepaalde door hem aangevoerde argumenten nieuw en onontvankelijk waren, zodat die Raad daarop “niet naar genoegdoening geantwoord heeft”. Beoordeling 14. De jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die re- dengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de jurisdictionele motiveringsplicht is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij dan ook IX-9490-8/10 niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van de jurisdictionele motiveringsplicht. 15. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen heeft de middelen waarover verzoeker thans betwisting voert, verworpen als onontvankelijk. De eerste rechter heeft ook uitgelegd waarom tot dat oordeel is gekomen, namelijk omdat hij meende dat die middelen „nieuw‟ waren; ze waren volgens hem in de interne beroepsfase niet gericht tegen de voor hem bestreden beslissing. Aldus heeft de rechter duidelijk uiteengezet om welke redenen hij die grieven van verzoeker verwerpt. Hiermee is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht. De vraag of de rechtsopvatting van de bodemrechter juist is, is vreemd aan het aangevoerde middel. 16. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt arrest nr. 4582 van 4 december 2018 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, doch enkel in de mate waarin het uitspraak doet over het derde en het vierde middel. 2. Dit arrest zal in de registers van voormeld rechtscollege worden overge- schreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het gedeelte- lijk vernietigde arrest. IX-9490-9/10 3. De zaak wordt verwezen naar de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen, anders samengesteld. 4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoe- kende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 september 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9490-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.568 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.