← België

Arrest 245584 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 01/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.584 Rolnummer: A. 228339/IX-9573 Zaak: Arrest 245584 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 01/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 21:47 Fiche Arrest nr 245.584 van 1 oktober 2019 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.584 van 1 oktober 2019 in de zaak A. 228.339/IX-9573 In zake: Rik DE BAERDEMAEKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dio Van Renne kantoor houdend te 9000 Gent Willem van Nassaustraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE OOST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 7 juni 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 28 maart 2019 waarbij Rik De Baerdemaeker met ingang van 1 april 2019 wordt gemuteerd naar het Provinciaal Instituut Heynsdaele te Ronse en van “de – naar aanleiding van het planningsgesprek d.d. 25.03.2019 […] op- gestelde en ondertekende – functiekaart d.d. 25.03.2019”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9573-1/16 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. De verzoekende partij, advocaat Dio Van Renne, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Klaas De Pauw, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker is voltijds vastbenoemd schoolmaatschappelijk werker bij de directie Onderwijsinstellingen voor het Provinciaal Onderwijs Oost-Vlaanderen. Hij is sinds 14 september 2017 met ziekteverlof ten gevolge van een burn-out. Op 4 februari 2019 hervat verzoeker zijn professionele werk- zaamheden. Op zijn vraag naar een voorafgaand “terugkomgesprek” wordt niet ingegaan. IX-9573-2/16 Op 24 maart 2019 wordt verzoeker uitgenodigd “voor een tus- sentijds evaluatiegesprek” op 25 maart 2019 op het kantoor van de provinciegrif- fier. Op 25 maart 2019 heeft een gesprek plaats tussen verzoeker, zijn eerste evaluator en de provinciegriffier. Naar aanleiding van dit gesprek wordt een functiekaart opge- steld. Dat is de tweede bestreden beslissing. Op die functiekaart wordt het gesprek omschreven als een “planningsgesprek”. Bij de “besproken punten” zijn als vast- stellingen onder meer te lezen dat verzoeker niet respectvol is tegenover de lei- dinggevende en een collega, dat hij zich niet houdt aan een contactverbod met een provinciale onderwijsinstelling en hij zijn takenpakket niet opneemt zoals ge- vraagd en dat samenwerking “vanuit zo‟n ingesteldheid […] niet langer mogelijk [is]”. Verzoeker vraagt naderhand in een e-mail om de provinciegrif- fier over de voorgenomen maatregel te mogen spreken; het wordt hem geweigerd. Op 28 maart 2019 beslist de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen om verzoeker met ingang van 1 april 2019 te muteren naar het Provinciaal Instituut Heynsdaele te Ronse. Dat is de eerste bestreden beslissing. Verzoeker is vanaf 30 maart 2019 opnieuw met ziekteverlof. IX-9573-3/16 IV. Ontvankelijkheid van de vordering A. Ratione materiae a. de eerste bestreden beslissing Exceptie
  6. Volgens de verwerende partij is de eerste bestreden beslissing – de mutatie van verzoeker – een maatregel van inwendige orde die niet aan- vechtbaar is bij de Raad van State. Beoordeling
  7. Een mutatie is in de regel geen administratieve rechtshandeling die de rechtstoestand van de ambtenaar wijzigt, maar een handeling van inwendig bestuur die betrekking heeft op de organisatie en de werking van de dienst en waarvan de beoordeling van de opportuniteit en de doelmatigheid tot de vrije appreciatiebevoegdheid van de overheid behoort. Zulks sluit evenwel niet uit dat dergelijke maatregel van inwendige orde toch griefhoudend wordt geacht en der- halve met een annulatieberoep bestreden kan worden, wanneer hij een nadelige weerslag heeft op de wijze waarop de betrokken ambtenaar zijn functie moet vervullen. Een mutatie die voorts ertoe strekt een verstoring van de dienst te verhelpen is geen loutere maatregel van inwendige orde en kan wel degelijk worden bestreden met een beroep tot nietigverklaring.
  8. Toegepast op de eerste bestreden beslissing kan het volgende in de motivering ervan worden gelezen: IX-9573-4/16 “Deze mutatie is bedoeld om Rik De Baerdemaeker een nieuwe kans te geven, nu betrokkene zich in een oranje situatie bevindt, conform artikel 181§ 2 van de rechtspositieregeling. De organisatie heeft met hem een lang traject achter de rug. Het lukt niet langer om hem als schoolmaatschappelijk werker op een werkbare con- structieve wijze in te passen in de directie Onderwijsinstellingen. De sa- menwerking met Rik in de directie verloopt al lang zeer moeizaam wat betreft de concrete taken die aan Rik worden toegewezen en ondertussen ook wat betreft de ruimere professionele context. Illustratief voor dit laatste is het geschilpunt over zijn verzoek tot erkenning van een langdurige af- wezigheid wegens ziekte als arbeidsongeval onder de vorm van een burn-out.” Voorts heeft de mutatie een niet geringe impact op verzoeker, die op een voor hem geheel nieuwe plaats van tewerkstelling wordt ingezet op een dermate grote afstand van zijn woonplaats dat hem blijkens de eerste bestreden beslissing om “billijkheidsredenen” een kostenvergoeding wordt toegekend voor woon-werkverkeer.
  9. Anders dan de verwerende partij het ziet, brengen deze vast- stellingen de Raad ertoe de bestreden mutatiebeslissing in de huidige stand van de rechtspleging aan te merken als een aanvechtbare rechtshandeling.
  10. De exceptie is niet ernstig. b. de tweede bestreden beslissing Exceptie
  11. De verwerende partij werpt op dat de vordering niet ontvankelijk is met betrekking tot de tweede bestreden beslissing – de functiekaart: “Een functiekaart situeert zich binnen de evaluatieregeling. De mutatie situeert zich niet binnen de evaluatieregeling. Het gegeven dat in het kader van de evaluatieprocedures meermaals is gewezen op de niet-betwiste problemen die zich stellen binnen de Cel voor Schoolmaatschappelijk Werk betekent niet van de weeromstuit dat deze feitelijke vaststellingen in het kader van de evaluatieprocedures als voor- IX-9573-5/16 beslissingen kunnen worden beschouwd, laat staan in het kader van de geviseerde mutatiebeslissing. Voor zover de verzoekende partij een onwettigheid meent te kunnen zien in wat hij als een voorbeslissing beschouwt zal hij deze onwettigheid moeten aankaarten in het kader van de eindbeslissing over zijn evaluatie, maar niet ten aanzien van de mutatie naar Ronse.” Beoordeling
  12. Luidens het inleidend verzoekschrift vecht verzoeker de zoge- naamde functiekaart aan omdat die volgens hem “de facto een beslissing impliceert die een voorbereidende handeling betreft [van de mutatiebeslissing]”.
  13. De functiekaart is opgesteld door de eerste en de tweede evalu- ator van verzoeker en past op het eerste gezicht, zoals de verwerende partij op- werpt, in de evaluatieprocedure waaraan de bestreden mutatiebeslissing vreemd is. De eerste bestreden beslissing is geen eindbeslissing in de eva- luatieprocedure, zodat de functiekaart op het eerste gezicht er ook geen voorbe- reidende handeling toe vormt. De functiekaart zelf dan weer, lijkt geen eindbeslissing, noch lijkt ze een voor verzoeker definitief grievende vóórbeslissing in de evaluatie- procedure te zijn die dadelijk kan worden aangevochten – daargelaten nog of dit aanvechten ervan dan ontvankelijk kan gebeuren in hetzelfde verzoekschrift waarin ook een mutatiebeslissing wordt aangevochten.
  14. De exceptie vertoont de vereiste graad van ernst opdat ze reeds in de huidige stand van de procedure zou worden bijgevallen. De vordering is niet ontvankelijk voor zover ze strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de functiekaart. IX-9573-6/16 Hierna wordt met de bestreden beslissing nog enkel gerefereerd aan de eerste bestreden beslissing. B. Belang Exceptie
  15. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vorde- ring voorts nog als volgt: “De ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing van de tenuitvoer- legging hangt samen met de beoordeling van de aangevoerde spoedei- sendheid. De verzoekende partij is in langdurig ziekteverlof sinds 30 maart 2019, voorlopig tot en met 30 september
  16. In de huidige omstandigheden zal hij wegens een gebrek aan ziektekrediet met ingang van 30 augustus 2019 in disponibiliteit worden geplaatst. De verzoekende partij is hiervan in kennis gesteld naar aanleiding van zijn contact op 21 juni
  17. Hij is eveneens geïnformeerd over de mogelijk- heid om verlofdagen op te nemen vanaf 30 augustus 2019 om een indis- ponibiliteitstelling te vermijden. De verzoekende partij heeft ook aangekondigd dat hij bij Medex zou kunnen worden opgeroepen met ingang van 01 oktober 2019 voor de er- kenning van langdurige en ernstige ziekte met het oog op vervroegde pen- sionering. Het ontgaat de verwerende partij welk belang de verzoekende partij erbij heeft om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslis- singen te vorderen. Zulks wordt ook niet toegelicht in het inleidend ver- zoekschrift. De verwerende partij meent dat de verzoekende partij in de gegeven om- standigheden geen belang heeft bij de vordering tot schorsing van de (eer- ste) bestreden beslissing(en).” Beoordeling
  18. Er rust op een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij haar beroep – of haar vordering – in het inleidend verzoekschrift te omschrij- ven. IX-9573-7/16
  19. De langdurige afwezigheid van verzoeker wegens ziekte en zijn huidige ziekteverlof wettigen de vraag van de verwerende partij naar het voordeel dat verzoeker verwacht van een eventuele inwilliging van zijn vordering. Op de terechtzitting verklaart verzoeker evenwel dat hij bij een inwilliging van de schorsing van plan is om weer aan het werk te gaan. Verzoekers uiteenzetting over de spoedeisendheid en inzon- derheid over zijn penibele financiële situatie indien hij in disponibiliteit wordt gesteld enerzijds en de vaststelling dat verzoeker ook begin 2019 een reële poging heeft gedaan om het werk te hervatten anderzijds, laten de Raad van State niet toe om dit betoog elke geloofwaardigheid te ontzeggen. Om die reden kan aan de exceptie niet de vereiste ernst worden toegeschreven. V. Schorsingsvoorwaarden
  20. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid
  21. Verzoekers financiële en familiale situatie, zoals in concreto uiteengezet in het inleidend verzoekschrift, behelst méér dan enkele “praktische moeilijkheden en nadelen [bij] de reorganisatie van het familiaal leven” die door de kilometervergoeding worden gecompenseerd, zoals de verwerende partij in de IX-9573-8/16 nota betoogt, maar overtuigt de Raad van State integendeel van de spoedeisend- heid. Zoals hiervóór is opgemerkt en anders dan de verwerende partij het ziet, is de wens van verzoeker om zijn vroegere werk weer op te nemen niet dermate ongeloofwaardig, dat er geen rekening mee gehouden mag worden. Zo inderdaad de burn-out op zich geen gevolg is van de bestre- den beslissing, zou de schorsing van de tenuitvoerlegging van die mutatiebeslis- sing dus wel de in aanmerking genomen financiële en morele nadelen kunnen keren.
  22. De eerste schorsingsvoorwaarde is vervuld. VII. Ernst van de middelen A. Eerste en vijfde middel
  23. Het eerste middel – geput uit de schending van artikel 181, §§ 1 en 2, en artikel 184, §§ 1 en 2, van de rechtspositieregeling voor het provincie- personeel (hierna: RPR) – en het vijfde middel, geput uit de schending van het onpartijdigheidsbeginsel, zijn op het eerste gezicht enkel gericht tegen het plan- ningsgesprek / evaluatiegesprek van 25 maart 2019 en de eruit resulterende func- tiekaart. Deze middelen zijn, gelet op wat hiervóór omtrent dit voorwerp is overwogen, vooralsnog niet dienstig om de onwettigheid van de mutatiebeslissing aan te tonen.
  24. Het eerste middel en het vijfde middel zijn niet ernstig. IX-9573-9/16 B. Tweede middel, eerste onderdeel Uiteenzetting van het middelonderdeel
  25. Het eerste onderdeel van het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 230 RPR: “doordat het bestreden besluit d.d. 28.03.2019 verzoeker muteert naar het Provinciaal Instituut Heynsdaele te Ronse voor onbepaalde, minstens niet gedefinieerde tijd, met uitdrukkelijk[e] vermelding van artikel 230 RPR en zonder dat betrokkene zijn akkoord heeft gegeven met de mutatie […]; terwijl […] conform artikel 230 RPR een mutatie slechts een tijdelijke overplaatsing is van een personeelslid naar een andere dienst/onderwijs- instelling en de wijziging van standplaats (van Gent naar Ronse) en de wijziging standplaats slechts kan mits akkoord van het personeelslid.” Beoordeling
  26. Artikel 230 RPR luidt: “Mutatie is een tijdelijke overplaatsing van het personeelslid naar een an- dere dienst/onderwijsinstelling met behoud van graad en in eenzelfde functie.”
  27. Dat de mutatiebeslissing geen uitdrukkelijke einddatum ver- meldt, sluit niet uit dat de beslissing tijdelijk is. In de huidige stand van de rechtspleging toont verzoeker niet aan dat de verwerende partij de ordemaatregel als een niet-tijdelijke, dus definitieve overplaatsing heeft opgevat.
  28. Vooralsnog leest de Raad in het aangehaalde artikel niet dat een mutatie de instemming vereist van de betrokkene.
  29. Het middelonderdeel is niet ernstig. IX-9573-10/16 C. Derde middel en tweede onderdeel van het tweede middel Standpunt van de partijen
  30. Het tweede onderdeel van het tweede middel is geput uit de schending van artikel 237, § 2, RPR: “doordat het bestreden besluit d.d. 28.03.2019 verzoeker muteert naar het Provinciaal Instituut Heynsdaele te Ronse […] zonder dat betrokkene zijn akkoord heeft gegeven met de mutatie of verzoeker ook maar conform ar- tikel 237 RPR gehoord is omtrent de andere taakaanwijzing; terwijl […] conform artikel 237 §2 RPR het betrokken personeelslid, bij het toewijzen van een andere taakomschrijving op zijn verzoek dien[t] te worden gehoord door de Deputatie en het hoofd van het personeel, hetgeen evident voor het nemen van de beslissing tot toewijzing van een [andere] taakomschrijving dient te gebeuren (en niet erna).” Het derde middel is geput uit de schending van het recht van verdediging en van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoeker betoogt dat hij voorafgaand aan het op 25 maart 2019 geplande “tussentijds evaluatiegesprek”, dat ter plekke een “planningsgesprek” werd, geenszins werd gehoord, noch de mogelijkheid had om zich te verdedigen. Hij vernam op dat ogenblik, “totaal onverwacht, onaangekondigd en dus onvoor- bereid”, van de provinciegriffier de mutatiemaatregel, zonder dat hij enige tijd kreeg om zijn standpunt op te bouwen of te vertolken. Tijdens het planningsge- sprek vroeg hij meermaals vruchteloos om een uitstel en om de mogelijkheid van recht op bijstand om de aantijgingen tegen hem te weerleggen, doch dat werd hem niet toegestaan. Op zijn vraag nadien om de provinciegriffier te mogen spreken werd niet ingegaan.
  31. De verwerende partij antwoordt in haar nota met opmerkingen dat verzoeker in beginsel zelfs niet moet worden gehoord “vermits het een maat- regel van inwendige orde betreft gericht op de optimale organisatie en werking van de dienst”; artikel 237 RPR is volgens haar bijgevolg “niet van toepassing op de voorliggende casus”. IX-9573-11/16 Het recht van verdediging is evenmin van toepassing op deze maatregel, die geen tuchtmaatregel is. Verzoeker is ten slotte “de gelegenheid gegeven standpunt in te nemen ten aanzien van de voorgenomen mutatie tijdens het gesprek van 25 maart 2019”. Hij blijft ook in gebreke concreet aannemelijk te maken welke bijkomende argumenten hij zou hebben kunnen laten gelden ten aanzien van de mutatie. Hij heeft zijn principieel standpunt kenbaar gemaakt tijdens het gesprek van 25 maart
  32. De hoorplicht is evenmin geschonden doordat niet is ingegaan op de bij- komende vragen om opnieuw te worden gehoord. Ook daar heeft verzoeker na- gelaten aan te geven wat hij nog zou kunnen toevoegen aan de eerder meegedeelde principiële weigering van de mutatie. Hij mag dan wel beweren dat de voorge- nomen mutatie onverwacht en onaangekondigd is aangekaart, het verandert niets aan het gegeven dat hij desondanks standpunt heeft kunnen innemen en daar tot op de dag van vandaag niets extra aan kan toevoegen. Beoordeling
  33. De “rechten van verdediging” zijn, daargelaten een in deze zaak op het eerste gezicht niet bestaand andersluidend voorschrift, niet van toepassing op een mutatie die geen bestraffende maatregel is.
  34. Artikel 237 RPR luidt: “§
  35. Elk personeelslid kan er tijdelijk toe verplicht worden in opdracht van de deputatie of van het hoofd van personeel een ander evenwaardig ambt uit te oefenen, al dan niet in dezelfde dienst. §
  36. De betrokkene kan op zijn verzoek door de deputatie en het hoofd van personeel worden gehoord.”
  37. De Raad mag vooralsnog in het midden laten of artikel 237 RPR met betrekking tot “een ander […] ambt” ook van toepassing is op de bestreden mutatiebeslissing. IX-9573-12/16
  38. De in het derde middel aangevoerde hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur vereist immers hoe dan ook dat verzoeker de ge- legenheid moest krijgen om nuttig zijn standpunt kenbaar te maken bij de voor- genomen maatregel. Hiervóór is toegelicht waarom de bestreden beslissing voor verzoeker een belastende maatregel is en om die reden een aanvechtbare rechts- handeling. In lijn met die gedachtegang dient verzoeker ook te worden gehoord. Dit houdt in dat zowel de aard van de overwogen maatregel als de motieven ervan vooraf aan hem moeten worden meegedeeld en dat hij over een redelijke termijn moet kunnen beschikken om zijn standpunt voor te bereiden, waarbij hij inzage krijgt in het volledige dossier dat aan de beslissende overheid wordt overgelegd, zodat hij met betrekking tot elk van de bestanddelen ervan zijn standpunt kenbaar kan maken. In de voorliggende zaak bestrijdt de verwerende partij niet dat de voorgenomen maatregel pas op 25 maart 2019 “onverwacht en onaangekondigd” aan verzoeker is meegedeeld. Verzoeker heeft geen enkel nuttig verweer kunnen voorbereiden. Voorts klopt het niet dat verzoeker nadien niet zou hebben verduidelijkt welke argumenten hij graag ter overweging wou geven. Hij heeft in zijn communicatie met de provinciegriffier daarop onmiskenbaar gealludeerd. Hij wou de impact van de mutatie op zijn persoonlijke situatie aankaarten en ook de door hem gepercipieerde partijdigheid van de eerste evaluator. Het staat niet aan de Raad om de overtuigingskracht van die argumenten thans te beoordelen, maar stellen dat verzoeker niets wou toevoegen aan het gesprek van 25 maart 2019 kan alleszins niet worden bijgevallen. Bovendien spreekt de verwerende partij niet tegen dat verzoeker op 25 maart 2019 om bijstand heeft gevraagd en dat die hem ook is geweigerd.
  39. Het derde middel is in de aangegeven mate ernstig. IX-9573-13/16 D. Vierde middel
  40. Het vierde middel is geput uit “de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen […] en uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het motiveringsbeginsel en de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel”.
  41. Hiervóór is prima facie de schending van de hoorplicht vastge- steld. De hierna te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging van de mutatiebe- slissing impliceert dat de verwerende partij, wil zij op grond van hetzelfde dossier een nieuwe beslissing nemen over een mogelijke mutatie van verzoeker zonder het gezag te schenden dat voorlopig aan dit arrest is verbonden, verzoeker zal moeten horen. Het dossier – en dus de materiële grondslag van een eventuele beslissing – zal op dat ogenblik echter niet meer identiek hetzelfde zijn als het dossier waarop de thans bestreden beslissing steunt, aangezien alleszins het horen zich eraan zal hebben toegevoegd. Haar beslissing zal voorts ervan blijk moeten geven dat zij de argumenten van verzoeker in overweging heeft genomen. Ook de formele moti- vering zal bijgevolg anders luiden. Dit betekent dat de grieven tegen de formele of materiële mo- tivering van de huidige mutatiebeslissing voorbarig zijn.
  42. Waaruit dan weer volgt dat de grieven die verzoeker put uit een schending van het redelijkheidsbeginsel des te meer voorbarig zijn, aangezien het is zoals de verwerende partij in haar nota opwerpt: IX-9573-14/16 “De vraag naar de schending van het redelijkheidsbeginsel […] kan zich slechts stellen wanneer vast is komen te staan dat de beslissing een deug- delijke grondslag heeft, zowel in rechte als in feite. Beide middelen vergen een afzonderlijk onderzoek.”
  43. Het vierde middel is voorbarig en om die reden niet ernstig. E. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  44. In een zesde middel voert verzoeker machtsafwending aan. Hij leidt dit af “uit de timing waarop het bestreden besluit werd genomen”, “met na- me”: “- een week voor de preventiemaatregelen op 04.04.2019 van start zouden gaan […] - kort nadat het evaluatiegesprek op 25.03.2019 omgezet werd in een planningsgesprek - op dezelfde dag dat zonder het formeel zo te stellen verzoeker in een „situatie oranje‟ wordt geplaatst op grond van een aantal opgeklopte ge- beurtenissen die het bestreden besluit zijn voorafgegaan.” Beoordeling
  45. Wie machtsafwending aanvoert, moet daartoe voldoende ern- stige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens aandragen waaruit kan worden afgeleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd. Daarenboven moet, opdat van machtsafwending sprake kan zijn, het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden mutatiebeslissing zijn geweest.
  46. Verzoeker somt enkele vage aanwijzingen op, die hij niet uit- werkt en die prima facie niet aan de deputatie zijn toe te schrijven. IX-9573-15/16
  47. In de huidige stand van de procedure wordt door verzoeker misbruik van bevoegdheid niet aangetoond. Het middel is niet ernstig. F. Conclusie
  48. Hiervóór is één ernstig middel in de daar aangegeven mate aangenomen, zodat ook de tweede schorsingsvoorwaarde is vervuld. BESLISSING
  49. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 28 maart 2019 waarbij Rik De Baerdemaeker met ingang van 1 april 2019 wordt gemuteerd naar het Provinciaal Instituut Heynsdaele te Ronse.
  50. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 oktober 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9573-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.584 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.791 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.