← België

Arrest 245590 - Examens (onderwijs) - 01/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.590 Rolnummer: A. 229172/IX-9621 Zaak: Arrest 245590 - Examens (onderwijs) - 01/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-03 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-21 07:15 Fiche Arrest nr 245.590 van 1 oktober 2019 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.590 van 1 oktober 2019 in de zaak A. 229.172/IX-9621 In zake: Emile SCHOCKAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieterjan Osaer kantoor houdend te 3010 Kessel-Lo Diestsesteenweg 52/0302 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1.1. De vordering, ingesteld op 20 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts van 26 augustus 2019 [...] waarbij het intern beroep van [Emile Schockaert] ongegrond wordt verklaard en beslist dat de aan [betrokkene] eerder toegekende score van 140/240 en niet gunstige rangschikking worden gehandhaafd”. 1.2. Voorts wordt als voorlopige maatregel gevorderd dat “[d]e verwerende partij ertoe wordt verplicht om op zeer korte termijn, en uiterlijk binnen 5 dagen vanaf het tussen te komen arrest, over te gaan tot herdeliberatie van de examenuitslag van [Emile Schockaert]”. IX-9621-1/18 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september 2019, om 10.30 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieterjan Osaer, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Matthias Castelein, die tevens loco advocaat Sofie Logie ver- schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973. III. Regelgeving en feiten 3.1. De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks, in de periode van 1 tot 15 juli, een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 „houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts‟). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toela- IX-9621-2/18 tingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel „wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde (KIW)‟ (hierna: „kennis en inzicht in de wetenschappen‟) en voorts een onderdeel „generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepsprak- tijk van artsen (GC)‟ (hierna: „generieke competenties‟) (artikel II.187, § 5, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1153 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 21 de- cember 2018 „tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts‟). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropge- stelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). IX-9621-3/18 3.2. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen in 2019 zijn door de examencommissie vastgesteld in het „Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2019‟ (hierna: het werkings- en examenreglement 2019). Artikel 48 van dit reglement bepaalt dat het examenonderdeel „generieke competenties‟ bestaat uit twee toetsen, namelijk de toets „CLEAR‟ en de toets „VAARDIG‟. Met betrekking tot de eerstgenoemde toets wordt gepreci- seerd: “CLEAR staat voor Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aan- dacht, Reflectie en Respect. Als woord combineert CLEAR de C van commu- nicatie met een belangrijk kenmerk van goede communicatie, met name dui- delijkheid of helderheid. Het toetst de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts of tandarts van belang zijn. Deze aspecten komen aan bod: - Persoonlijke aandacht geven aan de ander en respectvol met elkaar omgaan. - Zich inleven in de situatie en in de belevingswereld van de ander. - Constructief communiceren binnen een (familiaal) relatienetwerk, met aandacht voor loyaliteit en waardigheid van alle betrokkenen. - Een constructieve houding aannemen in conflictsituaties en situaties met hevige emoties of uitzichtloosheid. - De gevolgen van zijn/haar eigen gedrag inschatten in een relationele situatie met kwetsbare personen. - Een onderscheid maken tussen objectieve feiten, interpretaties ervan en subjectieve beleving. De deelnemers krijgen 15 casussen over situaties waarmee een adolescent in aanraking kan komen: in familie- of vriendenkring, tijdens een stage of stu- dentenjob of in een jeugdbeweging of sportclub. Voor elke casus duidt de deelnemer de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken.” 3.3. Verzoeker heeft op 2 juli 2019 deelgenomen aan het toela- tingsexamen voor de opleiding tot arts. 3.4. Na beraadslaging kent de examencommissie hem de volgende punten toe: 70 op 120 punten voor het onderdeel „kennis en inzicht in de weten- schappen‟, 70 op 120 punten voor het onderdeel „generieke competenties‟ en 140 op 240 punten in het totaal. De cesuur is bepaald op “142 op 240”. IX-9621-4/18 De examencommissie besluit dat verzoeker geslaagd is voor het examen, maar niet gunstig is gerangschikt. 3.5. Verzoeker stelt op 31 juli 2019 tegen die beslissing van de examencommissie een beroep in bij de “interne beroepsinstantie” (hierna: de be- roepsinstantie), die luidens artikel 63 van het werkings- en examenreglement 2019 is samengesteld uit “de examencommissie met de voorzitter van de examencom- missie als voorzitter”. Verzoeker bekritiseert in zijn beroepschrift vier vragen van de „CLEAR‟-toets. Met betrekking tot de tweede en de vierde vraag van deze toets voert hij aan: “Betwisting vraag 2: 2. Een goede zorgverstrekker kan op een soepele manier drie verschillende stijlen hanteren binnen een gesprek met een patiënt: „richting geven in een ge- sprek‟, „zich opstellen als een gids‟ of „volgen‟. Welk van onderstaande uitspraken past het best binnen de gespreksstijl „richting geven‟? Gewenst antwoord „Hebt u vaak zulke blauwe plekken?‟ Door mij gegeven antwoord: „Een week zou goed zijn, maar hoe ziet u dit?‟ => Motivering betwisting: De 3 abstracte concepten „richting geven in een gesprek‟, „zich opstellen als een gids‟ of „volgen‟ worden niet verondersteld gekend te zijn door de gemid- delde 17-18-jarige die afgestudeerd is in het middelbaar onderwijs en nooit een vak als „communicatie‟, „gespreksvoering‟, „coaching‟, „psychologie‟ of iets dergelijks heeft gevolgd. In de algemene betekenis is een „gids‟ ook iemand die de weg wijst, en dus richting geeft. Zie: Algemeen Nederlands Woordenboek: „gids 1.0 boekje met informatie 1.1 tv-gids 2.0 iemand die de weg wijst 2.1 mentor; leermeester 3.0 spirituele hulp 4.0 meisje bij de scouting (11-15 jaar)‟ [...] Van Dale: „gids (meervoud: gidsen) 1 (m,

  1. v)iem. die (rond)leidt; leidsman, leidsvrouw IX-9621-5/18 2
  2. m)drukwerk met informatie; = wegwijzer: gouden gidsmerk; consumen- tengids, tv-gids‟ [...] Van een afgestudeerd student middelbaar onderwijs kan dus onmogelijk verwacht worden dat een bepaald „nuanceverschil‟ tussen de gesprekstijlen „gidsen‟ en „richting geven‟ (What’s in a name?) evident gekend moet of kan zijn. In de algemene betekenis van het woord is de gids immers iemand die de richting aangeeft, je rondleidt, en is „gidsen‟ en „richting geven‟ dus synoniem. Bovendien is dergelijke conceptuele terminologie ook nergens terug te vinden in de voorbeeld CLEAR vragen die ter beschikking zijn in voorbereiding op het toelatingsexamen. Deze 3 concepten kunnen enkel gekend zijn, indien men voorkennis heeft van bepaalde gespecialiseerde literatuur op dit punt. Na inzage van mijn exa- men CLEAR vragen, deed ik opzoekingen omtrent deze 3 concepten, en deze worden blijkbaar specifiek benoemd door Milner en Rollnick. Indien men de wetenschappelijke invulling van deze 3 concepten inhoudelijk kent, is het op- lossen van de vragen uiteraard geheel anders, dan wanneer men deze concepten inhoudelijk zelfs nog nooit benoemd heeft gezien. Dit kan/kon ook onmogelijk verwacht worden met oog op deelname aan het toelatingsexamen arts. Om vraag 2 correct op te lossen, had in de vraagstelling minstens een korte invulling moeten gegeven worden van de 3 concepten. Dit geldt des te meer, nu ook vraag 14 (zie verder) handelt over exact de- zelfde begrippen. Een leerling zonder voorkennis van deze specifieke concep- ten wordt dus tweemaal in één toelatingsexamen afgestraft. Dit is kennelijk onredelijk. Deze vraag (en vraag 14) is manifest strijdig met het zorgvuldigheidsbe- ginsel, het redelijkheidsbeginsel en vooral het rechtszekerheidsbeginsel. Ter voorbereiding van het toelatingsexamen kan men als deelnemende leer- ling kennisnemen van de uitleg omtrent de examenonderdelen, die over de CLEAR vragen het volgende stelt in art. 48 van het Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2019: „[...]‟ Deze vraag 2 (en ook vraag 14) gaat totaal voorbij aan een situatie waarmee ik als adolescent in aanraking kom in familie- of vriendenkring, een stage of studentenjob, jeugdbeweging of sportclub. Ik moet in tegendeel een inhoudelijk antwoord geven over de specifieke re- latie patiënt/hulpverstrekker, en hierbij kennis hebben van de betekenis vak- technische conceptuele begrippen. Dit terwijl ik net een toelatingsexamen afleg om nog maar aan mijn studie over o.a. deze relatie (patiënt/zorgverstrekker) te starten. Hier moest en kon ik mij als deelnemende 18-jarige niet aan verwach- ten, zeker gelet op het examenreglement (en de voorbeeldvragen). Het stellen (tot 2 x toe!) van deze vraag is kennelijk onredelijk, en schendt het zorgvuldigheids- en zekerheidsbeginsel. Louter ondergeschikt: Uit eigen opzoekingen van deze concepten, leer ik nu dat deze als volgt (min of meer) kunnen worden samengevat: - „richting geven‟: hulpverlener neemt het voortouw - „volgend‟: de patiënt neemt het voortouw IX-9621-6/18 - „gidsen‟: de hulpverlener en patiënt werken als team (combinatie van het beste uit beide andere stijlen) [voetnoot van verzoeker: „Ik merk hierbij op dat in de literatuur die ik terugvind, de volgorde van deze stijlen steeds „gidsen‟ als laatste plaatst, met als logische reden dat „gidsen‟ in feite de combinatie vormt van twee „uitersten‟: „richting geven‟ en „volgen‟. In die zin is vraag 2 en vraag 14 ook nog meer misleidend, nu de concepten daar in een andere volgorde worden geplaatst, wat de helderheid zeker niet ten goede komt.‟] Ik ga er (nu, na opzoekingen) van uit dat het door mij gegeven antwoord „C‟ valt onder de categorie „gidsen‟, maar gelet op bovenstaande argumentatie, kan mij niet verweten worden dat ik het conceptuele nuanceverschil tussen „gidsen‟ en „richting geven‟ niet kon onderscheiden op een toelatingsexamen. Voor mij (en in de algemene betekenis van het woord) geeft antwoord C ook richting in het gesprek, aangezien dit een concrete, sturende vraag betreft. [...] Betwisting vraag 14: 14. Een goede zorgverstrekker kan op een soepele manier drie verschillende stijlen hanteren binnen een gesprek met een patiënt: „richting geven in een ge- sprek‟, „zich opstellen als een gids‟ of „volgen‟. Welk van onderstaande uitspraken past het best binnen de gespreksstijl „volgen‟? Gewenst antwoord „En hoe voelde u zich toen dat gebeurde?‟ Door mij gegeven antwoord: „Een vermageringsdieet zou goed zijn, maar hoe ziet u dit?‟ Motivering betwisting: Ik verwijs hiervoor integraal naar mijn argumentatie m.b.t. vraag 2 [...], die hier als integraal hernomen moet worden beschouwd. Opnieuw wordt de kennis van exact dezelfde concepten getoetst. Iemand zonder (mogelijke) kennis van deze begrippen wordt dus hiervoor tweemaal afgerekend in éénzelfde examen. Dit is kennelijk onredelijk. Voor mijn antwoord „A‟ ben ik uitgegaan van de gewone betekenis van het woord „volgen‟. Uit de vraagstelling blijkt dat de zorgverstrekker bereid is de mening van de patiënt te volgen, aangezien er uitdrukkelijk naar gevraagd wordt.” 3.6. Op 26 augustus 2019 beslist de beroepsinstantie dat verzoekers beroep ontvankelijk, maar niet gegrond is en dat de eerder toegekende score van 140 op 240 punten gehandhaafd blijft. Dit is de bestreden beslissing. IX-9621-7/18 De voorzitter van de beroepsinstantie deelt deze beslissing met een brief van 30 augustus 2019 mee aan verzoeker. Hij vermeldt in die brief de volgende motivering: “[…] De beroepsinstantie heeft geen opmerkingen wat de ontvankelijkheid be- treft van uw beroepschrift. Het beroep is ontvankelijk. U motiveert uw klacht ten gronde met volgende argumenten: Uw eerste middel heeft betrekking op de inhoud van vier vragen van het onderdeel CLEAR, met name: de vragen 1, 2, 5 en 14 van CLEAR. U motiveert in uw verzoekschrift waarom de vraagstelling van deze vier vragen kennelijk onredelijk is. [...] Wat uw inhoudelijk middel betreft ten aanzien van de vragen 1, 2, 5 en 14 van CLEAR wijst de interne beroepsinstantie vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van een examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de kandidaat om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een kandidaat de validiteit van bepaalde vragen in vraag stelt dient dit te ge- beuren aan de hand van concreet goed onderbouwde argumenten en elementen. Vervolgens wijst de commissie erop dat de CLEAR-toets een specifiek format volgt. Het gaat over het goed kunnen inschatten (in de antwoordmoge- lijkheden A, B, C of D) van situaties in het licht van bepaalde vooropgestelde waarden of doelen die in de stam van de vraag aan bod komen. Zo wordt voor elke vraag specifiek aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv „meest constructief‟, „meest oplossingsgericht‟, „best passen bin- nen...‟, „het meest kans op...‟ enz. Voor elke vraag is er slechts één antwoord- mogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit sluit niet uit dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet „het best‟ of „het meest‟ en zijn daarom fout. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag – toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van juist antwoord in de context van de vraag- stelling. Een laatste algemene opmerking betreft de vermeende willekeur van de CLEAR-toets. Het is er de examencommissie niet om te doen om vast te stellen hoe de deelnemer in zijn of haar dagelijkse leven zelf op een bepaalde situatie reageert. Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderlig- gende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR. Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld en worden ook in de informatiebrochure beschreven zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende IX-9621-8/18 basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets we- tenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is. Wat uw opmerking inzake het format van de vragen van de toets CLEAR betreft maakt de commissie de volgende overweging. De website van het toe- latingsexamen vermeldt: „Je krijgt vijftien casussen over situaties waarmee een adolescent in aanraking kan komen: in familie- of vriendenkring, tijdens een stage of studentenjob of in een jeugdbeweging of sportclub.‟ In sommige vra- gen worden deze situaties in de stam van de vraag verwerkt waarbij eerst een situatie geschetst wordt en daarna in de antwoordmogelijkheden gevraagd wordt naar een specifieke reactie, uitspraak of bedenking die in deze situatie van toepassing is. In andere vragen komt er eerst een meer algemene formulering en zijn het de antwoordmogelijkheden zelf die de casuïstiek bevatten. Beide vraagtypes maken dus gebruik van casussen of verwijzingen naar concrete si- tuaties. De door u betwiste vragen 2 en 14 van CLEAR behoren tot het tweede type van vragen. De verschillende uitspraken die onder de antwoordmogelijkheden A tot D vermeld worden, verwijzen telkens naar een specifieke situatie waar- mee een adolescent in aanraking kan komen, bv. tijdens een zorgstage. Daarbij beantwoordt deze vraag volledig aan het opzet van CLEAR, in casu het be- vragen van communicatieve competenties. De toets CLEAR berust op wetenschappelijke kaders in verband met hel- dere en empathische communicatie. Hieronder valt ook de indeling van de ge- spreksstijlen. Van de deelnemers aan het toelatingsexamen wordt niet verwacht dat zij deze wetenschappelijke kaders op theoretisch niveau beheersen. CLEAR is geen kennistest van een wetenschappelijke discipline, maar is gericht op het inzichtelijk kunnen toepassen van principes die gangbaar zijn in de literatuur rond communicatie, zonder dat men deze principes moet kunnen benoemen of met elkaar kunnen vergelijken. Concreet wordt verwacht dat deelnemers in si- tuaties kunnen reageren in de richting of stijl van wat algemeen aanvaard is in verband met heldere en empathische communicatie en waarbij de juistheid van het antwoord door de experten steeds kan ondersteund worden op basis van de literatuur. Hierbij wordt voor elke vraag steeds aangegeven binnen welke contouren of context een antwoord moet passen. CLEAR toetst dus een intrin- siek, basaal vermogen om CLEAR-vaardigheden toe te passen. De toets situeert zich hierbij op een niveau dat volgens de experten en de leden van de exa- mencommissie realistisch en bereikbaar is voor deelnemers die de opleiding arts of tandarts zullen aanvatten. Dit basaal vermogen stelt de deelnemers in staat om nadien tijdens de opleiding hun CLEAR-vaardigheden verder te ont- wikkelen. De vragen over gespreksstijlen zijn dan ook heel toepassingsgericht. Er wordt in de vraag duidelijk vermeld over welke gespreksstijl het gaat, met an- dere woorden de deelnemers moeten dus niet zelf het onderscheid kunnen maken tussen de ene of de andere gespreksstijl. Vervolgens worden vier con- crete uitspraken voorgelegd die de deelnemer dan moet afwegen ten opzichte van de eerder vermelde gespreksstijl. Zowel de uitspraken als de benaming van IX-9621-9/18 de gespreksstijl (bv. „volgen‟) zijn voldoende generiek verwoord zodat die herkenbaar zijn voor de deelnemer zonder dat hij of zij over specialistische kennis moet beschikken. Met deze overwegingen als achtergrond gaat de commissie dieper in op de inhoudelijke argumenten bij de vragen die u betwist. Voor elke betwiste vraag wordt uiteengezet waarom het door de examencommissie aangeduide juiste antwoord inderdaad het best beantwoordt aan de vraagstelling en waarom de andere antwoordmogelijkheden inclusief het door u gekozen antwoord fout zijn. [...] Vraag 2 van CLEAR (versie geel): Vraagstelling: Een goede zorgverstrekker kan op een soepele manier drie verschillende stijlen hanteren binnen een gesprek met een patiënt: „richting geven in een ge- sprek‟, „zich opstellen als een gids‟ of „volgen‟. Welk van onderstaande uitspraken past het best binnen de gespreksstijl „richting geven‟? „En welk van deze opties ziet u zitten?‟ De zorgverstrekker verwijst naar een aantal keuzemogelijkheden wat een zekere graad van richting geven inhoudt, maar nodigt daarna de patiënt uit om zelf een keuze te maken. De patiënt wordt dus mee betrokken in de ontwikke- ling van het gesprek. Deze uitspraak geeft dus wel enige richting, maar bedui- dend minder dan in antwoord B. „Hebt u vaak zulke blauwe plekken?‟ Deze uitspraak stuurt het gesprek in een heel specifieke richting waarbij de patiënt slechts met „ja‟ of „neen‟ kan antwoorden. De zorgverstrekker trekt de regie van het gesprek dus volledig naar zich toe en geeft geen ruimte aan de patiënt om het gesprek mee te sturen. Deze optie beantwoordt dus het best aan de vraagstelling. „Een week zou goed zijn, maar hoe ziet u dit?‟ Hier geeft de zorgverstrekker een advies wat een zekere graad van richting geven inhoudt, maar hij/zij eindigt met een open vraag. Hierdoor komt de regie van het gesprek terug bij de patiënt te liggen. Deze uitspraak geeft dus wel een beetje richting, maar beduidend minder dan in antwoord B. „En wat dacht u toen u dat hoorde?‟ Deze vraag geeft geen richting aan het gesprek. Het is een open vraag vanwege de zorgverstrekker waarna de patiënt de regie van het gesprek kan overnemen. Het beantwoordt dus helemaal niet aan de vraagstelling. De commissie besluit dat antwoord B (versie geel) het enige juiste ant- woord is. [...] Vraag 14 van CLEAR (versie geel): Vraagstelling: Een goede zorgverstrekker kan op een soepele manier drie verschillende stijlen hanteren binnen een gesprek met een patiënt: „richting geven in een ge- sprek‟, „zich opstellen als een gids‟ of „volgen‟. Welk van onderstaande uitspraken past het best binnen de gespreksstijl „volgen‟? IX-9621-10/18 „Een vermageringsdieet zou goed zijn, maar hoe ziet u dit?‟ De zorgverstrekker geeft een concreet advies (vermageringsdieet) en oriënteert zo het gesprek. Nadien laat de zorgverstrekker ruimte voor de ge- sprekspartner (hoe ziet u dit), maar deze ruimte is vooraf ingeperkt. Er is dus slechts een beperkte mate van volgen in dit gesprek. Deze uitspraak beant- woordt dus niet aan de vraagstelling. „Wat voor verandering zou voor u haalbaar zijn?‟ De zorgverstrekker leidt het gesprek in de richting van verandering en oriënteert zo het gesprek. De zorgverstrekker laat weliswaar ruimte voor de gesprekspartner, maar deze ruimte is ingeperkt. Er is dus slechts een beperkte mate van volgen in dit gesprek. Deze uitspraak beantwoordt dus niet aan de vraagstelling. „Hoeveel keer per week doet zich dat voor?‟ Dit is een zeer gerichte vraag naar meer informatie en laat weinig of geen ruimte aan de gesprekspartner. De zorgverstrekker volgt dus niet, maar stuurt. Deze uitspraak beantwoordt dus niet aan de vraagstelling. „En hoe voelde u zich toen dat gebeurde?‟ In A, B en C is er een concrete suggestie. In uitspraak D is er geen suggestie of sturing in een bepaalde richting, wel een empathische luisterhouding die louter aansluit bij de gevoelens van de gesprekspartner en die de reactie onbe- stemd laat. Het is dus een open vraag vanwege de zorgverstrekker waarna de gesprekspartner het gesprek overneemt en de zorgverstrekker volgt. Deze uit- spraak beantwoordt dus het best aan de vraagstelling. De commissie besluit dat antwoord D (versie geel) het enige juiste ant- woord is.” IV. Herinnering aan de voorwaarden voor het bevelen van de schorsing en het opleggen van een voorlopige maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging en het opleggen van een voorlopige maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schor- sing en het opleggen van een voorlopige maatregel. IX-9621-11/18 V. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel 5.1. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van arti- kel II.187, § 6, 4°, a tot d, van de Codex Hoger Onderwijs, artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 „houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts‟, artikel 48 van het wer- kings- en examenreglement 2019, het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het vertrouwensbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. 5.2. Verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing, die de examen- vragen 2 en 14 van de toets „CLEAR‟ van het toelatingsexamen van 2 juli 2019 voor de opleiding tot arts als valabel beschouwt en handhaaft, volstrekt voorbijgaat aan de kern van zijn bezwaar dat deze vragen niet “in lijn zijn” met het werkings- en examenreglement 2019. Hij stelt dat de voormelde vragen onmogelijk binnen de omschrijving van artikel 48 van het werkings- en examenreglement 2019 vallen. Ze betreffen immers geen casussen waarmee een adolescent “in aanraking kan komen”, maar nopen de deelnemer aan het examen om zich te plaatsen in de rol van een afgestudeerd professioneel zorgverstrekker. Volgens verzoeker poogt de examencommissie “hier een draai aan te geven” door te verwijzen naar een “zorgstage”, zonder evenwel te verduidelijken wat daaronder moet worden ver- staan, terwijl artikel 48 van het werkings- en examenreglement 2019 daarvan geen gewag maakt. Aangenomen dat daarmee gealludeerd wordt op een stage die een student aanvat tijdens de universitaire opleiding „geneeskunde‟, dient erop te worden gewezen, aldus verzoeker, dat een dergelijke stage niet mag worden uit- gevoerd door een adolescent die geen enkele vooropleiding heeft genoten of niet wordt begeleid. Verzoeker vervolgt dat, daarnaast, de vragen 2 en 14 van de toets „CLEAR‟ niet peilen naar “de reactie of houding [...] die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken”. Wel zijn ze erop gericht om de deelnemer een IX-9621-12/18 bepaalde gespreksstijl te doen herkennen. Volgens verzoeker vallen dergelijke vragen niet onder de aspecten die in artikel 48 van het werkings- en examen- reglement 2019 uitdrukkelijk zijn opgesomd. Verzoeker acht alzo artikel II.187, § 6, van de Codex Hoger Onderwijs, artikel 24 van het reeds genoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018, artikel 48 van het werkings- en examenreglement 2019 en het beginsel patere legem quam ipse fecisti geschonden. 5.3. Voorts argumenteert verzoeker dat de vragen 2 en 14 de deel- nemer aan het examen ertoe nopen zich in de plaats van een zorgverstrekker te stellen en een specifieke gespreksstijl te herkennen of te onderscheiden en derhalve toe te passen, terwijl de examencommissie bij de deelnemers nooit de verwachting heeft gewekt dat dergelijke vragen zouden worden gesteld. Op de website van het toelatingsexamen is voor het examenonderdeel „generieke competenties‟ geen vereiste voorkennis bekendgemaakt. Er zijn wel modelvragen vermeld, maar in geen enkele daarvan wordt gevraagd naar het herkennen van specifieke commu- nicatie- of gespreksstijlen. Verzoeker stelt dat de examencommissie door haar eigen publicaties en communicatie op de website bij hem het terechte vertrouwen heeft gewekt dat theoretische vragen omtrent communicatie niet zouden worden geëxamineerd. Dit klemt volgens verzoeker des te meer omdat met de voormelde vragen tot tweemaal toe “dezelfde niet rechtmatig te verwachten voorkennis wordt getoetst”. Verzoeker besluit daaruit tot een schending van het vertrou- wensbeginsel. 5.4. Ten slotte gaat de bestreden beslissing volgens verzoeker ten onrechte ervan uit dat “de deelnemers niet zelf het onderscheid moeten kunnen maken tussen de ene of de andere gespreksstijl”, terwijl ze verder in haar motive- ring toch uitdrukkelijk aangeeft dat de deelnemers die gespreksstijlen moeten kunnen “herkennen”. Deze motivering, aldus verzoeker, is feitelijk onjuist en IX-9621-13/18 intern tegenstrijdig, want hoe zou men iets moeten kunnen herkennen dat men niet van iets anders moet kunnen onderscheiden. Verzoeker stelt dat de motivering van de bestreden beslissing daarnaast uitgaat van “de foutieve aanname dat de CLEAR vragen 2 en 14 zouden vallen onder het „inzichtelijk kunnen toepassen van principes die gangbaar zijn in de literatuur rond communicatie, zonder dat men deze principes moet kunnen benoemen of met elkaar kunnen vergelijken‟”. Volgens verzoeker gaat het in casu niet om “gangbare principes uit de literatuur rond communicatie”, maar wordt uitgegaan van drie specifieke vaktechnische gespreksstijlen. Voorts betwist ver- zoeker het standpunt van de examencommissie dat de gespreksstijlen op een vol- doende wijze generiek zijn verwoord in de vraagstelling opdat ze herkenbaar zouden kunnen zijn voor de deelnemers aan het examen, zonder dat deze over specialistische kennis moeten beschikken. Volgens verzoeker kan van een student middelbaar onderwijs onmogelijk worden verwacht dat hij het nuanceverschil onderkent tussen de gespreksstijlen „gidsen‟ en „richting geven‟. De bestreden beslissing is aan dit argument voorbijgegaan, zo stelt verzoeker, en mist in die zin een deugdelijke materiële grondslag. Ze is ook niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Beoordeling 6. Voorafgaandelijk moet worden opgemerkt dat de Raad van State als wettigheidsrechter bij de beoordeling van het standpunt dat de examencom- missie met betrekking tot de vragen van het toelatingsexamen heeft ingenomen, niet in de plaats mag treden van die commissie. Zo mag hij, onder meer, niet in de plaats van de examencommissie oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen van een kandidaat. De Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie. Hij mag enkel nagaan of de examencommissie, binnen de IX-9621-14/18 grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist. Daarbij moet de Raad van State bovendien uitgaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie, wat impliceert dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze relevant en pertinent zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het werkings- en examenreglement 2019, slechts één correct antwoord kunnen krijgen. 7. Verzoeker voert vooreerst aan dat de vragen 2 en 14 van de toets „CLEAR‟ van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts onmogelijk binnen de omschrijving van artikel 48 van het werkings- en examenreglement 2019 kunnen vallen, omdat ze geen casussen betreffen waarmee een adolescent “in aanraking kan komen”. Hij kan daarin evenwel op het eerste gezicht niet worden bijge- vallen. Niet ten onrechte, zo lijkt, verwijst de verwerende partij in de bestreden beslissing naar een situatie waarin een adolescent met de vraagstelling te maken kan krijgen, “bv. tijdens een zorgstage”. Uit niets blijkt dat het begrip „stage‟, waarvan sprake in artikel 48 van het werkings- en examenreglement 2019, of het begrip „zorgstage‟, waarvan dan weer gewag wordt gemaakt in de bestreden be- slissing begrepen zou moeten worden als een stage die pas kan worden gevolgd tijdens de universitaire opleiding en de kennis van die opleiding zou vereisen. Beide vragen gaan allerminst daarvan uit. Ze vertrekken immers van de premisse van de “goede zorgverstrekker”, zonder de specificatie dat dit een zorgverstrekker is die een universitaire scholing heeft genoten. Het valt niet in te zien dat een adolescent zich bij het beantwoorden van die vragen niet in de plaats van een “goede zorgverstrekker” zou kunnen stellen. Met de verwerende partij lijkt ove- rigens te moeten worden aangenomen dat een adolescent in meerdere situaties met de vraagstelling te maken kan krijgen, niet alleen dus tijdens een schoolstage, maar IX-9621-15/18 ook bijvoorbeeld bij vrijwilligerswerk, in de jeugdbeweging of de sportclub en zo meer. In tegenstelling tot wat verzoeker doet gelden, dient bij de beide vragen – zoals is bepaald in artikel 48 van het werkings- en examenregle- ment 2019 – een antwoord te worden aangestipt dat “het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken”. Bij vraag 2 is dat een antwoord dat “het best past binnen de gespreksstijl „richting geven‟”, bij vraag 14 een antwoord dat “het best past binnen de gespreksstijl „volgen‟”. 8. Voor zover verzoeker argumenteert dat de bestreden beslissing afbreuk doet aan het door de examencommissie gewekte vertrouwen dat geen theoretische kennis omtrent communicatie en gespreksstijlen zou worden geëxa- mineerd, dient erop te worden gewezen dat noch vraag 2, noch vraag 14 het oogmerk van een dergelijke examinatie lijkt te hebben. De bestreden beslissing stelt in dit verband onder meer: “De vragen over gespreksstijlen zijn dan ook heel toepassingsgericht. Er wordt in de vraag duidelijk vermeld over welke gespreksstijl het gaat, met an- dere woorden de deelnemers moeten dus niet zelf het onderscheid kunnen maken tussen de ene of de andere gespreksstijl. Vervolgens worden vier con- crete uitspraken voorgelegd die de deelnemer dan moet afwegen ten opzichte van de eerder vermelde gespreksstijl. Zowel de uitspraken als de benaming van de gespreksstijl (bv. „volgen‟) zijn voldoende generiek verwoord zodat die herkenbaar zijn voor de deelnemer zonder dat hij of zij over specialistische kennis moet beschikken.” In de huidige stand van de rechtspleging overtuigt verzoeker niet van het tegendeel. De voormelde vragen lijken inderdaad een antwoord te kunnen krijgen louter aan de hand van de generieke verwoording van de gespreksstijlen in de vraagstelling, zónder de specialistische kennis die door verzoeker als vereist wordt beschouwd. IX-9621-16/18 De omstandigheid dat, zoals verzoeker doet gelden, van de deelnemers aan het examen toch werd verwacht dat zij onder de opgegeven ant- woordmogelijkheden diegene zouden herkennen die het best beantwoordt aan de vooropgestelde gespreksstijl, lijkt daarmee niet tegenstrijdig. In lijn met het voorgaande kan verzoeker vooralsnog ook niet worden bijgevallen in zijn standpunt dat de bestreden beslissing verkeerdelijk aanneemt dat de vragen 2 en 14 vallen onder het “inzichtelijk kunnen toepassen van principes die gangbaar zijn in de literatuur rond communicatie, zonder dat men deze principes moet kunnen benoemen of met elkaar kunnen vergelijken”. Ten slotte overtuigt verzoeker er evenmin van dat het voor een afgestudeerde van het middelbaar onderwijs onmogelijk zou zijn op een correcte wijze om te gaan met het nuanceverschil tussen de gespreksstijl „zich opstellen als een gids” en de gespreksstijl „richting geven in een gesprek‟. Alleen al overeen- komstig hun algemene spraakgebruikelijke betekenis is een „gids‟ een “leidsman” en moet het woord „richtinggevend‟ worden begrepen als “de richting aanduidend” (Van Dale). De gespreksstijlen „zich opstellen als een gids‟ en „richting geven in een gesprek‟ moeten op het eerste gezicht op een overeenkomstige wijze worden begrepen. Dat nuanceverschil lijkt niet evident te moeten zijn, opdat het door de examencommissie wettig in aanmerking mocht worden genomen als uitgangspunt van de vragen 2 en 14 van de toets „CLEAR‟ van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. 9. Wat voorafgaat volstaat om het enige middel in genen dele ern- stig te bevinden. VI. Besluit wat de vordering tot schorsing betreft 10. Aangezien verzoeker geen ernstig middel aanvoert, is niet vol- daan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn IX-9621-17/18 opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. VII. Besluit wat de gevorderde voorlopige maatregel betreft 11. Aangezien verzoeker geen ernstig middel aanvoert, kan er ook geen aanleiding zijn om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de door hem ge- vorderde voorlopige maatregel op te leggen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 oktober 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9621-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.590 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.