id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.594 Rolnummer: A. 225001/XII-8534 Zaak: Arrest 245594 - Wegverkeer van goederen - 01/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-11 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 22:46 Fiche Arrest nr 245.594 van 1 oktober 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 245.594 van 1 oktober 2019 in de zaak A. 225.001/XII-8534 In zake:
- Jose LAGOS
- de CVBA JEMA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20/4 te 1000 Brussel -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 april 2018, strekt tot de nietigver- klaring van “de beslissing [van] de Administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer dd. 9 maart 2018, waarbij in graad van beroep, aan [Jose Lagos] een administratieve geldboete van 6.400 EUR wordt opgelegd en dit op basis van de […] artikelen 3 e.v. van het Decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport […] en waarvoor [de CVBA Jema] burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld”. XII-8534- 1/9 II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september
- Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Emilie Verbeken, die loco advocaat Frederik Vanden Bogaerde verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 13 maart 2017 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Jose Lagos, eerste verzoekende partij, die reed voor rekening van cvba Jema, tweede verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de gewestweg E17 richting Gent ter hoogte van Waregem. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op as 2 van de trekker XII-8534- 2/9 bedraagt de overlading 3.811 kg of 31,8 %. De overlading van de totale sleep bedraagt 4.886 kg, hetzij 11,1 %. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, lid 1 en 2, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport). 3.
- Het proces-verbaal wordt op 7 april 2017 overgemaakt aan de procureur des Konings te Kortrijk. Op 8 juni 2017 beslist de procureur des Konings dat geen strafvervolging zal worden in gesteld. 3.
- Op 26 juni 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 6.400 euro op te leggen en wordt de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van de administratieve geldboete. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. 3.
- Op 29 juni 2017 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing. Op 25 oktober 2017 heeft een hoorzitting plaats. Naar aanleiding van de hoorzitting leggen de verzoekende partijen een schriftelijke conclusie neer. Op 10 november 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 6.400 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Deze beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. XII-8534- 3/9 3.
- Op 15 november 2017 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Op 26 januari 2018 heeft een hoorzitting plaats. De verzoekende partijen dienen opnieuw een schriftelijke conclusie in. Bij beslissing van 9 maart 2018 van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer wordt aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 6.400 euro opgelegd en wordt de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 19, §§ 2 en 3, van het decreet bijzonder wegtransport nu de in deze bepalingen voorziene vervaltermijnen niet werden gerespecteerd. In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat zij niet volharden in dit middel. Beoordeling 4.
- Het niet volharden in het middel door de verzoekende partijen kan niet anders dan als een afstand van het middel worden beschouwd. De afstand XII-8534- 4/9 van het middel wordt vastgesteld. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “art. VIII.43 WER en het KB van 28 september 2010 betreffende de automatische meetwerktuigen”. De verzoekende partijen voeren aan dat de automatische asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld niet werd geijkt. Nochtans vereist het, volgens de verzoekende partijen toepasselijk, koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’ dat automa- tische weegwerktuigen die gebruikt worden in het kader van de openbare veiligheid en de openbare orde, onderworpen worden aan ijking en technische controle. Aangezien de te dezen gebruikte asweger niet voldoet aan de vereisten van dit koninklijk besluit, menen de verzoekende partijen dat deze asdrukweger niet mocht worden aangewend bij de controle op de naleving van het decreet bijzonder wegtransport. Het enig stuk dat naar voor kan worden gebracht, betreft een verslag van metrologische controle, maar dat is geen ijkingsverslag zoals voorzien in de regelgeving. In het verslag wordt er bovendien op gewezen dat in geval van twijfel, de weging uitgevoerd moet worden op een geijkt weegwerktuig. De weegbon, die als enig bewijs van de overlading wordt voorgelegd, is enkel het product van de automatische weging. De weegresultaten kunnen dan ook niet als wettige resultaten worden aanvaard. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen nog dat het koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meet- instrumenten’ inmiddels werd vervangen door het koninklijk besluit van 15 april 2016 ‘betreffende meetinstrumenten’. Artikel 3 van dat laatste koninklijk besluit bepaalt dat het van toepassing is op meetinstrumenten zoals automatische weeg- XII-8534- 5/9 instrumenten in bijlage MI-006, in zoverre deze worden gebruikt voor taken van openbaar belang, veiligheid en orde, zoals te dezen het geval is. Vervolgens verwijzen de verzoekende partijen naar bijlage VIII bij dit koninklijk besluit dat onder Hoofdstuk I eisen stelt voor alle types automatische weeginstrumenten, zodat de asdrukwegers van de Vlaamse overheid minstens onder dit hoofdstuk vallen en dus ook onder de algemene bepalingen van het koninklijk besluit. Indien zou worden voorgehouden dat de asdrukwegers nog steeds niet dienen te voldoen aan de koninklijke besluiten van 15 april 2016 en 28 september 2010 is er volgens de verzoekende partijen sprake van een merkwaardige situatie waarbij meetinstrumenten worden gebruikt voor taken van openbare orde en veiligheid zonder aan enige specifieke metrologische wetgeving onderhevig te zijn. Het afwezig zijn van enige metrologische reglementering is discriminerend nu voor gelijkaardige taken niet dezelfde verplichte metrologische reglementering bestaat als voor bijvoorbeeld meettoestellen gebruikt om toezicht uit te oefenen op de politie over het wegverkeer. Beoordeling 4.
- Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 15 april 2016 ‘betreffende meetinstrumenten’, bepaalt: “De automatische weegwerktuigen, zoals gedefinieerd in bijlage VIII van het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten en die gebruikt worden voor het uitvoeren van meettaken uit overweging van openbaar belang, volksgezondheid, openbare veiligheid, openbare orde, milieubescherming, heffing van belastingen en andere heffingen, consumentenbescherming en eerlijke handel zijn onderworpen aan herijk en technische controle. De herijk wordt om de vier jaar uitgevoerd. Automatische weegwerktuigen gemonteerd op vrachtwagens, heftrucks, bulldozers en andere voertuigen worden om de twee jaar herijkt.” XII-8534- 6/9 Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 15 april 2016 ‘betreffende meetinstrumenten’, verwijst voor het toepassingsgebied van de verplichting inzake herijk en technische controle bijgevolg opnieuw naar de bijlage VIII bij het voormelde koninklijk besluit van 15 april 2016 (oude bijlage MI-006 bij het voormelde koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meetinstrumenten’). De nieuwe bijlage VIII bij het koninklijk besluit van 15 april 2016 ‘betreffende meetinstrumenten’ heeft naar analogie met de vroegere bijlage MI-006 bij het koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meetinstrumenten’, nog steeds slechts betrekking op vijf types van automatische weegwerktuigen, te weten:
- automatische vangwegers;
- automatische weegmachine voor afwegen (vroegere doseerweegwerktuigen);
- discontinu totalisator (vroegere discontinu totaliserende weegwerktuigen);
- continu totalisator (vroegere continu totaliserende bandwegers); en
- automatische spoorwegweegbruggen. De verzoekende partijen duiden niet aan onder welk van deze vijf types van automatische weegwerktuigen de betrokken asdrukweger zou vallen. Het verweer dat het koninklijk besluit enkel van toepassing is op de apparaten en systemen met een meetfunctie die zijn omschreven in de instrumentspecifieke bijlagen en niet zonder meer op alle automatische weeginstrumenten, blijkt te moeten worden bijgevallen. Er dient te worden vastgesteld dat de betreffende asdrukwegers niet onder de voormelde specifieke types van automatische weegwerktuigen, gedefinieerd in bijlage VIII van het koninklijk besluit van 15 april 2016 ‘betreffende meetinstrumenten’, worden vermeld. De verzoekende partijen tonen bijgevolg niet aan dat de automatische asdrukwegers onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’. XII-8534- 7/9 4.
- Bovendien dient in ieder geval ook te worden vastgesteld dat, blijkens de vermeldingen in het proces-verbaal van 13 maart 2017, dat eveneens aan het administratief dossier werd toegevoegd, de betreffende asdrukweger met serienummer 003733 op 28 juli 2016, dit is minder dan een jaar voorafgaand aan de uitvoering van de weging, werd onderworpen aan een vrijwillige metrologische controle uitgevoerd door de sectie Metrologie van het agentschap Wegen en Verkeer. De verzoekende partijen brengen geen gegevens bij die eraan doen twijfelen dat een controle op vrijwillige basis door de metrologische dienst, waarvan de bevoegdheid en kunde ter zake niet in vraag wordt gesteld, minder zekerheid zou verschaffen omtrent de correctheid van een uitgevoerde weging dan in geval van een bij wet voorziene ijking. De verzoekende partijen zetten voorts niet uiteen op welke wijze artikel VIII.43, van het Wetboek van Economisch Recht zou zijn geschonden, nu deze bepaling een meting betreft in het economisch verkeer die tot doel heeft de hoeveelheid van enig goed of de hoegrootheid van een dienst te bepalen. 4.
- Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 3 en 14 van het decreet bijzonder wegtransport aangezien het moreel element niet aanwezig is. In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat zij niet volharden in het middel. XII-8534- 8/9 Beoordeling 4.
- Het niet volharden in het middel door de verzoekende partijen kan niet anders dan als een afstand van het middel worden beschouwd. De afstand van het middel wordt vastgesteld. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 oktober 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Johan Bovin XII-8534- 9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.594 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.